| Was ik jouw spiegel maar |
| Rudolf: Hoe vaak heb ik, gebeden dat jij met me sprak. Wat hoopte ik dat je het zwijgen opeens verbrak. Jouw grote angst dat ik teveel op je lijk, maakt jou gevoelloos, maakt alles doelloos. 't Is net of de wereld bezwijkt. Was ik jouw spiegel maar. Zag jij jezelf weerkaatst in mij. Dan viel het jou niet zo zwaar om te verstaan wat ik niet zei. Maar jij negeert me. Omdat jij jezelf in mij herkent. Je haalt me aan en stoot onverbiddelijk af. Kijk ik je aan, dwaalt jouw blik weer onmidd'lijk af. Wij zijn vervreemd en toch zo intens verwant. Ik geef een teken, ik wil je spreken. Er rijst een onzichtbare wand. Was ik jouw spiegel maar. Zag jij jezelf weerkaatst in mij. Dan viel het jou niet zo zwaar, om te verstaan wat ik niet zei. Elisabeth: Wat kom je doen hier bij mij? Wat zoek je hier? Rudolf: Moeder ik heb je nodig. Ik kom in angst en nood. Het leven heeft me zwaar bezeerd. En het gevaar is groot dat mij het leven straks onteert. Alleen mijn moeder biecht ik eerlijk op, waarom het gaat. Ik zie geen uitweg meer. Elisabeth: Ik wil hier niets horen. Rudolf: Hof-intriges worden mij fataal. Mijn lichaam doet me zeer. Elisabeth: Kom mij niet meer storen Rudolf: En nu dit afschuwlijke schandaal. Alleen als jij nu, de Keizer mildstemt, is het nog niet te laat. Elisabeth: De Keizer hoort bij het verleden. 'k Heb alle banden doorgesneden. Ik vraag nooit iets. En doe het ook niet voor jou. Rudolf: Dus... je laat me in de steek? |