Moederschap en verwantschapsstructuur :

Een bio-ecologisch perspectief

   

 
 
 
Inhoudstabel

 

Home

Voorwoord

 

Inleiding

 

1. De inherente belangen van de seksen : kwantiteit versus kwaliteit

1.1.  De gestelde criteria voor een vader

1.2.  De mogelijke oplossingen voor deze spanning

 

2. De harmonie van monogamie? Sommige vaders kunnen zich zorg veroorloven

            2.1. De Akapygmeeën in Centraal-Afrika

2.2. Monogamie als ecologisch compromis

 

3. Polyandrie? Andere vaders kunnen zich geen zorg veroorloven

3.1. Waarom zou een moeder meer dan één vader willen?

3.2. Het Laagland van de Amazone en de trucjes van de vrouwen: de Aché,

de Canela, de Bari, de Mehinaku, de Mundurucu en de Yanamamo

            3.3. Ecologie en paargedrag

3.4. Matrilineair in confrontatie met patriarchaal

 

4. Polygynie en patriarchaat: Is een deel van een vader ooit beter dan een hele vader?

            4.1. Waarom accepteren vrouwen dit?

            4.2. De nadelen van het patriarchaat: de Dogon uit West-Afrika

            4.3. De trucjes van de mannen: moeders overhalen slechte voorwaarden

te accepteren

 

5. Besluit

            5.1. De rol van de moeder, ecologie en verwantschapsstructuur

            5.2. De moeder als actieve en creatieve strateeg

 

Literatuur


 

Voorwoord

 

In deze paper zal ik het fenomeen ‘moederschap’ exploreren naar verschillende verwantschapssystemen toe vanuit een bio-ecologisch perspectief. Dit perspectief verschilt in die zin van de klassieke sociale en culturele antropologie dat ik de mens (als biologische soort) centraal stel in tegenstelling tot de sociale en culturele systemen die hij produceert. Mijn ultieme doel is dan ook om het eigene van de mens te bestuderen, de mens in al zijn diversiteit én universaliteit. Op een bepaalde manier is dat natuurlijk het doel van alle menswetenschappen, en verschillen deze wetenschappen enkel in het perspectief dat zij aannemen om dit doel te bereiken. Mijn persoonlijke interesse heeft zich echter in de loop van mijn studies (psychologie, antropologie en tegenwoordig ook meer en meer biologie, evolutiewetenschappen, primatologie en archeologie) niet gespecialiseerd in een van deze perspectieven. Integendeel zelfs, hoe meer perspectieven ik onderzoek, hoe meer ik mij erger aan het ‘hokjesdenken’ van elk van deze (formeel) afzonderlijke wetenschappen. De manier waarop ik dit alles bekijk is dat het onderzoeksobject van al deze wetenschappen steeds hetzelfde blijft. Ik aarzel dan ook niet om informatie van deze verschillende wetenschappen te gebruiken in mijn uiteenzetting.

 

Mijn visie op de antropologie

 

Het mag dus duidelijk zijn dat ik de sociale en culturele antropologie niet enkel gebruik als middel om de sociale en culturele producten van de mens te bestuderen, ik gebruik het eerder als een rijk gevuld archief waartegen ik hypothesen over de menselijke eigenheid kan afmeten. Deze hypothesen haal ik uit het (mijns inziens) meest omvattende perspectief op de natuur van de mens: een amalgaam van evolutiewetenschappen, biologie, antropologie, primatologie en psychologie. De antropologie vormt dan voor mij vooral een ultieme toets: hoe kunnen we deze abstracte theorieën staven of falsifiëren met de gedragswerkelijkheid van de mens overheen de wereld. 

 

Hoewel ik dus een zo breed mogelijk perspectief tracht aan te nemen, moet ik toch ergens kleur bekennen in termen van een te volgen wetenschappelijk paradigma. Dit paradigma vind ik terug in wat ik noem een bio-ecologisch perspectief. Dit perspectief is hoofdzakelijk (niet uitzonderlijk!) gebaseerd op het paradigma van de biologische antropologie en de gedragsecologie, die beiden gefundeerd zijn op de concepten van de evolutionaire studie van het menselijke gedrag.

 

De belangrijkste concepten van de evolutionaire studie van menselijk gedrag[1]

 

Natuurlijke selectie:

Volgens Mayr (1982) bestaat de klassieke theorie over de evolutie door middel van natuurlijke selectie uit drie inferenties gebaseerd op vijf feiten. De eerste inferentie stelt dat sinds er meer individuen geproduceerd worden dan kunnen worden onderhouden door de aanwezige middelen, moet er een ‘struggle for existence’ plaatsvinden tussen de individuen van een populatie, dat resulteert in de overleving van slechts een aantal van de nakomelingen van elke generatie. Deze inferentie is gebaseerd op de feiten dat:

(1)   alle soorten hebben een grote potentiële fertiliteit (fecunditeit),

(2)    populaties normaal stabiliteit vertonen,

(3)    natuurlijke ‘resources’ beperkt zijn en, in een stabiele omgeving, relatief constant blijven.

De tweede inferentie stelt dat de overleving in de ‘struggle for existence’ niet willekeurig is maar ten minste ten dele afhangt van de erfelijke constitutie van de overlevende individuen. Deze ongelijke overleving behelst het proces van natuurlijke selectie. Deze inferentie is gebaseerd op de feiten dat: 

(4)   geen twee individuen precies gelijke zijn en

(5)   veel van deze variatie erfelijk is.

De derde inferentie stelt dat, over generaties heen, dit proces van natuurlijke selectie zal leiden tot een voortdurende en graduele verandering in populaties en uiteindelijk tot de evolutie en productie van nieuwe soorten (speciatie).

 

Selfish Gene:

Het is thans slechts zeer recent dat men beseft dat de basale eenheid van selectie zich niet situeert op het niveau van de soort, van de groep, van het individu, of zelfs van het chromosoom; het is het gen dat in deze context van belang is. Dit gen bestaat uit DNA en zijn meest belangrijke eigenschap is zijn zelfreplicerende vaardigheid. Of, in de woorden van Dawkins (1976, 1981), elk gen tracht ‘egoïstisch’ zo veel mogelijk kopieën van zichzelf te verspreiden. Dit kopiemaximaliserend gedrag is het resultaat van natuurlijke selectie, genetische variatie, en, uiteindelijke de biochemische eigenschappen van het DNA. In dit verhaal vormen de individuen slechts dragers, of weggooi-overlevingsmachines voor die ‘selfish genes’.

 

Inclusieve fitness:

In de context van de ‘Selfish Gene’ theorie hoor ik de sceptici al gauw roepen: “en wat dan met de onontkenbare alomtegenwoordigheid van altruïstisch gedrag tentoon gespreid door mensen over de hele wereld?” Of, vertaald in de terminologie van de evolutionaire biologie: ‘waarom zou een individu zijn eigen fitness doen afnemen of zelfs zichzelf opofferen voor een ander individu?’

Het antwoord is dat de aard van hun genetische relatie van die aard is dat het afnemen van hun eigen fitness, of het zelfs reduceren tot nul, kan bijdragen tot de overleving van de kopieën van de genen van het opofferende individu die aanwezig zijn in het individu waarvoor men zich opoffert. Dit is het meest duidelijk bij verwanten, en dit type van selectie noemt daarvoor dan ook ‘Kin Selection’; de fitness van het individu èn dat van de verwanten die dezelfde genen delen, noemt ‘Inclusive Fitness’ (Van der Dennen, 1995).

 

Biologische antropologie

 

Binnen de Biologische antropologie wordt de antropologie benaderd vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief. Centraal staat de studie van de mens als organisch wezen (‘anthropos’ = mens; ‘logos’, = wetenschap). Deze studie houdt niet enkel rekening met de natuurhistorische studie van de hominiden (de biologische evolutie) maar ook met het individu als groep, als populatie, in zijn ruimtelijke verscheidenheid en als veranderende entiteit in de tijd, binnen generaties (ontogenese) en tussen generaties (fylogenese) (Cliquet en Thienpont, 2002).

 

Gedragsecologie

 

De maximalisering van de inclusieve fitness gebeurt binnen een (beperkt) beschikbaar geheel van resources. Ecologie draait rond het voortdurende, dynamische proces van adaptatie van een populatie aan zijn omgeving en de feedback processen die voortvloeien uit deze interactie. Gedragsecologie benadrukt een speciaal soort adaptatie, de gedragsmatige adaptatie. Sociale systemen die een socialiserende omgeving creëren worden beschouwd als gedragsmatige adaptaties omdat ze individuen in staat stellen nakomelingen op te voeden, hen voor te bereiden op sociale competitie en samenwerking, en om culturele bronnen door te geven. De adaptieve waarde van een sociaal systeem wordt gemeten in termen van kansen op het produceren van bijkomende nakomelingen en hen op te voeden tot reproductieve leeftijd.

 

Dat de maximalisering van de inclusieve fitness gebeurt binnen een (beperkt) beschikbaar geheel van resources impliceert dat de mens niet zomaar aan het voortplanten slaat, maar voortplanting beschouwt als een belangrijke ecologische beslissing. Het paradigma in de gedragsecologie is de ‘life history theory’. Centraal in dit paradigma staat het allocatieprobleem van resources (Cliquet en Thienpont, 2002). Twee fundamentele allocatievraagstukken worden onderscheiden:

§          Allocatie van resources tussen huidige en toekomstige reproductie. Voortdurend maken organismen de keuze tussen investeren in somatisch onderhoud of reproductief onderhoud. Vandaar dat seksueel-voortplantende organismen een periode van niet-reproductie kennen, tot op het moment dat ze een omvang bereiken waarop enige investering in reproductie minder kost dan verder investeren in groei.

§          Kwaliteit en kwantiteit van nakomelingen. Kwaliteit is een functie van ouderlijke investering in de nakomelingen en wordt weergegeven in de capaciteit van een organisme op te groeien tot reproductieve leeftijd.

 

Waarom moederschap?

 

In het licht van de theoretische concepten die ik zojuist heb uiteengezet lijkt het als het instampen van een open deur om te stellen dat het moederschap in heel dit gebeuren centraal staat. Is het niet de moeder die in zekere zin de oorsprong van ons allen is? Is het niet de moeder die de reproductieve waarde bezit en (veelal) controleert? Is het niet de band tussen moeder en kind dat essentieel is voor de fylogenetische continuïteit die aan de basis ligt van het voortbestaan van onze soort? Gezien de overduidelijke centrale plaats van de band tussen moeder en kind in onze evolutie en in het dagelijkse bestaan van de mens, lijkt het mij meer dan de moeite waard om te onderzoeken hoe deze band wordt ingevuld in verschillende culturen; welke factoren meespelen in het invullen van deze band; of moeders er in bepaalde culturen of situaties beter of slechter van af zijn dan andere moeders in andere culturen of situaties en wat de mogelijke redenen hiervoor zouden kunnen zijn.


Terug naar inhoudstabel

Inleiding

 

Onderzoeksaanpak

 

Om te kunnen komen tot de essentie van het moederschap, acht ik het dan ook noodzakelijk om eerst een stap terug te zetten en te kijken naar de ‘natuur’ van de vrouw. Gezien deze vrouw echter niet in een empirisch vacuüm leeft, zal ik ook even kijken naar de ‘natuur’ van de man waarmee zij voortdurend in interactie leeft. Vragen die ik in deze context stel zijn ondermeer: verschillen mannen en vrouwen in hun ‘natuur’, in hun reproductieve belangen? Zoja, zorgt dit voor spanningen en welk vorm nemen deze spanningen aan?

Uit deze eerste fundamentele stap heb ik kunnen afleiden dat er wel degelijk een spanning is tussen de reproductieve belangen van man en vrouw en dat deze wel degelijk gevolgen heeft voor de leefsituatie van de vrouw. Heel grof weg genomen zou men kunnen zeggen dat deze spanning een drietal oplossingen kent: monogamie, polyandrie en polygynie[2]. Deze drie verschillende oplossingen zal ik dan ook nader bespreken in loop van deze paper aan de hand van een aantal concrete casestudies.

Totslot zou ik nog een laatste keer willen herhalen dat ik in deze paper een veelheid aan informatie zal aanhalen uit verschillende wetenschappen zoals de biologie, de evolutiewetenschappen, de primatologie, de sociale en culturele antropologie,…

Hopelijk schrikt dit multidisciplinaire perspectief de meer klassiek georiënteerde sociaal of cultureel antropoloog niet af om door het bos de bomen te zien.

 

Onderzoeksvragen

 

Zijn mannen en vrouwen ‘van nature’ monogaam? Zoniet, in welke situaties zijn mannen en/of vrouwen ‘zedig’ en in welke situaties vinden mannen en/of vrouwen het nuttig om meerdere partners te hebben? Is er een spanning te onderkennen in de onderlinge confrontatie van deze reproductieve belangen van man en vrouw? Zoja, welke oplossingen worden hiervoor gevonden in de empirische werkelijkheid? Welke factoren spelen mee in het vinden van dergelijke oplossingen? In welke mate is de ecologie hierbij een factor? Hoe kunnen we dit alles koppelen aan ons primatenverleden? Welke effecten heeft dit voor het verwantschapssysteem? Zijn deze effecten ook merkbaar voor de rol van de vrouw (i.c. de moeder) in deze verschillende verwantschapssystemen? Is de moeder beter af in het ene systeem dan in het andere? En als ze er in bepaalde systemen slechter van af zijn, waarom accepteren ze dit dan?

 

 

Terug naar inhoudstabel
 

1. De inherente belangen van de seksen: kwantiteit versus kwaliteit

 

Afhankelijk van de huwelijksgewoonten in haar cultuur , kan een vrouw al dan niet de vader van haar kinderen uitkiezen of de leeftijd bepalen waarop zij voor het eerst zwanger wordt. Afhankelijk van de heersende normen kan ze al dan niet haar zonen en dochters, de oudste en de jongste, op precies dezelfde manier behandelen. Toch zal ze grotendeels zelf beslissen hoeveel ze van zichzelf, haar tijd, haar energie en haar liefde, in ieder kind zal investeren. Deze beslissing wordt genomen op basis van een inschatting van haar mogelijke individuele reproductieve succes. Dit individueel reproductief succes hangt af van twee factoren: haar eigen welzijn en de daaruit volgende mogelijkheid om in de toekomst nieuwe reproductieve investeringen te leveren enerzijds en het welzijn van reeds bestaande nakomelingen anderzijds (het investeren in eigen somatische fitness of in reproductieve fitness). Beide factoren spelen mee in de afweging van haar fitness en komt neer op de volgende keuze: veel nakomelingen produceren en noodzakelijkerwijze weinig in elk van hen investeren, of er slechts een paar produceren en een heleboel investeren. Vermits het baren van een kind voor onze soort een hachelijke onderneming is (niet in het minst omwille van onze vertraagde groei die een gevolg is van onze soortspecifieke evolutionaire geschiedenis), kan een investering in kwantiteit voor een vrouw een bedreiging betekenen voor haar individueel welzijn. Een moeder zal er bijgevolg doorgaans voor kiezen om te investeren in kwaliteit. De vader heeft dezelfde keuzemogelijkheden, hoewel zijn beslissing heel anders kan uitvallen vermits het gesteund is op een andere (mindere) investering (Hrdy, 1999).

 

In het verleden hadden dergelijke beslissingen directe gevolgen voor de overlevingskansen van zowel de moeder als haar kinderen,. In vrijwel het hele menselijke bestaan was het een levensbedreigend nadeel om een baby te zijn zonder moeder, of een kind zonder oudere familieleden. Om voorouder van een van ons te kunnen worden moest een moeder erin slagen om ten minste één kind groot te brengen dat oud genoeg werd om zelf ook nakomelingen te krijgen. Die nakomelingen zouden dan op hun beurt ook weer voor nakomelingen moeten zorgen. Daarom is kwantiteit bijna nooit het belangrijkste punt geweest voor een moeder. Het welzijn van haar kinderen en de kwaliteit van hun leven, meestal onverbrekelijk met die van haar verbonden, hadden de hoogste prioriteit. Als trouw zijn aan zijn partner betekent dat het voortplantingssucces van een man identiek is aan dat van die partner, zal hij haar voorkeur voor kwaliteit boven kwantiteit waarschijnlijk delen. Daarentegen kan een man er ook, met name als hij niet van plan is te investeren in zijn nakomelingen, op uit zijn om met zoveel mogelijk vrouwen te paren, om zodoende zoveel mogelijke nakomelingen te verwekken. Van dit soort voorouders hebben moeders hun instincten en de manier waarop zij beslissingen nemen geërfd.

 

De belangen voor moeders en vaders zijn dus niet per definitie hetzelfde. Onderliggende spanning tussen het mannelijke streven naar kwantiteit en het vrouwelijk streven naar kwaliteit zijn zo oud als de mens. Deze spanning neemt echter verschillende vormen aan naargelang de ecologische situatie.

 

Als getuige van de differentiële reproductieve capaciteit en de daaruit voortvloeiende differentiële belangen en investeringen in reproductief succes kunnen we twee frappante geschiedkundige elementen bovenhalen (Hrdy, 1999). De gelukkige Moulay Ismaël de Bloeddorstige van Marokko (1646-1727) had een verbijsterend reproductief succes. In 1704 had hij naar verluidt 40 zonen die binnen een periode van 3 maanden geboren werden, wat leidde tot een indrukwekkend totaal van 888 nakomelingen van talloze echtgenoten en concubines. Het wereldrecord moederschap steekt hiertegen schraal af. De arme Magdalena Carnauba uit Brazilië trouwde op haar 13e en baarde 32 kinderen.

 

De grondslag van dit immense verschil ligt in de biologie van man en vrouw. Zelfs al werd een vrouw als een gans gevoerd en voorzien van ruim voldoende minnen, dan zou ze nog beperkt worden door tussenpauzen tussen geboorten die onvermijdelijk langer worden naarmate ze de menopauze nadert. In theorie houdt de levenslange zaadcelproductie van een man in dat zijn vruchtbaarheid alleen beperkt wordt door de duur van de refractaire periode na ejaculatie, afnemende aantallen zaadcellen of toegang tot ovulerende vrouwen. Daarom heeft hij altijd de kans om het beter te doen. Maar een heel belangrijk element dat in dit biologische verhaal over het hoofd wordt gezien is dat dit alles in sterke mate afhankelijk is van de context.

 

1.1. De gestelde criteria voor een vader

 

In een zeer breed opgezet onderzoek werd onlangs aan vrouwen in meer dan dertig landen gevraagd een lijstje te maken met de eigenschappen die zij voor een echtgenoot het belangrijkst vinden. Na ‘wederzijds aantrekkelijke’ (waaronder misschien ook onbewuste aanwijzingen over partnerkwaliteit, postuur en vermogen haar te beschermen), hechtten de vrouwen het meest aan eigenschappen als ‘betrouwbar karakter’, ‘emotionele stabiliteit’ en ‘volwassenheid’. (Buss, 1990)[3]

 

1.2. De mogelijke oplossingen voor deze spanning

 

Vrouwen zoeken dus vooral een man die mee investeert in haar nakomelingen. Mannen zijn daarentegen eerder op zoek naar vrouwen die zo veel mogelijk nakomelingen baren. Het is duidelijk dat beiden tot op een bepaalde hoogte compromissen moeten sluiten om hun belangen te verdedigen. Eender wanneer er compromissen moeten gesloten worden, zijn er bepaalde situaties waarin ofwel de ene ofwel de andere aan het langste einde trekt. Toch is het ook mogelijk een evenwichtig compromis te sluiten tussen beide.

Het compromis dat moet gesloten worden, vindt echter niet plaats in een empirisch vacuüm. Het is grotendeels afhankelijk van de omgeving waarin de mens zich bevindt. In de volgende hoofdstukken zal ik drie mogelijke compromissen uiteenzetten (monogamie, polyandrie en polygynie) en aangeven welke rol de ecologie heeft in het beslissen voor het ene of het andere compromis. Tevens zal ik de nadruk leggen op de positie van de vrouw (i.c. de moeder) in elk van deze compromissen; wanneer is de vrouw het best af; waarom accepteert de vrouw een situatie waarin ze niet goed af is; …

 


Terug naar inhoudstabel

2. De harmonie van monogamie? Sommige vaders kunnen zich zorg veroorloven.

 

Bij mensen hebben moeders meer mannelijke investering dan ooit tevoren. Geen enkele andere primaat brengt baby’s voort die zo lang zo veel hulp behoeven of zo afhankelijk zijn. Maar theoretisch zou alleen een man die behoorlijk zeker is van zijn vaderschap, bereid zijn mee te helpen. Van de 40 % van de primaten die een of ander vorm van mannelijke zorg vertonen, verlenen alleen in monogame paren levende mannetjes als springaapjes, die een grote kans hebben dat ze de vader zijn, directe en uitgebreide zorg. Etnografische gegevens over verschillende menselijke samenlevingen doet eveneens vermoeden dat vaderlijke zorg het meest intensief is als monogaam levende mannen veel zekerheid hebben over hun vaderschap  (Hewlett, 1992).

 

2.1. De Akapygmeeën in Centraal-Afrika

 

Neem het voorbeeld van de Akapygmeeën in Centraal-Afrika. In de eerste zes maanden van zijn leven wordt een baby gemiddeld meer dan 20 % van de tijd door zijn vader vastgehouden en is zelfs 50 % van de tijd onder zijn handbereik. Akavaders trouwen over het algemeen maar één vrouw. Ze blijven veel in het kamp en hebben kennelijk ‘flexi-werken’ uitgevonden. Dankzij hulp van de vaders wordt een relatief hoge vruchtbaarheid gehaald (gemiddeld krijgt een Akavrouw 6,3 levende baby’s) zonder dat de kindersterfte hoger wordt dan bij bijvoorbeeld de !Kung, die zich veel langzamer voortplanten[4].

De saamhorigheid bij de Aka wordt bevorderd door gezinsvriendelijk werk. De jacht – meestal op klein wild – wordt uitgevoerd met netten, zodat mannen, vrouwen en kinderen allemaal heel praktisch en veilig mee kunnen doen. Als mannen gaan jagen, gaan moeders en kinderen met hen mee. Een Akavader brengt op deze manier 46 % van elke dag in het zicht van zijn vrouw door. Daarom zijn volkeren als de Aka voor een etnograaf wat springaapjes voor een primatoloog zijn. Beide zijn ideaaltypen die een goede illustratie leveren van het verband tussen paarvorming en directe en uitgebreide mannelijke zorg (Hrdy, 1999).

 

Als mannelijke zorg zoveel voordelen heeft, waarom zorgen primatenvaders – met name bij de mens – dan niet altijd voor hun nakomelingen, of schenken ze in elk geval niet meer aandacht aan baby’s? De reden hiervoor ligt deels eenvoudigweg in gelegenheid en ervaring. In de juiste omstandigheden verlenen mannen inderdaad zorg. Langs de andere kant hebben mannen een hogere reactiedrempel tegenover baby’s dan vrouwen. Hiervoor is een zeer fundamentele (biologische) reden: mannen die investeren in baby’s die niet van henzelf zijn, zouden genetisch de concurrentie verliezen van mannen die het vinden van extra partners als eerste prioriteit hebben. Mannen worden dus heen en weer geslingerd tussen de aandrang hun nakomelingen te beschermen en te verzorgen, in elk geval een beetje, en hun verlangen naar nieuwe partners (Hill en Kaplan, 1988).

 

2.2. Monogamie als ecologisch compromis

 

Monogamie kan in deze context van de spanningen tussen het mannelijk streven naar kwantiteit en het vrouwelijk streven naar kwaliteit best eerder begrepen worden als een momentaan compromis afhankelijk van de omgeving, dan als iets wat specifiek en universeel voor de soort is. En als dat lukt, profiteren de kinderen ervan. Monogamie vermindert de inherent botsende belangen van de seksen. Haar reproductieve succes wordt het zijne, en omgekeerd, waardoor een harmonieuze relatie ontstaat tussen twee genetisch verschillende individuen die een gezamenlijk doel nastreven (Hrdy, 1999).

 

Maar de omgeving is de ontwikkeling van monogame relaties niet altijd even gunstig gezind. Al te vaak ziet men over het hoofd hoe ongewoon de specifieke omgevingsfactoren en demografische omstandigheden zijn die langdurige monogamie voor beide seksen voordelig maken. Wil een moeder profiteren van monogamie, dan moet haar partner de mogelijkheid hebben haar te beschermen of redelijk in staat zijn haar te voeden. Demografische cijfers en sterfteoorzaken zijn ook belangrijk. Hoge overlevingscijfers voor volwassen mannen maken het voor hen de moeite waard in een relatie te investeren. Maar is de bescherming die zij bieden belangrijk? Dat hangt af van de oorzaken van de babysterfte (ziektekiemen of al dan niet menselijke vijanden?). Wanneer een vader een bijdrage levert en baby’s ook een goede overlevingskans hebben, kan een vader zich de emotionele weelde veroorloven de keuze van zijn partner voor kwaliteit boven kwantiteit te delen. Maar wanneer kinderen plotseling, op een onvoorspelbaar moment, kunnen overlijden, is het niet verbazingwekkend dat mannen veel moeite doen om zoveel mogelijk kinderen te verwekken in de hoop dat enkele ervan het geluk hebben te overleven.

 

De moderne darwinisten Donald Symons, Roger Short en Laura Betzig hebben bewijsmateriaal aangevoerd dat mannen in het verleden veel partners zochten omdat ze op die manier hun reproductieve succes vergrootten. Voor vrouwen daarentegen was het verstandiger één goede man te zoeken die in haar nakomelingen wilde en kon investeren. Maar het lijkt nu dat bij dit algemeen principe een belangrijk voorbehoud in acht genomen moet worden: ‘Behalve als de man een slechte kostwinner is, de kans loopt vroeg te sterven, of wanneer de voedselsituatie onvoorspelbaar is – dan is een moeder veel beter af met polyandrie’ – als ze dat tenminste veilig kan doen. De kinderen zijn wellicht beter af met verschillende ‘vaders’ dan met een slechte of onbetrouwbare vader.

Onvoorspelbare kostwinners stellen moeders voor een dilemma: moet ze op één man rekenen voor een heleboel, of op verschillende voor een klein beetje? En in patriarchale samenlevingen, waar de moederlijke keuzen vanaf het begin al beperkt zijn? Moet ze 100 % verlangen van een arme partner of tevreden zijn met een klein deel van de investering door een potentaat met veel vrouwen? Uit het oogpunt van de moeder hangt het optimale aantal ‘vaders’ dus van veel dingen af.

 


Terug naar inhoudstabel

3. Polyandrie? Andere vaders kunnen zich geen zorg veroorloven.

 

Dat vaders belangrijk zijn, is duidelijk. Maar je kunt niet altijd van ze op aan. Als vaders doodgaan of ervandoor gaan; als mannen vrouwen verleiden of verkrachten en dan de benen nemen, af als ze hun vrouw niet beschermen tegen geweld van andere mannen; als echtgenoten een andere partner zoeken, dan worden de vooruitzichten slechter voor de nakomelingen die ze achterlaten. Bij gebrek aan effectieve wetten die vrouwen of hun bezittingen beschermden, moesten moeders in het verleden steunen op alle vaders of allo-ouders (naar het Grieks voor ‘anders dan’; m.a.w. een verzorger die niet de moeder is) die ze konden krijgen – echtgenoten, minnaars of, als die er niet waren, mannelijke verwanten. Het maakte niet uit hoe mooi de verwekker eruitzag, hoe goed hij was als jager, hoe goed zijn genen waren, hoe krachtig zijn immuunsysteem was, zijn afwezigheid was nadelig voor zijn kinderen. De inschatting van de zekerheid en voorspelbaarheid van sociale steun in het vooruitzicht van een zwangerschap zal met andere woorden een groot deel van de mentale leefwereld van een toekomstige moeder zijn geweest. 

 

3.1. Waarom zou een moeder meer dan één vader willen?

 

Als het risico dat men een ouder verliest groot is, men al van de hand in de tand leeft en moeders in hun eentje nauwelijks voor hun nakomelingen kunnen zorgen, waarom zou een moeder zich dan tot slechts één partner beperken, als de overlevingskansen van hun nakomelingen groter worden door met verschillende partners te paren? Als deze logica wat vreemd aandoet voor mensen – wezens die, naar wij aannemen, in het grootste deel van hun evolutiegeschiedenis een voortplantingssysteem met slechts één man kenden – denk dan eens aan de westerse traditie om vertrouwde vrienden en met name belangrijke mensen als ‘peet-ouders’ te vragen. Het doel is om fictieve ouders te krijgen die, zo nodig, voor je nakomelingen zullen zorgen. Maar waarom dan niet, naast het symbolische benoemen tot peetouder, ook een of andere tastbare, echte mogelijkheid van vaderschap beiden? In sommige gebieden op aarde vormt een moeder via seksuele relaties een netwerk van welgezinde mannen die helpen haar nakomelingen te beschermen en te voeden.

 

3.2. Het Laagland van de Amazone en de trucjes van de vrouwen: de Aché, de Canela, de Bari, de Mehinaku, de Mundurucu en de Yanamamo

 

Het laagland van het Amazonegebied dat zich nu uitstrekt van Noord-Brazilië en Venezuela tot Paraguay is al lang een lappendeken van bospaden en uitgestrekte stukken savanne, die door geen enkele geografische barrière wordt onderbroeken. Tegenwoordig wordt dit land gebruikt door jagers en akkerbouwers uit taalgroepen die zich al heel lang geleden zelfstandig ontwikkeld hebben vanaf de tijd dat de verschillend stammen hun eigen weg gingen. Naast vis en vlees bestaat het voedsel van deze stammen nog steeds uit cassave, die vrouwen op tijdelijke akkers verbouwen. Deze volken delen niet alleen een manier van leven, maar ook het oude geloof dat een baby door meer dan één man verwekt wordt, een biologisch fabeltje dat antropologen ‘deelbaar vaderschap’ noemen. Men gelooft dat een foetus in de loop van de tijd ontstaat, net als de glans op parels, door steeds weer sperma tot te voegen. Dit is een overtuiging waarvan (als de mannen er intrappen) moeders en kinderen kunnen profiteren ten koste van de mannelijke zekerheid omtrent zijn vaderschap.

 

Wie ze ook bestuderen, antropologen beginnen altijd met het verzamelen van stambomen en delen de mensen dan in op grond van hun verwantschapssysteem. Maar toen Kim Hill de Aché vroeg wie hun vader was, ontdekte hij dat hij nieuwe begrippen moest bedenken; 321 Aché noemden in totaal 632 vaders. Dat is gemiddeld bijna twee ‘vaders’ per persoon; Net als veel andere stammen – onder andere de Canela, de Mundurucu en de Mehinaku in Brazilië, de Bari en de Yanamamo in Venezuale – geloven de Aché dat een foetus een samengesteld product is van de verschillende mannen met wie de moeder geslachtsverkeer heeft gehad. Daarom hebben de Aché een woord miare voor ‘de vader die het erin stopte’; peroare voor ‘de mannen die het mengden’; momboare voor ‘degenen die het naar buiten lieten komen’;  en bykuare voor ‘de vaders die voor de geest van het kind zorgden’. Mannen die de moeder vlees gaven terwijl de baby gevormd werd, worden gezien als de meest waarschijnlijke geestgevers. (Hill & Hurtado, 1996; Beckerman, 1998).

 

Naast de echtgenoot van de vrouw, die de door de gemeenschap aangewezen vader is, kan een baby geboren worden met een aantal secundaire vaders die allemaal in meerdere of mindere mate de plicht hebben deze baby te steunen in zijn of haar groei naar volwassenheid. De Mehinaku maken grapjes over dit gedeelde vaderschap en noemen het een ‘collectief werkproject voor alle mannen’.

Van alle mannen met wie een vrouw geslachtsgemeenschap had toen ze zwanger werd, ook in de periode vlak voor ze kennelijk zwanger was, wordt verwacht dat ze het kind voedsel verschaffen. Het is dus niet gek dat een Canelavrouw, zodra ze vermoedt dat ze zwanger is, de beste jagers en vissers van de stam probeert te verleiden, zoals een tienermeisje een popster. Dat is een iets andere verklaring voor het feit dat de beste jagers de meeste minnaressen hebben. Winnen zij de concurrentie van andere mannen op het gebied van reproductief succes of lopen ze meer verplichtingen op? Vermoedelijk beide.

 

In elk geval is dit extra eten mogelijk de verklaring voor het feit dat Barikinderen met verschillende vaders een beduidend grotere overlevingskans hebben. Volgens antropoloog Stephen Beckerman bereikte slechts 64 % van de 638 Barikinderen die geen secundaire vaders hadden, de leeftijd van vijftien jaar, vergeleken met 80 % van de 194 kinderen die dat wel hadden. Kinderen van dezelfde moeder met maar één vader, hadden niet zo’n grote overlevingskans als hun broers en zussen met meerdere vaders. Hill merkte dat bij de Aché kinderen met maar één vader minder hulp kregen, maar wanneer een moeder te veel vaders wilde, hielp geen van de kandidaten, omdat hun vaderschap te onzeker was geworden. Kinderen die één primaire en één secundaire vader hadden, hadden de beste overlevingskansen. (Hill en Kaplan, 1988; Hill en Hurtado, 1996)

 

Het optimale aantal vaders onder deze demografische condities en voedselsituatie lijkt twee te zijn. Zijn echtgenoten jaloers? Bij de Aché ontkennen de mannen dit, maar ze blijken later wel hun vrouw te slaan. Het is dus niet vreemd dat Achémoeders mogelijke vaders proberen te vertellen dat de club exclusiever is dan die in werkelijkheid is. Bij de matrilineaire en matrilokale Canela, waar vrouwen meer te zeggen hebben, lijkt er minder behoefte aan discretie te bestaan. De antropoloog William Crocker van het Smithsonian Institution, die de Canela jarenlang bestudeerde, is ervan overtuigd dat de echtgenoten niet jaloers zijn. Of die nu wel of niet de waarheid vertellen, ze moedigen samen met andere groepsleden hun vrouw aan de gebruiken in ere te houden. In wellicht een van de meest bizarre gevallen die ooit opgetekend zijn, zeer ongewoon voor hominiden, konden sommige Canelamoeders, dankzij rituele seks met meer dan twintig manen tijdens een ceremonie waar de hele groep bij betrokken was, uit een hele reeks van kandidaten voor het ‘vaderschap’ kiezen. (Crocker en Crocker, 1994).

 

 

3.3. Ecologie en paargedrag

 

Als hulpbronnen onvoorspelbaar een vaak schaars zijn, in een omgeving waar scheiding en weduwschap veel voorkomen door hoge sterftecijfers bij volwassen mannen, zien mannen wellicht de voordelen van de ontrouw van hun vrouw. Het gaat om zekerheid en een grotere sociale samenhang. Vriendschap is een veel voorkomende, zij het weinig opvallende, reden voor het delen van vrouwen bij volken als de Eskimo’s of bij de ‘bloedbroeders’ in delen van Oost- en Zuid- Afrika waar mannen hun vrouw delen met echte of zogenaamde broers. Mannen knijpen een oogje toe, in de wetenschap dat het gaat om het welzijn van kinderen waar ze om geven (en waarvan de kans dat zij de vader zijn, erg groot is omdat zij regelmatig seksuele toegang tot de moeder hadden)[5].

 

3.4. Matrilineair in confrontatie met patriarchaal

 

In een traditionele huwelijksceremonie bij de Canela liggen bruid en bruidegom op een mat, de armen onder elkaars hoofd, de benen ineengestrengeld. De broer van elk van hun moeders komt dan naar voren. Hij roept de bruid en haar nieuwe bruidegom bij elkaar te blijven tot het laatste kind groot is, en wijst hen er uitdrukkelijk op niet jaloers te zijn op elkaars minnaars. Het overleven van de kinderen van een moeder is belangrijker dan het exclusieve seksuele recht van een man op zijn vrouw. De Canela hebben het ‘vleugje polyandrie’ dat zo vaak opduikt in het paargedrag van andere primaten, in hun ideologie gerechtvaardigd en vaak erkend en de betekenis ervan vele malen groter gemaakt door rituelen. Maar het systeem is erg kwetsbaar. Wanneer de Canela met buitenstaanders in contact komen, worden de mannen bijna onmiddellijk bezitterig ten opzichte van hun vrouwen. (Crocker en Crocker, 1994)

 

Samenlevingen waar de moeder centraal staat, zoals bij de Canela, komen er meestal slecht vanaf wanneer zij in contact komen met meer patriarchale samenlevingen (Schneider en Cough, 1961). De ruimte voor marchanderen, waardoor moeders bij de Canela en Bari aanzienlijke onderhandelingsvrijheid hebben bij het regelen van steun voor hun kinderen, is het tegenovergestelde van het patriarchale huwelijk, dat ontworpen is met ‘het expliciete doel kinderen voort te brengen waarvan het vaderschap onbetwist’ is, zoals de marxistische theoreticus Friederich Engels als jaren geleden heeft gesteld. Door vrouwen te dwingen zich aan echtgenoten te onderwerpen om zodoende toegang te krijgen tot de middelen waarover hij beschikt, zetten patriarchale echtgenoten bezit van productiemiddelen om in ‘bezit’ van echtgenotes. ‘Mocht de vrouw zich het oude seksuele leven herinneren en proberen dit te laten herleven,’ schreef Engels, ‘dan wordt ze gestraft’ (Engels, 1884). De hypothese van ‘patriarchale dwang’ wordt gesteund door het weinige bewijs dat we tot nu toe hebben over verkeerd toegeschreven vaderschap: de cijfers zijn enorm laag, minder dan 1 % in de meeste patriarchale gezinssystemen en wel 10 tot 20 % bij sommige lagere klassen en bij culturen met deelbaar vaderschap, zoals de Yanamamo (Baker en Bellis, 1995).

 

Matrilineaire afstammingssystemen verdwijnen zodra men intensief akkerbouw gaat bedrijven, wanneer ploegen, vee en loondienst hun intrede doen, en irrigatiesystemen worden aangelegd. Maar de manier van leven die om de moeder draait, blijft altijd een mogelijkheid en wordt telkens weer uitgevonden als hulpbronnen een ongewisse factor worden, volwassen mannen in grotere aantallen sterven, of als het voor een moeder onverstandig wordt te blijven rekenen op bescherming op voedselvoorziening door één enkele man.

 

In de sloppenwijken van Zuid-Amerika, in townships in Zuid-Afrika, in stedelijke getto’s in beide werelddelen, net als bij sommige stammen als de Canela, overal waar mannen onberekenbare kostwinners blijken te zijn en de patriarchale instelling niet zo sterk is dat hun gedrag gevaarlijk wordt, zorgen moeders voor een netwerk van mogelijke vaders. In sociaal opzicht is het huwelijk monogaam, maar moeders gaan polyandrische seksuele relaties aan met verschillende ‘vaders’ om mogelijke bijdragen van die mannen los te krijgen. ‘Waarom zou je alles op één kaart zetten?’ merkte een moderne vrouw in Zambia op, als rechtvaardiging voor haar, in de ogen van haar ondervrager, profiterende houding tegenover mannen (Schuster, 1979). De vrouw vroeg zich dat terecht af – want net als een Hadza-jager die net een elandantilope heeft gedood, kan de vader van haar kinderen, wanneer hij opeens een meevallertje heeft dat gebruiken om banden met andere vrouwen aan te knopen in plaats van eten te kopen voor haar en haar kinderen. (Scheper-Hughes, 1992)[6].

 


Terug naar inhoudstabel

4. Polygynie en patriarchaat: Is een deel van een vader ooit beter dan een hele vader?

 

Natuurlijk ziet het voortplantingssysteem dat voor de haan het best is, er vaak anders uit dan de hen zou willen. Een polygyn systeem, waarbij een man exclusief seksueel toegang heeft tot zoveel mogelijk vrouwen, deze afschermt van andere mannen en ze voor zichzelf reserveert, is een doel wat veel mannelijke dieren gemeen hebben. In patriarchale samenlevingen gebruiken mannen coalities met verwanten in vaderlijke lijn – vaders en broers – om dit doel te bereiken. Een van de manieren om de controle over vrouwen te verkrijgen is door controle te verkrijgen over de middelen die vrouwen nodig hebben om te overleven en zich voort te planten.

‘Broedergemeenschappen’, al dan niet gebaseerd op echt bestaande verwantschapscoalities, zijn een essentieel onderdeel van een patriarchaat. Die coalities komen met name veel voor in situaties waarin veel overvallen of vetes voorkomen, waarin mannen dus van levensbelang zijn om bezit, vrouwen en nakomelingen te beschermen. Doordat mannen in groepen beter kunnen concurreren, kon het patrilokale huwelijkssysteem zich de afgelopen tienduizend jaar zo snel verspreiden, net als het rund, de ploeg en een hogere bevolkingsdichtheid (Diamond, 1997).

In dat soort samenlevingen worden mannelijke belangen en prioriteiten belangrijker geacht dan die van de moeder, met als gevolg dat een hogere vruchtbaarheid (kwantiteit) het vaak wint van het welzijn van het kind (kwaliteit).

 

Toen antropologen vanaf het einde van de 19e eeuw informatie begonnen te verzamelen over woonpatronen in verschillende culturen, waren de meeste culturen al patrilokaal. Dat betekent dat zo’n 70 % van de menselijke samenlevingen in een mannelijk filopatrisch systeem woonde. Ongeveer tweederde van deze patrilokale samenlevingen heeft een patrilineair afstammingssysteem en de meeste zijn polygyn. Matrilineaire culturen als die van de Canela, die hun afstamming via de moeder bepalen, komen alleen voor bij volken die matrilokaal wonen. Deze matrilineaire systemen zijn erg kwetsbaar en verdwijnen al vlug bij contact met patriarchale samenlevingen van herders, boeren of loonwerkers. Onderzoek in het midden van de 20e eeuw toonde aan dat 15 % van de culturen op aarde matrilineair was, en dat dit percentage steeds kleiner wordt[7]. (Witkowsi en Divale, 1996).

 

Een matrilineaire samenleving is niet hetzelfde als een ‘matriarchale’ samenleving – het omgekeerde van een patriarchale samenleving waar machtige moederlijke dynastieën in het openbaar en privé de sociale controle handhaven. Afgezien van mythologische verhalen, zijn er tot op de dag van vandaag geen bewijzen van een dergelijke matriarchale samenlevingen. Maar antropologen zijn het er wel algemeen over eens dat vrouwen die matrilokaal bij hun verwanten leven, over het algemeen een grotere vrijheid hebben dan wanneer dat niet het geval is. Deze vrouwen hebben meestal veel meer mogelijkheden om gebruik te maken van trucjes als het fictieve idee van ‘deelbaar vaderschap’. Daarentegen is bij patriarchale samenlevingen alles erop gericht machtige mannen een onbetwist vaderschap te bieden. Vooral in patriarchale samenlevingen die ook polygyn zijn, hebben moeders betrekkelijk weinig keuzevrijheid en hebben ze, als ze eenmaal een partner hebben, slechts de beschikking over een klein deel van de vaderlijke investering die een man over de nakomelingen van meerdere vrouwen verdeelt. Hoe slagen mannen er dan in vrouwen zover te krijgen dat ze een voortplantingssysteem accepteren dat verre van optimaal is voor welzijn en overlevingskans van haar kinderen?

 

4.1. Waarom accepteren vrouwen dit?

 

Ingewikkelde wijzen van socialisering, rituelen en complete mythologieën zijn ontstaan ter rechtvaardiging van de mannelijke controle over de ongemakkelijke seksuele erfenis die vrouwen van hun primatenvoorgangers ontvangen hebben. Een van de algemene patriarchale mythen is de bewering dat vrouwen juist baat hebben bij patriarchale, polygyne gezinsstructuren.

 

Is dit waar? Hebben vrouwen baat bij polygynie – en meer in het bijzonder moeders? Het antwoord hangt helemaal af van de keuzemogelijkheden van de vrouw. Als mannen alle mogelijke niches voor reproductie en alle productiemiddelen in beslag hebben genomen, zodat een vrouw alleen maar de middelen die ze voor reproductie nodig heeft, kan verkrijgen door zich op zijn voorwaarden bij hem en zijn andere vrouwtjes in zijn territorium te voegen, dan is polygynie duidelijk de beste keuze.

 

Als de controle van mannen over de middelen een vaststaand feit is, dan is een moeder die de voorwaarden van de man accepteert, inderdaad beter af dan wanneer ze zonder territorium nakomelingen voortbrengt en zij en haar kinderen allemaal verhongeren. (Zoals de 19e-eeuwse darwinistische feministe Eliza Burt Gamble meer dan een eeuw geleden al voor haar eigen samenleving had geformuleerd: ‘Bij de menselijke soort is de vrouw verplicht de man te bekoren om zeker te zijn van haar levensonderhoud.’ (Gamble, 1894)). Op dezelfde manier is een moeder die omgeven wordt door zwervende groepen rovers beter of met een sterke beschermer. Maar in beide gevallen is haar keuze niet echt onafhankelijk. Om daarom te betogen dat een vrouw beter af is als maîtresse van een rijke man dan als de enig vrouw van een arme man, ontkent het bestaan van andere alternatieven, zoals de mogelijkheid dat de vrouw beschermt wordt door verwanten, de wet of dezelfde toegang tot hulpbronnen krijgt als mannen via hun vaderlijk erfgoed of via toegang tot betaald werk.

 

Ongetwijfeld is een vrouw soms beter af wanneer ze polygyn trouwt met de rijkste man, wanneer mannen alle middelen beheersen. Maar in diverse goed bestudeerde polygyne samenlevingen, zelfs wanneer er groot verschil in rijkdom is tussen echtgenoten, is een vrouw die een klein deel van een rijke man krijgt, niet beter af dan een die volledig over een arme kan beschikken. Deels komt dit door de concurrentie tussen moeders die in zo’n situatie ontstaat. De Dogon in Mali, een van de best bestudeerde polygyne groepen, bewijzen hoe duur het voor moeders en kinderen kan uitpakken wanneer mannelijke belangen voorrang hebben boven die van moeders.

 

4.2. De nadelen van het patriarchaat: de Dogon uit West-Afrika

 

De Dogon verbouwen sorghum in West-Afrika. Hoewel hun klassieke patriarchale gezinssysteem ongewoon is in Afrika, een continent met veel matrilineaire samenlevingen, vertoont het veel overeenkomst met samenlevingen in Azië en, in mindere mate, de westerse wereld. (In deze uiteenzetting bedoel ik met patriarchale samenlevingen, samenlevingen met patrilokale woonplaatsen, patrilineaire vererving en instellingen waarbij mannen begunstigd worden, waaronder het erven van bezittingen bij voorkeur door zonen).

 

Bij de Dogon gaat polygynie – net als bij andere patriarchale samenlevingen – gepaard met verschillende manieren om de vrouwelijke seksualiteit in de gaten te houden. De menstruatiecyclus van elke vrouw is openbaar. Zodra ze ontdekt dat ze bloed verliest, moet een vrouw traditioneel naar een speciale hut verhuizen (Cassiman, 2000).

Tegen de evolutie van miljoenen jaren in zijn de Dogon een cultuur geworden waarin ovulatie niet kan worden verborgen. Je niet aan de regels houden, met name bedrog (doen alsof je menstrueert terwijl je eigenlijk zwanger bent) leidt tot sociale represailles in deze wereld en het vooruitzicht op strengere straffen in de bovennatuurlijke wereld. Op deze manier kan een man er zeker van zijn dat elke vrouw met wie hij trouwt, niet al zwanger is van een ander. (Strassmann, 1993, 1997).

 

Naast menstruele controle wordt er opgetreden tegen oude vrouwelijke motieven om te zorgen voor verwarring omtrent het vaderschap, door bij elk meisje de clitoris te verwijderen. De Dogon zijn ervan overtuigd dat na clitoridectomie een vrouw seksuele gemeenschap buiten het huwelijk minder aanlokkelijk zal vinden, niet het risico waard (Cassiman, 2000). Op deze manier kunnen oudere mannen die meerdere jonge vrouwen hebben, net zo zeker van hun vaderschap zijn als welke primaat op aarde dan ook kan zijn.

 

Betekent deze zekerheid omtrent vaderschap dat Dogonmannen meer in hun kinderen investeren? Niet per definitie, vooral niet als meer vrouwen hebben en veel zonen. Net als in de meeste patriarchale samenlevingen is de aandacht van een man meestal gericht op het verkrijgen en behouden van prestige, met als logisch gevolg meer vrouwen en meer kinderen.

De kindersterfte bij de Dogon is erg hoog, typisch voor dit gebied. Volgens antropologie Beverly Strassmann zal 46 % voor het vijfde levensjaar overlijden. Nog opmerkelijker echter is dat de kans op het overlijden van een kind 7 tot 11 maal groter is wanneer de moeder in een polygyn gezin woont, waarbij ze met de overige mede-echtgenotes werkt en eet, dan wanneer ze monogaam getrouwd is. In een monogaam gezin is het verlies van een moeder evenzeer het verlies van de vader. Maar als een man met drie vrouwen is getrouwd, heeft de polygyne man reproductief gezien zelfs nog winst wanner meer dan de helft van zijn kinderen sterft[8].

 

In tegenstelling tot het doel van de moeder, dat meestal ‘kwaliteit’ is – gezonde nakomelingen met voldoende tussenruimte, die goed verzorgd kunnen worden – is het doel van de Dogonvader ‘kwantiteit’ – zoveel kinderen als mogelijk, zelfs als er veel sterven. Bij de Dogon komt dit extra slecht uit, omdat er steeds minder land beschikbaar is en mannen een boerderij slechts aan één met zorg uitgekozen zoon, of een paar zonen, kunnen nalaten. Maar toch hebben ze weinig behoefte minder vrouwen te nemen. Want vrouwen werken hard. Als je ze hebt, krijg je meer prestige, een hogere levensstandaard en heb je een groter reproductief succes.

 

Strassmann geeft eerlijk toe dat ze niet zeker weet waarom kinderen – vooral zonen – van polygyn-getrouwde moeders vaker sterven. Maar de Dogonmoeders zelf zijn er duidelijk over: zij beweren dat hun zonen door medevrouwen vergiftigd worden. Strassmann werd uitgenodigd rituelen bij te wonen waar gemaskerde dansers de vrouwen angst aanjagen om echtgenotes van dit soort misdadige praktijken te weerhouden. In gerechtelijke dossiers in Mali wemelt het inderdaad van wild klinkende beschuldigingen over kinderen die door medevrouwen vergiftigd worden. Af en toe bekennen vrouwen zelfs dat ze het kind van een rivale hebben vergiftigd (Strassmann en Hunley, 1996). Maar waarom voornamelijk zonen? Omdat dochters na hun huwelijk het huis uit gaan en juist de zonen begunstigd worden en thuisblijven en met de andere zonen van hun vader concurreren om het weinige land te erven.

 

Waarom werken vrouwen die met dezelfde man getrouwd zijn, niet vaker samen? In sommige samenlevingen doen ze dat ook, vooral als de echtgenoot zusters trouwt. Bij de aborigines in Australië proberen verstandige mannen vaak te trouwen met vrouwen die aan elkaar verwant zijn, juist omdat bekend is dat die het beter met elkaar kunnen vinden (Chisholm en Burbank, 1991). Maar bij de Dogon weegt minder ruzie niet op tegen het belang van de patriarch om bij zijn vrouwen coalities te voorkomen. Hij volgt een ‘verdeel en heers’-strategie. Strassmann merkt op dat het zusters en andere verwante vrouwen expliciet verboden is om in dezelfde dynastie te trouwen. Deze beperkingen verzwakken het functionalistische argument dat deze polygyne gezinnen van belang zijn voor het algemeen welzijn, en het eugenetische doel voor ogen hebben om het welzijn van alle betrokkenen te bevorderen. In een wereld waarin het optimale aantal vaders per kind overduidelijk ten minste één is, en niet een deel van één, streven de meeste Dogonmannen er toch naar meerder vrouwen te hebben.

 

 

4.3. De trucjes van de mannen: vrouwen overhalen slechte voorwaarden te accepteren

 

Hoe zou men vrouwen ertoe kunnen brengen een geïsoleerd voortplantingssysteem te accepteren die slecht kan zijn voor haar gezondheid en voedselsituatie en haar reproductieve succes kan verminderen? Waarom zou een vrouwelijke primaat hardbevochten overwinningen als verborgen ovulatie ooit opgeven, of meewerken aan het verwijderen van de clitoris van haar dochters? Hoe worden vrouwen ervan overtuigd dat ze hun partnerkeuze tot één man moeten beperken, en onder druk gezet om zich met kortere tussenpozen voort te planten dan optimaal is voor haar gezondheid, en meer baby’s te baren dan voor haar gezond is? Hoe worden moeders ertoe gebracht genoegen te nemen met een deel van één vader, en dan nog niet eens een vader die ze zelf gekozen hebben?

 

Een algemeen gebruikelijke oplossing bij gorilla’s en mantelbavianen is een vrouwtje dat zich hiertegen verzet met fysiek geweld te dreigen of, net als bij langoers en chimpanzees, het leven voor baby’s van moeders met te weinig mannelijke bescherming zo gevaarlijk te maken dat vrouwtjes het zich niet kunnen veroorloven hun aanbod van bescherming af te wijzen[9]. Deze rudimentaire versies van een patriarchaal paarsysteem kwamen vermoedelijk ook voor bij sommige (veel?… de meeste?) populaties van vroege hominiden. Een volledig ontwikkeld patriarchaat, zoals bij de Dogon, is van recenter datum. Dat is afhankelijk van belemmeringen die nog veel verraderlijker zijn dan de baas zijn over dochters en vrouwen. Patriarchale systemen zoals bij de Dogon of in het Victoriaanse Engeland zijn voor hun voortbestaan afhankelijk van de onzichtbare beperkingen die de menselijke verbeelding binnensluipen en zich vasthechten aan het beeld dat mannen en vrouwen van zichzelf vormen.

 

Naast fysieke belemmeringen zijn er dus ook legioenen bovennatuurlijke wezens koortsachtig aan het werk in de menselijke verbeelding om vrouwen in de echte wereld over te halen zich aan de geslachtsnormen te houden. Bij de Maya-sprekende maïsboeren in Zuid-Mexico en Centraal Amerika durven vrouwen niet zonder chaperonne naar buiten te gaan, vooral ’s nachts niet, en terecht. Bij de Tzotzil Maya zijn de vrouwen bang voor de h’ik’al, een klein oversekst duiveltje met een penis van ongeveer een meter, die in de verte wel wat wegheeft van Cama Sotz, de oude vampier-vleermuis met de grote testikels uit de Popul Vuh (de voornaamste religieuze tekst van de Maya) die er gewoonte van maakte ’s nachts omlaag te schieten uit de lucht en mensen te onthoofden (Hrdy, 1999).

 

Tegenwoordig beperkt dit angstwekkend wezen, zo verschrikkelijk dat men zijn naam niet durft te gebruiken uit angst dat hij dan komt, zich ertoe vrouwen te grijpen die zich onfatsoenlijk gedragen of zich niet houden aan de taboes rond de menstruatie (bepaalde bezigheden, zoals bijvoorbeeld koken, dienen menstruerende vrouwen te vermijden). De h’ik’al grijpt vrouwen, neemt ze mee naar zijn grot en verkracht ze daar. Een vrouw die door de h’ik’al zwanger is gemaakt, zwelt op en baart, nacht na nacht, tot ze sterft. Het is niet vreemd dat vrouwen geen zin hebben te ontdekken of zulke demonen, duivels, wraakgeesten of hellevuur echt bestaan of niet.

 


Terug naar inhoudstabel

5. Besluit

 

5.1. De rol van de moeder, ecologie en verwantschapsstructuur

 

Als we nu de drie situaties naast elkaar leggen; de Aka uit Centraal-Afrika, de Indianen stammen uit de laaglanden van het Amazonegebied in Brazilië, Venezuela en Paraguay en de Dogon uit West-Afrika. Wat kunnen we hier dan uit afleiden? Welke cruciale factoren zijn van belang voor het fundamentele verschil in verwantschapsstructuur dat we bij deze drie cases observeren? Welke effecten heeft dit alles voor de positie van de vrouw (i.c. de moeder)?

 

Als we kijken naar de ecologische situatie waarin deze drie leven: van de halfopen vlakten met klein wild van de Aka, naar de halfbeboste savanne van de laaglanden in het Amazonegebied, naar de droge en dorre ondergrond van de Dogon; kunnen we een aantal belangrijk verschillen onderscheiden.

 

Bij de Aka zien we dat iedereen voor een eigen voedselvoorziening kan zorgen (zelfs kinderen). Door de grote aanwezigheid van klein wild kunnen de Aka het zich permitteren om met z’n allen tegelijk (mannen, vrouwen en kinderen) te jagen op hetzelfde goed. Vermits zowel man als vrouw gezamenlijk voorzien in de noodzakelijke hulpbronnen, verhouden man en vrouw zich ook op een vrij egalitaire wijze ten opzichte van elkaar. Elk heeft een eigen inspraak in de dagelijkse gebeurtenissen. Een dergelijke omgeving lijkt een ideale situatie waarin een compromis kan gesloten worden tussen de reproductieve belangen van mannen en vrouwen dat voordelig is voor beiden. Bovendien gaat deze situatie gepaard met een laag sterftecijfer van kinderen en van vaders. Een moeder heeft dus niet alleen een eigen voedselvoorziening, ze kan ook nog betrekkelijk zeker zijn dat ze iemand heeft om de zorg van haar nakomelingen mee te delen én dat die nakomelingen vrijwel zeker opgroeien tot een volwassen reproductieve leeftijd.

 

Bij de Indianen van de laaglanden van het Amazonegebied laat de omgeving de vrouw het echter niet toe om zeker te zijn van de investering van de man in haar nakomelingen. Zij heeft weliswaar ook hier haar eigen voedselvoorziening (het ontginnen van cassave is een essentieel onderdeel van het lokale dieet), maar de voedselvoorziening van de man is zeer onvoorspelbaar. De man jaagt immers in groep op groot wild (klein wild is in deze omgeving minder aanwezig) en is dan ook niet zeker dat hij elke avond een gezonde brok proteïnen op tafel kan leggen. Het ene moment kan hij een overvloed aan voedsel binnenbrengen (te veel voor één gezin), het andere moment kan hij weken of zelfs maanden zonder voedsel doorbrengen. Vermits de man, als hij thuiskomt met een overvloed aan voedsel, er het best aan doet om dit voedsel te delen met jagers die het op dat moment moeilijk hebben (waardoor hij het impliciete wederkerige recht verwerft op voedsel van hun speer wanneer hij het moeilijk heeft), kan de moeder er niet zeker van zijn dat de man dit voedsel niet ook deelt met een andere vrouw. De onvoorspelbare momentane maar noodzakelijke voedselvoorziening van de man garandeert dus geen exclusieve band tussen een man en een welbepaalde vrouw. Bovendien ligt het sterftecijfer bij de mannen, vermits de gevaarlijke onderneming van het jagen op groot wild, aanzienlijk hoger dan bij de Aka. Met andere woorden: de vrouw kan niet zeker zijn van een blijvende investering van de man, daarom doet ze ook beroep op verschillende mannen. Op het einde van de dag heeft deze moeder het echter nog zo slecht niet. Ze heeft een eigen zeggenschap vermits ze een eigen voedselvoorziening heeft en ze heeft het nadeel van de onvoorspelbare investering van de man kunnen omplooien in een relatief voordeel (ondermeer door trucjes zoals het ‘gedeelde vaderschap’).

 

Het verhaal van de Dogonvrouw is schrijnender. De voedselvoorziening bestaat primair uit het verbouwen van sorghum; een intensieve taak op de akker dat veel ploeg- en spitwerk met zich meebrengt. Bovendien zijn de mannen erin geslaagd de ganse voedselvoorziening van de gemeenschap op te eisen en naar eigen zeggen te controleren. Om het simpel te zeggen: vrouwen krijgen geen eten tenzij de man het hen geeft! Deze situatie heeft ertoe geleid dat de vrouwen een beperkte keuze hebben en zich veelal neerleggen bij de eisen van de man. Deze eisen gaan terug naar de reproductieve belangen van de man, nl. kwantiteit boven kwaliteit. Vrouwen reproduceren dan ook aanzienlijke aantallen nakomelingen op korte tijd, zonder dat de vader het noodzakelijk acht in hen te investeren (hij heeft toch genoeg vrouwen en heeft eigenlijk maar één goede zoon nodig om zijn patrilineaire erfgoed aan over te laten wanneer hij sterft). De kindersterfte ligt dan ook aanzienlijk hoog. Bovendien worden de vrouwen (zoals in de meeste patriarchale samenlevingen) afgescheurd van hun verwanten waardoor ze elk contact met hun eigen familie verliezen, het enige wat nog bestaat is de familie van de man. De wereld draait in een dergelijke samenleving dus duidelijk om de man, en competitie en achterdocht tussen co-vrouwen zijn bijna steeds aanwezig (Clignet, 1970). Een aparte hut voor elke vrouw is hier de regel. Mannen klagen niet alleen over de problemen die ontstaan door bekvechtende vrouwen, ze organiseren ook bepaalde rituelen die de vrouwen moeten weerhouden om te bekvechten of om elkaars zonen te vergiftigen in de hitte van de competitie (Hrdy, 1999). Hoeft het een betoog dat de vrouw in deze samenleving er niet goed van af is?

 

Het cruciale onderscheid tussen deze drie samenlevingen lijkt hier dus te bestaan in de manier waarop de ecologie de volgende factoren bepaald:

§          Zijn de hulpbronnen onvoorspelbaar en/of schaars?

§          Zijn de hulpbronnen van die aard (zware arbeid, jacht op groot wild,…) dat voornamelijk (of exclusief) mannen erin kunnen voorzien?

§          Is de investering van een man onzeker door een hoog sterftecijfer onder volwassenen?

§          Is de reproductieve investering onzeker door een hoog sterftecijfer onder kinderen?

Als de ecologie het toelaat om op deze vier vragen negatief te antwoorden, lijkt er een situatie te ontstaan waarin man en vrouw het compromis kunnen vinden dat voor hen beide het meeste voordeel oplevert (zoals bij de Aka). Als de investering van mannen in de nakomelingen onzeker wordt, moeten vrouwen zich behelpen van trucjes zoals het ‘gedeelde vaderschap’ om het pleit in hun (relatief) voordeel te beslechten (zoals bij de Aché, de Bari,…). Is er bovendien sprake van een differentiële voedselcontrole in het voordeel van de man, dan is de vrouw er niet zo best aan toe (zoals bij de Dogon).

 

Deze ecologische factoren lijken de basis te vormen voor het creëren van sociale structuren, rituelen en tradities die deze werkelijkheid met kracht onderdragen. Van de menstruatiehut bij de Dogon, naar de h’ik’al bij de Tzotzil Maya, tot het ‘gedeelde vaderschap’ bij de Canela, de Aché, de Bari, e.a. Allen zijn voorbeelden van tradities, riten en andere sociale structuren die zijn ontstaan als reactie op de aanwezige hulpbronnen om de (on)overkomelijkheid van het dagelijkse bestaan (het ‘da-sein’ van Heidegger) niet alleen vorm te geven, maar deze ook door te geven via sociale leer- en herinneringsprocessen aan volgende generaties.

 

Het is dan ook op deze manier dat de ecologie in interactie met de biologie van man en vrouw het ontstaan inluidt van verschillende soorten verwantschapssystemen; waarvan niet allen even voordelig zijn voor beide partijen.

 

 

5.2. De moeder als actieve en creatieve strateeg.

 

Het hoeft geen betoog dat de meningen over de rol van de vrouw een lange tijd gebaseerd waren op eenzijdig mannelijk georiënteerde wetenschappelijke perspectieven.

 

Een mooi voorbeeld hiervan is Herbert Spencer. De ultieme taak van vrouwen, vond Spencer, was kinderen baren, en voor dat grote eugenetische doel moesten vrouwen mooi zijn, zodat de soort fysiek in goede conditie bleef. Omdat vrouwen diegene zijn die ovuleren, dragen, baren en melk geven, nam Spencer aan dat, gezien de grote hoeveelheid energie die in voortplanting werd gestoken, dit er wel toe most leiden dat ‘de evolutie van de vrouw eerder stopte dan die van de man’ (Spencer, 1873). Niet alleen waren mannen en vrouwen verschillend, maar Spencers vrouwen zaten bovendien vast in het moeras van het moederschap. Voor Spencer betekende dit ook een fysiologische verdeling van arbeid naar geslacht waar mannen produceren en vrouwen reproduceren.

 

Het lijkt als het instampen van een open deur dat een dergelijke zienswijze op de vrouw elke selectiedruk op de vrouw in de loop van de evolutie volledig miskent. Het zou meer dan een eeuw duren voordat de darwinisten alle vormen van selectiedrukken op vrouwen zouden opnemen in hun evolutionaire analyses. Aldoende zou men dan ontdekken in welke mate vrouwen en mannen samen waren geëvolueerd, waarbij elke sekse had gereageerd op de trucs en karakteristieke eigenschappen van de andere. Het duurde onnodig lang voor de oude vooroordelen die ontstonden uit perspectieven zoals deze van Spencer waren opgeruimd; voor men inzag hoe sterk de ene moeder van de andere kan verschillen; voor er aandacht werd geschonken aan het belang van moederlijke invloeden en context-specifieke ontwikkelingen; kortom, voor men de vrouw eindelijk erkende als agerend, actief strategisch persoon met eigen bedoelingen.

 

Ik hoop in de loop van deze paper aangetoond te hebben dat moeders met een hele reeks van selectiedrukken geconfronteerd worden die interageren met contextspecifieke ontwikkelingen niet in het minst afhankelijk van de ecologie waarin men leeft. Als we kijken naar de verschillende rollen die moeders aannemen in verschillende omgevingen, kunnen we echter één grote consistentie vaststellen: moeders zijn actieve strategen die een voortdurende afweging moeten maken tussen somatische en reproductieve investering rekening houdend met hoe de toekomst er voor hen wellicht zou kunnen uitzien.

 

Er zijn dus vele onzekerheden die rusten op de schouders van moeders: zal ik tijdens de zwangerschap voldoende zorg krijgen?, Zal ik over voldoende voedsel kunnen beschikken?, Zal mijn baby gezond zijn?, Zal ik ook na de zwangerschap en in de opvoeding van mijn kind nog kunnen beschikken over de steun van mijn omgeving?, … Deze onzekerheden kan men dus niet allen in haar omgeving terugvinden maar ook bij haar keuze van partner; bovendien hebben deze onzekerheden belang zowel op individueel somatisch welzijn voor haar als op reproductief welzijn voor haar kind.

Dit zijn onzekerheden die zij niet zomaar aan het toeval of aan de welwillendheid van de man kàn overlaten (wiens investering op zich een van de grootste onzekerheden is waarvan zij zich moet vergewissen). Deze onzekerheden zijn immers van levensbelang niet enkel voor haar maar ook voor haar nakomeling. Het zijn dan ook eerder onzekerheden die zij actief nastreeft om te reduceren met het oog op het nastreven van een optimale fitness voor haarzelf en haar nakomelingen.

 

Het is duidelijk dat men geen éénduidige oplossing kan bieden op al de problemen en onzekerheden die het moederschap met zich meebrengt. Het is tevens duidelijk dat er geen uniek fenotype ‘moeder’ bestaat, maar dat moeders zich aanpassen op creatieve en vaak vernieuwende wijzen aan omstandigheden die vaak even onvoorspelbaar als gevaarlijk zijn. Misschien kunnen we ten aanzien van moederschap maar van één ding echt duidelijkheid hebben: de moeder als actieve en creatieve strateeg met eigen bedoelingen.


 

Terug naar inhoudstabel

Literatuur

 

Baker, R. Robin & Mark Bellis, 1995, Human Sperm Competition: Copulation, Masturbation and infidelity. Londen: Chapman & Hall.

 

Beckerman, Stephen, Roberto Lizarralde, Carol Ballew, Sissel Schroeder, Cristina Fingelton, Angela Garrison & Helen Smith, 1998, ‘The Bari partible paternity project: Prelimenary results’, Current Anthropology 39: 164-167.

 

Broude, G.J., 1994, Marriage, Family, and Relationships: A Cross-Cultural Encyclopedia. Santa Barbara, California: ABC-CLIO.

 

Buss, David. M., M. Abbott, A. Angleitner et al., 1990, ‘International preferences in selecting mates: A study of 37 cultures’, Journal of Cross-Cultural Psychology 50: 559-570.

 

Cassiman, A., 2000, Stirring Life. Doctoraal proefschrift, KULeuven.

 

Chisholm, James S. & Victoria K. Burbank, 1991, ‘Monogamy and polygyny in southeast Arnhem Land: Male coercion and female choice’, Ethology and Sociobiology 12: 291-313.

 

Clignet, R., 1970, Many Wives, Many Powers, Evanston, Il.: Northwestern University Press.

 

Cliquet, Robert L. & Kristiaan Thienpont, 2002, Biologische variabiliteit bij de mens. Gent: Academia Press.

 

Crocker, William & Jean Crocker, 1994, The Canela: bonding Through Kinship, Ritual, and Sex. New York: Harcourt Brace, College.

 

Dawkins, R., 1976, The Selfish Gene. New York: Oxford University Press.

-, 1981, The Extended Phenotype: The Gene as the Unit of Selection. Oxford: Oxford University Press.

 

Diamond, Jared, 1997, Guns, Germs, and Steel. New York: W.W. Norton.

 

Engels, F., 1884, The Origins of the Family, Private Property and the State. New York: International Publishers, 1973.

 

Gamble, Eliza Burt, 1894, The Evolution of Woman: An Inquiry into the Dogma of Her Inferiority to Man. New York & London: G.P. Putnam.

 

Hewlett, Barry S. (red.), 1992, Father-Child Relations: Cultural and Biosocial Contexts. Hawthorne, New York: Aldine de Gruyter.

 

Hill Kim & A. Magdalena Hurtado, 1996, Aché Life history: The Ecology and Demography of a Foraging People. Hawthorne, New York: Aldine de Gruyter.

 

Hill Kim & Hillard Kaplan, 1988, ‘Tradeoffs in male and female reproductive strategies among the Aché’, delen 1 & 2, in: Human Reproductive Behaviour: A Darwinian Perspective, Laura Betzig, Monique Borgerhoff Mulder & Paul Turke (red.), I: 277-289; II: 291-305. Cambridge: Cambridge University Press.

 

Hrdy, Sarah Blaffer, 1997, ‘Raising Darwin’s consciousness: Female sexuality and the prehominid origins of patriarchy’, Human Natrue 8: 1-49.

-, 1999, Mother Nature. A History of Mothers, Infants and Natural Selection. New Tork: Pantheon Books.

 

Leakey, L.S.B., 1977, The Southern Kikuyu before 1903, 3 dln. Londen: Academic Press.

 

Levine, Sarah, in samenwerking met Robert A. Levine, 1979, Mothers and Wives: Gusii Women of East Africa. Chicago: University of Chicago Press.

 

Llewelyn-Davis, Melissa, 1978, ‘Two contexts of solidarity among pastoral Masai women’, in: Women United, Women Divided: Cross-Cultural Perspectives on Female Solidarity, Patricia Caplan & Janet M. Bujra (red.), 206-237. Londen: Tavistock.

 

Mayr, E., 1982, The Growth of Biological Thought: Diversity, Evoluion, and Inheritance. Cambridge MA: Harvard University Press.

 

Miller & Andrew T., 1998, ‘Child fosterage in the United States: Signs of an African heritage’, The History of the Family 3: 35-62.

 

Scheper-Hughes, Nancy, 1992, Death Without Weeping: The Violence of Everyday Life in Brazil. Berkeley: University of California Press.

 

Schneider, David M. & Kathleen Gough (red.), 1961, Matrilineal Kinship. Berkeley: University of California Press.

 

Schuster, Ilsa M. Glazer, 1979, New women of Lusaka. Palo Alto, California: Mayfield.

 

Smuts, Barbara B. & Robert T. Smuts, 1993, ‘Male aggression and sexual coercion of females in nonhuman primates and other mammals: evidence and theoretical implications’, Advances in the Study of Behaviour 22: 1-63.

 

Spencer, Herbert, 1873, ‘Psychology of the sexes’, Popular Science Monthly 4: 30-38.

 

Strassmann, Beverly I., 1993, ‘Menstrual hut visits by Dogon women: A hormonal test distinguishes deceit from honest signaling’, Behavioural Ecology 7(3): 304-315.

-, 1997, ‘Polygyny as a risk factor for child mortality among the Dogon’, Current Anthropology 38: 688-695.

 

Strassmann, Beverly & Keith hunley, 1996, ‘Polygyny, sorcery and child mortality among the Dogon of Mali’, paper gepresenteerd op de 95e jaarlijkse bijeenkomst van de American Anthropological Association, 20-14 november, San Francisco.

 

Van der Dennen, J.M.G., 1995, The Origin of War. Groningen: Origin Press.

 

Witkowsi, Stanley R. & William T. Divale, 1996, ‘Kin groups, residence and descent’, in: Encyclopedia of Cultural Anthropolgy, dl. 2, David Levinson & Melvin Ember (red.), 673-680. New York: Henry Holt.

 

 Terug naar inhoudstabel


 

[1] De drie hier uiteengezette concepten van de evolutionaire studie van het menselijke gedrag zijn zeker niet de enige voorhanden. Van belang zijn ook de speltheorie, de Evolutionair stabiele strategieën, adaptatie en adaptiviteit en maximalisatie versus optimalisatie van fitness. Graag had ik deze concepten ook hier uitgebreid onder handen genomen, maar dit zou buiten het bereik van deze paper vallen.

[2] Deze driedeling is een oversimplificatie van de empirische werkelijkheid en doet geen recht aan de diversiteit in verwantschapssystemen die zich in werkelijkheid voordoen. Vele mengvormen en interacties tussen deze basisvormen zijn veel frequenter en vormen eerder de regel dan de uitzondering. Toch vind ik deze driedeling nuttig in het kader van deze paper die de positie van de vrouw (i.c. de moeder) nader wil bekijken in verschillende culturen en situaties. Het mag duidelijk zijn dat deze driedeling dan ook enkel voor dit laatste doeleinde nuttig wordt geacht en dat een uiteenzetting over de enorme rijkdom en verscheidenheid aan bestaande verwantschapssystemen buiten het bereik van deze paper wordt beschouwd.

[3] Dit beroemde onderzoek, ‘Internationale voorkeuren bij partnerselectie: een onderzoek bij 37 culturen’ wordt door evolutionair psychologen aangehaald als bewijs dat vrouwen overal meer waarde hechten aan de inkomenscapaciteiten van mannen dan mannen aan die van vrouwen, en dat vrouwen een aangeboren, soortspecifieke neiging hebben mannen met bezittingen te kiezen. Aangezien de meeste gegevens kwamen uit interviews met universitaire studenten in landen of culturen waar het welzijn en de status van een echtgenoot afhangen van de inkomenscapaciteit van haar man, is dit niet echt verassend. Niettemin stonden financiële vooruitzichten steeds lager dan betrouwbaarheid.

[4] Bij de Aka sterft eenvijfde van alle baby’s in het eerste levensjaar, meestal als gevolg van besmettelijke en parasitaire ziekten (Hewlett, 1992)

[5] Vrouwen delen komt bij eenderde van alle menselijke culturen voor (Broude 1994). Het wordt het meest gemeld door Afrikanisten als ‘seksuele uitlaatklep’ voor jonge ongetrouwde mannen. Maar groepscohesie en gedeelde bescherming en voedselvoorziening voor nakomelingen kunnen ook van betekenis zijn. Zie LeVine en LeVine 1979; Llewelyn-Davies 1978; Leakey 1977.

[6] Sommige deskundigen op het gebied van Afrikaans gezinsleven hebben een andere verklaring, gebaseerd op culturele diffusie. Zij beschouwen gezinnen met een moeder aan het hoofd en vertrouwen op netwerken van verwanten bij het grootbrengen van kinderen als ‘tekenen van een Afrikaanse erfenis’ (bvb. Miller, 1998). Deze twee verklaringen sluiten elkaar duidelijk niet uit, wanneer onvoorspelbaarheid over bijdragen van de vaders ook een rol speelt in dit West-Afrikaans voorbeeld. Onvoorspelbaarheid over bijdragen van de vader is duidelijk een factor.

[7] Tegenwoordig zijn de meeste matrilineaire samenlevingen te vinden in Afrika, het gebeid van de Stille Oceaan, en bij stammen in Zuid- en Noord-Amerike. De helft hiervan is ook nog matrilokaal en 56 % doet aan tuinbouw. Matrilineaire samenlevingen komen bijna nooit bij herders voor, of waar uitgebreide irrigatiesystemen of de ploeg in gebruik zijn.

[8] Welke nadelen het heeft voor een echtgenote om polygyn getrouwd te zijn met dezelfde man, zijn moeilijk te bepalen doordat echtgenotes verschillende rechten hebben. Eerste of ‘oudste’ vrouwen hebben vaak traditioneel of wettelijk rechten op voorrang bij familiebezit, of het recht vrouwen die hun man later touwt, voor zich te laten werken.

[9] Onlangs zijn de implicaties van mannelijke dwang op vrouwelijke bewegingsvrijheid, foerageren en partnerkeuze onderzocht bij een groot aantal vogels en zoogdieren (Smuts en Smuts, 1993; Hrdy, 1997). Maar er bestaan ook menselijke samenlevingen waar vrouwen die eerst opgesloten zijn in het huis van hun vader en daarna in een harem, in de verste verte nooit een vrije partnerkeuze hebben gehad. Heeft dit genetische gevolgen voor mannen, waanneer dit vele generaties duurt? Of voor vrouwen? Geen idee.

Hosted by www.Geocities.ws

1