MiZ: Hoofdstuk 2 – Een Kleine Wereld

Door: Hestia ([email protected])

 

De eerste week na de examens verliep verbazingwekkend snel voor Merijn, ook al deed ze niets bijzonders. Ze bracht veel tijd door in het theehuis van haar moeder, maar er was weinig toeloop en Merijn was veel alleen. In tegenstelling tot Merijns verwachtingen was haar moeder niet vaker thuis dan vorig jaar, toen ze nog voor Artsen Zonder Grenzen werkte. Nu vulde Sammie haar tijd met het zoeken naar Afrikaanse kunst en was ze ook vaak van huis. Merijn had zich er maar bij neergelegd en had ander gezelschap gezocht. Het allerbelangrijkste was dat Ida, de voormalig huishoudster van de Apple-Goedhardt familie, oneervol ontslagen was. Toen Merijn terug was gekomen van haar bizarre schoolreis naar Berlijn was Ida spoorloos verdwenen, en na enkele weken bleek ze onderdak te hebben gezocht bij haar zus op de Drentse hei. Merijns ouders hadden erop aangedrongen dat Ida hulp zocht bij een psycholoog, en daar bleek dat ze een enorm trauma op had gelopen toen haar eigen dochter op zeventienjarige leeftijd weg was gelopen en daarna verkracht was. Merijn en Sammie hadden beredeneerd dat Ida er alles aan wilde doen om Merijn te behoeden voor een zelfde lot, maar Merijn kon niet begrijpen waarom Ida er nooit over had willen praten. Ze had haar regime over Merijn uitgeoefend zonder tegenspraak te dulden, waarmee ze alleen maar het verkeerde had bereikt. Ida was de laatste druppel geweest voor Merijn; de aanleiding voor haar plan om te verdwijnen als ze Berlijn had bereikt. Maar gek genoeg was alles anders gelopen door één simpele ontmoeting.

Terwijl Merijn de vloeren van het theehuis aanveegde, aardbeien plukte en tot aardbeienjam verwerkte of uit het raam staarde, dacht ze vooral veel na in de eerste week van haar lange zomervakantie. Alle gedachten die ze had verbannen toen ze haar schoolresultaten aan het opkrikken was, hadden ineens vrij spel. Ze had rust gevonden die ze nog nooit eerder had beleefd.

Het leek ook wel alsof iedereen haar die rust gunde om haar leven te ordenen: Martje was sinds een week fulltime bezig met de organisatie van het examenfeest, en kwam nauwelijks in het theehuis, hoewel dat eigenlijk haar bijbaan was. Merijns vader liet haar ’s avonds uren in de tuin zitten zonder aan te dringen op een spelletje Dokter Bibber of Hartenjagen, en Merijns moeder had haar de volledige zeggenschap over het theehuis gegeven, en zat zelf thuis de administratie te doen of kleine theepartijtjes te organiseren.

Merijn pakte een aardbeientaartje uit de koelkast en maakte een kopje thee voor zichzelf. Ze opende de tuindeuren, versleepte een stoel en ging met haar benen in de zon zitten. Terwijl ze naar de rozenstruiken staarde voelde ze zich plotseling erg ongemakkelijk, alsof er iemand naar haar staarde. Ze tuurde door haar wimperharen om zich heen, maar zag niets opvallends. Ze wist echter niet wat er achter de schuttingen om haar heen gebeurde. Het theehuis lag aan de rand van het centrum, tussen oude huizen die nu werden gebruikt als kantoren, maar er stonden ook nog wat bewoonde huizen in de buurt. Wat Merijn betrof kon er nu een of andere rare gluiperd tussen twee schuttingplanken naar haar liggen kijken.

Ze probeerde het ongemakkelijke gevoel van zich af te schudden en at haar aardbeientaartje op. Toch bleef er iets aan haar knagen, en het taartje smaakte niet zoals anders. Het was een gevoel van onbestemdheid dat haar bekroop, en het liet haar de hele dag niet meer los. Toen ze die avond bij Martje thuis was om even te kletsen, was het gevoel even weg, maar zodra ze het laatste potje Scrabble met Martjes familieleden had gespeeld en ze weer op haar fiets naar huis zat, kwam het in alle hevigheid terug. Haar maag borrelde vervelend en Merijn probeerde te kalmeren door rustig van de zomeravond te genieten. Ze rook vers gras en warm asfalt, en dacht plotsklaps weer aan het regenachtige Berlijn. De tegenstelling kon niet groter zijn: toen vervloekte ze Martjes bemoeizucht, en nu vond ze het jammer dat ze niet meer tijd met Martje door kon brengen. Ze wist niet of Martje was veranderd gedurende het jaar, of dat zij zelf Martjes vriendschap was gaan waarderen. Ze had in ieder geval wel geleerd dat ze vriendschappen nodig had, en dat het ronduit dwaas van haar was geweest om veel vriendschappen te laten verwateren. Toch had het haar veel moeite gekost om weer contact op te nemen met wat oude vrienden. Onverwacht genoeg had Martje haar daarbij kunnen helpen en daardoor was Merijns vriendenkring enorm uitgebreid.

Ze was inmiddels thuis aangekomen en zette haar fiets in de garage. Ze liep door naar de achtertuin waar haar moeder met een buurvrouw zat te kletsen. Ze kreeg een glas rosé aangeboden, maar sloeg die af en wenste ze welterusten voordat ze naar haar zolderkamer vertrok. Het was benauwd op haar kamer en ze zette het raam en haar slaapkamerdeur tegenover elkaar open om wat frisse lucht door te laten stromen. Er fladderde een ansichtkaart van haar memobord en Merijn bukte om hem op te rapen.

Groeten uit Nijverdal, las ze op de voorkant en ze draaide hem om, om de berichtjes op de achterkant te kunnen lezen. Met een brok in haar keel besefte ze waar haar onbestemde gevoel vandaan kwam: morgen zouden de vriendinnen waarmee ze naar Nijverdal was geweest, komen logeren. Ze had ze slechts één keer eerder gezien sinds ze uit Nijmegen was verhuisd. Toch rekende Merijn de drie meiden tot haar vriendenkring, en besefte ze dat die vakantie een van de belangrijkste dingen geweest die haar was overkomen. Haar vriendenkring bestond voornamelijk vanwege die vakantie. Soms leek de wereld bijzonder klein.

 

Op vrijdagochtend werd Merijn wakker met hetzelfde nare gevoel in haar maag als de middag ervoor. Het duurde even voor ze doorhad dat het werd veroorzaakt door een combinatie van trek en nervositeit vanwege de logeerpartij, maar toen ze aan de keukentafel zat kon ze toch geen hap door haar keel krijgen. Ze vloekte stilletjes om haar eigen onnozele gedrag, als ze erover nadacht had ze namelijk niets om nerveus voor te zijn, maar ze kon het gevoel niet van zich afzetten. Ze had zich al tijden afgevraagd of ze zich niet moest verontschuldigen voor haar lange afwezigheid, maar de telefoon of een chatroom was daar toch niet geschikt voor. Vandaag zou ze toch maar eens uit moeten leggen waarom ze zou lang niets van zich had laten horen, ook al had ze wel e-mails en sms’jes van Jing-mei, Janna en Phillipa gekregen. Nadat ze die beslissing had genomen wilde ze weer naar het theehuis fietsen in de hoop dat er wat gasten binnen zouden stappen, maar haar moeder hield haar tegen.

“Lief, wil jij deze mensen even bellen?”

Merijn kreeg een lange lijst met namen en telefoonnummers voor zich, en keek haar moeder even vragend aan. Sammie had blosjes op haar wangen en haar donkere haar stond alle kanten op.

“Ik kreeg vanochtend een telefoontje. Iemand wil volgende week een feestje houden in het theehuis en ik moet nog erg veel regelen.” Ze wees op de lijst en Merijn zag dat er een vraag of onderwerp achter elke naam stond. “Je hoeft alleen maar te vragen of ze beschikbaar zijn en wat hun prijs is.”

Merijn knikte en toetste het eerste nummer in. Nu zou ze voldoende afgeleid zijn om het nare gevoel in haar buik te kunnen negeren. Maar nadat ze een stuk of vijftien telefoontjes had gepleegd en de pagina omsloeg om verder te gaan, was de kriebel in alle hevigheid terug.

Efren Cartagnan. Wat moest haar moeder met Efren?

Merijn sloeg Efren even over en werkte de rest van de lijst af. Toen waren alleen Efren en de mensen die niet opgenomen hadden nog over. Ze zat naar Efrens naam te kijken en probeerde het moment dat ze hem moest bellen zo lang mogelijk uit te stellen. Op een gegeven moment kwamen Sammie en Bram de woonkamer in.

“Ga je zo mee boodschappen doen?”

Merijn legde de telefoon meteen weg en stond op. Ze knikte enthousiast en schoof de lijst naar het midden van de tafel. “Ik was nog niet helemaal klaar, sommige mensen... namen niet op.”

“Ik ga daar wel mee verder,” zei Bram terwijl hij aan de tafel ging zitten met een grote mok thee voor zich.

Merijn greep meteen naar haar eigen telefoon en liep achter haar moeder aan die allerlei producten opnoemde terwijl ze naar Brams grote stationwagon liepen. Merijn merkte in de auto pas dat ze niet naar de reguliere supermarkt gingen, maar naar een groothandel reden. Ze moesten kennelijk ook boodschappen doen voor het theehuis, en Merijn was de Sjaak toen ze in de rij bij de kassa achter een leuke jongen stond, terwijl ze twee winkelwagens vol toiletpapier bij zich had. Om haar schaamte te verbergen pakte ze snel haar mobiele telefoon uit haar broekzak en controleerde of ze nieuwe berichten had. Ze wierp een voorzichtige blik over haar schouder naar de jongen, en merkte op dat hij ook enorme pakken toiletpapier in zijn wagen had.

Nadat ze alle boodschappen bij het theehuis achtergelaten hadden, bracht Sammie Merijn weer naar huis. Bram was er niet meer, hij had een briefje achtergelaten dat hij wat huisbezoekjes bracht bij de mensen op Sammies lijst. Sammie vertrok naar de bouwmarkt en het tuincentrum en Merijn besloot haar kamer wat op te ruimen voor de meiden zouden komen.

Nadat ze boeken in de kast had gezet, papieren in een lade had geduwd en snel gestofzuigd had, zette ze haar computer even aan om haar e-mail te checken. Ze had één nieuw bericht van Phillipa, die haar liet weten dat ze rond tien voor half vijf aan zouden komen. Merijn lachte om Phillipa’s regelzucht – ze had Merijn eerder die week ook al twee e-mails gestuurd met de aankomsttijd – en wilde juist controleren welke bus ze naar het station moest nemen toen er een geluidje klonk en een pop-up window op haar beeldscherm verscheen. Merijn rolde van schrik een stukje achteruit met haar bureaustoel. Ze had niet gezien dat haar instant-message programma aanstond, en nu zat ze naar een knipperend scherm te kijken waarop “Hey, hoe is het?” stond.

Merijns ogen dwaalden over haar beeldscherm en ze zocht naar een uitweg uit een gesprek dat ze niet wilde voeren. Toen zag ze plotseling dat het tegen vier uur liep. Ze typte snel “Ik moet weg, doei!” in het venster en zette haar computer uit terwijl ze naar haar buskaart zocht. Ze propte het ding in haar broekzak, greep een vest van haar stoel en rende met haar sleutels en portemonnee in haar hand het huis uit en de straat op naar de bushalte.

Pas toen ze in de bus haar ademhaling onder controle kreeg, besefte ze dat ze niet eeuwig weg kon blijven rennen van Efren. Ze zou hem vroeg of laat tegen komen, en die kans werd alleen maar groter nu Efren zich via-via aan de rand van Merijns vriendenkring had genesteld.

De bus stopte bij het station en Merijn stond op, wederom met een nare kriebel in haar buik. Terwijl ze tussen de geparkeerde fietsen naar de ingang van het station liep, voelde ze haar telefoon trillen. Ze nam aan dat het Phillipa was die haar meldde dat de trein vertraging had, en ze nam op zonder op het display te kijken. Nadat ze hallo had gezegd bleef het even stil aan de andere kant van de lijn.

“Hallo? Phil, zeg eens wat!”

“Hoi,” reageerde een hese jongensstem zachtjes.

Merijn bleef stilstaan en een gehaaste reiziger botste tegen haar op en begon te vloeken.

“Stoor ik?” vroeg Efren licht stotterend, en Merijn schudde haar hoofd zonder te realiseren dat Efren haar reactie niet kon zien. Haar benen voelden aan alsof ze van spaghetti waren en ze hield zich stevig vast aan de armleuning terwijl ze de trap afdaalde.

“Hallo, Merijn? Ben je daar?

Merijn schrok op en dwong zichzelf iets te zeggen. “Hoi,” zei ze krakerig terwijl ze haar ogen stijf dichtkneep en even stampvoette. Ze haatte het als ze verrast werd door een telefoontje, vooral als het Efren was die belde.

Boven haar rolde een trein het station in en Merijns telefoon stoorde. Ze liep snel de trap naar het perron op terwijl ze wachtte tot Efren weer iets zou zeggen.

“Hoe heb... denk je dat je geslaagd bent?” vroeg hij uiteindelijk en Merijn bleef weer stilstaan op de trap.

“Ja, ik denk het wel.”

“Goed.”

Merijn keek het perron over en zag nog geen bekenden.

“En jij?” dwong ze zichzelf te vragen nadat het weer even stil was geweest. Ze had nog nooit zo’n moeizaam telefoongesprek gevoerd, al waren eerdere gesprekken met Efren ook niet zo vlotjes verlopen. Maar diep van binnen was ze ook wel blij dat Efren haar nu eindelijk eens had gebeld.

“Tja, er moet wel veel zijn misgegaan zijn mocht ik willen zakken,” zei hij bescheiden. Merijn wist echter dat Efren al gemiddeld een acht en een half had gestaan voor hij aan de eindexamens was begonnen – althans, dat had ze van Martje gehoord die het weer via-via had wist – dus Efren moest veel verknald hebben om niet te slagen.

Merijn zag in de verte weer een trein aankomen en wist dat haar vriendinnen in die trein zouden zitten. “Efren, ik moet ophangen. Ik sta op het station op wat mensen te wachten.”

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn en Merijn slikte moeizaam. Ze hoorde wat gemompel en vroeg zich af of Efren soms gedwongen werd om haar te bellen.

“Wat ik wilde vragen is...” zei Efren toen ineens. “Kom je nog eens bij ons eten? M’n moeder-...” Efren begon aan een stortvloed van woorden en Merijn sloot haar ogen teleurgesteld. Z’n moeder... het was dus niet Efrens idee geweest.

“Oh, daar zijn ze!” riep Merijn toen maar enthousiast uit terwijl de trein nog tientallen meters verwijderd was. Ze wilde uit dit gesprek en de uitzichtloze situatie met Efren stappen, en kennelijk was liegen de beste manier daarvoor. “Efren, ik hang op, doei!” Ze drukte snel het gesprek uit en stopte haar telefoon weg. De eerstkomende dagen kon ze Efren nog wel even ontkennen.

De trein verminderde vaart en Merijn zag achter een voorbijkomend raam al drie heftig zwaaiende mensen staan. Nog geen minuut later was ze het middelpunt van een enorme omhelzing die Jing-mei had aangekondigd met “Huddle!”

Toen ze even later kletsend in de bus zaten viel het Merijn op dat de vreemde knoop in haar maag weer terug was. Ze viel stil en keek Phillipa, Janna en Jing-mei één voor één aan. Alle herinneringen aan haar jaar in Nijmegen kwamen in volle hevigheid terug, en ze baalde van haar dwaze gedrag na de verhuizing.

“Merijn, alles goed?” vroeg Jing-mei ineens.

Merijn knikte haastig en haalde diep adem. “Ik ben blij dat jullie er zijn,” zei ze toen, en ze lachte even. “Ik dacht dat jullie me nooit meer zouden willen zien, na...”

“Wij dachten dat jij ons niet meer wilde zien!” onderbrak Janna haar.

Merijn slikte weer en sloeg haar ogen neer. “Dat was eigenlijk ook zo... maar... dáárom ben ik juist blij dat jullie er nu zijn!” zei ze toen, en met die woorden was het schuldgevoel dat ze eerder had gevoeld, weer in alle hevigheid terug. Ze verwachtte nu een ongemakkelijke stilte, maar Jing-mei keek haar lachend aan en kneep haar even in haar hand.

“We doen allemaal wel eens iets stoms... maar gelukkig komt het vaak wel weer goed.”

Merijn keek haar dankbaar aan. Ze had het nu gezegd en het was eigenlijk helemaal niet moeilijk geweest. Het bleef wel eventjes stil, terwijl Merijn naar buiten staarde en de anderen hun gedachten ook leken te ordenen.

“Dus, wat zijn de plannen voor dit weekend?” vroeg Phillipa toen.

Merijn keek grijnzend rond. “Ja, dat is een goeie vraag... ik heb geen echte plannen, we zien wel waar we terechtkomen en wat we gaan doen.” Terwijl ze dat zei stopte de bus bij de bushalte en gebaarde Merijn dat ze uit moesten stappen. Ze staken de weg over en liepen door een klein parkje naar Merijns huis.

“Pas op!” riep iemand achter hen, en Merijn keek over haar schouder terwijl ze een stapje opzij deed. Martje kwam aanfietsen en ging hard in de remmen waardoor het grind van het voetpad opspatte. Martje had een grote doos achter op haar fiets en er hingen twee tassen aan haar stuur. De blosjes op haar wangen kleurden mooi bij haar rode vest.

“Hé Martje!” Merijn draaide zich om en stelde vervolgens iedereen aan elkaar voor. “Waren er geen agenten in de buurt toen je het voetpad op fietste?”

Martje kleurde nog roder en wees naar haar bagage. “Ik moet voor sluitingstijd naar de drukkerij en door het park is net iets korter.” Ze keek meteen op haar horloge en sprong weer op haar fiets. “Leuk jullie ontmoet te hebben,” riep ze nog over haar schouder. “Doei!”

Phillipa, Merijn, Janna en Jing-mei keken haar na en het bleef even stil.

“Dat was dus Martje,” zei Merijn uiteindelijk waarna ze haar pad vervolgde.

“Jullie waren toch vriendinnen geworden in Berlijn?” vroeg Janna.

Merijn lachte, maar schudde haar hoofd ontkennend. “Toen besefte ik dat ik niet meer om haar heen kon, maar we waren nog niet meteen vriendinnen. Het duurt even voordat je aan iemand als Martje gewend bent.”

Phillipa grinnikte. “Weet je nog, die vakantie in dat huisje ergens op het platteland?”

Merijn lachte, ze vermoedde welke kant Phillipa op ging, en ze had nog een grote verrassing voor de anderen in petto. Iets wat ze tot nu toe eigenlijk steeds vergeten had te melden...

“Ik moest toen zes dagen wennen aan die irritante Olivier, maar toen we eenmaal thuis waren miste ik hem wel.”

Merijn grijnsde en Jing-mei keek Merijn bedenkelijk aan.

“Ik vond hem die week wel erg leuk, maar toen we thuis kwamen en wij allebei een liefdesverklaring via sms van hem kregen, toen had ie het verknald,” zei ze terwijl ze Merijn aankeek.

“Ik moet jullie iets vertellen,” zei ze toen geheimzinnig.

Janna stond ineens stil en keek Merijn bedachtzaam aan. “Zeist...” mompelde ze. “Olivier... Wout...”

“Nee,” zei Phillipa met open mond, “je bent toch niet met Olivier naar bed geweest?”

Merijn schaterlachte en genoot van de verbaasde blikken op de gezichten van haar vriendinnen.

“Vuile slet!” riep Phillipa uit. “Ik kan me uit jouw mailtjes ook nog iets herinneren over ene Efren. Je bent wel druk geweest, of niet?”

“Nee!” schreeuwde Merijn toen licht walgend uit. Ze haperde even om zich de precieze gang van zaken te herinneren.

 

 

*****

 

“Anders kom je vanmiddag toch met mij mee naar huis?” zei Martje. “Wij hebben thuis drie computers, er is er meestal wel eentje vrij.” Merijn stond met haar armen over elkaar tegen de deur van het computerlokaal en probeerde met een boze blik wat brugklassers weg te jagen.

“Het heeft geen zin,” zei Martje. “Kom op, ik heb honger. Laten we wat gaan eten.”

Merijn liet zich met tegenzin naar de kantine slepen en ging tegenover Martje zitten. Ze had gehoopt dat ze de opdracht op school af konden maken, maar zoals het er nu uitzag was het computerlokaal gereserveerd tot vier uur. Haar eigen computer thuis was onlangs gecrasht en moest nog steeds naar de reparateur gebracht worden. Haar moeder had geen computer, en haar vader had zijn laptop mee naar de conferentie waar hij gastspreker was. Er zat kennelijk niets anders op dan met Martje mee naar huis te gaan.

Dat had ze tot nu toe nog steeds uit kunnen stellen, alsof ze daarmee ook Martjes rol in haar leven kon ontkennen. Dat was eigenlijk oneerlijk, want dankzij Martje werd ze nu niet met de nek aangekeken na de bizarre excursie naar Berlijn. Martje speelde het spelletje goed mee, en al hun klasgenoten geloofden nog steeds dat Merijn daadwerkelijk gestalked werd door een psychotische huishoudster, terwijl Merijn in feite een mislukte weglooppoging had begaan. Maar zonder Martje had Merijn net zo goed ook ergens op een tropisch strand kunnen liggen, zij aan zij met die lekkere Perth. Daar stond dan weer tegenover dat Merijn nu Efren had, een klein rotsje in de branding.

Ze werd constant beziggehouden door die dilemma’s. Enerzijds dit, anderzijds dat... Wat zou er gebeurd zijn als... Ze kon er soms niet van slapen ’s nachts, en ging dan vaak online om even met Efren te chatten. Hij was op de meest vreemde tijdstippen wakker, maar dat kwam Merijn dan vaak wel goed uit. Door Efren wist ze dat er ook nog wel leuke dingen in de wereld waren.

De pauzebel klonk en Merijn schrok op van het geschraap van stoelen. Ze was vergeten iets te eten, en pakte snel een appel uit haar tas. Martje stond op en gooide haar lege boterhamzakjes weg. Ze liepen samen naar het geschiedenislokaal, waar de docente meteen vroeg hoe het met hun werkstuk stond.

“Ja, we gaan er vanmiddag aan werken mevrouw” riep Martje ijverig. Merijn zuchtte en legde zich er maar bij neer. Vanmiddag zou ze Martjes enorme familie gaan ontmoeten.

 

Die middag scheen er een fel herfstzonnetje waar Merijn bijna vrolijk van werd. Merijns humeur was enigszins opgeklaard toen ze gecomplimenteerd was door de scheikundeleraar. Hij had nog nooit een leerlinge gehad die in een herkansing van een 2 een 8,5 had gemaakt. Merijn had hem maar niet verteld dat ze voor die 2 dan ook geen enkele moeite had gedaan, terwijl ze voor de 8,5 meer dan een week had zitten blokken met haar moeder.

Terwijl Merijn nadacht over de geschiedenisopdracht kletste Martje over haar familie. “En ik hoop dat je niet allergisch bent voor dieren, want wij hebben er een heleboel.” Merijn had nog nooit iemand zo enthousiast over haar familie horen praten. Martje stak haar linkerarm uit en Merijn volgde haar een eenrichtingsweg in. Ze reden meteen de eerste oprit op en Martje opende een houten poort.

“Zet je fiets hier maar neer,” zei ze terwijl ze naar een verzameling fietsen op een klein betegeld binnenplaatsje wees. Links van het binnenplaatsje was een glazen serre, achter haar en rechts van haar stond de schutting, en tegenover Merijn stond een garage met een puntdak. Er hing een piratenvlag uit een klein raampje en een jongen met bruin haar stak zijn hoofd uit het raam. Merijn dacht hem vaag te herkennen. Zijn haar was kortgeknipt en stond piekerig overeind op zijn kruin.

“Wie is dat?” riep hij naar beneden.

“Dit is Merijn,” riep Martje naar boven, waarna ze zich naar Merijn toedraaide. “Dat is Luc, m’n jongste broertje. Hij zit in de eerste, misschien heb je hem wel eens gezien op school.”

Merijn stak haar hand even in de lucht om naar hem te zwaaien maar werd ruw weggetrokken door Martje. Luc had een enorm waterpistool tevoorschijn getoverd en mikte op Merijn terwijl hij gemeen grinnikte.

“Kom snel!” zei Martje terwijl ze de glazen serredeuren openduwde. “Luc zit in een zeer vervelende fase... ik weet niet van wie hij het leert.” Martje duwde de deuren ook weer achter zich dicht en Merijn zag een dikke waterstraal het raam raken.

“Olivier!” riep Martje toen uit.

“Zusje!” klonk een jongensstem ver weg.

Merijn draaide zich om. Het viel nog wel mee met die drukte in huis. De keuken was wel rommelig, maar groot genoeg om een gezin met vijf kinderen te herbergen. Er stond een grote wasmand op de keukentafel waar een grote zwarte kat in lag.

“Ah, dat is vast huisdier nummer één,” zei Merijn lachend terwijl ze naar de kat wees.

Martje knikte. “En de minst angstaanjagende trouwens... Wil je thee?” ze liep naar het aanrecht en zette een grote fluitketel op het fornuis.

“Sophie ken je trouwens vast wel, die zit ook bij ons op school. Ze lijkt wel een beetje op me, alleen met iets donkerder haar. Zij zit nu vast bij een vriendin, ik denk niet dat je haar nog ziet.”

Merijn haalde haar schouders op. Ze was nooit zo goed in het onthouden van mensen.

“Tristan woont niet meer thuis, die studeert in Delft. Dus eigenlijk zijn alleen Luc en Olivier er vandaag.” De ketel begon te fluiten en Martje zette een grote pot thee op de keukentafel, waarna ze zich naar een deuropening draaide.

“Olivier, we hebben visite! En er is thee!” riep ze hard door het huis.

“Jaaah! Ik kom zo!”

De serredeuren werden opengeschoven en Luc stapte naar binnen. Hij was kletsnat en gebaarde woest naar buiten. “Olivier zat in een hinderlaag... hij gooide een emmer water over me heen, de eikel...”

Luc maakte aanstalten om met zijn drijfnatte kleren de keuken door te banjeren maar Martje bonjourde hem naar buiten. “Ga maar door de bijkeuken en gooi daar je kleren in de droger.”

Merijn werd erg benieuwd naar Olivier en herinnerde zich toen dat ze hem al eens aan de telefoon had gehad. In Berlijn was Martje een keer gebeld door haar broer, en toen Merijn de telefoon opgenomen had, deed hij alsof hij haar had ingehuurd als huurmoordenaar.

Voordat Luc weer naar buiten stapte waarschuwde hij hen nog. “Ontwijk de appelboom als je dat kunt...” Hij liet de serredeuren openstaan en de kat sprong behendig van de tafel af waarna hij naar buiten rende. Daar draaide hij zich om en ging op de tegels zitten, waarna hij Merijn lang aanstaarde.

“Dat is een mooie kat,” mompelde Merijn. Ze deed een paar stappen dichterbij om hem te aaien, maar de kat stond op en liep de tuin in. Merijn volgde hem tussen de serre en de garage door, en zag achter in de tuin een terras waar een appelboom bij stond. Op het terras lag een emmer naast een enorme waterplas. De kat zat naast de emmer en keek omhoog. Merijn kwam behoedzaam dichterbij en tuurde tussen de takken door. Hoog in de kruin van de boom zat een lange jongen op een dikke tak. Hij zat met zijn rug naar haar toe, en bestudeerde de boombast met een vergrootglas.

“Hoi, ben jij Olivier?” vroeg Merijn.

De jongen draaide zich half om en deed zijn mond open om iets te zeggen. “En jij bent de beru-...” Hij greep zich vast aan de boom en keek eens goed naar beneden.

“Merijn?”

“Olivier?” Merijns mond viel open van verbazing. Deze Olivier was niet de jongen die ze verwacht had... deze Olivier had ze vorig jaar op vakantie ontmoet en snel uit haar gedachten verbannen nadat hij van twee walletjes wilde gaan eten.

Olivier klom snel uit de boom, maar was iets te onvoorzichtig en maakte een misstap waardoor hij anderhalve meter naar beneden gleed.

Merijn snelde naar hem toe om hem op te vangen, maar hij stond snel op.

“Wat doe jíj hier?” vroeg hij terwijl hij zijn handen afklopte.

“Huiswerk maken met Martje...” zei Merijn.

“Nee, ik bedoel... wat doe jij in Zeist? Jij woonde toch in-... ergens in het oosten of het zuiden?”

Merijn schudde haar hoofd. “Ik woonde in Nijmegen, maar m’n ouders moesten zo nodig naar Zeist verhuizen afgelopen zomer.”

“En dan denk je niet meteen ‘Hé, die leuke, schattige Olivier woonde toch in Zeist?’” vroeg Olivier grijnzend.

Merijn schudde haar hoofd. “Ik had wel andere dingen aan m’n hoofd...”

Olivier knikte bedenkelijk. “Goh, ik had nooit gedacht dat jíj die Merijn was waar Martje het altijd over had.”

Merijn lachte. “En ik had niet gedacht jou nog eens te zien...”

 

 

*****

 

Terwijl ze Phillipa, Janna en Jing-mei over Olivier vertelde begon Janna te giechelen.

“Dus Wout heb je ook nog wel eens gezien?”

Merijn knikte. Na die eerste ontmoeting was Merijn kind aan huis geworden bij de Vermeers. Er heerste altijd een gezellige chaos, die contrasteerde met Martjes drang naar regelmaat. Merijn vermoedde dat er in dit gezin van zeven mensen een bepaalde regelmaat heerste die onzichtbaar leek voor buitenstaanders, maar die duidelijk was voor de mensen die er vaak over de vloer kwamen. Zo aten ze ’s avonds altijd samen, maar was het niet toegestaan om zomaar iemand uit te nodigen voor het avondeten. Dat vond Merijn niet raar, Liesbeth Vermeer had immers een fulltime baan en kon onmogelijk haar gezin plus alle gasten van haar kinderen een voedzame maaltijd voorzetten, zonder daar vooraf over ingelicht te zijn.

Merijn vond Martje ook veel leuker als ze bij haar thuis waren, want daar was altijd zo veel te doen dat Martje veel minder gespannen was. Merijn had na die eerste middag vol spanning gewacht op de eerste keer dat ze Willem, Wout en Javier weer eens tegen zou komen. Zij waren inmiddels al lang op de hoogte van Merijns miraculeuze verschijning in Zeist, en vroegen haar honderduit over Janna, Jing-mei en Phillipa. Daar had ze echter steeds om heen kunnen praten, omdat ze eerlijk gezegd niet had geweten hoe het met ze ging.

Ze had wel aan Willem toegegeven dat ze nog vaak aan hem en aan zijn muziek had gedacht, en al snel had ze hem in contact gebracht met Efren, die een bandje zocht. Wout en Javier zag ze niet zo vaak bij Olivier, die zaten het grootste deel van de tijd in Amsterdam en Nijmegen. Maar door deze onverwachte wending begon Merijn wel terug te denken aan haar oude vriendinnen.

Nu ze Janna, Phillipa en Jing-mei eindelijk over de vloer had, kon ze een bezoekje aan de Vermeers onmogelijk overslaan.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1