| Aan het Duitse volk en aan de overige mensheid | |||||
| Oproep van Rudolf Steiner door middel van een wijd verspreid vlugschrift indertijd ondertekent door een aantal bekende persoonlijkheden en wel in 1919. Ook in Nederland werd het, voorzien van een lijst namen van Nederlanders, in omloop gebracht. Originele titel: "An das deutsche Volk und an die Kulturwelt!" |
|||||
| Hecht geconstrueerd voor onafzienbare tijden, zo beschouwde het Duitse volk zijn een halve eeuw geleden gestichte Rijk. In augustus 1914 meende het dat de oorlogscatastrofe, aan het begin waarvan het zich geplaatst zag, aan zou tonen dat dit bouwwerk onoverwinnelijk was. Nu kan het alleen nog maar op de puinhopen ervan neerzien. Op een dergelijke ervaring moet zelfinkeer volgen. Want deze ervaring heeft aangetoond dat de mening die een halve eeuw opgeld deed en in het bijzonder de heersende gedachten tijdens de oorlogsjaren een dwaling waren met tragische gevolgen. Waar liggen de oorzaken van deze noodlottige dwaling? Deze vraag moet in de zielen van alle leden van het Duitse volk zelfinkeer teweegbrengen. Of nog de kracht tot zo'n zelfinkeer wordt opgebracht, daarvan hangt de bestaansmogelijkheid van het Duitse volk af. De toekomst van dit volk hangt ervan af of het zichzelf in ernst de vraag kan stellen: hoe ben ik tot deze dwaling gekomen? Stelt het zichzelf thans die vraag, dan zal het besef dagen dat het een halve eeuw geleden wel een rijk heeft gegrondvest, maar nagelaten heeft dit rijk een taak te stellen die uit het innerlijk wezen van het Duitse volk voortsproot. - Het Rijk was gegrondvest. In de eerste tijden van zijn bestaan hield men zich bezig met het ordenen van zijn innerlijke bestaansmogelijkheden volgens de eisen die door oude tradities en nieuwe behoeften van jaar tot jaar naar voren kwamen. Later ging men ertoe over zijn op materi�le krachten gegronde uiterlijke machtspositie te verstevigen en te vergroten. Daarmee verbond men maatregelen met betrekking tot de sociale eisen van de moderne tijd, maatregelen die weliswaar rekening hielden met wat van dag tot dag noodzakelijk bleek, maar waaraan toch een groot doel ontbrak, zoals dat had moeten voortkomen uit een inzicht in de ontwikkelingskrachten waartoe de moderne mensheid zich moet wenden. Zo was het Rijk in het wereldverband geplaatst zonder wezenlijke doelstelling die zijn bestaan rechtvaardigde. Het verloop van de oorlogscatastrofe heeft dit op treurige wijze geopenbaard. Tot aan het uitbreken ervan was voor de overige wereld aan het gedrag van het Duitse Rijk niets te zien wat de mening had kunnen doen post vatten: de bestuurders van dit Rijk vervullen een wereldhistorische opdracht, die niet mag worden weggevaagd. Dat deze bestuurders een dergelijke opdracht niet hebben gevonden heeft noodzakelijkerwijs die opinie verwekt in de overige wereld, die voor degene die werkelijk inzicht heeft de diepere oorzaak van de Duitse ineenstorting is. Onmetelijk veel hangt er voor het Duitse volk nu van af of het deze toestand onbevangen kan beoordelen. In het ongeluk zou het inzicht moeten opwellen, dat in de laatste vijftig jaar verstek heeft laten gaan. In plaats van het benepen denken over de meest voor de hand liggende eisen van het moment zou nu een krachtige levensbeschouwelijke visie moeten komen, die er met sterke gedachten naar streeft de ontwikkelingskrachten van de moderne mensheid te onderkennen en die zich met moedige wil aan deze krachten wijdt. Er zou een einde moeten komen aan de kleinzielige drang die al diegenen als onpraktische idealisten onschadelijk maakt, die hun blik op deze ontwikkelingskrachten richten. Er zou een einde moeten komen aan de aanmatiging en de hoogmoed van diegenen die zichzelf voor practici aanzien en die door hun bekrompenheid onder het mom van praktisch handelen het ongeluk hebben teweeggebracht. Rekening zou moeten worden gehouden met wat degenen die voor idealisten worden uitgemaakt maar die in feite de werkelijke practici zijn, over de ontwikkelingsbehoeften van de moderne tijd te zeggen hebben. De 'practici' van alle richtingen zagen weliswaar sinds lang het opkomen van geheel nieuwe mensheidseisen. Maar zij wilden aan deze eisen tegemoetkomen binnen het kader van oude, overgeleverde denkgewoonten en inrichtingen. Het economische leven van de moderne tijd heeft deze eisen aan het licht gebracht. Hen te bevredigen langs de weg van het particuliere initiatief scheen onmogelijk. Omzetting van particuliere arbeid in maatschappelijke drong zich aan de ene klasse van mensen op enkele gebieden als noodzakelijk op; en dit werd daar verwerkelijkt waar het deze klasse volgens haar levensopvatting nuttig voorkwam. Radicale overgang van alle particuliere arbeid in maatschappelijke arbeid werd het doel van een andere klasse, die door de ontwikkeling van het moderne economische leven geen belang heeft bij de instandhouding van de overgeleverde particuliere doeleinden. Aan alle pogingen die tot dusver met betrekking tot de moderne eisen van de mensheid zijn ondernomen ligt iets gemeenschappelijks ten grondslag. Zij streven naar socialisering van het particuliere en rekenen daarbij op de overname van dit laatste door gemeenschappen (staat, commune), die uit verhoudingen stammen die met de moderne eisen niets van doen hebben. Of men denkt in termen van een nieuw soort gemeenschappen (bijvoorbeeld co�peraties), die echter ook niet volledig in de geest van deze moderne eisen zijn ontstaan maar die vanuit overgeleverde denkgewoonten naar oude vormen gemodelleerd zijn. De waarheid is dat geen enkele gemeenschap die in de geest van deze oude denkgewoonten is gevormd, kan opnemen wat men door haar opgenomen wil zien. De krachten van de tijd dringen naar kennis van een sociale structuur voor de mensheid, die oog heeft voor geheel andere zaken dan waarvoor men thans gewoonlijk oog heeft. De sociale gemeenschappen hebben zich tot nu toe voor het grootste deel vanuit de sociale instincten van de mensheid ontwikkeld. Hun krachten met vol bewustzijn te doordringen wordt de opgave van de tijd. Het sociale organisme is geleed zoals het natuurlijke. En zoals het natuurlijke organisme voor het denken zorg moet dragen door middel van het hoofd en niet door middel van de longen, zo is voor het sociale organisme de geleding in systemen noodzakelijk, waarvan geen enkel de taak van een ander kan overnemen, maar eik met behoud van zijn zelfstandigheid met de andere moet samenwerken. Het economische leven kan slechts gedijen, wanneer het zich als een zelfstandige geleding van het sociale organisme volgens zijn eigen krachten en wetten ontwikkelt en wanneer zijn structuur niet in de war wordt gebracht, doordat het zich door een andere geleding van het sociale organisme, de politiek werkzame, laat opzuigen. Deze politiek werkzame geleding moet in tegendeel in volle zelfstandigheid naast de economische bestaan, zoals in het natuurlijke organisme het ademhalingssysteem naast het hoofdsysteem bestaat. Dat zij heilzaam samenwerken, kan niet worden bereikt doordat ��n enkel wetgevings- en bestuursorgaan zorg draagt voor beide geledingen, maar doordat elke geleding zijn eigen wetgeving en bestuur heeft, die levendig samenwerken. Want het politieke systeem moet de economie wel vernietigen wanneer het die wil overnemen; en het economische systeem verliest zijn levenskansen wanneer het politiek wil worden. Naast deze beide geledingen van het sociale organisme moet, volledig zelfstandig en vanuit zijn eigen levensmogelijkheden gevormd, een derde treden: die van de geestelijke produktie, waartoe ook het geestelijk bestanddeel van de beide andere geledingen behoirt, dat hun door de derde, met een eigen regelgeving en bestuur uitgeruste geleding moet worden geschonken, dat echter niet door hen kan worden bestuurd of op een andere wijze kan worden be�nvloed dan binnen een natuurlijk totaalorganisme de naast elkaar bestaande deelorganismen elkaar over en weer be�nvloeden. Men kan reeds heden datgene wat hier over de vereisten van het sociale organisme is gezegd, tot in alle bijzonderheden volledig wetenschappelijk onderbouwen en uitwerken. In deze uiteenzetting kunnen slechts de hoofdlijnen worden weergegeven voor allen die deze vereisten nader willen vervolgen. De stichting van het Duitse Rijk viel in een tijd waarin deze vereisten de moderne mensheid tegemoet traden. Zijn bestuur heeft het niet verstaan het Rijk een taak te stellen vanuit d blik op deze vereisten. Deze blik zou het Rijk niet alleen d juiste interne opbouw hebben gegeven, het zou ook zijn buitenlandse politiek een gerechtvaardigde richting hebben verleend. Op grond van een dergelijke politiek zou het Duitse volk met de niet-Duitse volkeren hebben kunnen samenleven. Nu zou uit het ongeluk het inzicht moeten rijpen. Men zou de wil moeten ontwikkelen om tot een mogelijk sociaal organisme te komen. Niet een Duitsland dat er niet meer is, zou de buitenwereld tegemoet moeten treden, maar een geestelijk, een politiek en een economisch systeem zouden middels hun vertegenwoordigers in zelfstandige delegaties moeten willen onder handelen met degenen door wie dat Duitsland op de knie�n is gebracht, dat zichzelf door de verstrengeling van de drie systemen tot een onmogelijk sociaal bouwwerk heeft gemaakt. In gedachten hoort men al de practici, die uitweiden over de ingewikkeldheid van wat hier gezegd is; die het lastig vinden over de samenwerking van drie lichamen zelfs ook maar te denken, omdat zij niets willen weten van de werkelijke eisen van het leven, maar alles volgens de gemakzuchtige eisen van hun denken willen vormen. Hun moet duidelijk worden: ofwel men zal zich de moeite getroosten zich met zijn denken te voegen naar de eisen van de werkelijkheid, ofwel men zal van het ongeluk niets hebben geleerd, maar wat op dit gebied teweeg is gebracht, door wat er verder nog zal ontstaan tot in het onbegrensde vermeerderen. Dr. Rudolf Steiner, maart 1919 Vertaald door Mauringh Boeke, 1988 |
|||||