München, 15 mei 1922
Verslag over een aanslag op Rudolf Steiner door extremisten. Verzameld en becommentarieerd door Walter Heijden


Toen Rudolf Steiner in de ochtend van 15 mei 1922 in München uit de nachttrein stapte, kwam hij in een stad die hem niet onbekend was. In 1906 had Steiner de Fransman Edouard Schuré voor het eerst ontmoet. Tijdens hun gesprekken was ook de componist Wagner onderwerp van gesprek geweest. Schuré had veel belangstelling voor Wagner en diens ideaal om een bouwwerk op te richten waarin alle kunsten hun plaats zouden krijgen: het Buhnenfestspielhaus. Toen Schuré Wagner een keer ontmoette, had deze net te horen gekregen dat in Munchen geen toestemming was gegeven om te bouwen. Toen dit gebouw later in Bayreuth toch werd gerealiseerd, was Schuré aanwezig bij de opening.

In die tijd was Steiner voorzitter van de Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging. In 1907 was Duitsland aan de beurt om het jaarlijkse congres van die vereniging te organiseren. Het congres vond plaats in München. Steiner vond dat er binnen de Theosofische Vereniging te weinig plaats was voor kunst en probeerde op dit congres hier iets aan te doen. Ten eerste liet hij in de zaal zegels en zuilen afbeelden en ten tweede werd een toneelstuk van Schuré opgevoerd." Het congres in München werd een mijlpaal in Steiners leven en hij bleef nog enige jaren in München actief. In 1909 werd er weer een toneelstuk van Schuré opgevoerd. In de jaren 1910-1913 schreef Steiner ieder jaar een zogenaamd mysteriedrama, dat direct in München werd opgevoerd. De voorstellingen werden gegeven in ouderwetse theaters die niet pasten bij de vorm en de inhoud van de mysteriedrama's. Zo werd dan ook het plan opgevat om een eigen gebouw hiervoor te bouwen. Behalve als theater zou dit tevens als cultuurcentrum voor de antroposofie moeten dienstdoen. Er werd een vereniging opgericht om geld te verzamelen en een architect kreeg de opdracht om het gebouw te tekenen op aanwijzingen van Steiner. In 1911 waren de plannen gereed, maar de overheid in München gaf geen toestemming om te bouwen. In het Zwitserse plaatsje Dornach bij
Basel kon wel gebouwd worden en vanaf 1913 werd hier hard gewerkt om het gebouw, dat de naam Goetheanum kreeg, te realiseren. Het werd geheel volgens de bouwideeën van Steiner gebouwd. In 1914 begon de oorlog. Doordat Zwitserland neutraal bleef, kon er verder gebouwd worden. De bouwers van het Goetheanum kwamen uit zeventien verschillende landen en werkten ijverig verder, terwijl ze vaak het kanongebulder in de nabijgelegen Vogezen konden horen. Het Goetheanum werd een gebouw waarin alle kunsten aanwezig konden zijn; de afbeeldingen van de zuilen van het congres van 1907 in Munthen werden hier omgezet in werkelijke zuilen. Het Goetheanum zou in de nacht van 31 december 1922 op 1 januari 1923 door brandstichting verloren gaan.
In München had Steiner dus veel beleefd, had hij veel idealen gehad, maar had hij niet de gelegenheid gekregen om deze allemaal te verwezenlijken.

In mei 1922 was Steiner bezig met een toer door Duitsland. Deze werd niet door antroposofen georganiseerd, maar door het Berlijnse impresariaat Sachs & Wolff. Steiner was in die tijd 'beroemd en omstreden'; hem als spreker laten rondtrekken was dus ‘big business’. Steiner hield openbare voordrachten in negen Duitse steden over Anthroposophie und Geisterkenntnis. München stond voor 15 mei op het programma De voordracht daarvoor had hij in Breslau gehouden, de volgende zou in Mannheim zijn. Völkische tegenstanders van Steiner waren gemobiliseerd. Enkele dagen voor de voordracht had er een oproep in de krant gestaan: 'Hopelijk zijn er Duitse mannen te vinden die verhinderen dat deze meneer Steiner überhaupt de grond van München betreedt.'
De voordracht moest gehouden worden in een soort toneelzaal van het hotel Vier Jahreszeiten; in dit hotel zat ook het beruchte Thule-Gesellschaft, een nationalistische en antisemitische loge; deze loge was sterk verwant aan de NSDAP en enkele bekende nazi's zoals Rudolf Hess en Alfred Rosenberg waren er lid van. De jonge antroposoof Hans Büchenbacher organiseerde veiligheidsmaatregelen rond Steiners voordracht. Hij verzamelde een aantal jonge leden van de Antroposofische Vereniging als wachtdienst. Zij moesten in de voorste rijen van de zaal staan, in de hal ervoor bij de trap, in het kamertje waar de belichting van de zaal werd bediend en op enkele andere strategische plekken. Bovendien liet hij via de vertegenwoordiger van Sachs & Wolff uit München enkele werkloze boksers en worstelaars komen, iets wat gebruikelijk was bij zulke gelegenheden in het München van begin jaren twintig, waar veel geknokt werd door nationalisten, nationaal-socialisten, andere rechtsradicalen en door communisten.

Büchenbacher haalde Steiner om acht uur van het station op. Steiner had een beetje koude voeten, zodat Büchenbacher voorstelde om te voet naar het hotel te gaan. Onderweg vertelde Büchenbacher Steiner wat er aan de hand was, waarop Steiner hem om zijn mening vroeg. Büchenbacher zei: 'We kunnen zeker niet voor de antroposofie opkomen tijdens veldslagen in de zaal, maar we moeten toch één keer proberen of de tegenstanders werkelijk met geweld - inclusief de ergste mogelijkheden - tegen ons tekeer zullen gaan, zodat we niet slechts op grond van dreigementen de voordrachtsactiviteit van Doctor Steiner in Duitsland afbreken.' Hierop vroeg Steiner of het wel verstandig was om de voordracht te laten doorgaan en of Büchenbacher hem advies kon geven. Büchenbacher zei daarop: 'Dat kan ik nog niet zeggen; ik moet eerst in de loop van de ochtend bij de politie vaststellen of er voldoende veiligheidsmaatregelen kunnen worden genomen.' Daarop zei Steiner: 'Het zal nog een zover komen dat ik alleen nog maar in het door de Fransen bezette Rheinland zal kunnen spreken.'

Na het ontbijt in de Vier Jahreszeiten, waar Steiner ook zou overnachten, ging Büchenbacher naar de politie. Steiner vroeg of hij mee mocht, wat Büchenbacher vanzelfsprekend goed vond. Daar werd hun gezegd dat alle agenten nodig waren voor een inzet bij een grote tentoonstelling. Hierop zei Büchenbacher: 'Ik zal met mijn eigen mensen voor de veiligheid zorgen en als frontofficier kan ik u verzekeren dat we de veldslag in de zaal zullen winnen.' Na deze mededeling werden toch tien tot twaalf agenten toegezegd. Steiner zweeg de hele tijd, maar vroeg toen ze wegliepen: 'Gelooft u dat hij agenten stuurt?’ Buchenbacher antwoordde: 'Ik heb al vaker met hem moeten onderhandelen en ben ervan overtuigd dat hij het doet.' Steiner: 'Indien niet, dan zou hij een grote huichelaar moeten zijn.' Büchenbacher: 'Dat is hij niet.'
Daarna stond een bezoek aan het impresariaat op het programma en ook hier wilde Steiner met Büchenbacher mee. Het impresariaat had de boksers en worstelaars al georganiseerd. Ernst Uehli en enkele andere antroposofen uit Stuttgart hadden Büchenbacher streng verboden om Steiner dit te vertellen. Nu kreeg Steiner het toch te horen toen men Büchenbacher vroeg waar de boksers en worstelaars zich moesten opstellen. Büchenbacher zei dat ze 'onzichtbaar' in het hotel moesten zijn en dat de aanvallers het eerst door de mensen die Büchenbacher zelf georganiseerd had 'ontvangen' zouden worden. De boksers en worstelaars wilde hij als versterking achter de hand houden. Steiner hoorde dit allemaal aan, glimlachte fijntjes, maar zei niets.

Buchenbacher en Steiner liepen vervolgens terug naar het hotel. Büchenbacher was zeer opgewonden en begon ontzettend op de antroposofen in Stuttgart te schelden, omdat deze volgens hem in hun gedrag ten opzichte van de tegenstanders volkomen hadden gefaald. Steiner bleef rustig, maar zei wel: 'Ja, u heeft gelijk; in Stuttgart wordt verschrikkelijk dom gedaan.' Büchenbacher reageerde een beetje verbaasd en vroeg: 'Neemt u mij niet kwalijk, Herr Doktor, laat u dat gebeuren omdat u niet in de vrijheid van de mensen wil of mag ingrijpen?' Nu was het Steiners beurt om zich op te winden: 'Nee, men gelooft niet wat ik zeg, en ze begrijpen het misschien achteraf, als er iets ergs is gebeurd.'

's Middags dronk Steiner thee met de antroposofische verdedigers die Büchenbacher bij elkaar had geroepen. Het waren niet alleen maar mensen uit München, er waren ook enkele mensen uit Stüttgart gekomen. Het gesprek ging niet zozeer over de voordracht en de spanning, als wel over een antroposofisch congres dat binnenkort in Wenen zou plaatsvinden.

De voordracht was uitverkocht. Slechts zeven agenten in burger waren verschenen. Niet meer dan twaalf antroposofen vormden de directe lijfwacht, de boksers en worstelaars stonden verdekt opgesteld. Steiner begon te spreken en ondanks een gespannen sfeer wees niets op een mogelijke interruptie. Steiner sprak eerst langzaam, zorgvuldig formulerend. De voordracht vorderde en een 'loos alarm'-stemming maakte zich van de lijfwacht meester. De jonge mensen die door Büchenbacher in het kamertje waren gezet van waaruit de belichting werd bediend, meenden dat er niets meer zou gebeuren en gingen naar de grote zaal om toch nog een gedeelte van de voordracht te horen. Toen Steiner een half uur gesproken had ging plotseling het licht in de zaal uit. De spanning was om te snijden. Iedereen verwachtte dat het nu ging gebeuren. Het enige licht in de zaal was het lampje van de stenograaf, die wat lager voor het spreekgestoelte zat, dat bleef branden. Steiner sprak verder alsof er niets aan de hand was, met overtuiging en tegenwoordigheid van geest. Zo komt het dat wie de voordracht leest, niets merkt van wat er aan de hand was. In de zaal bleef het doodstil. Alleen de bewakers van het belichtingskamertje spoedden zich terug naar hun post, zodat na enige minuten het licht weer aan ging. Een kort doch krachtig applaus volgde. Steiner sprak rustig verder tot zijn voordracht klaar was.

Na de voordracht kwam er een groot applaus. Steiner bedankte daarvoor en liep over het toneel naar links naar een kamertje achter het toneel. Het applaus hield aan, zodat Steiner nog een keer terugkeerde. Toen hij weer terug liep over het toneel begon het door Büchenbacher en de zijnen al eerder verwachte tumult. Van rechts stormden enkele aanvallers het podium op; er klonken seinfluitjes en er werden stinkbommen gegooid. De verdedigers holden meteen via het linker trapje het toneel op of sprongen daar direct op. Zij waren op tijd om de aanvallers de doorgang richting de deur waardoor Steiner verdween te beletten. Weliswaar hebben de aanvallers de deur bereikt, maar toen was Steiner al verdwenen en bovendien waren er twee mensen die de deur vanaf de andere kant dicht hielden. Midden op het toneel ontstond meteen een stevige knokpartij, die echter spoedig door de verdedigers gewonnen werd. Een vijftien centimeter lange dolk bleef op het toneel achter. Op dat moment verschenen de boksers en worstelaars en begon een korte veldslag in de zaal. Er waren slechts enkele lichtgewonden. De politie greep pas na verloop van tijd in. Direct na de voordracht trokken demonstranten door de wijk, zingend “Siegreich woll'n wir Frankreich schlagen”.

Zijn avondeten nuttigde Steiner niet in het restaurant van het hotel, maar met enkele vrienden in een bovenkamer. De vrienden waren blij dat het goed was afgelopen en tevens bedrukt dat zoiets mogelijk bleek te zijn. Büchenbacher had op de gang nog aan Steiner gevraagd: 'Hoe vindt u dat alles is gegaan?' 'Uitstekend' was het antwoord geweest. Dat is alles wat Steiner over de gebeurtenissen zei. Steiner sliep in een andere kamer dan voor hem gereserveerd was. De trein naar Mannheim zou om zeven uur vertrekken. Om problemen op het station te voorkomen stelde Buchenbacher voor dat Steiner een taxi naar Augsburg zou nemen en daar de trein naar Mannheim zou pakken. Steiner leek dit geen goed plan te vinden. In het spoorboekje vond Buchenbacher nog een trein om zes uur naar Augsburg. Met dit alternatief was Steiner wel tevreden. Om half zes was Steiner klaar voor vertrek. Op het station verliep alles rustig. De antroposofen die naar Stuttgart teruggingen reden met Steiner mee. In Stuttgart namen ze afscheid van Steiner.

Om zeven uur verschenen niet alleen enkele antroposofen op het station van Mïanchen om Steiner (tevergeefs) uit te zwaaien, maar ook de relschoppers. Tot een handgemeen kwam het niet; wel dient vermeld te worden dat Büchenbacher enkele dagen na de voordracht persoonlijk werd aangevallen. Toen hij later in Stuttgart kwam zag hij Steiner in een groep mensen ergens op een trap staan. Steiner zag Büchenbacher komen en riep hem duidelijk hoorbaar toe: 'Ik ben blij dat u nog leeft!'
Enkele dagen na de voordracht organiseerde de Bayerische Mittelpartei in de Wagnersaal een tegenmanifestatie; de organisator van de Deutschnationale Partei in Württemberg, de heer Roos uit Stuttgart 'rekende af’ met de 'hoogverrader' Steiner. Hij kreeg enorm applaus. Enkele Steiner-aanhangers konden slechts met hulp van de politie uit de zaal wegkomen.

De pers in Munchen schonk in mei 1922 veel aandacht aan Steiner en de commotie rond hem. Hier volgen twee vertalingen van kranteartikelen. De Munchener Zeitung van dinsdag 16 mei 1922 berichtte op pagina 3 het volgende:

"Tumult bij Steiner-voordracht. Bij een voordracht van de theosoof en antroposoof Rudolf Steiner in de zaal van het hotel de Vier Jahreszeiten kwam het aan het slot tot een groot tumult. Demonstratief applaus werd met gillend gefluit beantwoord. Het podium werd aan de ene kant door aanhangers, aan de andere kant door tegenstanders van Steiner bestormd. Stokken werden gezwaaid, er vielen enige klappen, ook werden er stinkbommen gegooid, tot tenslotte het ontploffen van een stuk vuurwerk een wilde paniek veroorzaakte. De politie ontruimde de zaal, waarbij enige personen werden gearresteerd. Een aantal jonge mensen trok hierop naar de Bahnhofplatz en zong voor de mast van de dit keer omlaaggetrokken zwart-roodgouden vlag het vlaggelied."

In de Völkische Beobachter (de nazi-krant) van zaterdag 27 mei 1922, stond op de eerste twee pagina's een artikel over vier soorten 'volksverzieking. De derde vorm daarvan was volgens het artikel de antroposofie:

"
Steiner, de nieuwe messias

Als de theosofie als moeder al van twijfelachtige afkomst en tamelijk smerige nering is, wat moet je dan van haar zoon, de antroposoof Dr. Steiner zeggen? De appel zal niet ver van de boom vallen. Steiners moeder kent men nog. Met de vader is het evenwel een andere zaak. Hij zou geen jood zijn, maar wie zich met de mismaakte vormen van het denken van Steiner heeft beziggehouden, ziet zonder veel moeite in dat Talmoed en Kabbala het sperma waren, waaruit dit merkwaardige gewas gedijde. Wat wil Steiner nu eigenlijk? Toch zo ongeveer hetzelfde als de theosofen. Hij is alleen nog wat veeleisender en royaler met zijn beloftes, hij is meer wisselend van karakter, en vooral, hij maakt nog beter propaganda voor zijn gedachten dan de theosofische broeders. Over het geheel genomen heeft dr. Franz Hartmann de Steinerei zeer goed als volgt samengevat: "Het goede dat Steiner brengt is niet nieuw - en het nieuwe dat Steiner brengt is niet goed." Dus met andere woorden en iets minder voornaam uitgedrukt: de blijde boodschap van Steiner is overal vandaan bij elkaar gestolen en wordt, halfbegrepen en aangepast aan de huidige tijd, zuiver bedrijfsmatig in de massa geworpen. Dit bedrijfsmatige is het wezenlijke, want meneer Steiner is als heilige van deze tijd ook een zeer handige zakenman. Hij heeft in zijn geesteswetenschap ook een naamloze vennootschap Der ‘kommende Tag' opgenomen, en ook al is voor deze 'kommende Tag' onlangs door onheilige gebeurtenissen de avondschemering aangebroken, zo bewees niettemin het aandelenkapitaal van 70 miljoen, dat de geesteswetenschap krediet heeft. Maar nu over de leer van deze apostel. Meneer Steiner heeft het door meditatie-oefeningen tot helderziendheid gebracht, het lukte hem daardoor tot 'de inzichten van de hogere werelden' te komen, die hij door de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria en andere in de 'kommende Tag' samengesloten 'aardse werelden' volgens het voorbeeld van zijn 'driegeleding van het sociale organisme' ook bij ons in Duitsland ingang wil doen vinden. In deze hogere wereld, die ons de kommende Tag' zal brengen, heerst vanzelfsprekend gelijkgerechtigheid voor allen, en 'door een emancipatie van de onderste lagen, namelijk van wat men proletariaat noemt, mogen we een nieuwe culturele bloei verwachten'. Dus meneer Steiner is net als zijn theosofische broeders edelbolsjewist, hij lonkt naar de internationale radenrepublieken en heeft er ook al aan gedacht hoe hij hun vijanden onschadelijk zou kunnen maken. Hij raadt namelijk "dringend aan om het volgende te organiseren: De namen van alle officieren vast te stellen die op de een of andere manier in reactionaire zin actief zijn of zouden kunnen zijn." Dan moeten er valse getuigen worden gezocht, die "onder ede verklaringen moeten afleggen dat de officieren handelingen tegenover de vijandige bevolking zouden hebben begaan die in strijd met het volkerenrecht zijn... Deze vaststellingen zouden door Grelling (!) aan de geallieerden overgebracht moeten worden". Deze onthulling hebben we te danken aan de 'Hammer' nr. 466, zonder dat ze tot op heden tegengesproken is. Men ziet dus, meneer Steiner is ook politicus, en wel van het type Eisner, wiens geestverwant hij is blijkens zijn geschrift 'An das deutsche Volk und die Kulturwelt' waarin hij Duitsland de morele schuld aan de wereldoorlog geeft.
De pen weigert zich met zo'n Duitsvijandige charlatan serieus bezig te houden. Maar de haren gaan recht overeind staan als men bedenkt dat deze man vorige week ongehinderd een voordracht in Milnchen kon houden, zonder dat de regering optrad! Of kon soms de Beierse regering, zelfs als ze gewild zou hebben, om redenen van verwantschap aan de praktijken van dit voor het volk schadelijk individu geen einde maken, omdat een meneer graaf Otto von Lerchenfeld medeoprichter van de geesteswetenschappelijke naamloze vennootschap Der kommende Tag' is? Dat zou ons niet verbazen, omdat in het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn immers ook een aantal aanbidders en begunstigers van Steiner hun kwalijke praktijken uitvoeren.
Tenslotte: meneer Steiner wil met zijn leer praktisch hetzelfde wat alle vijanden van onze staats- en volkszelfstandigheid nastreven. Hij noemt het slechts anders.
Onder de naam 'antroposofie' en 'driegeleding' voert hij zijn duistere zaken uit, waarbij hem miljoenen ter beschikking staan om ons volk met zijn leer te verzieken, en door zijn invloed in wijde kringen is hij tot een gevaar voor onze tegenwoordige tijd en toekomst geworden. Meneer Steiner mag zijn gifklier in het buitenland uitspuiten, voor mijn part in Dornach bij Basel waar hij een tempel neerzette, waarmee hij de naam van onze Goethe ontheiligde, dezelfde Goethe die in 1781 aan Lavater schreef 'Geloof me, onze morele en politieke wereld is met onderaardse gangen, kelders en riolen ondermijnd.' Riool, dit past uitstekend op de omgeving van meneer Steiner die zich als gereïncarneerde Christus door zijn 21 gereïncarneerde Magdalena's de handen laat aflikken.
"

In de inleiding van dit boek viel te lezen dat Van der Meulen over de gebeurtenissen rond de voordracht van 15 mei 1922 het volgende meldde:

In 1920 vindt er in Hotel Pier Jahreszeiten in Miinchen een aanslag plaats op het leven van Steiner en dat ook hier Adolf Hitler een persoonlijke rol moet hebben gespeeld, blijkt uit twee feiten. De eerste is dat Hitler in die tijd werkte vanuit datzelfde hotel, de tweede dat daags voor de aanslag in deVölkische Beobachter, een krant waar Hitler als redacteur werkte, een oproep verscheen aan de inwoners van Miinchen om Rudolf Steiner uit die stad te weren.

Over deze beweringen valt een aantal dingen op te merken. Zo was de aanslag niet in 1920 maar in 1922. Dat Hitler werkte vanuit hetzelfde hotel is overdreven gesteld. Hij zal zeker contacten met de Thule-Gesellschaft hebben onderhouden, maar was daar geen lid van. Verder heb ik nog niet kunnen achterhalen in welke krant de oproep stond, maar het was in ieder geval niet de Völkische Beobachter; temeer omdat deze krant daags voor de aanslag niet uitkwam: dat was namelijk een zondag. De Völkische Beobachter kwam in mei 1922 alleen uit op woensdag en zaterdag. Bovendien was Hitler geen redacteur van die krant. Voor de stelling dat Hitler achter de aanslag zou zitten bestaat geen enkel steekhoudend argument. Het enige feit is dat de Völkische Beobachter twaalf dagen na de aanslag over Steiner (en diens voordracht in Miinchen) schreef.

Ter afsluiting van dit hoofdstuk volgen nog enkele citaten met commentaar van de bij de aanslag aanwezige antroposofen Beek, Bilchenbacher en Halm.

Aangenomen dat tijdens deze gebeurtenis in het korte tumult Rudolf Steiner werkelijk zou zijn aangevallen, verwond en zo in zijn verdere activiteiten gehinderd zou zijn, hoe zou de verdere geschiedenis - en niet slechts die van de antroposofische beweging - zijn verlopen na deze mei 1922?

De organisator van de voordrachtsreis van Rudolf Steiner, het Berlijnse impresariaat Wolff, deelde op grond van zijn informatie mee dat de veiligheid van de spreker niet kon worden gegarandeerd. In een op 23 mei 1922 in Stüttgart gehouden ledenvoordracht wees Rudolf Steiner erop, dat steeds wanneer in de mensheid de spiritualiteit is opgetreden, de vijandschap tegen deze spiritualiteit ook is opgetreden, en dat de hetze die nu door herrieschoppers tegen de antroposofie wordt uitgevoerd, slechte het uiterlijke product van de onwaarachtige hetze is, die door de daarachter staande, vaak als zeer geestrijk beschouwde persoonlijkheden sinds jaren wordt bedreven. Veel van wat in wetenschappelijke kringen optreedt heeft door zijn innerlijke onwaarachtigheid, door de onvoldoende wil om zich werkelijk in de dingen te verdiepen, zijn deel daaraan bijgedragen, dat tegenwoordig degenen 'die geblinddoekt in de strijd worden gedreven, op een relschoppende en hetzerige manier tegen de antroposofie optreden’.”

"
Toen we daar afscheid hadden genomen van Rudolf Steiner, keek hij ons lang vanuit het raam van zijn coupé na. Zijn gezichtsuitdrukking is onvergetelijk voor mij. Er lag veel in dat zich niet in woorden laat zeggen. Maar je vernam ook wat hij bewust had vermeden hardop te zeggen: vergeet dit moment nooit - het was ingrijpender en verstrekkender dan jullie nu kunnen vermoeden. Meer dan een decennium later begon ik te begrijpen wat er toen was gebeurd. Op die avond had ons door een kier de grimas van de demon al aangekeken, die weldra op het punt zou staan om onnoemelijke duisternis en onnoemelijke ellende over Midden-Europa te brengen."

Verzameld en becommentarieerd door: Walter Heijder

Uit: Rudolf Steiner versus national-socialisme
Hosted by www.Geocities.ws

1