MAN – Hoofdstuk 8: Wraak van de Wichten

Door: Hestia ([email protected])

 

Merijn werd op woensdag als eerste wakker. Nadat ze stil had liggen luisteren naar haar vriendinnen die allemaal nog sliepen, was ze met een naar gevoel in haar buik opgestaan. Even wist ze niet meer waardoor ze zich zo vervelend voelde, maar toen ze de gebarricadeerde kamerdeur zag was ze meteen weer bij vol bewustzijn: afgelopen nacht had er iemand door hun huisje geslopen. Merijn, Janna, Phillipa en Jing-mei konden niet anders concluderen dan dat het de buurjongens geweest moesten zijn.

Terwijl de anderen nog een tijdje door hadden gepraat over hun plan van aanpak voor de komende nacht, was Merijn in slaap gesukkeld, al was ze af en toe wakker geschrokken wanneer er weer een bons te horen was van een dichtvallende deur, of wanneer Janna angstige gilletjes slaakte.

Voorzichtig haalde Merijn de stoel bij de deur vandaan, en terwijl ze snel wat douchespulletjes uit haar tas pakte hoorde ze Phillipa geeuwen.

“Goeiemorgen,” fluisterde Merijn.

Phillipa wreef door haar ogen en keek op haar horloge. “Jemig, is het half één? Ik ben nog helemaal niet uitgeslapen...” Ze trok de deken weer over zich heen, en Merijn besloot haar verder met rust te laten. Voorzichtig liep ze de gang op, angstvallig luisterend of ze nog steeds geluiden uit de keuken hoorde. Het bleef gelukkig stil, maar Merijn rende toch snel de badkamer in en deed de deur achter zich op slot.

Na een kwartiertje liep ze de slaapkamer weer in, waar ze zich snel aankleedde. Ze zag dat Phillipa al klaar stond met handdoeken in haar armen om ook te gaan douchen, maar voordat Phillipa uit de kamer verdween, wees ze naar de berg kleren die in de hoek van de kamer lag.

“Er ging net een mobieltje af, maar ik had geen zin om die vuile was door te spitten. Er liggen trouwens geen kleren van mij tussen, dus de telefoon kan niet van mij zijn.”

Merijn wikkelde een handdoek om haar natte haren en dacht even na. “Het kan die van mij zijn, die heb ik al een paar dagen niet meer gezien... Ik zal hem zo wel zoeken.”

Phillipa knikte en stapte voorzichtig over Janna heen het bed uit. “Wil jij ook vast koffie zetten als je beneden bent?”

Toen Phillipa de kamer uit was, opende Merijn voorzichtig het raam. Het waaide buiten flink, en de gordijnen bolden op terwijl de kamerdeur met een klap achter haar dichtviel door de tochtstroom. De zon scheen echter ook, en Merijn bleef even bij het raam staan om de frisse buitenlucht in te ademen.

“Merijn? Wat doe je?”

Jing-mei zat rechtop in bed en haar dikke zwarte haar stond rechtovereind op haar hoofd. Door dikke slaapogen tuurde ze Merijn verward aan.

“Niks, ga maar weer slapen,” Merijn liep langs haar matras, greep de enorme stapel kleren en liep voorzichtig de kamer uit en de trap af. In de woonkamer gooide ze de kleren op de bank, waarna ze de kamer bestudeerde. Er leek niks gestolen te zijn, en ze zag ook geen tekenen die konden wijzen op het feit dat er vannacht iemand was geweest. Met bonzend hart liep ze naar de keukendeur, die ze voorzichtig open duwde. Ze moest veel kracht zetten om de deur te openen, omdat zowel het raampje boven het aanrecht én de achterdeur wijd open stonden. Merijn slikte even, en keek naar de rommel in de keuken. Er was beslist iemand in de keuken geweest.

Merijn zette eerst een omgevallen keukenstoel rechtop. Vervolgens raapte ze alle appels op die verspreid lagen door de keuken. Ze waren allemaal beurs en bruin, alsof er mee gevoetbald was. Maar wanneer de beurse plekken er afgesneden zouden worden, waren ze nog wel eetbaar, dus Merijn deed ze in een schaal die ze in een keukenkastje zag staan. Vervolgens zocht ze alle schoenen bij elkaar die door de keuken waren geschopt. Ze zette ze paar bij paar bij elkaar, en bedacht of er misschien een stel kwijt was. Haar regenlaarzen en sneakers stonden er tussen, en de rest van de schoenen kon ze eigenlijk niet aan de anderen toebedelen, maar ze gokte erop dat er geen schoenen weggenomen waren.

De chaos leek al een stuk minder, maar nu moest ze aan de rommel op en rond het aanrecht beginnen. Twee bloempotten die in het kozijn hadden gestaan waren in de spoelbak gerold, maar er was geen blijvende schade aan de potten. Merijn spoelde het zand op het aanrecht weg, en zette de bloempotten weer op hun oude plaats. De glazen schalen waar Mei gisteren popcorn in had gedaan, stonden nog netjes opgestapeld in een hoekje van het aanrecht. Maar het afvalbakje voor groente- en fruitafval dat ernaast stond was wel omgevallen, en er lagen verscheidene koffiefilters op het aanrecht en op de grond. Merijn ruimde ze vol afgrijzen op, de geur was niet te harden.

“Hé, ben je al begonnen met het uitzoeken-...” Phillipa stapte de keuken in terwijl ze haar krullende haar glad kamde. “Oh mijn god,” ze bleef midden in de keuken staan en sloeg haar hand voor haar mond. “Moeten we de politie niet bellen?”

Merijn stopte met het schoonmaken van het aanrecht en draaide zich om. “Tja, ik heb denk ik net al het bewijs opgeruimd...”

“Was het erger?” Phillipa liet haar borstel uit haar handen vallen en het ding kletterde met veel lawaai op de plavuizen.

Merijn legde uit wat ze al had schoongemaakt, maar werd onderbroken door Janna die in pyjama de keuken in rende, een zware encyclopedie in haar handen. “Kom maar op, ik zal je pakken!” gilde ze, terwijl ze vervaarlijk met het boekwerk zwaaide. “Oh, gelukkig. Jullie zijn het,” ratelde ze buiten adem. Ze liet zich op een keukenstoel vallen en legde de encyclopedie naast zich neer. “Ik neem dat ding nu overal mee naar toe: wie heeft er ook alweer eens gezegd dat je mensen met woorden moet bevechten? Nou, dit boek staat stampvol met enorm moeilijke woorden, dus daar kan ik veel schade mee aanrichten.”

Ook Jing-mei kwam de keuken in, en greep zich aan de deurpost vast toen ze de restanten van de chaos zag. “Shit, ik dacht niet dat het zo erg zou zijn!” zei ze terwijl ze met grote ogen rondkeek. “Om eerlijk te zijn hoorde ik vannacht eigenlijk niets bijzonders...”

“Nou, dan ben je behoorlijk doof,” zei Janna terwijl ze haar nachthemd over haar knieën trok. “Waarom staat die deur eigenlijk open? Kan die niet dicht?”

Merijn sloot snel de deur, terwijl ze vertelde dat de deur wagenwijd openstond toen ze de keuken in was gekomen.

“Wie heeft de deur dan niet op slot gedaan gisteren?” vroeg Mei.

Merijn stak voorzichtig haar hand op. “Ik denk dat ik het laatst naar binnen ben gegaan, maar Janna had me al eens gezegd dat de deur helemaal niet op slot hoefde.”

“Nee, dat is ook nergens voor nodig, op het platteland... Hier heb je geen inbrekers,” zei Phillipa sarcastisch, terwijl ze in de kasten op zoek ging naar een stoffer en blik. Jing-mei pakte een vuilniszak en begon de rommel uit de omgevallen prullenbak op te rapen.

“Maar maken we het nu allemaal niet erger dan het is?” ging Phillipa verder. “Ik bedoel, we hebben zelf de deur van het slot gelaten en het zijn waarschijnlijk toch de buurjongens geweest die in een dronken bui onze keuken hebben geplunderd. Als we dit nu snel opruimen en ons aan ons plan voor vanavond houden, dan hoeven we er de rest van de dag geen aandacht aan te besteden. We zullen de jongens zo veel mogelijk ontlopen, wat makkelijk zal gaan als we straks boodschappen gaan doen, en we doen net alsof er niks is gebeurd vannacht. Vanavond kunnen wij hen eens laten schrikken.”

Janna zuchtte. “Ik voel me anders behoorlijk aangevallen... en dat in m’n eigen huis! Nou ja, m’n eigen vakantiehuis.”

“Maar vanavond kunnen we ons wreken, Jan. Onze wraak zal zoet zijn... ik denk dat we ranja moeten kopen voor in de supersoakers.”

Jing-mei en Merijn lachten stilletjes om de vastberadenheid waarmee Phillipa de operatie voorbereidde. Merijn twijfelde geen minuut aan Phillipa’s geschiktheid voor het leger.

Mei liet zich op haar knieën vallen en begon de rommel onder de tafel op te ruimen en Merijn ging verder met het schoonmaken van het aanrecht.

“Hé,” klonk er ineens van onder de tafel, waarna er een gedempte bons klonk en Jing-mei luid vloekte. Achterwaarts kroop ze onder de tafel vandaan, over haar hoofd wrijvend. “Kijk eens wat ik onder de tafel vond? De softbal!”

“Ja, en?” zei Janna terwijl ze door de encyclopedie bladerde.

“Nou, ik kan me niet herinneren dat wij die gisteren mee naar binnen hebben genomen! Sterker nog, nadat we klaar waren met softbal liep Willem ermee te jongleren, en nadat hij z’n gitaar had gepakt heb ik die bal niet meer terug gezien.

Iedereen liet die uitspraak op zich inwerken, en terwijl Merijn het aanrecht weer begon te boenen, dacht Phillipa hardop na.

“Willem was een slaapwandelaar, of niet?”

 

Met z’n vieren hadden ze de keuken snel weer op orde, en afgezien van één theekopje die Merijn per ongeluk van het aanrecht duwde was er geen schade. De brunch die ze vervolgens hielden was niet zo indrukwekkend als de naam deed vermoeden. Het meeste broodbeleg was op, dus Jing-mei fabriceerde wat kaastosti’s en tosti’s met pindakaas en banaan, die ze in de woonkamer opaten. Janna voelde zich niet meer op haar gemak in de keuken, en sprong bij het minste of geringste geluidje overeind.

Merijn begon na het eten de enorme stapel kleren uit te zoeken en op te vouwen. Phillipa en Jing-mei bereidden zich tegelijkertijd voor om de fietsband te plakken, zodat ze met z’n allen boodschappen konden gaan doen.

“Ik heb wel eens van die enge verhalen gehoord over landlopers die de zolder van afgelegen huizen bezetten om er rustig te kunnen overwinteren,” zei Janna opeens terwijl ze een tijdje naar Merijns opvouwkunsten had zitten staren. “Misschien zit er hier in huis ook wel iemand die schrok van onze plotseling aanwezigheid, maar zich toch ook niet weg wil laten jagen...”

“Ah, Janna, hou toch op,” zei Merijn terwijl ze een van Mei’s shirtjes opvouwde. “Ik vind Phil’s theorie veel beter.”

“Dus jij denkt dat het Willem was? Een slaapwandelende Willem?”

Merijn knikte. “Olivier zei het gisteren nog, dat Willem slaapwandelt. Misschien was dat wel een soort waarschuwing, een verborgen waarschuwing, want Olivier is niet echt duidelijk in zijn signalen.” Ze schudde een spijkerbroek uit en er viel iets uit een broekzak op haar voet.

“Ah, de telefoon die Phil vanochtend hoorde. Míjn telefoon!” riep ze uit. Ze legde de spijkerbroek aan de kant en raapte de telefoon op. De display liet geen actie zien, dus Merijn drukte op de aanknop en wachtte op de piepjes die aangaven dat ze bereik had. De telefoon begon echter irritante geluidjes te produceren.

“Shit, batterij leeg...” mompelde ze, en met de telefoon in haar hand rende ze naar de slaapkamer, waar ze in haar tas begon te zoeken naar haar oplader. Enkele minuten later stond ze weer in de woonkamer, en duwde ze de oplader in het stopcontact. Het duurde even voor de telefoon bereik had, maar daarna zag ze meteen dat ze weer een hoeveelheid oproepen gemist had. Alle oproepen kwamen van hetzelfde telefoonnummer, haar huisnummer. Terwijl Merijn naar de tijdstippen keek waarop ze was gebeld, zag ze dat die vooral tussen negen uur ’s ochtends en vijf uur ’s middags lagen. Ze snapte er niks van, misten haar ouders haar zo erg?

Nu ze erover nadacht kreeg ze zelf ook een aanval van heimwee en plotseling herinnerde ze zich weer dat haar moeder over minder dan twee weken naar West-Afrika ging. Ze wilde haar moeder nu toch wel erg graag even spreken, en ze nam plaats aan de eetkamertafel naast een van de halfronde stalraampjes. Terwijl ze het nummer intoetste keek ze even naar buiten, en ze had duidelijk zicht op het huisje van de jongens. Wat er binnen gebeurde kon ze net zien, maar ze verwachtte eigenlijk dat ze allemaal nog sliepen. Het bier had hen gisteravond erg goed gesmaakt.

Merijn hoorde de telefoon overgaan, en wachtte ongeduldig op de stem van haar vader of moeder.

“Goedhardt,” zei een snerpende stem.

“Ida?” Merijn was opgestaan om de kleren die nog op de grond lagen op te rapen en ze legde ze op de tafel.

“Merijn, eindelijk! Hoe is het, meisje?”

“Ja, goed... maar mag ik m’n moeder spreken?” Merijn klemde de telefoon tussen haar oor en schouder en begon weer kleren op te vouwen. Ida zei echter niks terug, en Merijn keek even op het display of ze nog wel bereik had.

“Ida?”

“Jaja, rustig maar,” Ida’s klonk boos en afwezig, en op de achtergrond hoorde ze voetstappen. “Oh, je moeder is er niet,” zei ze toen, en snel voegde ze daar nog aan toe dat haar vader ook niet thuis was.

Merijn zuchtte teleurgesteld, en wilde al bijna ophangen tot ze zich bedacht. “Ida, weet jij soms waarom m’n ouders me zo vaak hebben gebeld?”

Ida lachte ineens vrolijk. “Oh, maar je ouders hebben je helemaal niet gebeld! Dat was ik!”

Merijn liet bijna de telefoon wegglippen, maar kon hem nog net op tijd opvangen “Waarom?” vroeg ze voorzichtig.

“Iemand moet toch een beetje een oogje in het zeil houden? Ik ben ook jong geweest, weet je, en jonge meiden hebben iemand nodig die ze bijstuurt en opvangt wanneer het uit de hand loopt.”

Merijn zat doodstil op haar stoel te luisteren naar Ida. Waar dacht ze zich mee te bemoeien? “Sorry, Ida. Ik geloof niet dat dat jou taak is...” zei ze toen bits. “Daar heb ik ouders voor.”

Ida grinnikte gemeen. “Met die ouders van jou is het een wonder dat je onlangs zestien bent geworden! Als ze mij niet aan hadden genomen was jij nu al lang ontspoord en lag je ergens in de goot heroïne te spuiten, bij wijze van spreken.”

“Pardon?” riep Merijn uit.

“Meisje, rustig maar... Nu weet je in ieder geval dat je mij meer dankbaarheid moet tonen. Ik waak over jou.”

Merijn hoorde voetstappen, zowel achter haar als door de telefoon.

“Wat is er?” vroeg Janna die naast Merijn kwam zitten. Merijn gebaarde haar stil te zijn en luisterde aandachtig naar de telefoon.

“Ida, is dat m’n moeder? Mag ik haar... nu?”

Ida zei echter niks meer in de telefoon. Merijn hoorde een deurbel gaan, en vervolgens werd de telefoonverbinding verbroken.

Merijn keek gedesillusioneerd naar haar telefoon. “Dat was... raar...” zei ze terwijl ze de telefoon op de tafel legde. “De huishoudster heeft me net beledigd, geloof ik... en m’n ouders ook.”

“Wat? Bel haar dan nog eens, om haar eens goed de waarheid te vertellen!”

Merijn schudde snel haar hoofd. “Oh nee, dat wil ze vast graag, want dan kan ze me nog eens uitfoeteren. Nee, ik praat er wel met m’n ouders over, als ik weer thuis ben.”

“Weet je het zeker?” Janna keek haar strak aan.

Merijn knikte vastberaden. “Ja, Ida was vast even gefrustreerd omdat ze helemaal alleen in huis is.” Merijn ging verder met het opvouwen van de kleren, en Janna hielp haar. Toen er vier stapeltjes met netjes opgevouwen kleren lagen schoof Merijn haar stoel achteruit en lachte even. “Phil zei nog dat er geen kleren van haar in de berg lagen, maar moet je zien van wie de grootste stapel is!”

Janna lachte mee, en stond op. “Ik breng de kleren even naar boven, wil jij aan het boodschappenlijstje beginnen?”

Merijn liep vervolgens de keuken in om na te gaan wat er allemaal gekocht moest worden. Door de openstaande achterdeur zag ze Phillipa en Jing-mei, die de lekker band aan het plakken waren. Mei’s handen zaten onder de smeer, en ze had een streep dwars over haar gezicht staan.

Phillipa’s haren werden door de wind steeds in haar gezicht geblazen en Merijn keek verlangend naar buiten, waar de stapelwolken door de blauwe lucht scheerden.

Ze rende snel naar de gang om haar jas te pakken en botste bijna tegen Janna op die de trap af kwam rennen. Samen liepen ze door de keuken naar buiten, waar Merijn haar haar in een staart deed.

“Zeg, vinden jullie het erg als ik een stukje ga fietsen? Ik heb even wat lucht nodig.”

Phillipa keek haar bezorgd aan, maar Janna begreep kennelijk dat Merijn even uit wilde waaien na het vreemde telefoongesprek met Ida.

“Ja hoor,” lachte ze geruststellend. “Als je over een half uur maar terug bent.”

Merijn pakte meteen de fiets die tegen de muur van de boerderij stond en fietste het terras over.

“Maar zorg dat je niet verdwaalt!” riep Janna haar nog na. Merijn was echter al over de oprit naar de weg gefietst en sloeg linksaf. Met de wind in de rug maakte ze snel snelheid. Ze was van plan om zo vaak mogelijk linksaf te slaan, dan zou ze in een rondje om de boerderij fietsen en had ze geen kans om de weg kwijt te raken.

Terwijl ze over de smalle geasfalteerde weg tussen de weilanden fietste keek ze haar ogen uit. Her en der lagen boerderijen, maar ze zag weinig menselijke activiteit. Er vlogen vooral vogels over de weilanden, en in de weilanden stonden groepjes koeien te grazen. Afgezien van de harde wind was de zon nog behoorlijk fel, en Merijn baalde dat ze haar zonnebril niet mee had genomen. Ze hoopte dat ze snel beschutting zou vinden onder de bomen die ze aan haar linkerkant zag. Ze sloeg al snel weer linksaf en fietste een zandweg op. Het zand was over het algemeen hard doordat het een paar dagen geleden nog had geregend, maar op sommige plaatsen was het behoorlijk rul en Merijn moest uitkijken om niet met fiets en al om te vallen. Ze zag duidelijk de sporen van paardenhoeven in het zand naast de tractorbanden die diepe moddersporen achter hadden gelaten. Misschien had ze in de keuken en op het terras ook beter moeten zoeken naar sporen. Als het dan inderdaad de buurjongens waren geweest, hadden ze vast voetstappen van de keukendeur naar het andere huisje gevonden.

Onder de bomen waar ze nu fietste was het frisser door het ontbreken van de zon, en Merijn rilde even toen ze weer aan de enge geluiden uit de keuken dacht. Merijn was blij dat ze de anderen die nacht wakker had gemaakt; ze was namelijk vooral bang geweest dat ze zich die geluiden maar had verbeeld in een soort van halfslaap. Toen Phillipa ook nog voor had gesteld om de volgende avond met z’n allen wakker te blijven om de jongens eens een nachtelijk bezoekje te brengen, gewapend met supersoakers, waterballonnen en felle zaklampen, was haar humeur danig verbeterd.

Merijn richtte haar aandacht weer op de weg toen ze een diepe modderpoel voor zich op zag doemen. Ze remde af, sprong van haar fiets en probeerde een weg langs de modder te vinden. Plotseling zag ze een meter of twintig voor zich een schim met hoge snelheid de weg van rechts naar links oversteken. Merijn wist niet wat ze precies had gezien, misschien was het een hert geweest, of dacht ze nu dingen te zien die er niet waren, maar het leek alsof er een jongen voorbij was komen rennen.

“Hallo?” riep Merijn voorzichtig. De enige jongens die ze in deze omgeving had gezien waren Olivier, Willem, Wout en Javier, dus de kans was groot dat het een van hen was die weer een grap uit wilde halen.

Merijn keek van de modderpoel naar de boom waar de schim achter verdwenen was. Ze luisterde aandachtig of ze stemmen of gegniffel hoorde, maar ze hoorde alleen de wind door het bladerdak. De enige manier om te kijken wie er de weg overgestoken was, was door de modderpoel. Ze liep een stuk terug met de fiets aan haar hand, ging er weer opzitten en begon vaart te maken. Vlak voor ze de modderpoel in fietste, trok ze haar benen hoog op en met een rotgang racete ze door de modder, die alle kanten op vloog. Merijn kwam zelf droog over, en ze remde snel weer af. Ze slipte een beetje in het zand, maar ze wist overeind te blijven. Ze stapte af en zette de fiets op de standaard. Voorzichtig liep ze naar de boom waar ze de schim achter had zien verdwijnen, zich voorbereidend op een schok wanneer er iemand achter vandaan sprong. Ze stapte het zandpad af en betrad de berm, waar het hoge gras haar broekspijpen nat maakte, en ze sloop naar de boom. Snel sprong ze erom heen, maar er stond niemand achter. Was het dan toch een wild dier geweest wat ze had gezien?

Een beetje teleurgesteld door het gebrek aan avontuur leunde Merijn tegen de boom aan. Achter de rij bomen liep de grond naar beneden in een smal slootje, en er was een prikkeldraadafzetting die de afscheiding vormde tussen het struikgewas en een weiland. Plotseling hoorde Merijn gehinnik en twee glanzende bruine paarden liepen langs het prikkeldraad naar haar toe. Merijn tuurde verder over het weiland, en zag verderop een boerderij waar een persoon bezig was met een paard. Vanaf de weg kon een goede ruiter waarschijnlijk zonder problemen over het prikkeldraad gesprongen zijn.

Nadat ze zich hiervan had overtuigd, liep Merijn terug naar haar fiets en zonder er nog meer aandacht aan te besteden fietste ze het zandpad af. Aan het eind van de weg sloeg ze weer linksaf, en ze bevond zich nu weer op een smalle geasfalteerde weg. De boerderij die ze vanaf het zandpad had gezien kwam steeds dichterbij, en terwijl ze tegen de wind in ploeterde zag ze iemand met een paard aan de teugels het weiland verlaten. Merijn naderde de boerderij, en zag een groot bord aan de weg staan. In grote sierlijke letters stond “Firefoot Fokstallen”, de naam van de manege, en eronder stond in een kleiner lettertype dat de manegehouder ook dierenarts was. Er was echter weinig te beleven bij de manege, de figuur die ze even eerder had gezien was in de stallen verdwenen, dus Merijn fietste stug door.

Na een tijdje hoorde ze een duidelijke klip-klop achter zich, en al snel werd ze ingehaald door een parmantige jongen op een zwart paard. De ruiter bleef naast haar stappen, en Merijn bekeek hem eens goed. Hoewel de jongen eruit zag als een volleerd paardrijder, had hij geen rijlaarzen aan of cap op. Hij lachte alleen charmant naar Merijn, en ze kon niet anders dan teruggrijnzen. De jongen haalde nonchalant een hand door zijn donkerblonde haar, maar hij leek zijn evenwicht iets te verliezen zodat hij snel zijn hand weer op de teugels legde.

“Hoi,” zei Merijn vriendelijk, maar de jongen fronste enkel even.

“Hallo,” zei ze iets harder, maar nog steeds kreeg ze geen andere reactie van hem dan een glimlach, die haar nu begon te vervelen.

Merijn versnelde iets, en de jongen volgde haar. Merijn voelde een rilling over haar rug lopen, en ze versnelde weer. Ze ging op de trappers van haar fiets staan en fietste zo snel mogelijk weg van de jongen op zijn enge zwarte paard. Toen ze bij een kruising kwam sloeg ze snel linksaf, en na een tijdje keek ze achterom of de ruiter haar nog volgde, maar de weg was volledig uitgestorven.

Ze richtte haar blik weer op de weg voor zich om de laatste afslag naar links te vinden, zodat ze weer bij het vakantiehuisje terug zou komen, maar ze schrok toen er weer iemand vlak voor haar de weg overstak.

“Hé, kijk uit, eikel!” riep ze in een reflex terwijl ze remde. Ze voelde de fiets over het wegdek slippen en haar voet schoot van het pedaal. Ze probeerde haar voet terug op het pedaal te zetten, maar op tijd remmen was nu onmogelijk. Ze voelde het ruwe asfalt door de zool van haar sneaker, en ze draaide haar stuur bij om de jongen te ontwijken. Hij bleef echter midden op de weg stil staan, keek haar met grote ogen aan, stak zijn hand uit en Merijn stond centimeters voor hem opeens stil.

“Kan je niet uit je doppen kijken? Heb je op de kleuterschool niet geleerd dat je eerst links en rechts moet kijken voor je oversteekt?” foeterde ze terwijl ze de jongen in zijn ogen aanstaarde. De jongen lachte weer even en krabde zich op zijn achterhoofd. Het was dezelfde jongen die ze eerder op het paard had zien zitten.

“Nou, ga je je nog verontschuldigen?” zei ze, iets gekalmeerd door de lichtbruine glans van zijn ogen.

“Sorry,” zei hij toen. Hij leek meer te willen zeggen, maar twijfelde even en lachte toen maar weer charmant.

Merijn stapte van haar fiets en nam een paar stappen naar achter. Ze wilde toch graag wat afstand bewaren van mensen die ze bijna had aangereden. Maar terwijl ze meer van de jongen zag, beviel dat haar steeds minder. Zijn kleren, een zwarte broek en een donkerblauwe bloes waar hij nonchalant de bovenste knoopjes van los had, zaten verfomfaaid, en Merijn zag duidelijk grassporen. Diagonaal over zijn bloes zaten glimmende strepen, en Merijn vroeg zich af of hij misschien gewond was.

“Euhm, alles goed? Je ziet er erg aangereden uit. Enne, waar is je paard?” Merijn keek om zich heen, maar de weilanden waren leeg afgezien van de zwermen weidevogels.

“Nederlands?” vroeg de jongen toen, met gefronste wenkbrauwen.

“Ja, we zitten hier in Nederland ja...” zei Merijn geïrriteerd. Ze zette de fiets op de standaard en liep toch weer naar hem toe. “Ben je gewond? Ik kan je wel meenemen naar huis, daar hebben we wel een verbandtrommel.”

De jongen zei echter niets, en leek alleen geïnteresseerd te zijn in de manier waarop Merijn onderzocht waar die glanzende strepen vandaan kwamen. Het leken namelijk wel bloedsporen.

“Wat is je naam?” vroeg ze, en toen ze geen antwoord kreeg herhaalde ze haar vraag in het Engels.

“Ah, it’s On-... erm, you can call me Tom.” Zijn stem had een vrolijk, optimistische klank, en Merijn probeerde zijn accent te plaatsen. Het leek wel Russisch of iets anders Oost-Europees.

“Tom? Ah, I knew someone called Tommie. I like that better, Tommietommietommie!” zei Merijn vrolijk. De jongen bleek geen wonden te hebben aan zijn handen, gezicht of andere delen van zijn lichaam die ze goed kon zien.

De jongen zuchtte even en rolde met zijn ogen.

Merijn wist dat de jongen in shock zou kunnen zijn, dus ze vroeg hem waar hij vandaan kwam.

“Far away,” zei hij met een dromerige blik in zijn ogen. “I must go to Italy, you know.”

Merijn slikte even en nam weer wat stappen achteruit. De jongen leek lichamelijk wel in orde, maar geestelijk was hij volgens haar niet helemaal honderd procent. Daar kon zij op dit moment echter niet veel aan doen.

“Yeah, I must go away too,” zei ze snel terwijl ze weer op haar fiets stapte. Ze maakte snel vaart en fietste de jongen voorbij zonder gedag te zeggen. Al snel zag ze in de verte de boerderij van Willem liggen, en plotseling besefte ze iets. Misschien zou die enge Tom haar volgen tot ze bij het huis aankwam. Dan zou hij haar vast lastigvallen tot aan het eind van de week. Merijn vervloekte zichzelf. Haar ouders hadden haar altijd geleerd dat ze niet met vreemden moest praten, en deze jongen was erg vreemd geweest. Maar aan de andere kant had ze hem ook kunnen helpen als hij echt gewond was geweest.

Ze keek even over haar schouder, maar de weg achter haar was alweer leeg. Ze remde wat af en speurde de weilanden af, maar ook daar zag ze geen menselijke figuren. Merijn slikte en rilde eventjes. Straks was die rare Tommie de persoon geweest die door hun keuken had lopen scharrelen op zoek naar eten. Hij zag er redelijk doorvoed uit, maar iemand die met een Oost-Europees accent Engels sprak en zei dat hij naar Italië moest, leek erg uit zijn plaats wanneer hij door het achterland van Nederland galoppeerde. Het was vast een gek die, zoals Janna had gezegd, boerderijen zocht om er gratis te overnachten en eten te ronselen.

Merijn was bij de laatste kruising aangekomen, en fietste als een speer naar huis om haar bevindingen aan de anderen mee te delen. Bij de boerderij aangekomen reed ze snel de oprit op naar het terras. De anderen kwamen de keuken uit en Janna haalde haar fiets van het slot.

“We gaan meteen boodschappen doen, Merijn. Olivier wordt achterdochtig doordat we binnen blijven. Hij is al komen vragen of we buiten mogen spelen. En daarna kwam Wout ook nog vragen of we z’n Dansmat wilden zien. Nou heb ik daar persoonlijk natuurlijk geen bezwaar tegen, maar de kans dat ik m’n mond dan voorbij ga praten, is veel te groot.”

 

********

 

Olivier zat in Javiers auto, met zijn telefoon in zijn ene hand, en een foto uit zijn portemonnee in zijn andere. Hij had net een telefoontje gehad van zijn zusje waarin ze hem in geur en kleur had verteld over haar vakantiebelevenissen tot nu toe. Ze had honderduit gekletst over een logeerpartijtje, maar Olivier had duidelijk gemerkt dat ze weer wat dingen voor hem verzweeg. Hij had er niet over doorgevraagd, want met puberzusjes was voorzichtigheid gewenst. Voor hij het wist zat hij weer met een gestresst zusje thuis.

Toen hij de foto een paar dagen eerder aan Jing-mei had laten zien had laten zien, had ze hartelijk gelachen. “Oh, jullie zijn zo’n gezellig Hollands hoogblond gezin?”

Olivier had daarop een andere foto laten zien, waarop zijn hele familie stond. “We zijn een heel kleurenpalet,” had hij gezegd.

“Broer is zeer donkerbruin, dan kom ik, ik ben middenbruin,” waarop Jing-mei verbaasd naar zijn blonde haar had gestaard.

“Blond uit een potje,” had hij toen gegrijnsd, en hij had z’n zusje aangewezen. “Zusje is wel natuurlijk hoogblond, maar ze is absoluut niet dom. Ze is gewoon schaapachtig. Dan komt Soapie, zij is donkerblond, en dan komt Lucky. Hij heeft bruin haar.”

“Vijf kinderen,” Jing-mei zat hem even aan te staren. “Dat zijn er vier meer dan in het gemiddelde Chinese gezin. Misschien is mijn echte moeder per ongeluk een tweede keer zwanger geworden, en ben ik daarom te vondeling gelegd. Maar gek genoeg heb ik nu wel twee Chinese zusjes, die had ik in China nooit kunnen hebben.”

“Wat zijn hun namen?”

“Yue en Feng”

“Zijn dat hun echte namen?”

 Jing-mei had geknikt. “Ja hoor, ik bedenk geen rare bijnamen, zoals jij doet volgens Willem.”

Olivier grijnsde weer nu hij er aan terug dacht. Zijn reputatie was hem weer vooruit gegaan.

Hij keek even uit het autoraam en zag Jing-mei juist van de oprit fietsen. Ze had Merijn achterop, en Janna en Phillipa fietsen vlak achter hen. Ze waren dus wel allemaal thuis, en nu gingen ze er zomaar vandoor zonder dat ze aandacht aan hen hadden besteed. Olivier opende het portier en stapte naar buiten. Hij rende om de auto heen, gleed een beetje uit in het grind, en legde een hand op de motorkap om zijn evenwicht te kunnen bewaren, terwijl hij op topsnelheid achter zijn buurmeisjes aanrende.

“Hé, hee, waar gaan jullie heen?” riep hij de meiden na. “Moeten jullie boodschappen doen? Jullie kunnen wel met ons mee, in de auto!” Hij bleef stilstaan aan het eind van de oprit, maar werd wederom compleet genegeerd door de meiden. Het voelde alsof hij weer in de brugklas zat, en het beviel hem niks.

Mokkend liep hij terug naar het huis, waar Javier hem op stond te wachten.

“Krijg je je zin weer niet?” zei hij lachend, terwijl hij zijn armen over elkaar heen sloeg voor zijn borst.

“Maar ik vind ze zo leuk!” zei Olivier stampvoetend.

Javier sloeg geruststellend een arm om Oliviers schouder. “Wees blij dat je geen vriendin hebt, man. Ik ben blij dat ik die van mij eindelijk kwijt ben. Ze was me veel te aanhankelijk en bemoederend. Het was eigenlijk een wonder dat ze me gistermiddag weer liet gaan.”

“Tja, jouw exemplaar was uitzonderlijk vervelend. Daar kun je die buurmeisjes van ons niet mee vergelijken.”

Javier zuchtte. “Maar je hebt toch wel genoeg aan één vrouw in je leven? Een moeder is meer dan genoeg, ik snap echt niet waarom jij je vrijwillig zo bekommert om je zusjes. Dat doet Wout toch ook niet!”

“Wout stelt z’n zusje niet genoeg op prijs... je moet van zusjes houden, anders wordt de wereld over een tijdje bevolkt door de nakomelingen van evil creatures, die alles bevuilen met hun valse karakters.”

Javier lachte hartelijk, maar Olivier was bloedserieus. Hij wilde zijn theorie juist aan Wout uitleggen die buiten een sigaret kwam roken, toen hij harde muziek vanuit het huis hoorde.

“Willem heeft een oude cd gevonden achter de televisie,” legde Wout uit, en plotseling klonk er een vrolijke melodie door de hal.

Willem’s stem klonk er hard en helder overheen.

 

In the middle of the night
I go walking in my sleep
From the mountains of faith
To a river so deep
I must be looking for something
Something sacred I lost
But the river is wide
And it's too hard to cross

 

Olivier herkende het liedje meteen, en begon mee te zingen terwijl hij naar binnen liep.

“Hé, die cd was je al heel lang kwijt, of niet?”

Willem hield opgetogen het hoesje omhoog. “En het is wel erg toevallig dat ik het juist nu weer terugvind.”

 

********

 

“Hoe laat gaan we?” vroeg Merijn gapend terwijl ze met de dobbelsteen gooide.

Phillipa zette de nieuwe verrekijker aan haar ogen en tuurde door het raam naar buiten. “Ze zijn nog in de woonkamer, dus het kan nog wel even duren.”

Merijn zuchtte en verzette haar triviant-pion vier plaatsen naar een groen vakje.

“Wetenschap en natuur” riep Janna enthousiast uit, waarna ze een kaartje pakte. “Welke insectensoort is ook wel bekend onder de naam Orthoptera? Ik herhaal, welke insectensoort is ook bekend onder de naam Orthoptera?”

Merijn dacht een tijdje na, en kon niks anders bedenken dan de achtpotige tse-tse vlieg.

“Nee,” zei Phillipa belerend. “Vliegen en insecten hebben geen acht poten! Alleen spinnen hebben acht poten. En de orthoptera is een sprinkhaan.”

Merijn had het laatste half uur al haar vragen fout beantwoord. Ze was moe, gespannen, en wilde eigenlijk het liefst naar bed. Maar Phil, Janna en Mei waren vastberaden om vannacht hun wraak op de jongens te uiten. Ze hadden sinds Merijn terug was gekomen van haar fietstochtje over niks anders meer gepraat, en Merijn was haar ontmoeting met de rare jongen al helemaal vergeten. Tot nu... Ze ging rechtop zitten en stootte bijna haar glas cola om.

“Ohja, dat was ik helemaal vergeten te zeggen! Ik kwam vanmiddag een heel raar figuur tegen, eerst haalde hij me in terwijl hij op een paard zat, en later stond hij midden op de weg en reed ik hem bijna aan.”

Merijn legde vlug uit wat voor indruk ze van hem had gekregen, en Janna viel langzaam stil.

“Straks waren het de buurjongens inderdaad niet, maar was het die man,” zei Janna, en Merijn zag Janna rillen.

Het bleef een tijdje stil, en Merijn, Janna en Jing-Mei keken alledrie afwachtend naar Phillipa.

“Als het die jongen was, dan komt hij vannacht vast terug. Waar zitten jullie dan liever? Boven zijn werkterrein, of bij die jongens in het huisje...” ze knikte even naar het buurhuis.

Merijn zuchtte. Het maakte haar eigenlijk niet uit waar ze zou slapen, als ze maar kon slapen.

“Ik heb gewoon zin in een verzetje,” gaf Phillipa toe. “Zullen we er gewoon mee doorgaan? We hebben alles al klaar!”

Merijn dacht aan de vier supersoakers, gevuld met ijskoud water, acht kleine handwaterpistolen, ook gevuld met ijskoud water en de tas met waterballonnen die klaar stonden op de overloop. Ze hadden alle vier hun donkerste kleren aangedaan, er hing een klein verrekijkertje om hun nek, en Merijn zat boven op een zwarte bivakmuts die ze over haar hoofd zou trekken wanner ze hun actie zouden beginnen.

Langzaam verscheen er een grijns op haar gezicht. Hiermee kon ze Olivier terugpakken voor z’n schapenactie.

“Ok, laten we het gewoon doen.”

Janna keek even door haar kijkertje. “Het is donker!” fluisterde ze enthousiast.

Phillipa trok een zelfgetekende plattegrond onder haar trui vandaan en legde het boven op het Triviant bord. “Hier is ons huis, daar dat van de jongens. Twee van ons gaan via de voordeur naar buiten, en proberen of ze het huis van de jongens via de voordeur kunnen bereiken. De andere twee zullen proberen binnen te komen door de achterdeur. Eenmaal binnen doe je je schoenen uit, en probeer je zo snel mogelijk boven te komen. Daar ren je een willekeurige slaapkamer in en spuit je de doelwitten in de slaapkamers geheel nat, zonder pardon. Begrepen?”

Janna werd een beetje melig, en salueerde voor Phillipa. “Maar mag ik met Merijn mee? Anders barst ik steeds in lachen uit.”

Phillipa gaf Merijn een knalgele walkietalkie, en ze testten de set even uit.

“Jammer dat ze geen zwarte hadden hè? Die zouden beter bij onze outfits passen...” giechelde Jing-mei.

“Allemaal klaar?” vroeg Phillipa nadat het zenuwachtige gelach was verstomd.

“Nee! Ik moet nog even plassen!” riep Janna.

“Ja, ik ook...” lachte Merijn.

Nadat ze allemaal naar de wc waren geweest trok Merijn de bivakmuts over haar gezicht. Ze haalde door haar neus adem, maar voelde zich een beetje licht in het hoofd worden en ze greep zich vast aan het kozijn van de keukendeur.

“Door je mond adem halen, Merijn!” lachte Janna. Ze stak de twee kleine waterpistolen in haar sokken, en pakte een grote supersoaker op.

“Ok, gaan jullie door de achterdeur? Dan gaan wij voor om.” Phillipa’s stem klonk gedempt door de dikke wollen stof van haar bivakmuts. Ze had het gat voor de mond om haar neus zitten. Merijn proestte van het lachen, en liep achterwaarts de keuken uit terwijl ze Phillipa en Jing-mei richting voordeur zag verdwijnen.

Janna stond al halverwege het terras toen Merijn de deur achter zich dichttrok. Het was pikkedonker buiten, er was zelfs nauwelijks maanlicht omdat er een zwaar wolkendek was verschenen aan het eind van de middag.

“Moet de deur niet op slot?” vroeg Merijn. Ze was nu weer klaarwakker, en wilde niet dezelfde fout maken als gisteravond.

“Nee, laat maar, we gaan de daders nu toch al aanpakken,” zei Janna meteen. Merijn kon niet veel van Janna’s gezicht zien door de bivakmuts die ze droeg, maar haar ogen straalden een plotselinge kalmte en vastberadenheid uit.

De walkietalkie aan Merijns riem kraakte, en ze hield hem bij haar oor.

“Waar zijn jullie, over?” vroeg Mei.

“We staan nog achter het huis, over,” zei Merijn, terwijl ze haar lachen inhield. “We zetten ons nu in beweging naar het doelwit, over.”

“Ok, volgende contact als je bij het huis bent, over en uit.”

Merijn hing de walkietalkie weer aan haar riem, en ze sloop achter Janna aan langs de muur naar de rij lindebomen. Eenmaal daar aangekomen bleven ze even wachten en keken ze naar het huis van de buren. Het was donker, zowel op de begane grond als op de eerste verdieping. De wind suisde om hen heen, en Merijn werd een beetje naar voren geblazen. Ze hield zich vast aan een boom terwijl Janna naar de voorkant van het buurhuis wees. Daar zaten Phillipa en Jing-mei geknield tegen de muur te gebaren dat Janna en Merijn naar de achterdeur moesten.

Merijn trok een snel sprintje naar de achterdeur, en Janna volgde haar.

De walkietalkie kraakte weer, en nu hoorde Merijn de stem van Phillipa. “De voordeur is niet open te krijgen. We hebben zelfs de haarspeld geprobeerd...”

“Janna probeert nu de achterdeur,” fluisterde Merijn terwijl Janna haar hand op de klink legde. Ze keek Janna verwachtingsvol aan, maar zag dat Janna’s gezicht betrok.

“Ook op slot. We proberen nu de haarspeld,” zei Merijn terwijl ze bij de deur neerknielde. Uit haar broekzak haalde ze een haarspeld, en ze wrikte hem in het slot. Ze bewoog het wat heen en weer, maar ze was niet voorzichtig genoeg.

“Shit, gebroken!” riep ze uit.

Zowel van Janna als uit de walkietalkie volgde een hard gesis.

“Ssst, straks maak je ze wakker! We gaan even over op radiostilte terwijl we een weg naar binnen zoeken.”

Merijn zette de walkietalkie uit en drukte zich tegen de muur aan. Haar hart bonsde in haar keel. Het zou nu wel jammer zijn als de operatie niet door kon gaan vanwege een gesloten deur.

“Kunnen we geen raam forceren?” vroeg Janna voorzichtig.

“Wacht, er was nog een deur!” realiseerde Merijn zich opeens. Ze zette de walkietalkie weer aan, en fluisterde dat de anderen naar de zijkant van de boerderij moesten komen.

Daar aangekomen wees Merijn naar de deur van de bijkeuken, waar ze samen met Wout een sigaret had staan roken.

“Op hoop van zegen,” zei Phillipa terwijl ze de klink naar beneden duwde. De deur ging met een kleine piep open, en Merijn en Janna sprongen van schrik een stukje omhoog.

“Ok, we zijn binnen!” Phillipa legde vervolgens haar vinger op haar lippen, en voorzichtig stapten ze allemaal naar binnen. In de kleine bijkeuken schopten ze snel hun schoenen uit. Het was bedompt in het hok, en Jing-mei wees naar een bergje sokken.

Merijn stond nu bijna op springen van de spanning. Ze voelde dat ze alweer moest plassen, maar ze kon hier onmogelijk gebruik maken van het toilet. Ze moest het nog maar een halfuurtje ophouden.

Via de bijkeuken kwamen ze in de keuken, die ze snel en stil doorliepen in de richting van de gang. Daar zuchtte Merijn eens diep.

“Voor de bedorven nachtrust,” zei ze toen hardop.

“Voor de bedorven nachtruuuuuust!” herhaalden de anderen haar, en ze stormden met z’n allen de trap op. Merijn rukte de eerste de beste deur open, oriënteerde zich even in het donker, en zag toen twee figuren op een bed liggen. Ze laadde haar supersoaker op en spoot zonder pardon de linkerfiguur nat. Phillipa kwam ook de kamer binnen, deed het kamerlicht aan en begon de andere persoon nat te spuiten. Als in slowmotion schrok Merijns slachtoffer wakker en schoot overeind. Hij maaide wild om zich heen met z’n armen en Merijn volgde zijn bewegingen.

“Wat is dit?” riep Olivier uit.

“Wraak!” antwoordde Merijn lachend. Ze wist niet dat het zo leuk was om iemand te pakken te nemen.

“Maar we hebben niks gedaan!” zei Olivier, terwijl hij z’n armen beschermend voor z’n gezicht hield. Zijn haren waren langs zijn gezicht geplakt, en het t-shirt dat hij aanhad was kletsnat.

“Precies, dan had je maar wel iets moeten doen!” zei Merijn, nog steeds lachend. Toen ze zich realiseerde wat ze had gezegd stopte ze even met spuiten. Voor ze doorhad wat er gebeurde zat Olivier op z’n knieën op het bed en had hij de supersoaker uit haar handen gepakt. Merijn verschool zich achter Phillipa, die een gewillig slachtoffer had in de nog steeds slapende Wout, en greep naar de twee kleinere waterpistolen die ze net als Janna achter de rand van haar sokken had bewaard.

Ze sprong weer achter Phillipa vandaan, en ging het gevecht met Olivier aan. Ze kreeg de volle laag van hem, maar ze kon hem aanvallen met twee stralen water. Ze richtte er een op zijn gezicht, maar doordat ze zelf ook een straal in haar gezicht kreeg, kon ze niet zien waar ze de tweede op richtte.

“Au! Wel boven de gordel, alstublieft!” riep Olivier uit, maar Merijn hoorde hem amper boven het geraas van water, en de verwarde kreten die Wout slaakte.

Het water voelde ijskoud aan, en Merijn probeerde haar gezicht te beschermen met haar bovenarmen. Ze voelde dat Oliviers waterstraal in kracht afnam, en ze begon heen en weer te springen om zijn aanval te ontwijken, terwijl ze zelf beter op hem kon richten. Olivier was op het bed gaan staan, druipend van het water, en kreeg nu ook de volle laag uit Phillipa’s twee waterpistolen. Phillipa’s supersoaker lag ongebruikt op de grond, en Wout stond er naar te kijken terwijl hij zich ongegeneerd krabde. Hij haalde zijn schouders op en dook nonchalant tussen de waterstralen door, waarna hij de kamer verliet.

Merijn richtte zich weer op Olivier, die veranderd was in een grijsblauw nat monster. Zijn t-shirt plakte aan zijn lijf, en Merijn kon duidelijk de contouren van zijn lichaam zien. Zijn donkergrijze joggingbroek was zwaar van het water, en Merijn zag hem duidelijk naar beneden glijden. Ze richtte haar pistolen op het kruis van de broek, dat tussen Oliviers knieën hing, en drukte met al haar kracht de trekker van de waterpistolen in. Ze stootte Phillipa aan en gebaarde haar hetzelfde te doen, en voor Olivier het door had stond hij in zijn roodgeruite boxershort.

“Victory is ours!” riep Phillipa uit terwijl ze haar waterpistolen op de grond gooide.

“Hebben jullie ook zin in koffie?” vroeg Wout vanuit de deuropening. Hij keek niet op of om naar Merijn die hem een schuine blik toewierp, maar nog steeds Olivier natspoot.

“Hou maar op Merijn,” zei Jing-mei die achter Wout verscheen. “De wraak was onterecht.” Ze veegde een natte pluk haar achter haar oor en keek naar de drijfnatte Olivier.

Merijn liet haar waterpistolen zakken, en lachte steels naar Olivier.

“Oh, ik had anders het gevoel dat dit behoorlijk gemeend was...” zei hij grijzend terwijl hij z’n joggingbroek weer ophees.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1