|
--
Biologisch woordenboek -- | ||
|
| ||||
| Actief transport. | De cel gebruikt energie om moleculen het membraan te laten passeren. Deze transport wordt uitgevoerd door enzymen in het membraan. De moleculen bewegen zich tegen het gradiënt in. | |||
| Aërosolen | Zeer kleine in de lucht zwevende druppeltjes van een voedingsbodem, waarin zich micro-organismen bevinden die een besmettingsgevaar kunnen vormen. Dit kan gebeuren tijdens het schudden van de culturen, het gebruiken van pipetten of wanneer kleine deeltjes wegspatten tijdens het flamberen van een entoog. | |||
| Anamnese | Lichamelijk onderzoek en een ondervraging van patiënt naar diens klachten en achtergrond. | |||
| Angina pectoris | Pijn op de borst. Meestal bij inspanning als gevolg van een vernauwing van de kransslagader. | |||
| Angiogenese | Vorming van nieuwe bloedvaten. | |||
| Antibiose |
De wederzijds remmende werking op de ontwikkeling van organismen om het eigen voortbestaan zeker te stellen. De organismen strijden dus om te overleven. | |||
| Antibiotica | Dit zijn door micro-organismen gevormde stoffen, bereid in farmaceutische bedrijven, die in het lichaam selectief werkzaam zijn tegen (andere) micro-organismen. | |||
| Anticoagulantia | Stollingremmende stoffen | |||
| Apoptose | Geprogrammeerde celdood. | |||
| Arteriën | Grote slagaders. | |||
| Arteriolen | Kleine slagaders. | |||
| Arteriosclerose | Aderverkalking. Een aandoening van de bloedvaten die een langzame, pleksgewijze vernauwing veroorzaakt van slagaders. | |||
| Ascites | Lichaamsholten. | |||
| Astma | Het in aanvallen optreden van benauwdheid als gevolg van een vernauwing van de bronchiën, wat wordt veroorzaakt door spasmen, zwelling van het slijmvlies en taai secreet in de bronchiaalboom. Astma is per definitie omkeerbaar. Astma wordt vaak veroorzaakt door allergenen. Behandeling is dan ook voornamelijk het vermijden van deze allergenen. | |||
| Atrofie |
De reductie of vermindering van de cel (cellulaire
atrofie) en/of de reductie of vermindering van het aantal cellen
(numerieke atrofie). Het kan beschouwd worden als een aanpassing aan
stress die op de cel wordt uitgeoefend. | |||
| Autonoom | Zelfstandig. | |||
| Basofiele granulocyten | Witte bloedcellen die bacteriën kunnen fagocyteren. | |||
|
Benigne |
Goedaardige tumoren. Groeien langzaam,
vertonen een expansieve groei met een scherpe begrenzing, bestaan meestal
uit normae of bijna normale cellen waarbij de cellen sterk op elkaar
lijken. En metastaseren niet. Doordat goedaardige tumoren weefsels en
organen kunnen verdringen, kunnen ze druk uitoefenen op hun omgeving. Het
gevolg hiervan is dat er functiestoornissen ontstaan van het verdringen
weefsel of orgaan waarbij pijn kan optreden. Ook kan de tumor een
verhoogde of verlaagde functie van weefsels of organen tot gevolg hebben.
Goedaardige tumoren kunnen overgaan op kwaadaardige
tumoren. | |||
| Bilirubine | Afvalproduct van hemoglobine. | |||
| Biochemische laesie | Functiestoornis van de cel als gevolg van een verstoring van een biochemisch proces. Dit wordt veroorzaakt door een prikkel van endogene of exogene oorsprong die schade aan de cel toebrengt, wat leasie tot gevolg heeft. Veranderingen die kunnen optreden in de cel als gevolg van een biochemische laesie zijn: Een reversibele celbeschadiging, een verhoogde activiteit van de cel waarbij intracellulaire substanties ophopen of waarbij ongewone groeibaptronen optreden. Of het kan necrose als gevolg hebben. | |||
| BSE | Bezinkingssnelheid. Kan toenemen door antistoffen. | |||
| Commensalisme | Een levensverband tussen twee organismen waarbij de ene profiteert van de andere, die daar geen last van heeft. | |||
| Capillairen | Haarvaten. | |||
| Capnofiel | Capnofiel =
Houden van capno. Grieks kapnos = rook, in rook zit veel CO2 Bacteriën die van oorsprong anaëroob zijn, maar die ook kunnen groeien op een vaste voedingsbodem in een aërobe atmosfeer waaraan 10% CO2 wordt toegevoegd. | |||
| CARA | Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen. Een groep van aandoeningen, veroorzaakt door inwerking van stoffen op de onderste luchtwegen. Prikkelingen van de luchtwegen hebben tot gevolg een vernauwing van de luchtwegen waardoor vooral de uitademing bemoeilijkt wordt. Tot deze aandoeningen behoren; chronische bronchitis, astma, en emfyseem. Deze aandoeningen lijken veel op elkaar in hun klinisch beeld en in de wijze waarop ze ontstaan. Ze kunnen ook in elkaar overgaan. | |||
| Celenveloppe | Onderhoudt het contact en beschermt de bacterie tegen de omgeving. Bestaat uit een cytoplasmamembraan, de celwand, en indien aanwezig een buitenmembraan en kapsel. Functies van de celenveloppe zijn o.a.; de aanhechting aan epitheelweefsel, de bescherming tegen milieufactoren, voeding, de afvoer van stofwisslingsproducten, stevigheid en zelfverdediging. | |||
| Celoedeem | Verstoring van de energieproductie van de cel en verstoring van het actieve membraantransport. Door deze verstoring worden celfuncties beïnvloed zoals het handhaven van het evenwicht tussen de intracellulaire en extracellulaire vloeistof. Met als gevolg dat de cel abnormale hoeveelheden vocht opneemt. | |||
| Ceroïd | Waspigment, geel tot donkerbruin gekleurd. Wordt vooral aangetroffen in gebieden met necrose (celdood) | |||
| Cholesterol | Vetachtige stof die door het bloed circuleert. Cholesterol wordt normaal in het lichaam aangemaakt en zit in onze voeding. Een teveel aan cholesterol kan zich in de wand van de bloedvaten ophopen en bijdrage aan aderverkalking. | |||
|
Chromatoforen |
Pigment bevattende cellen, zoals de
huidcellen. | |||
| Chronische bronchitis | Komt vaak voor
samen met longemfyseem en veroorzaken beiden pathologische veranderingen
die leiden tot obstructie van de luchtwegen die niet omkeerbaar
zijn. Er ontstaan bij deze aandoening ontstekingen en verdikkingen van de wand van de bronchiën en een vermeerdering van slijmvormende cellen. Roken, luchtverontreiniging en infecties vormen belangrijke oorzakelijke factoren in het ontstaan van chronische bronchitits.De behandeling bestaat uit het vermijden van de oorzakelijke factoren, en de bestrijding van infecties met antibiotica. | |||
| Coagulatienecrose | De morfologische waarneembare veranderingen zoals die bij necrose in de meeste weefsels wordt aangetroffen. Bij coagulatienecrose treedt denaturatie op van eiwitten gepaard gaande met dehydratie met als gevolg klontering en hyalinisatie in de cel. | |||
| Constitutie | Het totaal van erfelijke eigenschappen die deels van de moeder, en deels van de vader geërfd zijn. Deze eigenschappen bepalen onder andere hoe iemand reageert op een noxe. | |||
| Cor Pulmonale | Aandoening van de rechterhart-helft met gevolgen voor de longen. | |||
| CPOD | Chronic Obstructive Pulmonary Disaese. Chronische bronchitis en longemfyseem. Veel mensen met chronische bronchitis en emfyseem zijn vaak moeilijk als zodanig te diagnostiseren, dat de Amerikaanse literatuur deze twee ziekte heeft samengevoegd en dit CPOD heeft genoemd. | |||
| Curatieve geneeskunde | Geneeskunde die er op gericht is om een ziekte te diagnosteren en om een therapie te ontwikkelen en uit te voeren. | |||
| Cytoplasma | De substantie die de constante celinhoud vormt, exclusief het genetisch materiaal en de organellen. Het bestaat voornamelijk uit water, organische moleculen, enzymen en ionen. | |||
| Degeneratie | Het in functioneel en in morfologisch opzicht minderwaardig worden van de cel. | |||
| Diabetes mellitus | Suikerziekte. | |||
|
Diffusie |
Bepaalde moleculen kunnen vrij een
celmembraan in beide richtingen passeren, zonder daarbij energie van de
cel te gebruiken. Dit passeren gaat net zo lang door totdat er aan beide
kanten van het membraan evenveel van dezelfde moleculen aanwezig zijn. De
moleculen bewegen zich met de gradiënt mee. | |||
| Dispositie | Vatbaarheid voor een ziekte. | |||
| Dysplasie | Een groeistoornis waarbij er sprake is van een abnormale ontwikkeling van de afzonderlijke cellen. Hierbij verandert in een weefsel de aard van de cellen. Normale weefselcellen worden vervangen en uit reservecellen ontstaan atypische cellen. Deze atypische cellen vertonen afwijkingen wat betreft vorm en functie. Dysplasie ontstaat onder invloed van een chronische prikkel en is een onomkeerbaar proces. Blijft de prikkel lang bestaan, dan kan uit een dysplasie een tumor ontstaan. | |||
| Dyspnoe | Ademnood. | |||
| Enzymdeficïentie | Erfelijke storing in de afbraak of het verbruik van glycogeen. | |||
|
Embolie |
Bloedprop. | |||
| Emfyseem | Een verwijding
van het longweefsel, gepaard gaande met verlies aan elastische vezels en
het ten gronde gaan van de longblaasjes. Bij jongere mensen is vernauwing
van de bronchii vaak het gevolg van een ontsteking, littekenvorming of
tumorgroei. Bij ouderen is het verlies van elastische vezels door het
verouderingsproces veelal de oorzaak. Iemand met een duidelijk emfyseem
heeft een uitgezette borstkas die bij de ademhaling weinig van vorm
verandert. De behandeling bestaat uit het bestrijden van de oorzaken, ademhalingsoefeningen en bestrijden van infecties. | |||
| Eosinofiele granulocyten | Wit bloedlichaampje waarvan het aantal tijdens een allergische aandoening oploopt. Ze hebben namelijk een antihistamine werking. Hun aantal wordt gereguleerd door een bijnierschorshormoon. | |||
| Erytrocyten | Rode bloedcellen. | |||
| Essentiële hypertensie | Hoge bloeddruk waarvan de oorzaak niet bekend is. Ook wel primaire hypertensie genoemd. | |||
| ESR | Bezinkingssnelheid van de erytrocyten. | |||
| Eukaryoten | Micro-organismen met een kern omgeven door een kernmembraan in de cel. | |||
| Exsudaat | Ontstekingsvocht. | |||
| Facultatief anaëroob | Micro-organismen die met én zonder zuurstof kunnen leven. | |||
|
Fagocyteren |
Het 'opeten' van cellen door andere
cellen. De witte bloedcellen eten bijvoorbeeld de bacteriën op. Ze sluiten
deze in. | |||
| Familieanamnese | Het nagaan of bepaalde ziekten, bijv. hoge bloeddruk, in de familie voorkomen. | |||
| Flagellen | Lange
proteïnedraden die de beweeglijkheid van bacteriën mogelijk maken.
Flagellen draaien om hun lengteas tegen de richting van de wijzers van de
klok in. In een homogene oplossing beweegt een bacterie zich
ongericht. Een flagel bestaat uit drie onderdelen; - Het filament; samengesteld uit draden, gevlochten tot een spiraal die van binnen hol is. - Het hoekstuk; vormt de verbinding tussen het filament en het basale lichaam. - Het basale lichaam; verankert de gehele flagel in de celwand en cytoplasmamembraan. Kunnen op verschillende plaatsen in bacteriën zijn
ingebouwd. | |||
| Fotosynthese | Het vermogen
om lichtenergie, geabsorbeerd in het in de cel aanwezige groene pigment
'chlorofyl', om te zetten in chemische energie en op te nemen in
ATP-moleculen. De fotosynthese is in te delen in twee reacties; de
licht-reactie en de donker-reactie. In de licht-reactie wordt
'lichtenergie' geabsorbeerd door chlorofyl en omgezet in chemische energie
en opgeslagen in ATP-moleculen. Met behulp van de in ATP opgeslagen energie kan de cel in het donker CO2 in kleine organische moleculen inbouwen en deze moleculen tenslotte met behulp van enzymen in suikers omzetten (donker-reactie). | |||
| Generatietijd | De tijd die nodig is voor het celdelingproces, waarbij uit één cel, twee cellen worden gevormd. | |||
| Glucose | Druivensuiker. Glucose circuleert in het bloed en wordt ook wel bloedsuiker genoemd. | |||
|
Glycogeen |
Een polymeer van
glucose. | |||
| Glycolyse | Letterlijk het oplossen van suiker. Hieronder verstaat men de omzetting van suikers tot pyruvaat onder invloed van de werking van enzymen zonder gebruik te maken van zuurstof. Bij dit ontledingsproces wordt het glucosemolecuul achtereenvolgens systematisch tot verschillende intermediaire producten en uiteindelijk tot pyruvaat afgebroken door in de cel aanwezige enzymen. Het doel is te voorzien in de behoefte aan energie voor het uitvoeren van diverse levensverrichtingen en het leveren van bouwstenen voor de nieuwe cellen. Glycolyse levert 2 ATP op. | |||
| Granulocyt | Een witte bloedcel met korrels in het cytoplasma en een gesegmenteerde of gelobde kern. Er zijn drie typen granulocyten; neutrofiele, eosinofiele en basofiele. | |||
| Haematurie | Bloedcellen in urine. | |||
| Hartfalen | Een falend hart is niet meer in staat de bloedstroom in voldoende mate op gang te houden, waarbij het hartminuutvolume ontoereikend is om de weefsels voldoende te doorbloeden. De voornaamste oorzaken van hartfalen zijn; aandoeningen van de hartspier, verhoogde belasting van het hart en klepafwijkingen. Klepafwijkingen kunnen tot gevolg hebben dat bloed belemmerd wordt naar het hart te stromen met als gevolg een verminderd hartminuutvolume. | |||
| Hartinfarct | Afsterven van een stuk hartspier als gevolg van een afsluiting van een kransslagader, of een zijtak hiervan. | |||
| Hb | Hemoglobine. | |||
| Hematocriet | Volume bloed dat door de rode bloedcellen ingenomen wordt. (+/- 0,45 l/l) | |||
| Hemoglobine | Een eiwit in rode bloedcellen dat in staat is zuurstofmoleculen op te nemen op plaatsen waar veel zuurstof aanwezig is (inde longen) en vervolgens af te staan waar behoefte is aan zuurstof (in de weefsels). | |||
| Hemolyse | Afbraak van de rode bloedcellen. Vindt voornamelijk plaats in de milt (voor 80%), dit wordt extravasale hemolyse genoemd. Bij intravasale hemolyse worden de oude erytrocyten al in de circulatie gelyseert, waarbij hun inhoud in het plasma terecht komt. Het ijzer uit de ery's wordt gerecycled. Globine wordt afgebroken tot aminozuren die opnieuw worden gebruikt bij de synthese van eiwitten. Heme wordt omgezet in bilirubine, dat via het bloed door de darmen en gedeeltelijk de nieren wordt uitgescheiden. | |||
| Hemolytische irectus | Hierbij worden grote aantallen rode bloedlichaampjes in de milt afgebroken. De gezonde lever is niet in staat om het grote aanbod aan bilirubine te verwerken, zodat de stof in het bloed blijft. Deze vorm van geelzucht kan worden veroorzaakt door verschillende vormen van bloedarmoede en door afbraak van veel bloed in het lichaam, bijvoorbeeld na een longinfarct of bij ernstig bloedverlies. Het symptoom hierbij is een bruine verkleuring van de urine. | |||
| Hematomen | Blauwe plekken. | |||
| Histamine | Bloedvat verwijdende stof. | |||
| Ht | Hematocriet. | |||
| Hypercholesterolemie | Een te hoog cholesterolgehalte in het bloed. | |||
| Hyperplasie | Toename van het aantal cellen als reactie op een bepaalde prikkel van buitenaf. | |||
| Hypertensie | Te hoge bloeddruk. | |||
|
Hypertrofie |
Celvergroting als reactie op een
bepaalde prikkel van buitenaf. | |||
| Hypoxemie | Zuurstoftekort in het bloed. | |||
| Hypoxie | Zuurstoftekort in de weefsels. | |||
|
Icterus |
Geelzucht. Geelzucht is een symptoom van een
aandoening aan de lever en galwegen. | |||
| Infectie | Besmetting met
ziektekiemen. Je hebt verschillende soorten infecties. Klinische infectie; Als een individu na geïnfecteerd te zijn het volledige ziektebeeld vertoont. Subklinische infectie; De drager van de ziektekiemen kan deze verspreiden maar vertoont zelf geen symptomen. Latente infectie; De drager vertoont geen symptomen en verspreidt de ziektekiemen ook niet. | |||
| Inoculum | Entgrootte/entmateriaal. De hoeveelheid bacteriën die in een medium worden geënt. | |||
| In vitro | In een reageerbuis. | |||
| In vivo | In het levende organisme. | |||
| Kalium | Een in het lichaam voorkomend zout dat essentieel is voor de werking van alle spieren. Zowel een tekort als een teveel aan kalium is schadelijk. | |||
|
Karyohexis |
Als gevolg van necrose valt de kern in
pyknotische fragmenten uiteen. | |||
| Karyolyse | Als gevolg van necrose verdwijnen en lossen de kernmembraan en de kerninhoud door lysosomale activiteiten op. | |||
| Kransslagader | Slagaders die de hartspier van bloed voorzien. | |||
| Kreatinine | Afvalstof van de eiwitstofwisseling die in het bloed voorkomt en door de nieren via de urine wordt uitgescheiden. | |||
| Laesie | Celbeschadiging. | |||
| Leukocyten | Witte bloedcellen, waarvan drie soorten te onderscheiden; granulocyten, lymfocyten en monocyten. Bestrijden infecties in weefsels. | |||
| Lipofuscine | Ouderdomspigment. | |||
|
Lysis |
Degeneratie van de
cel. | |||
| Lysosym | Een enzym die celwanden bekleed met slijm. Hierdoor worden veel kiemen, die niet direct worden gedood, gevangen in het slijm en vervolgens doorgeslikt. | |||
| Maligne | Kwaadaardige tumoren. Bestaan uit woekeringen van abnormale cellen die vaak op oudere leeftijd ontstaan en die levensbedreigend zijn. Kwaadaardige tumoren groeien meestal snel, zijn niet duidelijk begrensd ten opzichte van hun omgeving en vertonen een infiltratieve groei waarbij ze vaak omringend weefsel afbreken. De cellen hebben ten opzichte van de normale cellen waaruit ze zijn ontstaan, een abnormale morfologie en een veranderde functie waardoor ze functiestoornissen veroorzaken. Ook kunnen ze metastasen vormen. | |||
| MCH | Mean Cell Haemoglobin. Gemiddelde celhemoglobine, de massa hemoglobine die gemiddeld per erytrocyt aanwezig is. Wordt uitgedrukt in femtomol per erytrocyt. De referentiewaarden bedragen 1,70-2,20 fmol. | |||
| MCHC | Mean Cell Haemoglobin Concentration. Gemiddelde hemoglobine gehalte per liter erytrocyten. Wordt uitgedrukt in mmol/l. De referentiewaarden liggen bij 20-25 mmol/l. | |||
| MCV | Mean Cell Volume. Gemiddelde volume ven rode bloedcellen. Wordt uitgedrukt in femtoliter. Het referentiegebied loopt van 85-100 fl. | |||
| Melaninen | Een bruin tot zwart pigment, dat voorkomt in de huid, de haren, in bepaalde delen van de ogen (iris en vaatvlies) en op plaatsen in het zenuwstelsel. | |||
| Mesofiele bacteriën | Bacteriën die optimaal groeien bij een temperatuur tussen de 20 en 50 graden Celsius. Hiertoe behoren onder andere de ziekteverwekkers van mens en dier. | |||
| Metabolisme | Stofwisseling. | |||
| Metaplasie | De vervanging van een bepaald gedifferentieerd celtype door een ander celtype. Het kan worden beschouwd als een aanpassing van het lichaam aan een prikkel, waardoor het lichaam beter bestand is tegen deze prikkel. | |||
| Metastasen | Uitzaaiingen van een kwaadaardige tumor naar andere plaatsen in het lichaam. Verspreiding verloopt dan meestal via bloed- of lymfevaten. | |||
| Micro-aërofiel | Deze term wordt oorspronkelijk gebruikt voor een groep aërobe bacteriesoorten die niet optimaal in een gewone atmosfeer met 20% zuurstof kunnen groeien, maar bij voorkeur in een milieu met een zuurstofconcentratie lager dan 20%. Elke soort van deze groep heeft zijn voorkeursconcentratie. Met deze term duidt met ook de bacteriën aan die van oorsprong anaëroob zijn, maar die ook kunnen groeien op een vaste voedingsbodem in een aërobe atmosfeer waaraan 10% CO2 wordt toegevoegd. | |||
| Mm Hg | Millimeters kwik; de waarde waarin de bloeddruk wordt aangegeven. | |||
| Monocausale ziekte | Ziekte met één hoofdoorzaak. Bijv. infectieziekten. | |||
|
Multicausale ziekte |
Ziekte met verschillende
oorzaken. | |||
| Mycoplasma | Micro-organismen zonder celwand. Mycoplasma groeit uiterst langzaam op een met serum verrijkte voedingsbodem. Morfologisch heeft mycoplasma geen vaste vorm, omdat ze de stevigheid van de wand mist. Er zijn ook grampositieve en gramnegatieve bacteriën die veel op de mycoplasma lijken. Ze worden L-vormen genoemd. Deze bacteriën zijn niet meer in staat een aandeel van de wand in voldoende mate te synthetiseren. | |||
| Myocard | Hartspier. | |||
| Necrose | Gelokaliseerde lethale celdood, meestal als gevolg van een ontstekingsreactie. | |||
| Neoplasie | Ongewone groeipatronen van de cel. | |||
| Neutrofiele granulocyten | Witte bloedcellen die vreemde partikels, zoals bacteriën, insluiten en verteren met behulp van enzymen uit de granula. Dit is de eerste verdedigingslinie van het lichaam tegen ziekte. | |||
|
Noxe |
Een ziekteverwekkende of pathogene
factor. De ziekteverwekkerde factor. Door inwerking van een noxe kunnen in
daartoe gespecialiceerde cellen meer stoffen opgeslagen worden dan onder
normale omstandigheden. Dit kan leiden tot een opeenhoping van een aantal
stoffen zoals vetten, koolhydraten en pigmenten. | |||
| Obesitas | De toename van verweefsel op verschillende plaatsen. Dit vindt plaats bij vetzucht. | |||
| Obligaat aëroob | Micro-organismen die absoluut niet zonder zuurstof kunnen leven | |||
| Obligaat anaëroob | Micro-organismen die absoluut niet met zuurstof kunnen leven. Ze kunnen atmosferische zuurstof niet in hun stofwisseling verwerken. Sommige gaan onder aanwezigheid van zuurstof direct dood. Andere gaan niet direct door, maar kunnen niet groeien in een atmosfeer met zuurstof. | |||
| Oncogeen | Kankerverwekkend. | |||
|
Oncogenen |
Groeifactoren. | |||
| Osteomyelitis | Botvliesontsteking. | |||
| Palliatieve geneeskunde | Geneeskunde die zich richt op het verzachten van het lijden aan een niet te genezen ziekte en/of op het verlengen van de levensduur. De behandeling of therapie is dan gericht op de bestrijding van symptomen. | |||
|
Passief transport |
Zie diffusie. | |||
| Plasma | Vloeistof met antistollings eiwitten, waarin de cellen gesuspendeerd zijn. | |||
| Plasmiden | Deeltjes DNA die zich buiten het DNA-molecuul vrij in de cel bevinden. | |||
| Pili | Dunne haartjes op de wand van de meeste gramnegatieve bacteriën. Ze zijn korter en dunner dan flagellen en hebben geen invloed op de beweeglijkheid. Ze zijn opgebouwd uit verschillende met elkaar vervlochten dunnen draadjes. Pili kunnen naar gelang van de functie in een aantal groepen worden ingedeeld. Seks-pili verbinden twee bacteriën tijdelijk met elkaar, waarbij plasmiden-DNA van de ene bacterie naar de andere overgaat. Een andere groep zorgt ervoor dat de bacterie aan de oppervlakte van een vloeistof blijft waar zuurstof beschikbaar is. Ook kunnen pili van betekenis zijn bij besmetting, door de pili kunnen bacteriën zich aan epitheelcellen hechten. | |||
| Pneumonie | Longontsteking. | |||
| Preventieve geneeskunde | Geneeskunde die er op gericht is om te verkomen dat men ziek wordt. | |||
| Progressief | Doorgaand. | |||
| Prokaryoten | Micro-organismen met in de cel kernmateriaal dat niet omgeven is door een kernmembraan. | |||
| Proteïnurie | Eiwitten in urine. | |||
| Psychrofiele bacteriën | Bacteriën die optimaal groeien bij een temperatuur tussen de 5 en 20 graden Celsius. Bacteriën die van koude houden. | |||
| Pyknose | Als gevolg van necrose verschrompeld de kern met sterke hyperchromasie (verdichting van het chromatine) | |||
|
RCC |
Aantal erytrocyten. | |||
| RDW | Red Cell Distribution Width. De spreiding in het volume van de erytrocyten. De RDW wordt vaak in dezelfde dimensie als het MCV uitgedrukt, dus in fl. Toch heeft elke celteller zijn eigen manier om de RDW te berekenen. Dit hangt af van het apparaat. Er is hierdoor geen internationale standaardisatie voor de RDW-meting en zijn er ook geen algemeen geldende referentiewaarden. | |||
| Redoxpotentiaal | De neiging van een energiebron om H+ plus een elektron af te geven. De redoxpotentiaal kan men meten en in een getal weergeven ten opzichte van de redoxpotentiaal van waterstof, die als standaard wordt aangehouden. Hiervoor wordt het symbool E gebruikt. Van waterstof is de E gelijk aan 1 Volt. Bij een oxidatie-reductiereactie worden steeds H+ plus een elektron van de energiebron (H-donor) overgedragen naar een H-acceptor. | |||
| Ribosomen | Celorganellen die zich met de eiwitsynthese bezighouden. Aan het oppervlak van de ribosomen worden de aangeboden aminozuren samengesteld tot eiwitten. Een ribosoom bestaat uit twee delen; een proteïnedeel (ribosomaal proteïne) en een RNA deel (ribosomaal RNA). | |||
| Risicofactor | Toestand waardoor de kans op het krijgen van een bepaalde ziekte groter wordt. Roken is bijvoorbeeld een risicofactor voor het krijgen van longkanker. | |||
| Schuimcellen | Macrofagen waarvan het cytoplamsa geheel gevuld is met lipoïden, waardoor ze een schuimig aspect krijgen. De ophoping van vetten is meestal het gevolg van een verhoogd aanbod van vetten of van storingen in de vetstofwisseling waarbij gemakkelijk vetstapeling optreed. Dit alles als gevolg van de inwerking van een noxe. | |||
| Secundaire hypertensie | Hoge bloeddruk met een duidelijk aanwijsbare oorzaak. | |||
| Serum | Vloeistof zonder anticoagulantia, waarin de cellen gesuspendeerd zijn. | |||
| Sputum | Slijm in de luchtwegen en de mond. | |||
| Stofwisseling | Uit de ene stof een andere stof samenstellen. Met als doel o.a. het onttrekken van energie uit verbindingen (energiestofwisseling) en het vormen van bouwstenen (biosynthesestofwisseling). | |||
| Stuwingsicterus | Geelzucht dat ontstaat wanneer stenen, tumoren of ontstekingen de galwegen afsluiten. De biliburine, gele galkleurstof, dat in de lever gevormd is, kan door de afsluiting van de galwegen niet of in mindere mate in de darmen terecht komen en gaat daarom over in het bloed. Ook hierbij is er een verhoogde hoeveelheid bilirubine in de urine aanwezig en wordt deze daarom bruin van kleur. | |||
|
Symbiose |
Het duurzaam samenleven van
verschillende organismen, die van elkaars aanwezigheid profijt hebben
(geven en nemen). | |||
| Synthese | Opbouwen tot een geheel. | |||
| Thermofiele bacteriën | Bacteriën die optimaal groeien bij een temperatuur tussen de 50 en 60 grade Celsius. Bacteriën die van warmte houden. | |||
| Trombocyten | Bloedplaatjes | |||
| Trombose | De vorming van een bloedprop in de bloedvaten of hart. | |||
|
Tumor |
Lokale autonome progressieve
celwoekering. | |||
| Vasoconstrictie | Vaatvernauwing. | |||
|
Venen |
Aders. | |||
| Verkazing | Speciale vorm van coagulatienecrose. Het necrotisch weefsel wordt zacht en kneedbaar in plaats van vaster van consistentie dan zijn omgeving. De kleur is grijzig tot gelig wit zodat het lijkt op oude kaas. Microscopisch zijn geen celstructuren meer waarneembaar. Verkazing is typisch voor tuberculose. | |||
| Vetzucht | Hierbij wordt lokaal een overmaat aan vet opgeslagen in de cellen van de bestaande vetdepots, die daardoor groter worden. Dit groter worden van de vetdepots wordt enerzijds veroorzaakt door hypertrofie en anderzijds door hyperplasie. Oorzaak is vaak de grote voedselopname in verhouding tot lichamelijke activiteit. | |||
| Virus | Een stukje genetisch materiaal, DNA of RNA, omgeven door een eiwitmantel. Ze kunnen zich alleen in levende cellen vermenigvuldigen. Ze zijn te klein om organellen, nodig voor het verrichten van fundamentele levensfuncties, te bevatten. Ze maken daarom gebruik van de cel waarin ze zijn binnengedrongen, met als doel zich te kunnen vermenigvuldigen. | |||
|
WCC |
Witte bloedcellen. | |||
|
Xantomen |
Stapeling van cholesterolesters in de
huid en pezen. Treedt op als gevolg van een storing in de
cholesterolstofwisseling. Xanthomen kunnen worden omschreven als gele,
vlakke dan wel knobbelige afwijkingen, gelokaliseerd in huid of
pezen. | |||
|
Zoönose |
Infectieziekten die van dier op mens
kunnen overgaan. | |||
| ||||