Geslachtsafhankelijke infanticide:
vanuit een socio-ecologisch perspectief
2.1. De ontbrekende dochters in China
2.2. Een wijdverbreid en heel oud vooroordeel
3. Verklaringen: Redenen om de voorkeur te geven aan een zoon
3.1. Trots en portemonnee
3.2. Een case-studie van Noord-India
4. Het complexe web van moederliefde: van maatschappelijke conditionering tot infanticide
4.1. Wat hebben moeders in te brengen?
Het verhaal over de vermiste meisjes in China heeft me sterk aangesproken. Het stelde me voor een duister mysterie: hoe kunnen mensen hun kinderen op grote schaal doen verdwijnen?; hoe worden mensen ertoe gebracht om een voorkeur te geven aan een kind van een bepaald geslacht?; wordt deze voorkeur enkel gesteund door economische belangen of zijn er ook meer diep-menselijke redenen?
In deze paper zou ik dan ook graag dieper willen ingaan op deze materie. Meerbepaald zal ik trachten te achterhalen waarom dergelijke praktijken op grote schaal worden uitgevoerd in Noord-India. Hierbij zal ik een concept van cultuur en traditie hanteren dat benadrukt dat het dynamische ontstaan van dergelijke menselijke sociale systemen zich situeert in de interactie tussen mens en omgeving. Totslot zal ik een bepaalde stelling innemen met betrekking tot het nut van het gebruik van de mensenrechten als oplossing bij dergelijke praktijken.
In een eerste deel zal ik trachten de feiten op een rijtje proberen te zetten; hoeveel meisjes worden er vermist? Wat is de daaruit voortvloeiende seksratio? Is dit een situatie dat zich beperkt tot het hedendaagse China, of heeft dit een diepere oorsprong en vinden we het ook terug in andere culturen en in andere tijden?
Vervolgens zal ik een aantal verklaringen uiteenzetten die mogelijke redenen geven om een voorkeur te hebben voor een zoon. Hier zal blijken dat we met redenen die zich beperken tot ‘trots en portemonnee’ geen afdoende verklaring zullen kunnen geven. Het zal nodig zijn om dieper te graven en te gaan kijken naar lokale tradities en gebruiken. Dit zal ik doen aan de hand van een korte case-studie over de situatie in Noord-India.
In een laatste paragraaf zal ik duidelijk maken dat het systeem van geslachtsafhankelijke infanticide ingebed is in een globaal maatschappelijk systeem. Dit maatschappelijk systeem zal er voor zorgen dat moeders van jongsaf geconditioneerd worden om hun hoop te vestigen op het krijgen van een zoon. Bij een dergelijke levenslange conditionering wordt het begrijpelijk waarom moeders afstand kunnen doen (hoewel nog steeds met veel pijn!) van een dochter.
In een laatste deel zal ik een besluit vormen. Dit besluit behelst een stelling over het nut van het gebruik van de mensenrechten als oplossing bij praktijken zoals geslachtsafhankelijke infanticide, bruidsprijs en hypergamie (die, zoals ik zal argumenteren, in elkaars verlengde kunnen begrepen worden). Een mogelijke alternatieve aanpak m.b.t. praktijken zoals infanticide zal worden voorgesteld.
‘Hoe is het mogelijk dat liefde, als dat inderdaad iets natuurlijks en spontaans is, meer op het ene kind gericht wordt dan op het andere?’ Vroeg Elisabeth Badinter zich af met de haar kenmerkende spitse logica. Hoe kan een moeder met volle inzet een eerstgeboren zoon verzorgen en dan ‘de jongere kinderen voor een periode van vele jaren wegsturen’? (Badinter, 1981). Ongelijke behandeling van nakomelingen is echter alleen een probleem voor degenen die denken dat biologie hetzelfde is als genetisch determinisme, voor hen die ervan uitgaan dat ongeacht de moederlijke leeftijd of conditie, of de levensvatbaarheid of zelfs het geslacht van haar nakomelingen, alle moeders hetzelfde zijn, dat er een invariant fenotype MOEDER bestaat.
Dat is natuurlijk wel het geval als de invariante factor (de kans van 50% dat genen gedeeld worden dankzij gemeenschappelijke afstamming) het enige is wat van belang is. In het pragmatische en helemaal niet lieflijke rijk van Moeder Natuur zijn moeders echter rekening gaan houden met de nadelen (die bij de mens variëren van de leeftijd of de lichamelijke conditie van de moeder tot een bewust besef van toekomstige kosten) en met de voordelen (bijvoorbeeld een sociale omgeving die zonen meer mogelijkheden biedt dan dochters) van het hebben van nakomelingen met een bepaald geslacht.
2.1. De ontbrekende dochters in China
In 1991 werd het resultaat bekend van de massale volkstelling van elk honderdste gezin in China en werd over de hele wereld het commentaar geleverd: ‘Waar zijn de meisjes gebleven?’[1] Normaal worden er iets meer jongens dan meisjes geboren: 104 tot 106 jongens per 100 meisjes wordt als normaal beschouwd. Maar uit vergelijking van de verwachte seksratio met de resultaten van de Chinese volkstelling van 1990 bleek dat van een totaal van 1,2 miljard mensen miljoenen meisjes niet geteld waren, omdat ze niet geboren waren, hun geboorte niet was gemeld of omdat ze zo kort na de geboorte uit de weg geruimd waren dat de volkstelling hen niet geregistreerd had. In plaats van 106 jongens waren er 111 jongens per 100 meisjes. Sommigen suggereerden dat Aziaten een genetische aanleg hebben om meer zonen te krijgen dan andere mensen (zie o.a. Park, 1983). Demografen zijn er echter van overtuigd dat er op grote schaal meisjes uit de weg worden geruimd, hetzij doordat voor de geboorte het geslacht wordt bepaald en vrouwelijke foetussen dan worden geaborteerd, hetzij door babymoord[2].
Latergeborenen lopen het grootste risico. Men neemt in het Westen aan dat de Chinese ‘één kind per gezin’-politiek betekent dat Chinese gezinnen maar één of op zijn hoogst twee kinderen hebben. Maar dat is niet per se zo, vooral niet op het platteland. Men kan ook ontheffing krijgen voor extra nakomelingen – vooral ouders die alleen meisjes hebben. Maar vaak moet men een boete betalen en veel gezinnen hebben geen zin om dat te doen voor een extra kind wanneer de ouders niet het geslacht krijgen dat ze willen (Hrdy, 1999).
Bij de eerste geboorte maakt het geslacht niet uit. Dat verklaart waarom de huidige Chinese cijfers voor eerste geboorten binnen het normale bereik vallen – 106 jongens tegenover 100 meisjes. Maar bij latere geboorten begint de seksratio te veranderen. Bij families die een vijfde kind krijgen, worden 125 jongens geboren tegen 100 dochters (Kristof, 1991a).
2.2. Een wijdverbreid en heel oud vooroordeel
Seksratio’s die net zo hoog zijn als in het moderne China (116:100) zijn ook aangetoond in andere Aziatische landen waar geen gedwongen geboortebeperking bestaat (Kristof, 1991b). Ver buiten de grenzen van China, overal waar de voorkeur voor nakomelingen van een bepaald geslacht zo sterk is dat geslachtsafhankelijke infanticide wordt toegepast (bij ongeveer 9% van de culturen op aarde), zijn zonen het uitverkoren geslacht (Minturn en Stashak, 1982).
Buiten China is moord op meisjesbaby’s beschreven in andere delen van Azië, bij stammen in de hooglanden van Nieuw-Guinea en Zuid-Amerika, net als in het Italië van de Oudheid. Waar het ook voorkomt, overal gaan extreme voorkeur voor zonen en de bijbehorende lage waardering voor dochters gepaard met patriarchale ideologieën (Hrdy, 1999).
Verschillende goedbedoelde autoriteiten hebben voorgesteld de ‘zucht naar zonen’ ongemoeid te laten. Clare Boothe Luce, toneelschrijfster, politica en ambassadeur, was een van de openhartigste. Ze merkte terecht op dat het Chinese verlangen naar zonen ouders ertoe bracht een groter gezin te krijgen, aangezien degenen die alleen dochters hadden, bleven proberen een zoon te krijgen. Ze stelde een ‘pil voor jongensbaby’s’ voor, als de ‘snelste manier om de (bevolkings)klok kalmpjes aan langzamer te laten lopen’. Bovendien stelde ze dat naarmate dochters schaarser werden, vrouwen in status zouden stijgen.
De wetten van vraag en aanbod werken echter niet altijd, vooral niet wanneer een sekse die niet alleen schaars is, maar ook sociaal zo weinig rechten heeft, zo in het nadeel is. In de Chinese steden hebben vrouwen inderdaad dankzij de schaarste ongekende mogelijkheden gekregen. In televisie-uitzendingen die het midden houden tussen ‘Blind Date’ en een talentenjacht, doen wanhopige vrijgezellen een oproep en wachten vol spanning een reactie af, terwijl vrouwelijke kijkers een keuze maken uit mogelijke partners. Maar dezelfde schaarste waardoor vrijgezellen in de stad deze drastische maatregelen moeten nemen, maken het leven van vrouwen op het platteland nog veel gevaarlijker. Verkrachting, ontvoering en zelfs het kopen en verkopen van vrouwen zijn in dezelfde mate toegenomen als het aantal mannen zonder vrouwen (Shenon, 1994). Er is dan wel een tekort aan vrouwen, maar als groep zijn ze niet beter af. In 1995 was China het enige land ter wereld waar meer vrouwen dan mannen zelfmoord plegen (Neal, 1998).
Voor de delen van de wereld waar ‘de geboorte van een dochter zelfs een filosofisch ingestelde man … somber stemt (terwijl) de geboorte van een zoon als een zonsopgang in het verblijf der goden is’, (Madan, 1965 in Ramanamma en Bambawale, 1980) leek prenatale geslachtsbepaling met de mogelijkheid van selectieve abortus een geschenk van de goden. Het oude spreekwoord ‘achttien wondermooie dochters wegen niet op tegen één gebochelde zoon’ wordt letterlijk opgevat door ouders die prenataal onderzoek niet als middel gebruiken tegen genetische afwijkingen, maar tegen twee X-chromosomen. Van de 8000 abortussen die in een ziekenhuis in India werden uitgevoerd, waren er 7997 van foetussen waarvan de ouders hadden gehoord dat het een dochter was. (Over het algemeen hadden de onderzochte moeders al één of meerdere dochters) (Ramanamma en Bambawale, 1980).
Officieel is deze discriminatie verboden. Aziatische landen hebben veel strengere wetten tegen dit gebruik van prenataal onderzoek dan westerse landen. Maar de wetten zijn niet te handhaven. In 1988 verbood de staat Maharastra in Zuid-India alle prenatale geslachtsbepalingen. Het parlement van India volgde dit voorbeeld. In 1994 kwam er in het hele land een gevangenisstraf van drie jaar en een boete (van ongeveer 320 dollar) te staan op een veroordeling wegens het verrichten of ondergaan van prenataal onderzoek dat alleen gericht is op het bepalen van het geslacht van de foetus. Korea volgde hetzelfde jaar en verbood het aborteren van een vrouwelijke foetus. Ondanks deze wetten schatten vrijwilligersorganisaties in India dat er jaarlijks nog steeds ongeveer 80.000 abortussen plaatsvinden na geslachtsonderzoek. Ditzelfde is het geval in Korea. Intussen worden in de armste delen van Azië, waar prenataal onderzoek vrijwel niet beschikbaar is, nog steeds meisjesbaby’s gedood. Ongewenste dochters worden uit de weg geruimd, op de traditionele manier (door opium op de tepels van de moeder te smeren of het met plantenextracten te vergiftigen) of op de ‘moderne’ manier – haar geen borstvoeding geven, zodat ze overlijdt aan onvermijdelijke (en niet strafbare) ‘natuurlijke’ oorzaken (Miller, 1981).
3.1. Trots en portemonnee
‘Dochters zijn niet beter dan kraaien’, stelt een Tibetaans spreekwoord. Variaties hierop kan men overal in Noord-India horen. ‘Hun ouders voeden hen en zodra ze kunnen vliegen, gaan ze weg’ (Levine, 1987). Mensen klagen dat dochters vertrekken als ze trouwen; wat er aan middelen in hen is gestoken, gaat verloren voor de mannelijke lijn. Met hen vertrekt ook een aanzienlijke bruidsschat, die de familie van hun echtgenoot verrijkt en hun eigen familie verarmt. Ouders vinden het vooruitzicht verschillende dochters uit te moeten huwelijken bijna (niet helemaal) net zo erg als de mogelijke schande wanneer een dochter niet in een familie van de juiste stand trouwt, of verleid en zwanger, maar ongehuwd achterblijft.
Op zich roept de redenering: ‘dochters vertrekken’ de vraag op waarom het systeem dan zo opgezet is, met zonen die blijven en dochters die vertrekken. Het verklaart ook niet waarom ouders vrijwillig een buitensporige bruidsschat op tafel leggen. De aandacht gaat dan dus uit naar de traditionele redenen voor een voorkeur voor zonen, verklaringen over ‘trots en portemonnee’, de speciale waarde van de arbeid van een zoon, de rituele rol die zonen wordt toegeschreven en hun symbolische waarde.
In een van de weinige onderzoeken op dit terrein heeft Mead Cain van de Population Council van New York de waarde van arbeid van zonen in vergelijking met die van dochters in Bangladesh bepaald. Wanneer hij 10 tot 13 jaar oud is, is er bij een jongen al sprake van een netto rendement. Wanneer hij 15 is, heeft een zoon zijn ouders al terugbetaald voor wat het hun gekost heeft hem groot te brengen, en met 21 heeft hij ook al de kosten van een zus terugbetaald. Hoewel dochters al vroeg en hard gaan werken, gaan ze van huis weg voor ze de ouderlijke onkosten terugverdiend hebben (Caine, 1977).
Maar op zich verklaren noch familie-‘trots’ noch –‘portemonnee’ (economische belangen) waarom zonen om te beginnen al meer verdienen, waarom ouders aan hen de voorkeur blijven geven of waarom ouders hun dochters met een grote bruidsschat laten vertrekken.
3.2. Een case-studie van Noord-India
Een lange geschiedenis van partnerconcurrentie tussen mannen heeft geleid tot een seksuele selectie op mannen die iets groter en veel gespierder zijn dan vrouwen. Dit is een van de redenen dat je beter met mannen kunt samenwerken dan met vrouwen. De andere reden is dat in patrilokale voortplantingssystemen degenen met wie je samenwerkt, je verwanten zijn. Of het nu gaat om het bewaken van de toegang tot vrouwen in de gemeenschap of het beschermen van de dynastieke rechten over productiemiddelen, mannen hebben een groter ‘vermogen tot behoud van middelen’. Dit ontegenzeggelijke feit ontgaat ouders niet in delen van de wereld waar de bezitters de dienst uitmaken, en waar middelen onverbrekelijk verbonden zijn met het overleven van een familie op lange duur. Waar ‘zonen geweren zijn’ (een oud gezegde in Rajasthan) is het alternatief van bezit doorgeven aan zonen die het kunnen verdedigen tegen concurrerende geslachten, het verliezen van een erfenis.
In patriarchale sociale systemen krijgt een rijke zoon de controle over de productiemiddelen die vrouwen nodig hebben. Hij is in staat meerdere partners aan te trekken. In een gestratificeerde samenleving als die in Rajasthan bestaat er een onderlinge wedijver tussen families die sociaal hogerop willen om een bruidsschat bijeen te krijgen die groot genoeg is om hun dochter een plaatsje te verschaffen in een huishouden van stand. Dit levert de ouders een prestigieuze bondgenootschap op, en het vooruitzicht op bemiddelde kleinzonen. In het geval van een ramp is dit de enige kans op overleven voor afstammelingen. Zodoende leidt een voorkeur voor zonen bij een elite tot hypergamie, de gewoonte van vrouwen om met mannen te trouwen die een hogere status hebben. Bovenin de hiërarchie is hypergamie evenwel dodelijk voor dochters. Er zijn geen hogere families waar ze in kunnen trouwen (Dickemann, 1979a, 1979b).
Selectief uit de weg ruimen van dochters trok voor het eerst de aandacht van het Westen in de tijd van de Engelse heerschappij over India. Algemene verontwaardiging over ‘ontbrekende’ dochters leidde tot de anti-infanticidewetten van de jaren ’70 van de 19e eeuw. De Engelse koloniale wetgeving deed het aantal gevallen van infanticide verminderen, maar verlichtte nauwelijks de vaak dodelijke verwaarlozing van meisjes die in leven bleven. Toen een 19e-eeuwse Engelse ambtenaar een grondbezitter in Uttar Pradesh vroeg waarom de meeste Rajputfamilies[3] hun dochters uit de weg bleven ruimen, ondanks de Engelse wetten die dat verboden, was het antwoord duidelijk: ‘De vader die een dochter in leven houdt, zal haar nooit passend getrouwd zien, of (anders)… zal de familie waarin ze trouwt, te gronde gaan en vernietigd worden’. Daarna noemde de man stuk voor stuk bepaalde voorbeelden op die zijn stelling bevestigden dat ‘wie zijn dochter bewaart, nooit rijk zal worden’ en uiteindelijk zijn land zal verliezen (Panigrahi, 1976 in Miller, 1981).
In een wereld vol ecologisch gevaar, steeds optredende droogte, hongersnood en oorlog, was voor een dynastie de beste tactiek voor overleving op lange termijn de middelen te concentreren in een sterke, bemiddelde mannelijke erfgenaam met verschillende echtgenotes of concubines. Als het nut van deze tactiek door familie-omstandigheden twijfelachtig wordt, bieden een of twee dochters een verzekering tegen het totaal uitsterven van de lijn. Als een familie er echter slecht aan toe is, kan zij hoogstens hopen dat dochters erin zullen slagen, als slavin, echtgenote of concubine, sociaal op te klimmen tot een niveau waar hun kinderen mogelijk kunnen overleven. Zo’n systeem ontstond niet wegens het feit dat mannen zoveel mogelijk nakomelingen wilden verwekken, hoewel dit bij velen wel het geval was. Het was eerder – zowel onbewust als bewust geformuleerd – ervoor te zorgen dat in elk geval enkelen van hun eigen dynastie, met behoud van ‘eer’ en voordelen, in volgende generaties vertegenwoordigd waren. Uiteindelijk behoedde deze conservatieve koers de familie vaak voor plaatselijk uitsterven, en op deze manier was er een verband met overleving van het geslacht op lange termijn.
In het 19e eeuwse Rajasthan, waar periodiek optredende droogte en hongersnood vaststaande feiten waren, vereiste het overleven van familielijnen uitzonderlijke maatregelen. Harteloos? Zeker. En meedogenloos. Maar de regels die bepaalde welk geslacht een nakomeling moest hebben om het meest bij te kunnen dragen aan de doelstellingen van de familie, werden in de loop van talloze generaties bepaald. De uitkomsten van opeenvolgende pogingen, observatie van de probeersels van anderen, navolging van degenen die succes hadden – dit werd verankerd als een voorkeur voor bepaalde familiesystemen. Adaptieve oplossingen werden als gewoonte behouden omdat families die deze regels opvolgden, overleefde en getijden[4].
4.1. Wat hebben moeders in te brengen?
Hoe kan een moeder, zelf een vrouw, een dochter doden omdat haar baby een meisje is? Deze discriminatie lijkt haar eigen minderwaardigheid te bevestigen. Het is opvallend dat in landen als China en Bangladesh dochters het meeste gevaar lopen in gezinnen waar al één of meer dochters zijn – precies die gezinnen waar de moeder al een dochter heeft gevoed. Ze kan zich herinneren hoe het was van een meisje te houden. Het is moeilijk te geloven, maar moederlijke instemming met moord op dochters kan alleen begrepen worden in de context van haar eigen situatie (Skinner en Jianhua, 1998). Zij woont bij haar echtgenoot, tussen zijn verwanten, is van hen afhankelijk. Van de goede wil van deze mensen hangt het welzijn van de kinderen die ze grootbrengt af. Simpel gezegd, de mannen van de familie wilden zonen en dus wilden de vrouwen dat ook. Van jongs af aan werden deze vrouwen geconditioneerd hun hoop te vestigen op de zonen die ze ooit zouden krijgen, en op de zonen van hun zonen (Dyson en Moore, 1983). Het klinkt dan niet onlogisch om te kunnen stellen dat dit gevolgen heeft voor de aard van de moederliefde; deze moeders worden als het ware geleerd om te houden van een zoon, de liefde voor een dochter wordt hierbij ‘afgeleerd’ wat ook het afscheid van een pas geboren dochtertje meer dragelijk maakt (er is immers een sociaal draagvlak voor een dergelijk afscheid)
Zelfs nu heeft men in veel samenlevingen medelijden met een moeder zonder zonen en vaak kijkt men op haar neer. Echtgenotes met zonen worden hoger gewaardeerd, hun mannelijke nakomelingen worden voorgetrokken. ‘Kort nadat ik van mijn zoon bevallen was, lieten mijn schoonouders ons naar een groter appartement verhuizen’, herinnerde een Koreaanse vrouw zich die toevallig een winnaar was in deze chromosomenloterij. Dit niet-aflatende conditioneringsproces maakt het onmogelijk moederlijke voorkeur los te zien van de belangen van haar schoonfamilie[5] (WuDunn, 1997). Een moderne moeder die het niet eens was met dit vooroordeel, koos niettemin vrijwillig voor een (illegale) abortus toen ze hoorde dat haar tweede kind ook weer een dochter was. Ze wist dat meisjes schaars waren, maar koos met pijn in het hart ervoor geen tweede dochter ter wereld te brengen.
Op grond van dit soort gevallen betoogde antropologe Susan Scrimshaw dat ‘verlaging van het aantal gevallen van infanticide kan uitlopen op groter lijden voor oudere baby’s en kinderen, en zelfs volwassenen, dan wanneer het lot van een baby, leven of dood, snel, vroeg en onherroepelijk beslist wordt’. In deze veel geciteerde passage pleit Scrimshaw niet voor infanticide, maar vergeleek ze realistisch en vol meegevoel het ene lot met een ‘veel wreder’ alternatief (Scrimshaw, 1984). Op grond van hetzelfde soort argumenten beschouwen veel ontwikkelde mensen in Azië – waaronder ook medisch personeel – geslachtsafhankelijke abortus niet alleen als iets waar een gezin recht op heeft, maar ook als iets wat te prefereren is boven een ongewenste geboorte (Kristof, 1991).
Veel literatuur raakt de kwestie van geslachtsafhankelijke infanticide aan vanuit het perspectief van de mensenrechten. Deze onderzoekers erkennen dat dergelijke praktijken diepgeworteld liggen in traditionele culturen en dat men dergelijke excessen enkel kan aanpakken met een sensitiviteit naar deze tradities toe:
“The above conclusion stresses that the global demand for ensuring and protecting rights against excesses committed in the name of culture and tradition cannot be met without sensitivity towards tradition and local culture”. (Nidhi, Gupta, 2003)
Maar langs de andere kant waarschuwen deze onderzoekers ervoor dat een dergelijke sensitiviteit zich zelf niet mag overgeven aan excessen omdat:
"It is required to reveal the degeneration of those systems, and to show that the oppression which is grounded today in a particular culture, is in fact groundless". (Nidhi Gupta, 2003)
Sommige elementen van culturen, die elementen die kunnen leiden tot verdrukking en discriminatie tegen bepaalde leden van deze cultuur, zijn dus gebaseerd op niets, overblijfselen van een traditie die in een ver verleden haar nut had maar deze nu verloren is. Het lijkt dan ook dat deze onderzoekers het als de taak van de mensenrechten beschouwen om dergelijke ‘nutteloos geworden’ tradities met het argument van de mensenrechten van de wereld te helpen.
Mijn stelling is dat bij een dergelijke zienswijze niet alleen de begrippen traditie en cultuur schromelijk worden miskent maar ook de actieve, creatieve en vindingrijke deelname van de mens in zijn ‘da-sein’ (Heidegger); in het vormgeven van zijn existentiële gebeuren; in het ‘maken’ van zijn cultuur.
Cultuur en de daaruit voortvloeiende tradities zijn geen statische kenmerken van een samenleving die in een ver verleden plots ontstaan zijn, en die blijven verder leven gewoon omdat ze ooit ontstaan zijn! Noch kunnen het systemen zijn die op een bepaald moment nutteloos blijken en daarom best van de baan worden geschoven.
Cultuur is veeleer een product van de interactie tussen mens en zijn omgeving. Het is een creatie en verwerkelijking van het ‘da-sein’ van de mens in tijd en ruimte. Het is een uiting en bestendiging van een creatieve en vindingrijke deelname van de mens aan het Grote Rijk van Moeder Natuur. Mijn punt is dat tradities, normen en waarden en cultuur in zijn geheel ontstaan zijn in interactie met de leefomgeving waarin de mens zich bevindt. Het is een uiting van hoe de mens zijn leven vorm geeft op die manier die hem instaat stelt om te gaan met alle onvoorspelbaarheden en gevaren die de wereld eigen zijn.
Het zou echter een totale miskenning van de menselijke vindingrijkheid zijn om het verhaal hier te eindigen. Het mag duidelijk zijn dat mensen opportunistisch zijn in het hanteren van samenlevingssystemen (i.e. het dynamische aspect van cultuur). De enige reden waarom tradities die verlangen dat men in een bepaalde situatie het best kinderen van een bepaald geslacht niet verder opvoedt, is omdat dit systeem het best het voortbestaan van de kinderen van het andere geslacht vrijwaart. Als men iets wil veranderen aan een dergelijk systeem dient men zich niet te concentreren op de mensenrechten van deze vrouwen of kinderen, maar moet men eerder de oorsprong van dergelijke tradities aanpakken.
Een meer efficiënte aanpak in deze zin zou een (economische) ontwikkeling van de lagere kasten zijn gecombineerd met een ideologische empowerment van de waarde van de vrouw. Als men ervoor zorgt dat mensen geen voordeel meer hebben om een bepaald sociaal systeem in stand te houden, zullen ze dat ook niet doen. Als men er m.a.w. voor zorgt dat het systeem van hypergamie niet meer nodig is om de biologische lijn van de familie te vrijwaren en men dus zelf een goede toekomst kan bieden aan kinderen van beide geslachten, zal het systeem van de bruidsprijs en het voorkomen van geslachtsafhankelijke infanticide van de wereldbol verdwijnen.
Het is duidelijk dat een algemene economische ontwikkeling gecombineerd met een complementaire empowerment van de waarde van de vrouwen van de lagere kasten een waar huzarenstukje is dat niet van vandaag op morgen bewerkstelligd kan worden. De centrale stelling van deze paper was veeleer dat men zich beter niet verdoet aan het aanpakken van problemen bij een valse oorzaak. Het toepassen van een allochtoon kennissysteem (wat de mensenrechten in India ten voeten uit zijn) op de proximale oorzaken en gevolgen van een sociaal probleem kunnen mijns inziens voor geen enkele duurzame oplossing zorgen. Het is veeleer nodig dat men kijkt naar de oorsprong van dergelijke sociale problemen en hoe zij ontstaan zijn als interactie van de mens met zijn omgeving; het is dan ook hier dat men mogelijke oplossing dient te zoeken.
Badinter, Elizabeth, 1981, L’amour en plus: histoire de l’amour maternelle XVIIe-XX- siècle, Parijs: Flammarion 1980. (Ned. : De mythe van de moederliefde : geschiedenis van een gevoel, Bijleveld, 1983.)
Boyd, Robert & Peter J. Richerson, 1985, Culture and the Evolutionary Process. Chicago: University of Chicago Press.
Caine, M.T., 1977, ‘The economic activities of children in a village in Bangladesh’, Population and Development Review 13(3): 201-227.
Dickemann, Mildred, 1979a, ‘Female infanticide and the reproductive strategies of stratified human societies’, in: Evolutionary Societies and Human Social Behavior, N.A. Chagnon & W. Irons (red.), 321-367. North Scituate, Masachusetts: Duxbury.
-, 1979b, ‘The ecology of mating systems in hypergynous dowry societies’, Social Science Information 18(2): 163-195.
Dyson, Tim & Mick Moore, 1983, ‘On kinship structure, female autonomy and demographic behavior in India’, Population and Development Review 9: 35-60.
Gupta, Nidhi, 2003, ‘Women’s human rights and the practice of dowry in India: Adapting a global discourse to local demands’, Journal of Legal Pluralism, nr. 48.
Kristof, Nicholas D., 1991a, ‘A mystery of China’s census: Where have all the girls gone?’, New York Times (17 juni): A1, A7.
-, 1991b, ‘Stark data on women: 100 million are missing’, New York Times (5 november): B5, B9.
Levine, Nancy E., 1987, ‘Differential child care in three Tibetan communities: Beyond son preferences’, Population and Development Review 13(2): 281-304.
Miller, Barbara, 1981, The Endangered Sex: Neglect of Female Children in Rural North India. Ithaca: Cornell University Press.
Neal, Robert, 1998, ‘Female suicides in China point to burden for U.S. men’, Focus (zomer): 1,6.
Park, Chai Bin, 1983, ‘Preference for sons, family size, and sex ratio: An emprirical study in Korea’, Demography 209(3): 333-352.
Ramanamma, A. & Usha Bambawale, 1980, ‘The mania for sons: an analysis of social values in South Asia’, Social Science and Medicine 14B: 107-110.
Scrimshaw, Susan C.M., 1984, ‘Infanticide in human populations: Societal and individual concerns’, in: Infanticide: Comparative en Evolutionary Perspectives, G. Hausfater & S. Blaffer Hrdy (red.), 439-462. Hawthorne, New York: Aldine de Gruyter.
Shenon, Philip, 1994, ‘China’s mania for boys creates surplus of bachelors’, New York Times (16 augustus): A1, A4.
Skinner, G. William & Yuan Jianhua, 1998, ‘Reproductive strategizing in the face of China’s birth-planning policies: The lower yangzi macroregion, 1966-1990’, paper voorbereid voor het Center for Chinese Studies Seminar, 14 april, University of Michigan, Ann Arbor.
[1] Dit was de kop van een artikel van Nicholas Kristof in de New York Times (1991).
[2] Hoewel het officieel verboden is dit te gebruiken geslachtsafhankelijke abortus, kan men op grote schaal in China het geslacht voor de geboorte laten bepalen.
[3] De clan Jhareja Rajput behoorde tot een van de hoogste clans en stond plaatselijk bekend als de Kuri Mar of de ‘dochtervernietigers’.
[4] Voor een diepere bespreking van cultuur en het evolutieproces zie Boyd en Richerson 1985.
[5] Het overleven van de mannelijke lijn is belangrijker dan dat van welk individu ook (Mull, 1991; Pettigrew, 1986).