AArgg help ik wil terug wat nen brol walgwalg.

 

Hoofdstuk 1 : De gelegenheid maakt de dief.

 

De Doffels leven in het grottencomplex Angtuloot. In dit complex zijn er niet alleen wachtposten en troonzalen maar het is in feite een hele stad met winkels en huizen. Buiten hun punthoeden, hun wapens en hun maliënkolders zijn laarzen de meest gegaarde producten. Dit zijn echter geen gewone laarzen want het zijn laarzen voor in het gevecht: ze zijn namelijk voorzien van vele pinnen en messen. In een van deze laarzenwinkels leefde ooit eens de familie Sarnur die bestond uit, Magnetron de vader, Frigoria de moeder en hun zoon Hefron. Hoewel hij nog maar 42 Doffeljaren oud was, was Hefron al zeer goed in het vervaardigen van laarzen en zou hij binnenkort een eigen zaak beginnen. Gewoonlijk lijden de Doffels een zeer rustig leventje maar op zekere dag kwam hier wel even een einde aan. Op een dag vroeg de moeder van Hefron aan hem of hij bij de smid een nieuwe maliënkolder van angathalion (1) wou gaan halen voor zijn vader. Hij kreeg 50 goudstukken mee van zijn moeder en nadat hij zijn ganglaarzen had aangetrokken begaf hij zich naar de smid die 3 gangen verder lag. Hij sloot zich achteraan aan in de rij wachtenden en keek in de rekken. Daar zag hij de maliënkolder die hij voor vader moest meenemen. Maar deze koste maar 37 goudstukken en dat was minder dan zijn moeder dacht dus had hij nog 13 goudstukken over voor zichzelf. Wanneer hij verder keek in de rekken zag hij opeens een heel mooi zwaard bezet met edelstenen dat maar 11 goudstukken koste. Ondertussen was hij bijna aan de beurt en kwamen er twee tovenaars binnen ( 1 met een blauwe en 1 met een gele mantel ) want tovenaars kwamen regelmatig op bezoek bij de Doffels omdat zij zeer mooie ringen en amuletten vervaardigen. De persoon voor hem was net klaar dus Hefron bestelde de maliënkolder en het kleine zwaard. Toen hij zat te wachten zag hij dat de twee tovenaars ruzie maakten omdat ze allebei dezelfde ring wilden kopen. Uiteindelijk kwamen de tovenaars tot een compromis en bestelde die met de blauwe mantel de ring. Hefron kreeg het zwaard en de maliënkolder maar bleef nog even wachten om nog eens te zien in de rekken. De tovenaars gingen buiten met de ring maar zagen niet dat 1 van hen zijn staf vergat. Hefron raapte die zonder dat iemand het zag op gorde zijn zwaardschede vast aan zijn riem en stapte blij naar huis omdat hij een zwaard en ook nog eens 2 goudstukken overhad voor zichzelf zonder dat zijn moeder het wist. Thuis deed hij de deur open en zag opeens dat de tovenaar met de blauwe mantel binnenzat en dat zijn moeder en zijn vader met de handen in het haar zaten. De tovenaar stapte naar hem toe en zei : ‘Je weet toch dat er strenge straffen staan op het stelen van een toverstaf !’  Hefron gaf de staf terug aan de tovenaar die zei dat Hefron mee moest naar de raad van de tovenaars om hen te laten beslissen welke straf hij kreeg. Hefron kreeg nog 6 beschuiten (2) en een volle veldfles mee van zijn moeder en ging op weg. Hefron ging samen met de tovenaar mee naar de buitendeur waar hij aan hem vroeg: ‘Wat is jouw naam en hoe wist jij dat ik je staf had ?’ De tovenaar antwoordde: ‘Ik word Fergas genoemd en ik wist dat jij de staf had omdat ik via een toverspreuk kan weten waar mijn staf is.’ Fergas en Hergon gingen naar de poortwachter, de poort ging open met een bulderend geluid en ze stapten naar buiten. Toen ze door de poort liepen keek Hefron nog een laatste keer naar de poort – denkende dat hij deze in lange tijd niet meer zou zien - en toen zag hij pas hoe mooi deze was bezet met de duurste metalen, een ijzeren deurring en in het midden een grote blinkende edelsteen waarvan niemand wist waar hij vandaan kwam. Terwijl ze dit nog allemaal aan het bewonderen waren kwamen ze uit op de flank van een berg. Deze plaats wist Hefron was de enige plaats buiten hun grotten waar de Doffels kwamen want ze haalden hun water uit een klein beekje dat een eind verder lag. Ze gingen verder langs een smal stenen pad dat vanaan de poort tot aan de beek leidde. Dit paadje was omgeven met de mooie goudkleurige bloemen zodat hun neuzen doordrongen werden met een heerlijke geur; ook stonden er op grotere afstand enkele knoestige eikenbomen waaruit vogels opvlogen en kwetterden langs hun hoofden. Na dit pad enkele minuten te volgen kwamen ze uit op de heldere beek waaruit de Doffels al hun water haalden. De zon stond al hoog aan de hemel dus gingen ze op de oever zitten om wat te eten. Hefron at één van de beschuiten op en dronk wat uit zijn veldfles die hij even later bijvulde met fris water uit de beek ; de tovenaar echter deed zijn rugzak open en haalde hieruit vele lekkernijen om op te eten. Ze bleven het beekje stroomafwaarts volgen langs hun rechterkant totdat deze echter zo diep en zo breed was dat je eigenlijk meer kon spreken van een rivier waarvan Hefron wist dat deze de Angus heette. Daar zocht de tovenaar een sterk en een langwerpig stuk hout uit, legde dit op de grond en toverde er zomaar een bootje van. Hefron kon zijn ogen niet geloven en dacht bij zichzelf : ‘Dat zou ik ook wel willen kunnen.’ Ze legden de boot in het water en stapten erin en lieten zich meedrijven met de stroom. Hefron die nog nooit in een boot gezeten had durfde niet te kijken hoe de rijen bomen voorbij schoten. Zo bleven ze een tijdlang dobberen zonder dat er iets gebeurde behalve dan dat het steeds donkerder werd. Toen aten en dronken ze nog wat in het bootje en wanneer Hefron na dit maal in zijn rugzak keek merkte hij dat hij nog maar 4 beschuiten over had. Nadat ze gegeten hadden legden ze zich neer om te slapen. Al snel dommelde Hefron in op het achtersteven van het schip en hij begon te dromen over zijn luie zetel en het vervaardigen van laarzen. Het was midden in een van deze dromen dat Hefron wakker werd van de nattigheid en de koude en merkte dat hij uit de boot getuimeld was en dat de boot al een heel eind van zich af verder dobberde. Fergas werd plotseling ook waker van de plons en probeerde de boot aan de kant te leggen. Hefron begon al krachtig naar de kant te zwemmen toen hij plotseling achter zich het gekabbel van water hoorde. Hij keek verschrikt om en toen keek hij recht in de ogen van een gigantische rivierslang die achter hem aansnelde. Verschrikt door die aanblik begon Hefron nog harder te zwemmen maar al gauw merkte hij dat hij de oever niet tijdig zou halen en zou worden opgepeuzeld door de slang. Als een laatste wanhoopsdaad trok Hefron zijn nieuw zwaard uit de schede, draaide zich bliksemsnel om en trof de slang net tussen de ogen zodat deze vliegensvlug wegsnelde. Toen Hefron eindelijk aan de oever was gekomen hees hij zich in het bootje, dat al snel terug meedreef met de stroming en voor de rest van de nacht bleef het rustig. De volgende morgen werd hij wakker en wilde net naar de provisiekast lopen toen hij merkte dat hij niet in zijn hol was maar nog steeds ronddobberde op het bootje. De morgen verliep rustig en al gauw zag Hefron plotseling een grote rivier opdoemen aan de rechterkant van het bootje. Nu waren ze heel dicht bij de plaats waar de Angus samenstroomt met de Sirion wist Fergas. En al snel bleek dat deze gelijk had want de twee rivieren stroomden steeds dichter naar elkaar toe totdat ze samenvloeide op een plaats waar in het midden van de rivier nog een klein eilandje was. Vlak voor dit eiland sloegen ze rechtsaf en zo voeren ze tussen het eilandje en de rechteroever. Nu had Fergas het heel moeilijk om het bootje recht te houden want op deze plek vochten het water uit de Sirion en de Angus om elke vierkante centimeter zodat er vele stroomversnellingen ontstonden. Maar uiteindelijk kwamen ze toch uit op de Sirion met behulp van enkele krachtige bezweringen van Fergas. Fergas navigeerde het bootje verder stroomopwaarts tot aan de andere kant, legde het vast aan een boomstronk en ze stapten uit op de oever. Daar kwamen ze aan een weg betegeld met grote dallen die langs de Sirion liep. Ze besloten de weg naar het noorden te volgen maar al snel hoorden ze ruwe kreten en luide voetstappen achter hen. Fergas sprong op griste Hefron mee en even later lagen ze met hun tweeën te beven achter de berm langs de kant van de weg. De voetstappen kwamen steeds dichterbij en Hefron kon het niet laten om even over de berm te gluren zodat hij de afschuwelijke gezichten van een bende zwaarbewapende orks zag voorbijtrekken. Toen het geluid van de voetstappen terug ver genoeg verwijderd was kwamen ze uit hun schuilplaats te voorschijn en vervolgden ze hun weg totdat ze merkten dat deze na enkele mijlen steeds verder van de rivier liep. En dat er na een eind wandelen zelfs een klein bosje tussen de rivier en de weg lag. Fergas had al hevige honger dus gingen ze zitten en aten en dronken ze nog wat. Ook wisselden ze elkaars mening uit over de reden van het voorbijtrekken van de orks. Toen ze uiteindelijk genoten hadden van een korte rust trokken ze verder en ze merkten dat de weg nu evenwijdig met en op een grote afstand van de rivier lagen dat de bomen steeds minder werden. Zo liepen ze nog vele mijlen verder totdat het begon te schemeren en ze in de verte de lichten van een dorpje, waarvan Fergas wist dat het Borton heette konden onderscheiden. Het was al laat toen ze uiteindelijk binnenstapten in een huis waarvan ze dachten dat het een herberg moest zijn om wat te eten. Toen hij zijn rugzak opendeed merkte Hergon dat hij de maliënkolder van vader en de 2 goudstukken nog steeds bij had. De tovenaar zag dit en deze rade hem aan om de maliënkolder maar aan te doen en het goud goed weg te steken. Terwijl Hefron dit deed merkte hij dat de maliënkolder gietzwart was en dit betekende dat hierin zeer veel angathalion zat. Hierna wisselde hij ook nog 1 goudstuk om in 10 zilverstukken waarvan hij er nog 2 nodig zou hebben om zijn eigen maaltijd te betalen. Ze betaalden hun maaltijd en vroegen aan de herbergier of dat ze een slaapplaats konden krijgen. De herbergier gaf hun een kamer en ze betaalden elk 3 zilverstukken waardoor Hergon nog 1 goudstuk en 5 zilverstukken overhield. Hergon en Fergas gingen allebei naar hun kamer en vielen direct in slaap vanwege hun vermoeiende reis. De volgende morgen werden ze gewekt door het kakelen van een haan. Ze stonden op en liepen de eikenhouten trap af om een ontbijt te nemen. Tijdens het eten kwam er een man naast hen zitten die een kap over zijn hoofd had. Plotseling wende de man zich tot Fergas : ‘U weet toch dat de orks achter u aan zitten.’ ‘Waarom’ vroeg Fergas: ‘en wie ben jij?’  ‘Mijn naam is Modos.’ zei de man; ‘en de orks zitten achter u aan omdat u een ring bezit die ooit eens behoorde aan hun meester Grad maar die hij kwijtraakte aan de Doffels, een leger orks is vertrokken uit de bergen om de ring in Angtuloot te herpakken maar toen zij aankwamen was deze natuurlijk al weg en daarom gingen ze bij dag en bij nacht op weg en kwamen gisterenavond aan in Borton vlak voor jullie arriveerden.’ ‘Fergas kon bijna niet geloven dat de ring die hij gekocht had van een duistere macht afkomstig was en vroeg aan Modos hoe deze dit te weten was gekomen. Modos antwoordde hierop: ‘De orks hebben me ondervraagd en ik ben zo meer te weten gekomen dan dat de orks wel denken.’ Na een korte adempauze vervolgde hij: ‘Ik zou jullie graag vergezellen op jullie reis om samen dat orkengespuis op te ruimen.’ Fergas nam dit aanbod aan en vertelde hem dat ze op weg waren naar de raad om een straf voor Hefron te zoeken. Maar toen deze dit zei merkte hij dat hij helemaal niet van plan was om de vriendelijke Doffel te straffen en dat het zijn schuld was omdat hij zijn staf had laten liggen; ook besefte hij dat het heel moeilijk was voor een Doffel om kostbare zaken te laten liggen. Hierna betaalden ze elk 1 Zilverstuk voor het ontbijt en vertrokken ze met hun drieën. Ze bleven de weg naar het noorden volgen totdat ze op een plek kwamen waar de weg zich splitste in een weg die de rivier bleef volgen en één die naar links afboog naar het binnenland. Fergas was eerst van plan geweest om de weg naar het noorden te blijven volgen en dan langs het woud naar het westen te trekken maar Modos raadde hem aan om de linkse weg te nemen omdat die wel gevaarlijker was en door het woud Linior liep maar dat de orks hen daar niet zouden durven volgen. Zo namen ze de weg naar het binnenland en al gauw merkten ze dat er steeds meer begroeiing kwam op de kanten van de weg zodat ze uiteindelijk op een smal paadje achter elkaar door een woud sjokten. Het werd al middag dus zochten ze een goed plaatsje onder een oude beukenboom uit om te eten. Ze legden hun zakken af en al snel zat Hefron te genieten van één van de beschuiten die hij van zijn moeder had meegekregen en van wat water uit zijn veldfles die nu nog voor 3 /4 vol was voordat ze terug op weg gingen. Naarmate ze verder vorderden in het woud werd het pad nog smaller en de bomen duisterder. Het scheen alsof de bomen hen uitlachten want achter hen was er een stil gefluister alsof een duistere macht hen probeerde tegen te houden. Ook leek het alsof de bomen steeds verplaatsten zodat ze telkens op het zelfde punt uitkwamen en het werd nog erger toen Fergas merkte dat hij zijn zak met eten vergeten was op hun laatste rustplaats. Ze probeerden daarom nog terug te keren maar daardoor liepen ze nog meer verloren totdat ze zich realiseerden dat ze nog maar twee beschuiten en een 3 /4 volle veldfles van Hefron hadden en nog een paar restjes die Modos bijhad. Modos keek op zijn kaart maar hierop was niet veel te zien omdat dat deel van het woud Linior nog nooit uitvoerig in kaart gebracht was. Zo liepen ze nog een tijdje verdwaald rond totdat ze voorbij een oude grenspaal die bedekt was met mos kwamen waarvan de tekst niet meer te lezen was en ze alleen het nummer 651 konden onderscheiden. Deze stond wel op de kaart en zo zag Modos dat de snelste weg om uit het woud te geraken naar het zuidwesten was. Maar omdat ze alle gevoel van richting verloren waren doordat ze hadden geprobeerd om terug te keren naar hun rustplaats trokken ze in plaats van het zuidwesten naar het noordwesten zodat ze steeds dieper in het woud kwamen. Na een aantal mijlen merkten ze plots dat de bodem licht  omhoogliep en dat het woud minder dicht werd. Toen ze in de verte keken zagen ze een heuvel die omringd was door een open plek. Ze vertrokken naar deze plek met de bedoeling om er te blijven overnachten. Maar toen ze de plek naderden hoorden ze plots luide stemmen en zag Hefron plots 3 reusachtige en stinkende gestalten in de avondschemer waarvan Hefron wist dat het trollen waren. Ze durfden zich niet te veroeren omdat de trollen hen dan zouden zien dus verborgen ze zich achter enkele struiken en daar deelden ze de restjes en 1 beschuit en dronken spaarzaam uit de veldfles totdat deze nog halfvol was. Onder het eten vroeg Hefron plots aan Fergas : ‘Hoe denk je aan de trollen te ontkomen’. Hierop antwoordde Fergas: ‘Ze zullen tegen de ochtend wel wegtrekken van de open plek want trollen kunnen niet tegen daglicht want dan verstenen ze en dan keren ze terug tot de stof waarvan ze ooit gemaakt zijn door de vervloekte (-). Ze besloten om ombeurten de wacht te houden en Hefron zou beginnen. Omdat hij niets anders te doen had luisterde hij maar naar de gesprekken van de trollen die ondertussen ook al aan het schrokken waren. Plots verstijfde Hefron want hij zag dat de trollen hele dieren en mensen binnenspeelden. Uit hun gesprekken kon hij opmaken dat ze Bulbas, Berthor en Aros heetten ; ook kon hij besluiten dat Aros de leider was omdat de andere twee door hem gecommandeerd werden en altijd moesten doen wat hij vroeg. Naast de trol die door de anderen Bulbas genoemd werd stond er een grote zak en het idee kwam bij Fergas op dat hierin wel eens eetbaar voedsel zou kunnen zitten. En zo beraamde hij zonder dat de anderen hier iets van wisten een plan om de zak te stelen maar op het moment dat hij het wilde wagen riep Berthor uit tegen Aros : ‘Dit is al de derde dag dat we geen dessert krijgen ; ik denk dat jij achter onze rug al dat lekkere elfenvlees voor jezelf houd.’ Nadat hij een tijdje gewacht had merkte hij dat de trollen helemaal niet waakzaam meer waren en dus sloop hij tot achter de rug van Berthor aan een boom omdat deze het dichtste bij hem was. Daar bleef hij even zitten want plotseling bewoog Aros en zij tegen de andere trollen: ‘Zeg wat stinken jullie; ik ruik hier iets vies.’ De andere trollen ontkenden dat zij stonken en er ontstond direct een ruzie tussen hen. Hefron had onmiddellijk door dat ze hem ruikten en hij hield zijn adem in zodat ze hem niet zouden ruiken. Zo bleef hij daar een tijdje zitten achter het struikgewas totdat hij meende dat de trollen gekalmeerd waren. Toen sloop hij van achter de rug van Berthor naar die van Bulbas maar hij bleef haken achter een wortel en viel met een harde klap op de grond. Aros die de geur niet vertrouwd had had zijn ogen en zijn oren halfopen gehouden zodat hij toen Hefron struikelde met drie grote passen in zijn richting schreed en hem opnam alsof het een kiezelsteentje was. Tegen de andere trollen die door het lawaai waker waren geworden riep hij: ‘Zie het lijkt alsof we vandaag toch nog een desert zullen krijgen maar dan wel een dwerg!’ ; en hij bond de handen en de voeten van Hefron en zette hem naast de zak. Ook begon hij met het aanmaken van een klein vuur en haalde hij nog een ketel uit de zak. Maar ondertussen was Fergas ook opgeschrikt door het kabaal van de trollen en hij maakte Modos wakker om hem te waarschuwen. Toen alsof er een bliksemschicht op de plaats waar hij stond insloeg sprong Fergas recht en torende boven iedereen uit zodat Hefron versteld was van de macht die deze wel bezat want op hun reis was hij er helemaal niet meer bij stilgestaan dat hij eigenlijk een tovenaar was. De trollen waren onder de indruk van de macht van de tovenaar maar omdat ze volgens hen in de meerderheid waren lachten ze hem uit en Aros spotte : ‘Wat kan één enkele man tegen 3 andere beginnen ?’ Op dit moment kwam ook Modos te voorschijn uit het struikgewas en hij trok zijn zwaard. De trollen waren nog niet onder de indruk van dit alles en stapten met grote passen op het tweetal af. Op dit moment mompelde Fergas een aantal woorde en plotseling was hij omgeven door een flitsende mantel van vuur en dit vuur bundelde zich aan zijn handen en op het hoogtepunt schoot er een verblindende vuurbal op de trollen waardoor deze door angst bevangen werden en op de vlucht sloegen terwijl ze achternagezeten werden door Modos. Toen stapte Fergas op Hefron af en hij bevrijdde zijn armen en benen en Hefron vertelde aan hem wat hij gedaan had. Hierdoor werd Fergas zeer kwaad en hij verbood Hefron om dit ooit nog eens te doen omdat dit zeer gevaarlijk was en ze niet altijd zoveel geluk zouden hebben als nu. Toen opeens riep Modos tegen hen: ‘He de trollen hebben hun zak laten staan.’ Hierop openden de reisgenoten de zak in de hoop dat hierin nog iets eetbaars zou zitten. Maar ze hadden niet veel geluk want er waren alleen nog maar een paar eetbare restjes over die ze in hun eigen zak konden stoppen. Ook vond Hefron een mooie blinkende helm bezet met diamanten die de orken uit een oude grafheuvel hadden gestolen. Hefron zette deze op zijn hoofd en hij paste als gegoten. Hefron vond ook nog 32 goudstukken en 18 zilverstukken waaruit hij kon afleiden dat ze met een roversbende te maken hadden gehad. Verder zaten er in de zak ook nog vele lijken van slachtoffers die in de handen van de trollen waren gevallen en een maliënkolder die was opgebouwd uit een schitterend metaal. Fergas zag dat Modos deze omhooghield en hij zei tegen hem: ‘Dat is mithril de zeldzaamste en mooiste stof op aarde.’ Modos deed deze om en ze beslisten om de nacht verder door te brengen op de open plek. Ze sprokkelden nog wat hout voor het vuur en nu begon Modos met de wacht maar er gebeurde niets meer en de trollen kwamen niet meer terug.

 

Hoofdstuk : Pijlen vanuit de lucht

 

 

1besch  1\2 water hebben ze nog over(voor mezelf om te onthoude)

 

De volgende morgen werden Hefron en Modos wakker gemaakt door Fergas die als laatste de wacht gehouden had. Ze aten nog wat van de restjes uit de zak van de orks, dronken wat en vervolgden hun weg naar het noordwesten. Terwijl ze verderliepen merkten ze dat het landschap nog steeds lichtjes steeg en dat het woud al een beetje minder dicht begon te worden maar dat de bomen wel steeds hoger werden zodat het leek alsof deze als wachttorens over hen uitkeken. Net wanneer ze de hoop hadden opgegeven dat het woud ooit zou eindigen zagen ze voor hen plots een verlichtte strook. Ze liepen hiernaartoe maar zagen tot hun ontsteltenis dat het maar een weg was waar ze loodrecht op uitkwamen. Aan hun linkerkant scheen het woud minder dun dus sloegen ze linksaf en slenterden ze verder. Maar toen werden ze plots opgeschrikt door het geluid van voetstappen en al gauw zagen ze achter zich een dezelfde bende orks als eerder opdoemen want deze waren helemaal rond het woud getrokken om hen te verrassen. Nu zaten ze in de val want ze hadden niet genoeg tijd om zich om te draaien en bereiden ze zich al voor op een waanzinnig gevecht maar juist toen ze zich wilden omdraaien hoorden ze het gezoem van pijlen die langs hun hoorden uit de bomen op de orks afvlogen. Ook sprongen er vanaf touwladders uit de bomen ook een paar donkere elfen met lange zwaarden die bijna onzichtbaar leken in hun groene en grijze mantels op de orks af. De orks waren zo overdonderd door deze situatieverandering dat ze zware verliezen leden door de pijlen van de elfen maar in het zwaardgevecht waren ze veel sterker dan hun en daardoor werden de elfen al snel teruggedrongen rond een boom. Modos, Fergas en Hefron ontwaakten plotseling uit hun roes en braken door de linies van de orks zodat ze uiteindelijk bij de elfen kwamen. Daar aangekomen zag Modos plots de leider van de orks in de rug op hem afkomen, Modos deed alsof hij hem niet zag maar plantte net toen de leider hem wilde aanvallen zijn zwaard in zijn maag. De leider bracht een verschrikkelijke doodskreet uit en de laatste orken die nog stand hielden werden plots zo bang dat ze wegvluchtten, enkele orken zelfs verkeerden in zo een grote angst dat ze op de grond vielen en aan de elfen smeekten om hen te sparen. De elfen pakten hen op en namen ze gevangen. Na het gevecht werden de reisgenoten samen met de gevangengenomen orks geketend. . Toen werden ze door de elfen van de weg af meegevoerd naar een plek in het woud en hier schreeuwde hun leider waarvan ze nog steeds de naam niet wisten : ‘zzzzzzzzzzzzz’. Plots vloog er vanuit de boom een touwladder naar beneden en de reisgenoten werden verzocht om hier naar boven te gaan ; de orks werden onderaan aan de boom vastgebonden. Dit deden ze hoewel dat Hefron veel hulp nodig had omdat hij veel te klein was om aan de takken te kunnen en al snel kwamen ze door het bladerdak en door een gat in een houten plank uit op een platform waar al enkele elfen zaten. Hier kregen ze wat te eten en al snel hadden ze door dat deze platformen werden gebruikt als wachttorens want aan één tak van de boom hingen vele bogen en tegen de stam stonde vele buizen met pijlen, ook was er een grote voorraad voedsel aanwezig op het platform.kwamen de elfen om het reisgenootschap staan en ze vroegen aan hen waarom ze op hun grondgebied waren. Fergas antwoordde : ‘Wij zijn op weg naar de raad van de tovenaars maar wij worden achtervolgd door een bende orks en wij wilden hen afschudden in het woud.’ Toen sprak één van de elfen : ‘Waarom worden jullie achtervolgd.’ ‘Omdat wij in het bezit zijn van een ring die ooit van een orkenleider was’antwoordde Fergas De elfen vertelden hen dat ze eerst de overgebleven orken zouden gaan doden en de volgende morgen zouden vertrekken naar hun hoofdstad. Toen de reisgenoten vertelden over hun avonturen met de trollen onderbrak zz hen : ‘Ons volk heeft al lange tijd problemen met deze vreselijke creaturen en we plannen een grote actie om hen te verdrijven uit hun heuvels aan de oever van de Lines in het noorden.’                 Gaat verder:eerst gaan ze uiteen en gaan ze in 2 groepen op zoek naar overgebleven orken en daarna worden ze door de elfen naar hun hoofdstand gebracht daar elfenkoning en koningin beraadslage in raad van elfen en beslissen op te trekken tegen de trollen en orken. Orken werken samen met de trollen.

 

 

   Voetnoten

 

 

1 : Naar de overleveringen van Aule is bekend dat de Doffels de kunst van het vervaardigen van deze beschuiten van de elfen leerden. Deze beschuiten waren niet alleen zeer lekker maar ook heel voedzaam zodat men met één beschuit zeer lang toekwam als men het echt wilde.

2 :

    

 

Hosted by www.Geocities.ws

1