Alterisering
in Gemengde Relaties.
Een
balans tussen Xenofobie en Etnogenese.
2. De Turkse Gemeenschap in Nederland
3. In-groep versus out-groep processen
4. Het proces van mutuele stereotypering
5. Wat is de aard van deze stereotypen?
5.1. Welke stereotypen zijn er dan zoal gevormd?
5.2. Welke factoren hebben een invloed op deze stereotypering?
C. Idiosyncratische microanalyse: wat zijn de directe reacties en gevolgen waarmee gemengde koppels geconfronteerd worden?
2.1. Eerste reacties
2.2. Evolutie na verloop van tijd
3. Reacties van de bredere omgeving
3.1. De reactie van bekenden
3.2. De reactie van onbekenden
4. Is de druk te groot? Gemengde huwelijken en echtscheiding
4.1. Inleiding
4.2. Resultaten
4.3. Verklaringen
4.4. Conclusie
5. Gemengd huwen = gemengd perspectief op huwen?: Een Sociaal en Historisch Antropologische analyse
5.1. Inleiding
5.2. Liefde en Huwelijk in het Ottomaanse Rijk en de Turkse Republiek
5.3. Hoe deze verschillen overbruggen? Communicatie? Vorming? … Mijn ervaring met S
D. Macroanalyse: de oorzaken en gevolgen van, en reacties op gemengde relaties binnen de context van onderscheiden etnische groepen
2. Etniciteit als ‘extended kinship’
4. Gemengde relaties als oplossing voor racisme?
5. De biologische balans van een samenleving
“It
is not an accident that everywhere in nature, birds of feather flock together.
Genes influence why people tend to marry and associate with others like
themselves. The important pull of genetic similarity can be felt in small
groups and even large ones (national and international). Why do we like and
seek genetic similarity and avoid and fear dissimilarity?” (Rushton, 1999)
Met dit citaat van Rushton omschrijf ik onmiddellijk mijn visie op het fenomeen van gemengde relaties en/of huwelijken, het belang dat dergelijke relaties kunnen hebben in de context van een meer en meer globaliserende en mondiaal mobiele wereld, en de vragen die ik hierbij stel. Wat in dit citaat opvalt is dat er gebruik gemaakt wordt van een terminologie waarmee de sociaal en cultureel antropoloog geen directe affiniteit heeft, nl. deze van de biologie. Bovendien wordt er een vrij universele vraag gesteld, waardoor het fenomeen van gemengde relaties onmiddellijk verheven wordt naar globaal universele termen. Ook dit is eerder ongewoon voor de klassieke sociaal en cultureel antropoloog die eerder op zoek gaat naar diversiteit in plaats van naar universaliteit.
Het
is waarschijnlijk reeds duidelijk dat ik in deze paper een visie zal
uiteenzetten die breder is dan de sociale en culturele antropologie alleen
(zonder uiteraard de enorme rijkdom en het grote belang van de sociale en
culturele antropologie hierbij te onderkennen). In dit voorwoord zou ik deze
visie dan ook willen verantwoorden en verduidelijken.
Om mijn visie op ‘de mens’ en dus ook op fenomenen zoals ‘alteriteit’ te verduidelijken acht ik het nodig om eerst iets te vertellen over mijn (menswetenschappelijke) achtergrond. Mijn achtergrond is die van psycholoog met nadruk op sociale psychologie en groepsprocessen. Hierna ben ik begonnen aan de studies sociale en culturele antropologie. Belangrijk is hierbij dat ik sinds enkele jaren een diepe interesse ben beginnen ontwikkelen in de biologie en de evolutionaire wetenschappen. Mijn mensbeeld is dus niet alleen gefundeerd door een menswetenschappelijk idee van de mens, maar ook door een sterk geloof dat de mens een deel van de natuur is en ook op een dergelijke manier behandelt en bestudeert dient te worden
Als ik over sociale fenomenen spreek zoals over ‘gemengde relaties’ en ‘alteriteit’ zie ik dus niet enkel de ‘antropologische’ werkelijkheid, maar ook de psychologische, de biologische, de evolutionaire, de sociologische (dewelke ik overigens, analoog aan Pierre Van den Berghe, slechts als subtak van de antropologie beschouw),…. Mijn mening is hierbij dat de antropologische werkelijkheid een zeer noodzakelijke en verklarende werkelijkheid is, maar deze beschouwen als de enige, vind ik niet alleen overtrokken maar gewoonweg onjuist.
Het
doel waarmee ik psychologie ben beginnen studeren is om de mens te bestuderen,
de mens in al zijn diversiteit én universaliteit. Gaandeweg is dit doel
onveranderd gebleven maar heb ik het perspectief waarmee ik dit doe
herhaaldelijk veranderd. Mijn primaire doel was dan ook de mens te bestuderen,
ik kon (en kan) dan ook niet het minste belang hechten aan uitspraken zoals
‘dit is niet hoe een psycholoog of antropoloog moet denken’. Wat maakt het
uit met welke middelen? Het is het doel dat ik wil bereiken, eender welke
middelen ik daarvoor nodig heb.
Sinds
mijn eerste jaren aan deze universiteit heb ik mij enorm geërgerd aan het
‘hokjesdenken’ van de verschillende takken in de menswetenschappen. Ik heb
mij dan ook enorm geërgerd aan zij die ‘hun’ wetenschap als dé
waarheid beschouwen en daarbij hun ogen sluiten voor ‘andere’
takken van de wetenschappen. Daarbij ‘vergetend’ dat ze misschien wel op
vele vlakken hetzelfde onderzoeksobject hebben.
Alteriteit
is het onderwerp van deze cursus. Een hoogst interessant fenomeen dat aan de
grondslag lijkt te liggen van elke menselijke interactie, dus ook in de
wetenschappen. Deze alterisering van de wetenschappen is mijns inziens
een directe oorzaak van de malaise in de hedendaagse sociale wetenschappen die
een gebrek aan verklarende waarde worden aangemeten. In deze kritiek kan ik
mij ergens vinden. Het is mij een raadsel waarom er reeds zolang enkel in
‘de eigen winkel’ wordt gekeken. Zelfs de antropologie, die openheid
nochtans zeer hoog in het vaandel draagt, ‘vergeet’ deze openheid in vele
gevallen toe te passen op het eigen vakdomein. De opleiding Sociale en
Culturele Antropologie aan de KULeuven is hiervan een mooi voorbeeld. Met
uitzondering van de vakoverschrijdende cursus Rechtsbeginselen, zie ik weinig
vakken die antropologie overschrijden. Sterker nog, voor een meer
overschrijdend perspectief op de antropologie ben ik op zoek moeten gaan naar
een universiteit die zelfs geen antropologie doceert en waar ik nu ook een
aantal vakken volg (UGent: Biologische Antropologie, Sociale Biologie).
Vermits een dergelijke alterisering in de menswetenschappen mij erg stoort en
ik het beschouw als dé oorzaak van de hedendaagse malaise, tracht ik mezelf
te onttrekken aan dit alteriseringsproces. Met andere woorden: ik beschouw de
antropologie als een zeer nuttig en noodzakelijk perspectief om de mens in al
zijn diversiteit (en universaliteit!) te bestuderen en te onderzoeken maar ik
weiger dit perspectief als het enige te beschouwen.
Hoeft
het nog een betoog dat ik mezelf nooit heb beschouwd als zijnde
‘psycholoog’ of ‘antropoloog’, maar dat ik me eerder altijd beshouwd
heb als zijnde gedragsonderzoeker. Ik heb ergens een diepe behoefte om het
gedrag van de mens in al zijn aspecten te ontrafelen. Hiermee bedoel ik dan
ook niet alleen het individuele gedrag, maar ook de onderliggende (meso- en
macro- ) componenten van dit gedrag die het individuele gedrag in belangrijke
mate sturen (hierbij denk ik vooral ook aan biologisch en evolutionaire
elementen die onmiskenbaar deel uitmaken van onze sociale realiteit). Het
perspectief dat ik hierbij aanneem is voor mij persoonlijk minder belangrijk.
Belangrijk is voor mij om te komen tot de onderliggende werkelijkheid, om
menselijke gedragingen te begrijpen, te contextualiseren. De manier waarop ik
dat doe is die manier die mij het best lijkt. Voor deze heb ik dan ook een
veelheid van perspectieven trachten te combineren:
§
Sociale en
Culturele Antropologie
§
Verwantschapsantropologie
§
Biologische
antropologie
§
Evolutionaire
biologie
§
Sociale
Biologie
§
Sociale
Psychologie
§
Sociologie
§
…
Ook
al weet ik dat dit een vak is dat een zeer sterke nadruk wil leggen op sociaal
antropologische analyse, toch heb ik het gevoel dat als ik mij beperk tot een
dergelijke analyse, ik de werkelijkheid ergens geweld aandoe. Nogmaals, ik
bedoel hiermee geenszins dat ik de sociaal antropologische analyse niet
belangrijk vind, integendeel, het vormt een cruciaal onderdeel van mijn
analyse, maar het is zeker niet het enige. Ik schrik er dan ook niet voor
terug om niet alleen onderzoeksmateriaal te zoeken in de klassieke
antropologische bronnen, maar ook in bronnen zoals ‘Nature’, ‘Behavioral
and Brain Sciences’, ‘Jn. of Human Evolution’, ‘Review of Biology’,
etc.
Op
deze manier kom ik ook tot een bredere betekenis van onder andere de concepten
Etniciteit en Etnische groep. Zo zal ik etniciteit ook beschouwen als een
systeem van ‘extended kinship’ en als een ‘mating’ systeem in
aanvulling op meer (overigens rijk) cultureel georiënteerde definities zoals
deze van Leman (2002):
“Ethnicity is the subjective, symbolic or emblematic use of aspects of culture in order to differentiate from other groups (present oriented) providing reservoirs for renewing humane values (future-oriented). It is a we-consciousness determined not by culture stuff, but by ethnic boundary and feelings.” (Leman, 2000)
In
deze paper zal ik dus regelmatig wisselen van referentiekader: psycholoog,
antropoloog, bioloog, evolutiewetenschapper. De nadruk ligt hierbij op het
achterhalen van de fundamentele drijfveren in de mens, niet zozeer vanuit een
bepaald perspectief maar eerder gebruik makend van verschillende
perspectieven.
Ik
ben er mij wel degelijk van bewust dat door een dergelijk breed perspectief
aan te nemen, ik mezelf een zeer zware taak op de schouders laad. Het is
immers niet evident om vanuit een veelheid aan perspectieven een rode draad te
scheppen die moet dienen als projectie van ‘de werkelijkheid’.
Ik
ben dan ook in het schrijven van deze paper met betrekking tot die delen die
betrekking hebben op de meer macroanalytische (evolutionaire) interpretaties
van gemengde relaties geconfronteerd geweest met een gebrek aan direct
relevante literatuur. De reactie van Dr. Kristiaan Thienpont (UGent) op mijn
vraag naar direct relevante literatuur in deze kwestie sprak dan ook
boekdelen: “er is er geen!”.
Ik
kan niet ontkennen dat het makkelijker is om te schuilen tussen de muren van
de eigen wetenschap, zich te verbergen in de eigen wereld, het eigen
standpunt. Maar het is juist deze houding die ik grondig hekel en tevens aan
de basis ligt van het onderwerp van deze cursus, nl. alteriteit in al zijn
voorkomen, en dus ook in de wetenschappen. Maar deze zware taak eigen ik
mezelf met een groot enthousiasme toe in de hoop mijn ergernis voor het rigide
kader van de hedendaagse sociale wetenschappen te kunnen doorprikken, en (op
z’n minst) mezelf niet te verliezen in de alterisering van de wetenschappen.
Waarom
gemengde relaties?
In
mijn opzicht is er met de moderne globalisering en exponentiële groei van de
mondiale mobiliteit, weinig twijfel dat we stilaan geconfronteerd worden met
een ‘andere’ die meer en meer verschilt van het ‘zelf’, deze
‘andere’ komt immers van steeds verder gelegen oorden. De vraag die ik mij
hierbij stel is even fundamenteel als complex: hoe gaan mensen hier mee om?
Hierbij wil ik mij niet beperken tot hoe een individu hier mee omgaat, en
waarom hij er meer omgaat zoals hij er mee omgaat, maar wil ik het
analyseniveau ook optrekken naar een meso en een macro niveau (hoe gaan
families, vrienden, dorpsgenoten, etniciteitsgenoten, landgenoten, etnische
groepen in hun geheel,…) hier mee om. Met
het macroniveau bedoel ik tevens het nut van gemengde relaties in “The Big
Picture”. We zouden kunnen stellen dat ons hele bestaan een soort “Grand
Design” is, een ontwerp dat gedurende miljoenen jaren geëvolueerd is tot
wat het nu is, en uiteraard nog steeds onderhevig is aan constante flux. De
vraag die ik hierin stel is: wat is het nut van gemengde relaties in dit
“Grand Design”? Hoe bewegen gemengde relaties in de constante flux van de
evolutie van hedendaagse samenlevingen? Welke gevolgen hebben gemengde
relaties op de hedendaagse (en de toekomstige) samenlevingen? Waarom zijn
gemengde relaties overal in onze wereld aanwezig en waarom worden ze ook bijna
overal geconfronteerd met tegenstrijdige reacties?
Het
is ook in deze context dat ik ‘alteriteit’ begrijp. In mijn ogen is de
mens een dergelijk groepsbeest dat het concept sociale groep gewoonweg niet
uit de realiteit kan gedacht worden. Dergelijke groepen zijn voortdurend in
interactie met elkaar en overlappen ook steeds. Toch wordt deze graad van
interactie en overlapping over het algemeen vrij beperkt gehouden. Contact met
‘andere’ groepen wordt tot op zekere hoogte nog altijd vermeden. Het
interessante aan gemengde relaties is dat zij een soort brug vormen tussen het
‘zelf’ en het ‘andere’ op groepsniveau. Gemengde relaties vormen als
het ware de gevreesde confrontatie van ‘het andere’ binnen de context van
‘het zelf’. Binnen gemengde relaties wordt de alteriteit die eigen is aan
de mens als groepsbeest overbrugd. Het ligt in de mens om zichzelf te bepalen
door zich te onderscheiden van de andere. En het is juist deze fundamentele
sociale identiteitsbepaling die gemengde relaties niet alleen doorbreken maar
in vele gevallen ook overbruggen.
Bovendien
is het ook ergens een ideaal dat ik hoog houd, een soort utopisch beeld van de
toekomst waarin iedereen gelijk is en niemand achteruitgesteld wordt. Hoewel
het proces van alterisering nog steeds te diep in de menselijke sociale
intelligentie is geworteld om dit beeld werkelijk te maken, drijft het mij
enorm om te ontdekken waarom en hoe dit is zoals het is.
In deze paper zal ik dieper ingaan op het proces van alterisering binnen gemengde relaties. In de loop van deze paper zal ik dit onderwerp vanuit een aantal verschillende invalshoeken bekijken.
Vooraleer ik de stap zet naar het onderzoeken van het fenomeen van de gemengde relaties, zal ik in een eerste deel gaan kijken naar wat er gebeurt wanneer twee etnisch onderscheiden groepen met elkaar in contact komen. De gedachte die hier achter schuilt, is dat een gemengde relatie de meest directe confrontatie is met ‘een andere’ van een onderscheiden etnische groep. Het is mijns inziens dan ook belangrijk om eerst een soort basislijn uit te tekenen die weergeeft hoe mensen ‘normaal’ reageren in situaties van interetnisch contact vooraleer ik overga naar de meest directe confrontatie met de etnische ‘andere’, nl. in de context van een intieme relatie van een verwant of kennis. Uit deze analyse zal blijken dat er een aantal fundamenteel menselijke processen een rol spelen bij interetnisch contact, nl. ingroep versus outgroep differentiëring, mutuele stereotypering, etnocentrisme, …
In een tweede deel zal ik bespreken welke de effecten zijn van de processen die plaatshebben bij het in contact treden van twee onderscheiden etnische groepen, op individueel vlak en in de context van een gemengde relatie van een verwant of kennis. Ik zal met andere woorden de reacties onderzoeken waarmee partners in een gemengde relatie in hun dagdagelijks leven geconfronteerd worden. Hieruit zal blijken dat deze reacties veelal van zeer intens emotionele aard zijn waarbij het wezen van hun ‘zijn’ in deze leefwereld in vraag wordt gesteld.
In een derde deel zal ik deze individuele reacties kaderen in een context die uittekent wat de functies en de gevolgen van gemengde relaties zijn in de eeuwigdurende evolutie van de menselijke samenleving. In deze context zullen individuele reacties van etnocentrisme, xenofobie of racisme begrijpbaar worden. Tevens zal blijken dat gemengde relaties kunnen beschouwd worden als een balans tussen de twee tegenwerkende krachten van de etnische paradox, nl. xenofobie en etnoge
Om het belang en de gevolgen van gemengde relaties in een situatie van interetnisch contact correct in te schatten, is het noodzakelijk om even een stap terug te zetten en te gaan kijken wat er juist gebeurt wanneer twee etnisch onderscheiden groepen met elkaar in contact treden. In deze paragraaf zal ik, aan de hand van het concrete voorbeeld van de Turkse gemeenschap in Nederland (Leeflang, 2002), vooreerst aantonen wat er bij een dergelijk interetnisch contact gebeurt. Uit dit voorbeeld zal blijken dat beide etnische groepen zich onderscheiden in verschillende groepen (in-groep versus out-groep). Uit dit proces van groepsdifferentiëring is de stap naar mutuele stereotypering niet enkel zeer klein maar ook begrijpelijk en ‘natuurlijk’.
Vervolgens zal ik dieper ingaan op de aard van de stereotypen die worden gevormd en de factoren die deze stereotypen mede bepalen.
Tot slot zal ik een ‘voorsmaakje’ geven van het belang die gemengde relaties hebben in heel dit proces van in-groep/out-groep differentiëring en mutuele stereotypering. In de volgende delen van deze paper zal ik dieper ingaan op dit belang (zowel op micro als op macro niveau).
2. De Turkse gemeenschap in
Nederland
In gebieden waar veel etnische minderheden zich gevestigd hebben (zogenaamde concentratie gebieden) zien we een merkwaardige trend die zich voltrekt: het aantal contacten tussen de etnische minderheden (i.c. de Turkse gemeenschap) en de autochtone meerderheid (i.c. de Nederlanders) daalt als de concentratie van die etnische minderheid in dat bepaalde gebied stijgt. Zo geven leden van etnische minderheidsgroepen die in gebieden leven met een beperkt aantal etnische minderheden aan dat zij meer contact hebben met, en ook meer contact ontvangen van de autochtone meerderheid dan zij die in gebieden leven met een hogere concentratie van etnische minderheden.
Bovendien blijkt dat de etnische minderheid meer contact heeft met de autochtone meerderheid dan andersom: slechts 15 % van de Nederlanders geeft aan enige contacten te hebben met Turken; terwijl 30 % van de Turken aangeeft contacten te hebben met Nederlanders.
Vele onderzoekers geven aan dat in dergelijke concentratiegebieden de bestaande relaties over het algemeen zeer oppervlakkig zijn en niet verder gaan dan een vriendelijke ‘goeiedag’ op straat en een occasioneel bezoek. Hoewel etnische minderheden over het algemeen geneigd zijn zich primair te richten op de eigen ‘ingroup’, geven ze desalniettemin aan dat ze de behoefte hebben om meer contact te hebben met de autochtone meerderheid. Zo gaven 20 % van de Turken aan dat ze meer contact wensten met de Nederlanders, terwijl in dezelfde gebieden slechts 7 % van de Nederlanders dat ook wensten.
3.
In-groep/out-groep processen
Uit deze cijfers blijkt dat er ergens een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen leden van de eigen groep en leden van de andere groep. Tevens worden aan dit onderscheid bepaalde gedragingen gekoppeld die de verder interactie van beide groepen met elkaar in sterke mate beïnvloeden.
Bovenop
een min of meer objectief onderscheid tussen die groepen waartoe de actor
behoort en die groepen waartoe hij niet behoort, verwijst het in-groep/out-groep
onderscheid naar een bepaalde manier van cognitief verwerken van de sociale
realiteit die men sociale categorisatie noemt (Thienpont en Cliquet,
1999). Dit houdt een discontinue cognitieve classificatie in van objecten en
individuen als leden van een groep of van categorieën, gelijkend op anderen
van die groep of categorie en verschillend van leden van een andere groep.
Categorieën simplifiëren een complexe omgeving en geven informatie, men kan
terugvallen op de kenmerken van die categorie om de individuen te evalueren (Fiske
en Taylor, 1991)
Het
toewijzen van een bepaald individu aan de ingroep (een van ons, het zelf) of
aan een out-groep (niet een van ons, een ander) is een van de meest
fundamentele categorisaties die een individu kan maken. Vooral in tijden van verslechterende
economische condities wordt de saliëntie van clues die het lidmaatschap
van een bepaalde groep aangeven meer en meer een belangrijke predictieve
factor in het opbouwen van een individuele attitude en van het onderliggende
cognitieve proces dat het gedrag van een individu stuurt (Thienpont en Cliquet,
1999).
In
dit proces van sociale categorisatie worden de geaccentueerde verschillen
tussen de groepen gecombineerd met de nood aan een positieve zelfidentiteit (Tajfel,
1969). Individuen presenteren zichzelf als leden van de in-groep, niet als
individuen. Deze shift van een individueel zelfbeeld naar een sociale
identiteit wordt overduidelijk bij een aantal clues zoals taal en
partnerselectie op basis van in-groep lidmaatschap alleen (Hogg, 1992). Het
verwerven van een sociale identiteit kan op deze manier beschouwd worden als
een sleutelelement in de ontwikkeling van etnocentrisme, coöperatie en
conformiteit aan groepsnormen.
Identificatie
met de in-groep en het onderscheid tussen in-groep en out-groep heeft drie
belangrijke gevolgen voor de perceptie van leden van de in-groep (Brewer en
Miller, 1996):
§
Omwille van
het ‘vermeende gelijkheidseffect’, bezien de leden van de in-groep zich
als meer gelijkend op elkaar dan op leden van de out-groep.
§
Het
‘out-groep homogeniteitseffect’ beschrijft hoe de out-groep leden worden
bezien als volledig gelijkend op elkaar qua persoonlijkheid, karakteristieken
en subtypes. Stereotypen ontwikkelen uit een dergelijke out-groep
homogenisatie. De basis voor een dergelijke homogenisatie is de nood aan een
positieve zelfidentiteit, het feit dat meer en betere kwaliteitsinformatie de
leden van de in-groep bereikt dan de leden van de out-groep, en het
socialisatie proces waarbij individuen worden geleerd over de homogeniteit van
de out-groep.
§
Een derde
effect is het ‘in-groep favoritisme’. De leden van de in-groep zullen
automatisch een positieve evaluatie en waarde-oordeel hebben tegenover andere
in-groep leden.
4. Het proces van mutuele
stereotypering
De perceptie van de leden van de in-groep en de leden van de out-groep kan vervolgens in deze context beschreven worden als een proces van mutuele stereotypering. Dit concept verwijst naar het proces waarin een bepaalde etnische groep en een andere etnische groep betrokken zijn wanneer zij het ‘zelf’ vergelijken met ‘het andere’, bepaalde trekken en/of karakteristieken toekennen aan het ‘zelf’ en aan ‘het andere’, en tot slot een bepaalde evaluatie aan deze trekken en/of karakteristieken koppelen (Leeflang, 2002). In dit proces van mutuele stereotypering zullen de trekken en/of karakteristieken van de ingroup (‘het zelf’) als positief worden beschouwd en de trekken en/of karakteristieken van de outgroup (‘het andere’) als negatief. De beelden die gevormd worden in een dergelijk proces zijn complexe gehelen van geloofsovertuigingen, gevoelens, en evaluaties. Deze complexe gehelen fungeren als basis om ‘het zelf’ van ‘het andere’ te onderscheiden, en helpen gaandeweg in het uittekenen, of het bevestigen, van de onderscheidingslijn tussen de groepen. Bovendien helpen deze complexe gehelen ook in het verklaren van wederzijdse geloofsovertuigingen, gevoelens en gedragingen.
Het proces van mutuele stereotypering kan tevens beschreven worden in termen van de Sociale Identiteitstheorie (Tajfel, 1978 en 1982). Volgens deze theorie hebben individuen een fundamentele nood aan een positieve sociale identiteit. Deze sociale identiteit is dat deel van het ‘zelf’-concept dat ontleend wordt aan het lidmaatschap van een bepaalde sociale groep. Om een positieve sociale identiteit te bekomen, wordt de ingroup (‘het zelf’) vergeleken met de ‘andere’ groepen op een manier die de ingroup bevoordeelt. Eender welk kenmerk dat de groep beschouwt als zijnde ‘anders’ kan als positief beschouwd worden door de groep en vervolgens als sociale norm gebruikt worden. Meestal leidt deze evaluatie tot een positief beeld van de ingroup (van ‘het zelf’), terwijl de outgroup (‘het andere’) neigt naar het negatieve. Dit proces, wat sociale competitie voor een positieve identiteit wordt genoemd, impliceert niet noodzakelijk een afkeer voor andere groepen. Enkel onder bepaalde condities, bijvoorbeeld een toenemende competitie of conflict, kan de ingroup bias snel ontwikkelen in de richting van een negatief stereotype van de outgroup.
De
conventionele kijk op etnische stereotypen is dat zij een irrationeel,
categorisch oordeel reflecteren van bevooroordeelde individuen met als doel
hun nood aan haat, kleineren of ridiculiseren van de out-groep te bevredigen.
Stereotypen zijn echter, in tegenstelling tot dergelijke onflexibele,
obstinate fundamenten voor categorische xenofobie, eerder kostenbesparende
statistische gidsen voor acties in situaties waarin vluchtige contacten met
vreemden betere informatie te kostelijk, onbeschikbaar of riskant maken (Van
den Berghe, 1999).
Laten
we in deze context het voorbeeld nemen van een moderne ‘urban jungle’ van
een grootstad zoals Brussel of Antwerpen. Is de angst die weerspiegeld wordt
in het gedrag dat gebaseerd is op dergelijke stereotypen van de meeste urban
jungle bewoners een uiting van een ‘autoritaire persoonlijkheid (zoals
sommige theoretici ons willen doen geloven), een uiting van categorisch
racisme, of eerder een uiting van een voorzichtige vermijdingsstrategie ter
overleving in de urban jungle? Ik zou eerder zeggen dat het laatste het geval
is, gewoonweg omdat de opportunistische intelligentie van de gemiddelde urbane
bewoner niet mag en kan onderschat worden. Is het immers niet normaal dat de
gemiddelde urbane bewoner een verschillende angstdrempel heeft voor
verschillende categorieën van mensen van wie ze weten dat ze meer geneigd
zijn tot geweld? Is het niet eerder verstandig om zich meer vermijdend op te
stellen ten opzichte van jonge mannen dan ten opzichte van kinderen of
bejaarden? Is het niet verstandig om eerder vermijdend op te treden in
situaties zoals een café of een verlaten wijk dan in situaties als een
bibliotheek of een gezellig terrasje op de Grote Markt?
Met
andere woorden, stereotypen zijn niet meer of minder dan statistische middelen
die ons helpen om het voordeel aan onze kant te houden wanneer we ons begeven
in de gevaarlijke wateren van een vreemde urban jungle waarin we simpelweg
niets weten over 95 % van de mensen die we dagelijks ontmoeten. Gezien het
informatievacuüm over individuen dat de urbane anomie genereert, kunnen we
simpelweg niet functioneren zonder stereotypen. Het is inderdaad waar dat
stereotypen meestal niet zeer accuraat zijn maar ze zijn over het algemeen wel
beter dan niets in het helpen van het voorspellen van gedragingen van de
‘vreemde anderen’. De kost om hen te gebruiken is immers lager dan om hen
te negeren.
5.1. Welke stereotypen worden er
dan zoal gevormd bij interetnische contacten?
Als we terugkeren naar het onderzoek van Leeflang (2002) zien we dat Nederlanders in hun beeld van Turken sterk de nadruk leggen op de begrippen tolerantie en aanpassing, terwijl de Turken de nadruk leggen op respect en acceptatie. De meerderheid (80%) vindt dat de Nederlanders toleranter zijn, maar dat voor hen de kwestie van geaccepteerd worden belangrijker is.
De wederzijdse beelden van beide groepen kunnen, vooral bij de Nederlanders, gepaard gaan met negatieve emoties en gevoelens. Nederlanders verklaren die emoties en gevoelens uit hun weerstand tegen het onaangepaste gedrag van de Turken. De Turken, daarentegen, verwijzen naar de problematische communicatie met Nederlanders en hun onvermogen hun conflicten met Nederlanders te hanteren, vanwege taal- en culturele verschillen en het gebrek aan respect en acceptatie door de Nederlanders.
Een opmerkelijke vaststelling van deze studie was dat beide groepen soortgelijke reacties blijken te vertonen wanneer zij qua aantal tot de minderheid behoren, maar ongelijksoortige reacties wanneer ze volgens dat criterium tot de meerderheid behoren. Beide hebben intensievere interetnische contacten en meer buren van de andere groep, maar zijn er ook sterker van overtuigd dat de andere groep een slecht voorbeeld stelt voor de eigen kinderen en de sfeer in de wijk verpest. Ze geloven vaker dat de andere groep hen niet in de buurt accepteert en wensen ook vaker buren van de eigen groep. In het algemeen hebben ze meer negatieve ervaringen met leven van de andere groep en vinden ze dat deze personen hen discrimineren. Zij voelen meer negatieve emoties tegen hen.
Als we de reacties van de Turken en de Nederlanders afzonderlijk bekijken, dan zien we een aantal opvallende verschillen:
§ In de eerste plaats zien we bij de Nederlanders één dominante lijn van invloed, namelijk de dreiging die ze ervaren voor hun lokale gemeenschap en grondgebeid (hun territorium) en van het contact met de Turken. Bij de Turken zijn drie lijnen van invloeden te bespeuren. Deze zijn te herleiden tot de effecten van problematische communicatie met Nederlanders, van waargenomen dreiging, en van onplezierige ervaringen met Nederlanders.
§ In de tweede plaats zien we dat de mate waarin Nederlanders bereid zijn tot acceptatie van Turken de mate van hun tolerantie sterk bepaalt, zonder dat zij zich daarvan bewust zijn. Bij de Turken zien we een dergelijke relatie niet.
§ In de derde plaats zien we dat de emoties van de Nederlanders sterker hun oordeel over Turken bepalen, dan de mate van tolerantie die, gezien hun opvattingen, aan hen zou kunnen worden toegeschreven. Hun gevoelens zijn in dat opzicht belangrijker dan hun gedachten. Bij de Turken zien we dat hun gevoelens tegenover Nederlanders de opvattingen over acceptatie en tolerantie bepalen, maar dat hun oordeel over de Nederlanders daardoor niet rechtstreeks wordt beïnvloed.
§ Ten vierde blijkt dat de opvattingen over acceptatie bij de Nederlanders geen verband houden met hun oordeel over Turken, terwijl dit omgekeerd dit wel het geval is.
5.2. Welke factoren hebben een
invloed op deze stereotypering?
Naast persoonlijke factoren zoals persoonlijkheidsstructuur zijn het vooral sociale factoren die te maken hebben met een zekere vorm van angst die het meest van belang zijn bij het vormen van bepaalde beelden. Factoren zoals een gevoel van bedreiging voor de culturele identiteit, de sociaal economische positie, de geografische en sociale ruimte en het sociaal culturele karakter van lokale gemeenschappen worden sterk geassocieerd met negatieve stereotypering, racisme en etnocentrisme. Ook factoren zoals sociale achtergrond en sociale context (leeftijd, opleiding en beroep) zij van belang.
Het is duidelijk dat het proces van in-groep/out-groep differentiëring diep in de menselijke sociale psyche gegroeid is doorheen onze evolutie. Dit proces is niet alleen verantwoordelijk voor het vormen van stereotypen, maar ook voor de verdere gevolgen hiervan; etnocentrisme, xenofobie, interetnische conflicten, oorlog, genocide,…
In het verdere verloop van deze paper zal ik aantonen dat gemengde relaties zowat de bi-etnische brug vormen tussen twee etnische groepen. Gemengde relaties doorbreken de alterisering van het andere en vermengen het met ‘het zelf’. Meer specifiek zal ik gemengde relaties vanuit twee invalshoeken benaderen. Enerzijds zal ik een idiosyncratische (geval per geval) analyse maken om te ontdekken wat er concreet leeft bij de betrokken mensen. Anderzijds zal ik deze microanalyse kaderen in een ruimer macroperspectief. In deze macroanalyse zal ik een brede context uitlijnen die de functie en de gevolgen van gemengde relaties zal verduidelijken met betrekking tot xenofobie (de oorzaak van vele problemen op microniveau) en etnogenese.
Bij het bestuderen van een sociaal fenomeen acht ik het van cruciaal belang in eerste instantie geval per geval (idiosyncratisch) te werk te gaan. Enkel op die manier zal men kunnen komen tot een rijkdom aan informatie die men anders niet eens zou kunnen opmerken omdat men er simpelweg ‘overvliegt’.
Dit is dan ook de opzet van deze paragraaf: een idiosyncratische microanalyse van de directe reacties en gevolgen waarmee gemengde koppels in hun onmiddellijke leefwereld geconfronteerd worden.
Ouders zijn mensen die hoe dan ook, gewild of ongewild, betrokken partij zijn bij een gemengde relatie of huwelijk. Overal ter wereld willen ouders het beste voor hun kinderen. Loyaal aan wat men in het verleden zelf geleerd, gekend of ervaren heeft, wil men zijn kinderen behoeden voor ongeluk. Aan de hand van de persoonlijke levenservaringen van de ouders, de geschiedenis van hun voorouders, en hun culturele erfgoed, heeft elke ouder, onbewust, subtiel of zeer expliciet, bepaalde verwachtingen ten opzichte van zijn kinderen. Het is voor ouders vaak moeilijk het onderscheid te zien tussen de eigen verlangens, hoop of angsten en datgene wat werkelijk de belangen van zijn kind dient. Op zijn beurt wenst ook elk kind uit loyaliteit bij te dragen aan het geluk van zijn ouders en lijdt men er, ook op volwassen leeftijd, onder als men door zijn ouders niet erkend, gesteund of aanvaard kan worden in de weg die men zelf denkt te moeten gaan. Bij de partnerkeuze kunnen de belangen van ouders en kind tegengesteld zijn en zo tot conflicten leiden. Trouw aan het verleden kan tegengesteld zijn aan het verlangen naar een nieuwe toekomst, angst voor een andere godsdienst of cultuur, of fascinatie ervoor. Wanneer de ouders niet achter de partnerkeuze van hun zoon of dochter kunnen staan, en deze afkeuren, gaar dit gepaard met angst voor de onbekende toekomst en pijn en verdriet omdat hun kind zich niet aan de voorgestelde verwachtingen voldoet. Mogelijk heeft het eventuele verbreken van de relatie met zoon of dochter te maken met het beleven van ontrouw of verraad aan zichzelf en/of aan het verleden. In die situaties kunnen de ouders zich verplicht voelen hun kind voor een keuze te stellen. Die keuze is erg verscheurend voor het kind en kan de partnerrelatie ondermijnen. Op lange termijn kan ze onmogelijk voor beide partijen tot een bevredigende situatie leiden.
Net
wanneer men ervoor kiest samen te leven met iemand van een andere culturele of
religieuze traditie, kan men er des te meer waarde aan hechten de banden met
de ouders niet te verbreken. Ouders zijn de dragers van de cultuur waarin men
is opgegroeid. Het verlangen om zich met de eigen wortels verbonden te blijven
weten, kan des te groter zijn in het intens contact met de vreemde achtergrond
van de partner.
2.1.
Eerste reacties
Wanneer
zoon of dochter thuiskomt met een partner met een andere culturele of
religieuze achtergrond, wordt de reactie van de ouders naast de gangbare
criteria voor acceptatie van een huwelijkspartner ook beïnvloed
doorbijkomende elementen. De beeldvorming van de ouders over vreemdelingen
wordt dan vaak erg bepalend. Soms leiden de beeldvorming en de ervaringen van
de ouders met etnisch-cultureel of religieus ‘anderen’ tot ondersteuning
of zelfs tot aanmoediging van de relatie. Vaker echter is dit onbekend terrein
en zijn vooroordelen en stereotypen over deze ‘anderen’ de oorzaak van
angst, argwaan, waarschuwingen, aarzelingen, of zelfs afwijzing van de ouders.
De algemene verwachting dat een gemengd huwelijk heel vaak uitloopt op
echtscheiding schept wantrouwen en beïnvloedt de maten van acceptatie van
gemengde paren.
De
reactie van de ouders kunnen we volgens de literatuur (KMS, 2000) indelen in:
een afwijzende houding, een argwanende houding, een aanvaardende houding en
een ondersteunende houding.
Afwijzing
Ongeveer
een derde van de gemengde partners wordt geconfronteerd met ouders (van
zichzelf of van zijn/haar partner) die in eerste instantie afwijzend reageren
in de partnerkeuze van hun zoon of dochter. Belgische ouders wijzen de
partnerkeuze van hun kind vaker af dan de ouders van de vreemde partners (56%
versus 16%). Opvallend is de vaststelling dat beduidend meer Belgische ouders
de relatievorming of het huwelijk van een dochter afwijzen dan van een zoon
(35% versus 20%). De beeldvorming van de ouders over andere etnisch-culturele
en religieuze groepen lijkt dus ook gekoppeld aan de sexe van de vreemde
partner (of van het kind). Vreemde ouders staan dan weer meer afwijzend
tegenover de relatie van hun zoon met een Vlaamse vrouw, dan van een dochter
met een Vlaamse man (13% versus 4%).
Hieruit
kunnen we dus afleiden dat de reacties van de omgeving (i.c. de ouders) niet
alleen sexe gebonden is (zoon versus dochter) maar ook groepsgebonden
(autochtoon versus allochtoon). Bovendien zouden we de hypothese kunnen
stellen dat de relatie van een autochtoon meisje met een allochtone jongen op
de meeste weerstand van beide ouders zou stoten.
Als
ouders zich radicaal verzetten tegen de relatie van hun zoon of dochter met
een vreemdeling, zijn daarvoor verschillende gronden. Voor sommige ouders is
de onaanvaardbaarheid van een huwelijk van hun zoon of dochter geworteld in
vooroordelen en racisme:
“Zowel mijn familie als de familie van mijn man waren tegen het huwelijk. Ze waren allebei racistisch ingesteld.” (Belgische vrouw, Marokkaanse man)
Voor
andere ouders is vooral het verschil in religieuze overtuiging een
onoverkomelijke hinderpaal:
“Mijn moeder zat heel erg met de reactie van de omgeving, de roddel van de buren, van kennissen. Mijn vader was ertegen omwille van godsdienstige principes. Hij is ook erg verbitterd over België en over de Belgen en heeft daarom geen vertrouwen in een Belgische vrouw.” (Marrokaans/Belgische man)
Argwaan
en wantrouwen
Vooral
argwaan tegenover de betrouwbaarheid van vreemdelingen en de angst die daaruit
voortkomt, zijn een belangrijke oorzaak van de weerstand die vele ouders
voelen. Aan de Belgische kant leeft deze argwaan bij meer den een derde van de
ouders, bij de ouders van de vreemde partners bij iets minder dan een derde
(37% versus 28%). Ze is mede gebaseerd op verhalen die de ronde doen en die
slecht aflopen:
“In het begin had mijn moeder schrik. Min vader was argwanend. Voor een stuk zit dat in zijn karakter, maar het was ook omdat ze voorbeelden kennen die slecht gelopen zijn.” (Marrokaans/Belgische man)
De argwaan, het wantrouwen en de schrik in deze voorbeelden komen voort uit het negatieve imago dat de ouders hebben over vreemdelingen. In de meeste gevallen blijken ze in de loop der tijd echter omgebogen te kunnen worden in een grotere mate van acceptatie.
Ze
hebben het aanvaard, maar…
Vele
ouders hebben de keuze van hun zoon of dochter mits enige weerstand aanvaard:
ongeveer een derde van de Vlaamse en de helft van de ouders van vreemde
partners (32% versus 49%). Aanvaarding ontstond uit liefde voor hun zoon of
dochter, vanwege het vertrouwen dat ze in hem/haar hebben of vanuit de
overtuiging dat je je kind vrij moet laten om zijn/ haar eigen leven te
leiden. Vaak is er echter een ‘maar’, enige weerstand, aarzeling… Die
‘maar’ heeft dan vooral te maken met angst. Angst voor problemen, angst
voor de reactie van de omgeving, angst voor de eventuele vestiging van zoon of
dochter in het buitenland:
“Mijn ouders waren ongerust, omdat ze wisten dat deze situatie moeilijkheden met zich kon meebrengen, maar ze reageerden niet afkeurend.” (Belgische vrouw, Marokkaanse vriend)
Andere ouders hebben wel de beslissing van hun zoon of dochter aanvaard, maar kunnen zich toch moeilijk verbinden met het vreemd-zijn van de partner:
“ Mijn schoonfamilie is beschaamd om met een zwarte man te gaan eten … Men aanvaardt je op de grens…” (Senegalese man).
Ondersteunend,
zonder meer
Vlaamse
ouders staan vaker achter de relatie van hun zoon met een vreemde vrouw dan
achter die van hun dochter met een vreemde man (45% versus 20%). De ouders van
de vreemde partner zijn over het algemeen dan weer meer ondersteunend wanneer
hun dochter een relatie heeft met een Vlaamse man dan wanneer hun zoon een
Vlaamse partner heeft (42% versus 29%). Voor sommige ouders deed het er niet
toe wat de culturele achtergrond was van de partner van hun zoon, of van hun
dochter. Voor hen was het belangrijkste dat zoon of dochter een partner
gevonden had:
“Mijn familie heeft positief gereageerd. Zij geloven dat mijn vrouw mij ‘gered’ heeft van een reizend leven zonder stabiliteit.” (Belgische man, Ecuadoriaanse vrouw)
Andere
ouders stonden achter de keuze van hun zoon of dochter, omdat ze waardering
hadden voor deze partner als persoon:
“Mijn familie heeft positief gereageerd. Ze zagen dat hij alles meedeed, hij sprak onze taal, hij at mee, hij danste mee…” (Kaapverdische vrouw)
Weer
anderen hadden al waardering voor vreemdelingen, omwille van eerdere
ervaringen of vanwege positieve beeldvorming, en konden daardoor ook achter de
keuze van hun zoon/dochter staan:
“Mijn vader kende veel Turken uit de koolmijnen. Mijn ouders hebben hem van bij het begin gemogen.” (Belgische vrouw)
Ook
waren er enkele ouders die na enige weerstand, hun volledige steun hebben
gegeven aan hun zoon of dochter, om het huwelijk aan te gaan:
“Mijn vader was eerst openlijk negatief, maar na vier weken is hij bijgedraaid en positief geworden. Ik gaf niet op, en toen besloot hij dat hij de relatie een kans moest geven, maar dan ook overtuigd een kans geven.” (Belgische man, Marokkaanse vrouw)
Hier
stellen we vast dat er een opvallend verschil is tussen de familiale
aanvaarding en ondersteuning voor de relatie van Vlaamse vrouwen met vreemde
mannen en die van Vlaamse mannen met vreemde vrouwen. Terwijl de relatie van
Vlaamse mannen en vreemde vrouwen voornamelijk ondersteund wordt, door de
ouders van beide partijen, lijkt de reactie van ouders op de partnerkeuze van
hun Vlaamse dochter in hoofdzaak gekenmerkt te worden door afwijzing en
argwaan. Bij de ouders van de vreemde man bestaat in dat geval meer
ondersteuning, maar nog steeds minder van voor de relatie van een vreemde
vrouw en een Vlaamse man. Bij de reacties van de ouders spelen sexe-gebonden
vooroordelen schijnbaar een rol[1].
2.2. Evolutie na verloop van tijd
De
houding van de ouders tegenover de interculturele of interreligieuze relatie
van hun zoon of dochter kan veranderen in de loop van de jaren. Het koppel
zelf draagt bij aan een toename of afname van het vertrouwen en de acceptatie
door de ouders. Deze acceptatie komt er meestal in de loop van de jaren. Reden
hiervoor kan zijn dat de ouders tijd hebben gekregen met de vreemde, onbekende
partner en met het onbekende van een interculturele relatie vertrouwd te
raken. De partners zelf danken dit echter nog meer aan het feit dat hun ouders
de kwaliteit van hun vreemde man/vrouw hebben leren kennen. Naarmate de ouders
zien dat de partners het met elkaar kunnen vinden en gelukkig zijn, dat ze met
hun verschillen en conflicten weten om te gaan en dat het normale conflicten
betreft die elke relatie met zich meebreng, neemt het vertrouwen in de
‘vreemde’ partner en de partnerrelatie toe. Als ouders de realiteit van de
relatie en de kwaliteiten van de vreemde partner kunnen/willen zien, worden ze
gerustgesteld en kunnen vooroordelen stilaan wegebben. Zo zien zij
bijvoorbeeld het bewijs dat de vreemde partner toch betrouwbaar lijkt. Dit
impliceert een zeker tijdsverloop. Wanneer de ouders hardnekkig aan hun
denkbeelden of principes vasthouden, zal weinig evolutie merkbaar zijn. Zonder
enige vorm ven bereidheid of openheid vanwege de ouders is van een proces van
aanvaarding geen sprake.
In
de evolutie na verloop van tijd kan men een onderscheid maken tussen: de
status-quo in de afwijzende houding; het proces dat evolueert van afwijzing en
weerstand tot (meer) aanvaarding; en het proces van afwijzing, voorzichtige
aanvaarding tot het ‘met open armen ontvangen worden’.
1.
Afwijzing blijft: principes zijn principes
Bij
sommige ouders blijft de initiële houding van afwijzing persisteren, bij
anderen kan deze houding zelfs nog versterken. Voorbeelden van blijvende en
toenemende afwijzing betreffen slechts een kleine minderheid. Van de koppels
die in de loop der tijd minder door hun ouders aanvaard werden, hebben de
meesten uitdrukkelijk gesteld dat de ‘achteruitgang’ van hun relatie met
de ouders niet te maken had met het feit dat de schoonzoon of –dochter een
andere culturele of religieuze achtergrond heeft. Net zoals bij
niet-culturuele relaties noemden ze een aantal factoren die invloed hebben op
relaties tussen mensen, en maar bepaald tussen (schoon)ouders en kinderen.
2.
Aanvaarding is een langzaam proces
Het
proces van acceptatie, waarin partners van een gemengde relatie in de loop der
tijd meer aanvaard worden door hun ouders, verloopt vaak erg langzaam. Beetje
bij beetje raken de ouders vertrouwd met de vreemde partner en kunnen zij
getuige zijn van een relatie die stand houdt en groeit. Het zien van continuïteit
en van het positieve in de relatie schept vertrouwen en leidt tot meer
aanvaarding van de relatie:
“Onze families hadden schrik voor het onbekende. Nu is het beter, maar nog altijd niet ideaal. Met de tijd tonen we ze dat een gemengd koppel niet anders is dan een ander koppel.”
Vooral
bij Vlaamse vrouwen wiens ouders aanvankelijk erg afwijzend gereageerd hebben,
ziet men vaak na verloop van tijd een aanvaardende houding, het overwinnen van
angst en vooroordelen en het eventuele herstel in contact.
3.
Van argwaan en afwijzing tot ‘met open armen ontvangen worden’
Sommige
vreemde partners zijn graag gezien door de ouders van hun Vlaamse partner. Ze
worden er met open armen ontvangen. Dit gebeurt zelfs in de gevallen dat de
ouders in het begin argwanend of zelfs afwijzend tegenover die situatie
stonden. De ouders hebben het beeld over hun vreemde schoonzoon of –dochter
na verloop van tijd bijgesteld. Hierbij kan ook een proces van toenemende
waardering plaatsvinden: na verloop van tijd blijken ze hem of haar de beste
schoonzoon of –dochter te vinden die ze hebben.
Hieruit
blijkt dat het Vlaamse gezegde ‘onbekend is onbemind’ een flinke portie
waarheid bevat. Er is met name sprake van een toenemende mate van acceptatie
vanwege de ouders in de loop van de jaren. Het leren kennen van wie en wat
onbekend was, brengt verandering teweeg in de denkbeelden over vreemdelingen
en over het aangaan van een partnerrelatie met een vreemde.
3.
De reactie van de bredere omgeving
Zoals
de houding van de ouders, is ook de houding van de ruimere omgeving
gevarieerd. Ook hier vinden we racisme, argwaan, aanvaarding en ondersteuning.
Dit betreft zowel de reacties van onbekenden als de houding van bekenden:
verdere familie, vrienden, kennissen, buren en collega’s van de partners.
3.1. De reactie van bekenden
Sommige
geïnterviewde partners hebben (of hadden) te maken met vooroordelen en
racisme van hun nabije omgeving. Familieleden of vrienden van hen weigerden
nog langer contact met hen te hebben, toen ze een relatie kregen met een
partner met een andere etnisch- culturele of religieuze achtergrond. Bij
sommigen was er na verloop van tijd wel weer meer toenadering.
Mensen
reageren soms ook nieuwsgierig. Hoewel niet alle partners even erg appreciëren
dat achter hun rug wordt gepraat, interpreteerden de meeste partners die iets
over deze nieuwsgierigheid vertelden dit als een teken van interesse en
aanvaarding.
Partners
die zich vooral gesteund voelen door hun omgeving zeiden vaak zich in een
milieu te bewegen waar openheid heerst voor andere etnisch- culturele groepen.
Niet
alleen partners zelf, ook hun ouders worden geconfronteerd met argwaan en
racisme. Ouders en familieleden van allochtone jongeren blijken zich in een
uitgesproken moeilijke situatie te bevinden. Zij worden geconfronteerd met de
blijk van de gemeenschap, die in vele gevallen interreligieus partnerschap,
zeker bij vrouwen, niet goedkeurt.
De
reacties van deze bekenden, zij het uit racisme of uit argwaan, maar ook uit
nieuwsgierigheid of uit enthousiasme, herinneren de partners steeds aan hun
bijzondere situatie en positie in de samenleving. Het wekt in hen soms het
verlangen om na verloop van tijd ‘als normaal gezien te worden en niet
langer geïsoleerd te zijn.
3.2. De reactie van onbekenden
Ongeveer
een derde van de partners in een gemengde relatie heeft te maken met reacties
die variëren van aanvaarding en ondersteuning tot argwaan en racisme.
Ongeveer 20 % heeft tevens te maken met negatieve uitspraken en voelen zich
derhalve weinig aanvaard.
In
het geval van Belgisch- Marokkaanse vrouwen, blijkt dat zij nog weinig
draagvlak hebben wanner ze een relatie hebben met iemand van een andere
culturele of religieuze achtergrond. Ze moeten behoorlijk sterk staan en het
aankunnen beledigd te worden door hun gemeenschap.
Het
is hierbij opvallend dat de reactie van de omgeving verschilt naargelang de
combinatie van herkomst en geslacht. Vlaamse vrouwen en vreemde mannen voelen
zich minder aanvaard dan Belgische mannen en vreemde vrouwen. De reden
hiervoor is waarschijnlijk diep geworteld in onze perceptie van vreemdelingen,
van de rol van de vrouw en van vermenging van etnisch- culturele groepen.
Bovendien
wordt soms zelfs verwezen naar een vermeende daling in achting van Vlaamse
vrouwen wanneer ze een relatie hebben met een vreemde man en de Belgische
mannen zich niet erkend voelen. Vreemde vrouwen kunnen daarentegen in achting
stijgen door een relatie te beginnen met een man van hier.
Uit
de literatuur blijkt dat voor 20 % van de ondervraagde partners het racisme
dat ze in hun omgeving ervaren een hindernis vormt om zich goed te kunnen
voelen en heeft het in die zin ook soms invloed op hun relatie. Voor bijna 30
% is het racisme ‘leefbaar’. Op andere heeft het geen invloed. Ongeveer 18
% ervaart geen argwaan of racisme, maar vooral ondersteuning en interesse van
de omgeving, 13 % drukt het wat zachter uit en zegt zich vooral aanvaard te
voelen.
Samengevat
voelt een derde zich dus aanvaard of ondersteund door zijn/haar ruimere
omgeving, een derde ervaart zowel steun en aanvaarding als argwaan en racisme,
en meer dan 20 % ervaart voornamelijk argwaan of racisme. Toch heeft in totaal
meer dan de helft van de partners af en toe het gevoel dat de omgeving
wantrouwend of neerbuigend oordeelt over hun relatie. Dit is vaker het geval
bij Vlaamse vrouwen en vreemde mannen dan bij Belgische mannen en vreemde
vrouwen.
4.
Is de druk te groot? Gemengde huwelijken en echtscheidingen
4.1. Inleiding
Men
kan verschillende vormen van heterogamie onderscheiden: heterogamie naar
leeftijd, opleidingsniveau, sociale status, religie, etniciteit en sociale
herkomst. In dit deel zal ik mij toespitsen op heterogamie naar etniciteit.
De
demografische inslag van familiebanden en het sociologische aspect van
verbintenissen tussen vertegenwoordigers van verschillende sociaal-culturele
groepen hebben sterke belangen naar de sociale cohesie in een samenleving. Zo
kan de mate waarin gemengde huwelijken voorkomen als een indicator beschouwd
worden voor de mate waarin leden van verschillende groepen zich in de
samenleving integreren of gescheiden blijven, kortom als indicator voor de
openheid in de samenleving. We kunnen echter nog een bredere kijk op de
openheid van de samenleving krijgen door de andere kant van de medaille te
onderzoeken: eindigen heterogame huwelijken eerder in een echtscheiding dan
homogame huwelijken?
De
onderzoeksvraag van dit deel luidt dan ook: Heeft heterogamie met betrekking
tot etniciteit een invloed op de echtscheidingskans?
In
dit deel zal ik mij steunen op een onderzoek dat in Nederland verricht is
(Janssen, 2002). Dit onderzoek peilde naar de invloed van de verschillende
soorten heterogamie (naar leeftijd, religie en etniciteit) op de kans op
echtscheiding. Deze studie heeft zich beperkt op die huwelijken die voltrokken
zijn tussen 1974 en 1984.
4.2. Resultaten
In
de onderstaande tabel ziet men een duidelijk effect van heterogamie op
echtscheidingen.
|
Echtscheidingsprobabiliteit |
Echtgenote |
|||||
|
Echtgenoot |
Nederlands |
Buurland |
Z.
Europa |
Turkije |
Marokko |
Andere |
|
Nederlands |
9 |
13.7 |
18 |
19.4 |
41.7 |
25.1 |
|
Buurland |
9.8 |
4 |
|
|
|
6.1 |
|
Z.
Europa |
15.6 |
|
7.2 |
|
|
18.6 |
|
Turkije |
29.3 |
|
|
3.4 |
|
|
|
Marokko |
29.7 |
|
|
|
15.6 |
|
|
Andere |
19 |
|
|
|
|
10.2 |
Gecorrigeerde probabiliteiten van echtscheiding binnen 10 jaar huwelijk van de huwelijken tussen 1974 en 1984, Janssen (2002)
Bovenstaande
tabel geeft een duidelijk effect van heterogame huwelijken op echtscheiding.
Enige terughoudendheid ten opzichte van deze cijfers is echter wel nodig:
§
Ze betreffen immers
enkel die huwelijken uit het cohort ’74-’84.
§
Bovendien houdt
deze tabel geen rekening met die huwelijken die in het buitenland reeds zijn
ontbonden, deze huwelijken worden immers niet automatisch geregistreerd in
Nederland. Nederlandse statistieken tonen dan ook nog steeds aan dat deze
huwelijken nog steeds intact zijn.
§
Tot slot wordt in
deze cijfers etniciteit eenzijdig geoperationaliseerd in nationaliteit. Tweede
of derde generatie immigranten werden dus niet in de gegevens opgenomen,
hoewel men deze in vele gevallen bezwaarlijk kan beschouwen onder dezelfde
etniciteit als de autochtone bevolking vermits, vooral in het geval van de
tweede generatie, de etnische socialisatie (Leman, 1998) hier nog sterk via de
ouders verloopt.
Uit
deze cijfers kan men bijgevolg wel een algemene trend afleiden met betrekking
tot het effect van heterogamie op echtscheiding, maar kan men niet zonder enig
voorbehoud meer specifieke hypothesen toetsen. De gestelde hypothese die
blijkt uit de kwalitatieve analyse uit deel 2, m.n. dat autochtone vrouwen die
huwen met allochtone mannen doorgaans meer moeilijkheden hebben dan vice
versa, kan men met deze cijfers dus niet beoordelen.
4.3. Verklaringen
In
de literatuur wordt gepoogd een aantal verklaringen aan te reiken ter
verduidelijking van het effect van heterogamie op echtscheiding. Deze theorieën
zijn echter exploratief en mankeren (voorlopig) enige empirische
ondersteuning.
De
verklarende conflicthypothese
met betrekking tot echtscheiding voorspelt dat verschillen van mening tussen
man en vrouw de heterogamie-effecten op de echtscheidingskans kunnen
verklaren. Deze theorie stelt dat heterogamie tot een grotere kans op
echtscheidingen leidt omdat echtgenoten gemiddeld genomen minder goed met
elkaar zouden kunnen opschieten vanwege verschillende voorkeuren en
verwachtingen.
De
verklarende steunhypothese
benadrukt daarentegen dat de sociale omgeving een gemengd huwelijk doorgaans
in mindere mate accepteert. Dit leidt tot minder steun voor het huwelijk en
een neiging tot het steunen van een echtscheiding wanneer het huwelijk zich in
moeilijke tijden bevindt. Deze theorie gaat er dus vanuit dat een afkeuring
door de sociale omgeving het effect van heterogamie verklaart.
Andere
hypothesen werden gemaakt door te verwijzen naar het onderscheid tussen
enerzijds kenmerken die door overerving aan mensen worden toegeschreven,
namelijk kenmerken van de ouders en de sociale omgeving, en anderzijds
kenmerken die bereikt worden door eigen verdiensten van de mensen zelf.
De
ascriptie-verklaringshypothese
voorspelt dat de effecten van heterogamie naar godsdienst, etniciteit en
sociale herkomst op de echtscheidingskans vooral verklaard kunnen worden door
sociale afkeuring van het huwelijk. De verwerving-verklaringshypothese
voorspelt dat de effecten van heterogamie betreffende het opleidingsniveau en
eigen sociale status vooral verklaard kunnen worden door meningsverschillen
tussen de partners.
4.4. Conclusie
Hoewel
er in de literatuur (voorlopig) nog geen consensus bestaat over de
verklaringen van het effect van heterogamie op echtscheiding, is er over een
aantal elementen wel consensus:
§
Er is een duidelijk
effect van heterogamie op echtscheiding, nl. heterogamie heeft een positief
effect op het aantal echtscheidingen
§
Het is duidelijk
dat gehuwden die geen gemeenschappelijke achtergrond hebben met betrekking tot
leeftijd, religie en nationaliteit, een hoger risico lopen om hun huwelijk te
zien mislukken dan gehuwden die meer op elkaar lijken. In sociologische
onderzoeken met betrekking tot Sociaal Economische Status (SES) zijn
gelijkaardige resultaten gevonden.
Hoewel
ik in de literatuur dus geen adequate verklaringen gevonden heb over het
effect van heterogamie op echtscheidingen (of ruimer geïnterpreteerd:
(cultureel gerelateerde) problemen in een persoonlijke intieme relatie), zal
ik in de volgende paragraaf dieper ingaan op een sociaal antropologische
analyse met betrekking tot deze problematiek (i.c. de problematiek bij een
Turks-Vlaamse relatie, m.i.v. de relatie tussen mezelf en een Turks meisje
S.). In deel D van deze paper zal ik een aantal macroanalytische verklaringen
naar voor brengen die de problematiek van de gemengde relaties in een ruimere
context begrijpbaar maken.
5.1. Inleiding
Menselijke relaties vormen de basis van elke samenleving. Het is dan ook vanzelfsprekend dat elke samenleving bepaalde regels, gewoonten, tradities en instituties inroept om dit systeem van sociale relaties in goede banen te leiden. Het huwelijk speelt hierbij een cruciale rol. Het belang om instituties zoals huwelijk en verwantschap te begrijpen kan derhalve niet overbenadrukt worden (Aborampah, 1999). Niet alleen vormen zij de basis voor het lidmaatschap van een bepaalde familiale eenheid, de sociale relaties die eruit voortvloeien zorgen ook voor prestige, controle en rechten over bepaalde eigendommen en diensten van bepaalde categorieën van mensen binnen die eenheid. Bovendien vormen zij ook het fundament van elke soort identiteit dat een individu vormt doorheen zijn leven.
Het is duidelijk dat er een groot onderscheid bestaat tussen verschillende culturen met betrekking tot deze ingestelde waarden en normen. Als men zich inbeeld hoe moeizaam interetnische contacten doorgaans verlopen, hoe moeilijk moet het dan niet zijn om op een zeer intieme wijze met iemand overeen te komen?
In deze paragraaf zal ik een korte uiteenzetting geven met betrekking tot de gevolgen van culturele verschillen in persoonlijke relaties. Deze uiteenzetting is mede gesteund op mijn persoonlijke ervaring met een relatie dat ik heb gehad met een Turks meisje S. In deze uiteenzetting zal ik dan ook dieper in gaan op de Turkse situatie en visie op persoonlijke relaties, liefde en huwelijk. In een laatste deel zal ik mijn visie geven op hoe men dergelijke culturele verschillen kan overbruggen.
5.2. Liefde en Huwelijk in het
Ottomaanse Rijk en de Turkse Republiek.
Als men kijkt naar de visie op huwen die Turken doorheen de jaren meegedragen hebben vanuit hun verleden, moeten we teruggaan naar de tijden van het Ottomaanse Rijk en het begin van de Turkse Republiek (vanaf 1923). In de tijden van het einde van het Ottomaanse Rijk was een huwelijk een sociaal geïnstitutionaliseerde wijze om allianties aan te gaan tussen families of verwantschapsgroepen (Duben en Behar, 1991). Hierbij speelden de bruid en de bruidegom veelal een passieve rol. Huwelijken vonden niet zozeer plaats voor persoonlijke verlangens maar eerder met het oog op sociale en economische reproductie. De opkomst van het liefdeshuwelijk zoals wij het kennen betekende dan ook een radicale inbreuk van het individu in de hegemonie van de familiegroepen in de samenleving. De introductie van de idee dat een man en een vrouw zich enkel zouden verbinden in een huwelijk van eigen wil en enkel als zij verliefd waren, zorgden dan ook voor een grote intellectuele en emotionele opschudding. Naast deze opschudding, kon men echter duidelijk onderkennen dat traditionele verwachtingen van een huwelijk, verborgen in meer moderne vormen, zich doorzette zelfs tot in de meest moderne cirkels van de samenleving. Voor een groot deel was dit omdat families een belangrijke rol bleven spelen in het ondersteunen van de sociale en financiële last van een huwelijk en het opstarten van een gezin.
Centraal in de visie op huwen was zonder twijfel de nadruk op de mening dat huwelijk en reproductie onmiskenbaar met elkaar verbonden zijn en onvermijdbare fasen zijn in de levenscyclus van een individu. Deze centrale stelling kreeg vanzelfsprekend een aantal verschillende accenten naargelang de politieke, religieuze of socio-economische positie van de betrokken individuen. Zo vonden de latere ‘Kemalisten’ dat de belangrijkste plicht van een familie het opvoeden van kinderen is. Zij vormen immers de hoop voor de toekomst, wat precies het doel is van een familie. De familie geeft een toekomst aan het nationale leven. Familie betekent hier natie (millet) en natie betekent familie. Anderen zagen twee doelen voor een huwelijk: enerzijds het opvoeden van kinderen en sociale reproductie en anderzijds het opzetten van een familie en een huishouden met het oog op het verbeteren van het eigen welzijn. Ook in de visie van jonge meisjes op het worden van een gelin, een bruid, is er telkens eerder een connectie met een familie dan met een bruidegom. Omdat de gelin haar toekomstige echtgenoot onder de traditionele overeenkomsten niet zelf kon kiezen, was haar aandacht vooral gericht op haar rol als gelin en op haar potentieel geluk binnen de context van de ruimere familie, hoewel er geen twijfel bestaat dat ze stil hoopte op een goede relatie met haar echtgenoot.
Hoewel, in het begin van de Turkse Republiek, de meeste huwelijken wellicht nog steeds werden geregeld door de betrokken families, was er toch al een duidelijke trend in de richting van het meer en meer rekening houden met de persoonlijke verlangens van het toekomstige paar. Toch betekenden deze liefdeshuwelijkovereenkomsten geen radicale breuk met de traditionele familienormen. Hoewel de relatie veelal ingezet werd door een van de twee partners, was het nodig om de zaak over te dragen aan de betrokken families. De toekomstige bruidegom moest nog steeds voor de hand van zijn toekomstige bruid vragen bij haar vader. Ouders konden ook bezwaar aantekenen en hun invloed doen gelden in het opbreken van de relatie. In ieder geval, of deze parentale sancties nu symbolisch waren of niet, de institutie van het huwelijk was nog steeds een overeenkomst tussen twee families. Het was nog steeds geen zaak van individuele keuze.
Ook de bruidschat (Mehr) was een fundamenteel kenmerk van een huwelijk (vooral onder Islamitische wetten). Mehr is een betaling die van de familie van de bruidegom naar de familie van de bruid gaat bij het verbinden van een huwelijk, en het kan in deze vorm dan ook beschouwd worden als een indirecte bruidschat.
Tot op heden kan men deze vormen van huwelijken in een meer verdoken en hybride manier onderkennen. Ook het fenomeen van de dubbele standaard[2] heeft tot op de dag van vandaag nog navolging in de collectieve sociale identiteit van ‘de Turk’. In het begin van de Turkse Republiek was er geen twijfel dat een gearrangeerd huwelijk de norm was. Het was dan ook ondenkbaar voor mannen en vrouwen om eerst een liefdesaffaire te hebben en vervolgens te huwen. Vooral voor ‘propere vrouwen’ kon daar geen sprake van zijn. Voor mannen echter waren liefdesrelaties en seksuele escapades met niet-moslim vrouwen, met cariyes (diensters-slaven), of prostituees en andere ‘losse’ vrouwen (asifte), een geaccepteerd deel van de dubbele standaard.
In mijn ervaring met S. werden bepaalde aspecten van deze visies zeer duidelijk naar voorgebracht. De angst voor het beschadigen van de namus of familie-eer zat er nog wel degelijk in, maar in eerder verdoken manieren. Zo durfde S. haar relatie niet vertellen aan haar oudere zus R. die in vele gevallen een sterke sociale controle op haar uitoefende. De dubbele standaard kwam sterk naar voor in de seksuele escapades van haar broer. Deze werden aanvaard, zolang ze Vlaamse meisjes betroffen. Betroffen deze dan toch Turkse meisjes, dan werden deze laatste door de anderen ook als ‘vuil’ bekeken. Ook in haar visie op huwelijk herkende ik veel hybride en verdoken vormen van traditionele normen, telkens met nadruk op de familie.
5.3. Hoe deze verschillen
overbruggen: Communicatie? Vorming?…Mijn ervaring met S.
Het
is duidelijk dat dergelijke cultuurverschillen een sterke stempel kunnen
drukken op een persoonlijke relatie. Ieder heeft zijn visies op menselijke
relaties, gefundeerd door een sociale herinnering en een culturele
socialisatie die veelal niet verder kijkt dan de eigen culturele achtergrond.
Hoe kan men dergelijke cultuurverschillen in een persoonlijke relatie dan
overbruggen? Is een diepe vorm communicatie voldoende? Of is vorming in
culturele diversiteit nodig?
Hierbij
stel ik mij echter de vraag: ‘In welke mate spelen deze algemene
cultuurverschillen altijd een rol?’. Zoals alle mensen een unieke identiteit
hebben, zo ook hebben alle mensen een unieke identiteit mede vorm gegeven door
‘hun’ cultuur, bovendien zal deze ‘cultuur’ ook door elk individu een
eigen weerklank krijgen. Elk individu heeft niet enkel een eigen identiteit,
maar ook een eigen interpretatie van ‘cultuur’ waarop zijn identiteit
gebaseerd is. Met moet mijns inziens sterk oppassen voor een categoriale
logica die bepaalde mensen definieert als zijnde: ‘zoveelste generatie
immigrant’, ‘Islamiet’, ‘Suryoye’, ‘Suniet’, ‘Koerd’,
‘Turk’, … De idiosyncratische menselijke realiteit is zo complex
dynamisch dat het amper te vatten valt in dergelijke categorieën.
Wat
een persoon verstaat onder cultuur is volgens mij eerder een heel persoonlijke
dynamiek, die uiteraard gesitueerd moet worden binnen een bepaalde
socio-culturele en historische context, maar die desalniettemin zeer
persoonlijk wordt ervaren en geïnterpreteerd.
Is communicatie alleen een oplossing? Is vorming een
noodzakelijke stap voor communicatie? Vanuit mijn persoonlijke ervaring ben ik
van mening dat men vooral rekening dient te houden met individuele situaties.
In mijn relatie met S. heb ik inderdaad veel moeite gehad om haar uiteindelijk
in haar culturele logica te begrijpen. Toch is dit begrijpen er niet gekomen
uit vorming, maar veeleer door met haar te praten. Het is niet omdat ik leer
over ‘de cultuur’ van ‘de Turken’ dat ik plotseling ben gekomen tot
het begrijpen van S. Iedereen heeft immers zijn eigen interpretatie van
cultuur. Wat is cultuur meer dan een interpretatie? De situatie waarin S. zat
was diegene die men in de literatuur beschrijft als ‘tweede generatie
immigrant’ (zij is geboren in Turkije, maar woont sinds haar tweede
levensjaar in België). Nu is het duidelijk dat als je vastzit tussen twee
culturen, je niet eenzijdig gaat kiezen voor één van beiden. S. gaf aan deze
situatie haar eigen unieke interpretatie. En met de wetenschap dat ‘tweede
generatie immigranten’ meestal een hybride interpretatie van cultuur hebben,
was ik hoegenaamd niets! In mijn ogen was zij helemaal geen ‘tweede
generatie immigrant’, zij was gewoon S. En ik moest hoegenaamd ook niet
weten dat zij tot een ‘hybride’ cultuurinterpretatie komt. Elke
cultuurinterpretatie is hybride! Wat voor mij belangrijk was is hoe ZIJ
daartegenover stond, hoe zij tegenover het leven stond, hoe zij menselijke
relaties interpreteerde, hoe zij een relatie interpreteerde. De wetenschap dat
deze interpretatie hybride is, is in deze context dan volstrekt banaal! Elke
visie hieromtrent is hybride.
In deze context is de reactie van de omgeving tevens van
belang. Het kan niet ontkent worden dat in een onze samenleving de sociale
norm is om met iemand van de eigen Etnische groep te trouwen.
Voor het aangaan van een dergelijke relatie zal men dan ook een inbreuk plegen
op deze sociale norm. De relatie zal daarom onder een bepaalde druk komen te
staan. Het overleven van deze druk zie ik dan ook een van de belangrijkste
elementen in het overleven in een gemengde relatie. Door een vorming in
‘cultuurverschillen’ of in een ‘andere cultuur’, zal je daarvoor nog
geen sterkere band opbouwen met je partner. Door trachten door te dringen tot
een diepe communicatie en een diep begrip van elkaars standpunt mét elkaar,
lijkt mij een dergelijk band meer mogelijk.
Mijn visie ten opzichte van vorming is dan ook dat men ten
zeerste moet oppassen om niet te vervallen in een academische logica. Niet
alles valt ‘te vormen’. Vorming kan inderdaad nuttig zijn in vele
situaties, waaronder ook bij gemengde relaties. Maar het fundament moet
blijven hoe een bepaalde persoon de dingen bekijkt. Want hoezeer je ook ‘een
cultuur’, ‘de tweede generatie immigrant’ of ‘de gemengd gehuwde’
bestudeert, het blijft een onmiskenbaar feit dat iedereen aan deze dingen een
eigen interpretatie geeft die uniek is. Hierbij erken ik wel dat ik bepaalde
aspecten van haar visie in een bredere context kan plaatsen dankzij mijn
studies antropologie, maar of het een belangrijke factor is geweest in mijn
begrijpen van S. durf ik ten stelligste in twijfel te trekken.
Een goed voorbeeld vond ik in de vergelijking van de
interpretatie van bepaalde aspecten van cultuur van S. met haar zus R. Zij
scheelden slechts 2 jaar in leeftijd, en ze waren dus grotendeels samen
opgegroeid. Als men het klassieke onderscheid tussen ‘collectief’ gerichte
culturen met schaamte als voornamelijk cultureel controlemechanisme afzet ten
opzichte van meer ‘individueel’ gerichte culturen met schuld als
voornamelijk cultureel controlemechanisme, dan was het zeer opvallend hoe S.
vooral neigde naar de eerste interpretatie, terwijl R. vooral neigde naar de
tweede interpretatie. Twee zussen, tezamen opgevoed in dezelfde context bleken
een totaal verschillende interpretatie te hebben van menselijke relaties, van
de waarde van familie, van de waarde van het huwelijk,…
Als zelfs twee zussen, zulk verschillende interpretaties
kunnen hebben van relaties, van cultuur, welke vorming gaat men dan geven? De
enige vorming die dan in mijn ogen nuttig kan zijn is een individuele
begeleiding; eerder een vorming in het leren omgaan met elkaar, in plaats van
een vorming in het leren omgaan met elkaars ‘cultuur’.
Want wat is immers een cultuur, behalve een persoonlijke interpretatie van hoe
jouw leefwereld in elkaar zit? Vanuit deze persoonlijke interpretatie kan men
dan nog steeds groeien naar (acceptatie van) interpretaties van instituties
zoals een huwelijk die verschillen van de eigen interpretatie (bijv. nadruk op
eigen verlangen, versus een nadruk op het belang van de familie).
Men kan cultuur(verschillen) bezwaarlijk beschouwen als een statische
instelling waarin moet worden ‘gevormd’ opdat het zou begrepen worden.
Mijns inziens is cultuur eerder een persoonlijke dynamiek die iemands visie op
de wereld kleurt, en het dient ook op die manier behandeld te worden!!
Het werd in de loop van deze uiteenzetting duidelijk dat veel van deze reacties op gemengde koppels niet enkel tegenstrijdig van aard zijn, maar tevens zeer fundamenteel in die zin dat ze in vele gevallen doordringen tot zeer sterke gevoelens. Dergelijke emotionele reacties zijn voor mij een teken dat men geconfronteerd wordt met iets dat niet alleen zeer belangrijk is voor deze mensen maar dat tevens aan het fundament ligt van hun ‘zijn’. Het raakt dus niet enkel hun gevoelens, het kan zelfs als een aanval of een bedreiging worden beschouwd op ‘hun leven in deze wereld’.
Dergelijke intense reacties vragen mijns inziens niet alleen naar een ‘geval per geval’ idiosyncratische analyse, maar tevens naar een meer omvattend macroperspectief. Ik ben er immers van overtuigd dat een dergelijk macroperspectief deze intensiteit aan emoties in een context kan plaatsen waardoor deze een diepere verklarende en begrijpende waarde zal krijgen.
In de volgende paragraaf zal ik dan ook een context uittekenen die duidelijk zal maken waarom gemengde relaties met zulke problemen worden geconfronteerd. Tevens zal uit deze context duidelijk worden waarom een aantal fundamentele en alomtegenwoordige menselijke reacties zoals ‘alterisering’, ‘etnocentrisme’ en ‘xenofobie’ zo hardnekkig zijn.
Wat zijn de ultieme oorzaken en gevolgen van, en
reacties op gemengde relaties binnen de context van onderscheiden etnische
groepen?
In
het vorige deel hebben we gezien hoe gemengde partners geconfronteerd kunnen
worden met zeer scherpe (xenofobe) reacties vanuit hun omgeving. De vraag die
ik mij stel in dit deel is van waar die xenofobe reacties komen? Van waar komt
deze nood om gemengde relaties in hun ‘anders-zijn’ op een dergelijke
wijze sociaal te sanctioneren? Vermits dergelijke reacties alomtegenwoordig
lijken te zijn, is het hoogst onwaarschijnlijk dat zij enkel hun oorsprong
vinden in de geest van bevooroordeelde individuen met als doel hun nood aan
haat, kleineren of ridiculiseren van de out-groep te bevredigen. Een
dergelijke alomtegenwoordigheid van zulke reacties wijst mijns inziens echter
op het in werking zijn van een meer fundamenteel menselijke factor, een factor
die zo belangrijk voor ons is dat we de nood voelen om mensen (die veelal veel
voor ons betekenen) van ons af te stoten, of zelfs volledig uit te sluiten.
Het is juist deze fundamenteel menselijke factor die ik in dit deel zal
trachten te achterhalen.
In
de loop van mijn uiteenzetting zal blijken dat door de negatieve stereotypen
ten aanzien van gemengde koppels te plaatsen in de context van een etnische
groep als een sociaal ‘mating’ systeem of een systeem van ‘extended
kinship’, men de context zal kunnen scheppen waarin dergelijke stereotypen
begrijpbaar worden en tevens effectief kunnen bestreden worden.
Door
de ultieme (in tegenstelling tot proximale) achtergrond van gemengde relaties
te ontrafelen, zullen ook de meer proximale (directe) reacties en gevolgen van
dit fenomeen in een duidelijkere context gezet worden. Dit macroniveau zal als
het ware de blauwdruk vormen waartegenover de reacties op microniveau een
logisch en begrijpbaar karakter zullen aannemen.
Ik zal in deze paragraaf het fenomeen van gemengde relaties dus verheffen naar een macrofenomeen in die zin dat ik het zal beschouwen als één van de vele drijvende krachten van een samenleving. In die zin zal ik volgende vragen trachten te beantwoorden en te verduidelijken: Waarom zijn gemengde relaties (altijd in beperkt aantal) zo universeel aanwezig? Wat is de functie van gemengde relaties in de eeuwig durende volatiele flux van de etnogenese? Hoe verhouden gemengde relaties zich tot racisme?
Om dergelijke, mijns inziens fundamentele en tot hier toe in de literatuur volledig verwaarloosde, vragen te kunnen beantwoorden, ben ik genoodzaakt om een ruimer perspectief aan te nemen dan de sociale en culturele antropologie alleen. In deze analyse zal ik dan ook bepaalde visies op concepten van de culturele antropologie zoals ‘etniciteit’ op een andere (ruimere?) manier interpreteren (zie ook voorwoord).
2.
Etniciteit als ‘extended kinship’
Etniciteit
kan (in aanvulling op culturele definities zoals deze van Leman, 2000)
gedefinieerd worden in termen van gemeenschappelijke afstamming die wordt
onderhouden door endogamie. Etniciteit is in dit opzicht simpelweg
verwantschap in grote letters geschreven. Het gevolg hiervan is dat het
principe van ‘kin selection’ of nepotisme uitgebreid wordt naar verdere
verwanten die wij onze naaste etniciteitsgenoten noemen (Van den Berghe,
1999). Een natie is op deze manier simpelweg een zelfbewuste en gepolitiseerde
etniciteit, en nationalisme is de transmutatie van etniciteit in een politieke
vraag voor autonomie, met de natiestaat als de ideale politieke formatie.
De
sociaal constructionisten zijn hier niet zozeer verkeerd maar eerder
gedeeltelijk juist in hun visie van de constructie van de samenleving. Om de
zin van een van de meest bekende voorstanders van het sociaal constructionisme
te gebruiken – Benedict Anderson (1983) – zijn etnische groepen inderdaad
‘imagined communities’ en etnische gevoelens kunnen opportunistisch
gemanipuleerd worden voor politieke of economische doeleinden. Etnische
groepen verschijnen en verdwijnen. Maar al deze constructie, reconstructie en
deconstructie van etniciteit gebeurt niet in een empirische vacuüm. Het
blijft verankerd in de realiteit van de, sociaal gepercipieerde, biologische
afkomst. Op die manier omvatten etnische relaties altijd de interactie tussen
de objectieve (althans objectief gepercipieerde) realiteit van de biologische
afkomst en de subjectieve perceptie, definitie en manipulatie van deze
objectieve realiteit.
Zoals
alle soorten, hebben de Homo sapiens sapiens een genetische voorbestemdheid
tot voorkeur voor eigen verwanten (Dunbar, 1989). Als het meest sociaal
complexe zoogdier vormen wij sociale groepen gebaseerd op verwantschap en
huwelijk, en in de loop van onze recente evolutie (de laatste 10.000 jaren),
hebben we het voordelig bevonden om vele groepen te vormen van groter wordende
omvang en complexiteit, waarvan etnische groepen het meest alomtegenwoordige
voorbeeld vormen. Etnische groepen bestaan uit groepen van verwanten die met
elkaar huwen en vervolgens, omwille van deze affinale banden tussen hen, een
superfamilie worden. Ons aangeboren nepotisme wordt dus progressief uitgebreid
van de nucleaire familie, naar de ‘extended’ familie, naar de lineage,
naar de clan, naar de etniciteit, naar de natie. Dit is waarom etnocentrisme
universeel is.
Hoedanook,
we zijn niet alleen een sociaal complex dier dat het contact van soortgenoten
opzoekt. We zijn tevens intelligente opportunisten. Naarmate de wereld van
nepotisme uitbreidde, werden we geconfronteerd met een immer groter wordende
moeilijkheid om de in-groep van de out-groep te onderscheiden. De criteria die
we gebruiken voor het bepalen van een lidmaatschap van een bepaalde etniciteit
zijn echter niet statisch. Etnische markers zijn zeer situationeel specifiek.
We gebruiken simpelweg die criteria die de informatiekost minimaliseren en de
betrouwbaarheid en validiteit maximaliseren. Taal, bijvoorbeeld, is een
wijdverspreid en zeer bruikbaar criterium omdat etnische affiliatie zeer snel
kan bepaald worden doorheen spraak en het kan bovendien niet makkelijk gefaket
worden (Van den Berghe, 1987). Somatische fenotypen zijn echter veelal slechte
markers. In de meeste gevallen, en voor het grootste deel van de menselijke
geschiedenis, zijn mensen immers geïnteresseerd geweest om zichzelf te
onderscheiden van hun buren die zeer sterk op hun gelijken: Noorwegen en
Zweden, Zulu en Swazi, Vlamingen en Walen, …
Nu kunnen we makkelijk die situatie voorspellen waarin racisme zal botvieren: Racisme duikt op waar substantiële lange afstandsmigraties plotseling visueel onderscheiden populaties met elkaar in contact brengt en hen in een situatie stelt waarin zij ofwel moeten strijden voor ‘scarce resources’, ofwel waar een groep de andere domineert en uitbuit (kolonialisme, slavernij,…). Onder dergelijke omstandigheden worden fysieke markers van groepslidmaatschap plots meer kostenbesparend en meer betrouwbaar dan culturele markers. Huidskleur, bijvoorbeeld, wordt in deze context een betere marker dan taal, want het is visueel zeer saliënt en het kan niet aangeleerd worden zoals taal. Zo kon ‘de boer’ op de Zuid-Afrikaanse grens, met bijna perfecte betrouwbaarheid, eerst schieten en daarna pas vragen stellen.
4.
Gemengde relaties als oplossing voor racisme?
Eens een sociaal systeem gebaseerd op racisme ontstaat, heeft het echter de neiging om gradueel af te nemen, tenzij bewuste maatregelen worden genomen om dit te vermijden (Van den Berghe, 1999). Racistische systemen zullen dus ‘van nature’ de neiging hebben om ineen te stuiken voor een zeer simpele reden: nepotisme blijkt weinig effect te hebben op seksuele attractie en gedrag, vooral bij mannen. Contact veroorzaakt dus ‘interbreeding’, en ‘interbreeding’ doet per definitie raciale grenzen vervagen. Hoe brutaler de vormen van interetnisch contact, zoals militaire veroveringen en slavernij, hoe meer ‘interbreeding’ zelfs wordt bevoordeeld vermits veroverde vrouwen dan blootgesteld worden aan verkrachting en ‘impregantion’ door hun mannelijke veroveraars.
Een van de vele mooie voorbeelden dat nepotisme weinig effect heeft op seksuele attractie en gedrag, en dus van gemengde relaties als oplossing voor racisme vinden we in de geschiedenis van Spanje (Stallaert, 2000). Na de overwinning op de Moren en dus op de Islam in 711, werd er een kastensysteem in werking gebracht dat tot doel had om drie groepen vredig te laten samenleven (het zogenaamde Convivencia). Deze drie groepen waren de Christenen (die, grotendeels als reactie op de Islamitische overheersing, als superieur werden beschouwd), de Joden en de Moren. Deze drie groepen werden onderverdeeld in een kastensysteem waarbij een strikte endogame regel gold om ‘het bloed zuiver te houden’ (limpieza/pureza de sangre). Toch bleek dat de endogamie regel zo veel geschonden werd dat men een aparte kaste moest inroepen (de conversos), nl. zij die zich hadden vermengd met een andere (lagere) kaste. Tegen het einde van de 14e eeuw was de kaste van de conversos zo aanzienlijk in omvang dat Ferdinand en Isabella zich genoodzaakt zagen om een nieuw kastensysteem te ontwikkelen: de nieuwe en de oude Christenen (cristianos viejos en cristianos nuevos), waarbij de grote groep conversos kon kiezen tussen de volgende twee keuzes: ofwel werden ze het land uitgezet, ofwel bekeerden ze zich tot het Christendom en werden ze ‘cristianos nuevos’, een kaste die nog steeds inferieur was aan de oude Christenen, de cristianos viejos. Dergelijk kastensysteem en de daaruit volgende Spaanse Inquisitie zorgde voor een dergelijke immobilisatie van de samenleving tegen de 17e eeuw, dat het casticcismo in Spanje sindsdien gestaag moest afnemen.
5.
De biologische balans van de samenleving
Het
is ook mogelijk om etniciteit te bekijken als een paarsysteem, of meer
specifiek als een systeem van paarvoorkeur (Van den Berghe, 1999). Etnische
groepen corresponderen sterk met wat genetici noemen ‘breeding
populations’. In culturele termen worden etnische groepen gecreëerd en in
stand gehouden door endogamie. Het is in deze context wel belangrijk om een
onderscheid te maken tussen ‘paren’ en ‘huwen’. Huwen is een sociaal
gesanctioneerde en gepriviligeerde partnerverbinding en is dus een veel nauwer
concept als paren.
Er
zijn veel bewijzen dat de beste paarstrategie een compromis inhoudt tussen
‘in-breeding’ en ‘out-breeding’ (Bateson, 1978; Van den Berghe, 1983).
We vermijden het best partners die te dicht met ons verwant zijn omwille van
de gevaren van inteelt. Zeer weinig menselijke samenlevingen laten relaties
toe met eerste of tweedegraads verwanten, die meer dan 1/8ste van
hun genen gemeenschappelijk hebben. Desalniettemin, blijken vele mensen (en
vele andere dieren ook) een voorkeur te hebben voor een partner die sterk
gelijkt op zichzelf (Dunbar, 1989). Scores van samenlevingen (meestal
kleinschalige tropische horticulturen) prefereren ‘first-cousin’
huwelijken (r= .125) maar vele andere vermijden hen (Bateson, 1978). De meest
endogame eenheid in de menselijke samenleving is echter de etnische groep,
hoewel het soms ook een etnische sud-eenheid is, zoals een kaste, die endogaam
is.
De
modale maatschappelijke organisatie waarin een dergelijk optimum tussen
in-breeding en out-breeding wordt uitgespeeld is de endogame etnische groep
die onderverdeeld is in exogame verwantschapsgroepen, met op een minimum
niveau de nucleaire familie, maar veelal veel grotere groepen zoals lineages
en clans in unilineaire afstammingssamenlevingen. Etnische groepen zijn dan
interhuwende verwantschapsgroepen. Om het iets meer relativistisch te stellen:
de graad van etnische cohesie is een directe functie van graad van endogamie.
Boven een bepaalde drempel, zowat twee of meer generaties van 25%
uithuwelijken, eroderen etnische grenzen immers (Bateson, 1978). Dit is een
lot waarmee bijvoorbeeld de Europese joden, vele kleine aboriginal groepen in
Amerika en Australië en verscheidene ‘immigranten groeperingen’
geconfronteerd worden. Tegenovergesteld, behouden sommige sterk cohesieve
etnische groepen zoals de Hutterieten bijna een totale endogamie zodat
hun verwantschapsnetwerk medebepaald wordt door hun etniciteit, of meer
precies met een van de drie Hutteriete sub-etniciteiten die de belangrijkste
endogame eenheid vormen (Deets, 1975). Hoewel sterk ingeteeld, vermijden zij
‘first-cousin’ huwelijken en trachten zij zo veel mogelijk te
‘out-breeden’ binnen hun strikt gedefinieerde endogame eenheden.
Wat is nu de beste strategie om een dergelijk optimum tussen inbreeding en outbreeding te bereiken? Het is duidelijk dat als een etnische groep wil overleven het twee elementen moet verzekeren:
§ Enerzijds moet men ervoor zorgen dat er voldoende inbreeding is zodat de eigen genen in maximale mate worden overgedragen.
§ Anderzijds moet men ervoor zorgen dat er nog steeds een optimale verhouding outbreeding is, opdat de inbreeding niet in excessen zal ten onder gaan aan de depressie van inteelt.
Het is in
deze context dat men het instellen van een dubbele standaard kan begrijpen. De
voorkeur voor etnische endogamie is van toepassing op huwelijk en is altijd
asymmetrisch: het wil een groep van vrouwen de toegang tot mannen van de
out-groep verbieden, maar het zal zelden de toegang verbieden van mannen van
de dominante groep met vrouwen van de ondergeschikte groep (Van den Berghe,
1999). Veelal is deze dubbele standaard zelfs opgenomen in de wet. Een moslim
man, bijvoorbeeld, mag trouwen met een Christelijke of een Joodse vrouw, maar
een moslim vrouw mag dat niet.
Deze
dubbele standaard is begrijpelijk als men deze in de context beschouwt van de
sociale processen die plaatsvinden bij etnisch onderscheiden groepen: men wil
de eigen groep bevoordelen. Welke manier is immers beter om de eigen groep te
bevoordelen dan er voor te zorgen dat de genen zoveel mogelijk worden
verspreid doorheen de andere groep (men maakt van ‘de andere’ als het ware
‘het zelf’). Vermits andere groepen hetzelfde doel hebben en vermits dat
men er niet om heen kan dat vrouwen de kinderen baren en de mannen de vrouwen
bevruchten (principe 1 en 2 van Fox, 1970), is de grote kunst van deze strijd
de eigen vrouwen te beschermen en de mannen er op uit sturen. Met andere
woorden: het instellen van een dubbele standaard.
De
werking van een dergelijke dubbele standaard is tot op de dag van vandaag
duidelijk in sekseverschillen die we vinden bij de confrontatie van twee
etnisch onderscheiden groepen, meer specifiek bij gemengde relaties:
|
Partnertype |
Turken |
Marrokanen |
||
|
|
mannen |
vrouwen |
mannen |
vrouwen |
|
Belg |
5,6
% |
1,8
% |
16,8
% |
6,1
% |
|
Migrantengroepen |
19,7
% |
29,5
% |
26,1
% |
37,1
% |
|
Herkomstland |
74,7
% |
68,7
% |
57,1
% |
56,8
% |
Deze
tabel (Reniers 1997) toont duidelijk aan dat er een enerzijds groter aantal
gemengde relaties bestaat waarvan de man een Turk is en de vrouw een Belgische
(5,6 %) dan andersom (1,8 %). Het zelfde ziet men bij Marrokaans-Belgische
relaties (16,8 % vs. 6,1 %). Als men kijkt naar de cijfers van de
sekseverschillen van de relaties binnen de eigen migrantengroep dan krijgt men
omgekeerde cijfers: slechts 19,7 % van de mannen zoekt een vrouw van dezelfde
migrantengroep, terwijl 29,5 % van de vrouwen een man binnen dezelfde groep
zoekt. Weerom zijn er gelijkaardige cijfers te vinden binnen de Marrokaanse
gemeenschap (26,1 % vs. 37,1 %). Als men een partner zoek in het land van
herkomst is er geen significant sekseverschil.
Uit
deze cijfers kan men afleiden dat er een systematische tendens in werking is
binnen beide minderheidsgroepen in België die de ‘eigen’ mannen naar
‘andere’ vrouwen doet zoeken en de ‘eigen’ vrouwen naar ‘eigen’
mannen.
Als
men deze cijfers interpreteert in de context van een Etnische groep als een
‘extended kinship’ dat (genetisch) tracht te overleven in een
minderheidspositie, wordt deze strategie duidelijk vertaald in een dubbele
standaard: enerzijds tracht men de eigenheid van de eigen groep niet te
verliezen (maar liefst tot 74 % van de mannen en vrouwen zoeken een partner in
het land van herkomst); anderzijds tracht men te overleven onder de dominantie
van een meerderheidsgroep door deze meerderheidsgroep in bepaalde mate te
incorporeren in de eigen groep (een duidelijk verschil tussen de verhouding
mannen die zoeken naar een Belgische partner ten opzichte van vrouwen die
eerder zoeken naar een partner van de eigen groep).
Etnische
groepen kan men dus begrijpen als zeer effectieve paarsystemen, omdat zij
bestaan uit netwerken van individuen die tussen elkaar banden van zowel
verwantschap als huwelijk creëren. Zij zijn het meest alomtegenwoordige
script voor het creëren van een menselijke samenleving.
Bovendien
is het begrijpelijk dat binnen dit script, gezien de menselijke innerlijke
voorbestemdheid tot het voortplanten van zijn genen (Dawkins 1976; 1982),
menselijke groepen eerder weigerachtig staan ten opzichte van een te grote
uithuwelijking:
§
De mens
beseft immers maar al te goed dat de voortplanting van de eigen genen
afhankelijk is van de voorplanting van de genen van de eigen kinderen.
§
Men beseft
ook maar al te goed dat de eigen ‘gene pool’ zeer snel kan verdwijnen en
kan opgenomen worden door een andere ‘gene pool’: twee of drie generaties
van 25 % uithuwelijken is immers reeds voldoende om de etnische grenzen te
doen eroderen (Bateson, 1978).
Wil
men er dus voor zorgen dat de eigen ‘gene pool’ overleeft, dan zal dit
niet alleen in vele gevallen ten koste moeten gaan van andere ‘gene pools’
maar zal men er tevens voor moeten zorgen dat de eigen ‘gene pool’ niet
overgenomen wordt door een andere.
Kan er nog een meer fundamentele
reden bestaan voor een etnocentrische of misschien zelfs xenofobe reactie ten
opzichte van ‘de andere’ dan de overleving van de eigen genen, van ‘het
zelf’?
Maar,
zoals hierboven reeds gezegd moet er een balans zijn tussen in-breeding en
out-breeding. Een eenzijdige nadruk op het beschermen van de eigen ‘gene
pool’ zal immers ook veelal leiden tot degeneratie. Men
zal dus in bepaalde gevallen en in bepaalde mate dit natuurlijk etnocentrisme
moeten overwinnen, wil men zelf overleven.
De strijd tussen behoud en voortbestaan is van alle tijden en vindt zich ook
op alle gebieden van het leven plaats, zo ook in de interactie van
onderscheiden etnische groepen. Elke etnische groep zal dus drie dingen als
fundamenteel in hun strijd in hun overleving moeten beschouwen:
§
de strijd om het
behoud van (de vrouwen van) de eigen groep,
§
het afweren van de
(mannen van de) andere groep,
§
het aantrekken van
(de vrouwen) van de andere groep;
Deze drie
fundamentele elementen vormen tezamen de constante balans die in evenwicht
dient gehouden te worden als men wil overleven (waarbij ik, analoog aan
Dawkins (1976), overleven versta in termen van het overleven van de eigen
genen). Het is ook in deze context dat men het instellen van een dubbele
standaard kan begrijpen.
Aan
de andere kant van de medaille is het dan ook zeer vanzelfsprekend mogelijk
dat nieuwe etnische groepen uit tot dan toe ongerelateerde groeperingen
ontstaan (etnogenese): nieuwe religies zoals deze van de Hutterieten
vormen hiervan de proef op de som (Deets, 1975). Gerelateerde, maar
onderscheiden groeperingen kunnen een breder bewustzijn ontwikkelen en
versmelten in nieuwe super-etniciteiten: vele afrikaanse etnische groepen
zoals de Yoruba, de Ibo, de Kikuyu, de Luo en
ontelbare anderen zijn welbekende cases. Disparate groepen van immigranten
kunnen gradueel versmelten in nieuwe naties. Andere etnische groepen kunnen
desintegreren en verdwijnen door middel van verovering, genocide, assimilatie
of interhuwelijken: zoals het lot van vele aboriginal groepen in Amerika en
Australië. Etnische groepen, zoals andere menselijke (en dierlijke)
populaties zijn onderhevig aan een constante volatiele flux. Maar etnische
groepen verdwijnen of verschijnen niet plots en onverwacht. Etnogenese neemt
over het algemeen twee of meer generaties van interhuwelijken in beslag.
De
balans tussen inbreeding en outbreeding moet dus in een optimum verkeren. Men
moet tot op zekere hoogte allianties aangaan met ‘anderen’. Het is dus
duidelijk dat een samenleving in de zoektocht naar een dergelijk optimum twee
tegenwerkende krachten moet verenigen:
§
Enerzijds
zijn er de etnocentrische en de xenofobe gevoelens die de angst voor
overheersing van de ‘andere’ en het verdwijnen van ‘het zelf’
weerspiegelen. Zo zijn het vooral de ‘angst’-gevoelens die een rol spelen
bij xenofobe reacties op allochtonen (Leeflang 2002), en in de context van de
familie, op allochtone schoonzonen of, in enigszins mindere mate
schoondochters (zie dubbele standaard).
§
Anderzijds is
er de hieraan paradoxale kracht die stelt dat men, om een biologische balans
te kunnen bereiken, een optimale mate van ‘out-breeding’ nodig heeft opdat
men als groep kan overleven. Aan deze eis kan men vanzelfsprekend enkel
voldoen als men gemengde relaties aangaat.
Beide elementen
vormen de essentie van de Etnische paradox. Hieruit blijkt duidelijk
waarom gemengde relaties universeel voorkomen in een wereld zoals de onze waar
grote etnische groepen voortdurend met elkaar in contact komen. Bovendien is
hieruit tevens duidelijk waarom, hoewel gemengde relaties alomtegenwoordig
zijn, ze vrij beperkt voorkomen; nl. slechts in die mate totdat er een
biologisch optimum is bereikt. Dit biologisch optimum ligt gemiddeld op
ongeveer 10 % outbreeding (Van Den Eeckhout, 1992), waarbij er een absolute
grens is van 25 % waarbij etnische grenzen eroderen op een periode van drie
generaties (Bateson, 1978).
Tevens wordt het begrijpelijk waarom gemengde relaties zulke tegenstrijdige
reacties oproepen bij die groepen die men kan definiëren als verwanten (zij
het de nucleaire familie, de extended familie, de lineage, de clan of de
etnische groep als super-verwantschapsfamilie): deze tegenstrijdige reacties
en gevoelens zijn immers een direct gevolg van de paradoxaal werkende krachten
binnen de etnische paradox: het behoud van het ‘zelf’ ten opzichte van
‘de ander’ (etnocentrisme) enerzijds en het overleven van het ‘zelf’
dankzij diezelfde ‘ander’ anderzijds (etnogenese).
Het overleven van de groep kan dus worden beschouwd als een afwisselend samenspel tussen ‘het zelf’ en ‘het ander’. In deze wisselwerking is er enerzijds een afzetting ten opzichte van die andere (i.e. het eigene van alterisering) en anderzijds vrijwaart men de overleving van de etnische groep door (in beperkte mate) gemengde relaties aan te gaan.
In
deze paper ben ik dieper ingegaan op het proces van alterisering bij gemengde
koppels.
In
een eerste deel (deel B) ben ik vooreerst gaan kijken wat er gebeurt wanneer
twee etnisch onderscheiden groepen met elkaar in contact komen. De
fundamenteel menselijke drijfveer om de ingroep van de outgroep te
onderscheiden speelt een essentiële rol in het verdere verloop van dit
contact. Door deze in- versus out-differentiëring zullen er zich een aantal
processen afspelen die ervoor zorgen dat de eigen groep bevoordeeld wordt,
desnoods ten nadele van de outgroep. Eén van deze processen is het proces van
mutuele stereotypering dat ervoor zorgt dat de ‘andere’ in een compacte en
concrete categorie gevat wordt. Al deze processen kunnen onder bepaalde
omstandigheden (bijv. een situatie van sociale competitie voor ‘scarce
resources’) leiden tot het negatief bejegenen van de ‘andere’, veelal
gefundeerd door een angst voor deze ‘andere’ (xenofobie).
In
een tweede deel (deel C) ben ik gaan kijken wat het effect van deze processen
is op het individuele vlak. Wat zijn met andere woorden de concrete reacties
waarmee koppels die de grens tussen ‘het zelf’ en ‘de andere’
overbruggen, geconfronteerd worden. Uit deze uiteenzetting is gebleken dat
deze koppels veelal te maken krijgen met scherpe reacties, sociale controles
en zelfs sociale sancties. Deze reacties kunnen van die aard zijn dat zij
doordringen tot het fundamentele ‘zijn’ van deze koppels in ‘deze
wereld’. Dergelijke alomtegenwoordige intense emoties en strenge sociale
sancties wijzen op het in werking zijn van een meer fundamentele menselijke
drijfveer: men wordt bedreigd in ‘het zelf’ door een (te) directe
confrontatie met ‘de andere’.
Met
betrekking tot de mogelijke problemen, te maken met een cultuurverschil, die
kunnen ontstaan tussen een gemengd koppel ben ik ingegaan op mogelijke
oplossingen in termen van vorming en communicatie. Hieruit bleek vooral een
individuele begeleiding in het omgaan met ‘elkaars cultuurinterpretatie’
van cruciaal belang.
In een derde deel (deel D) heb ik de
fundamenteel menselijke drijfveer die werkzaam is op het individuele niveau
gekaderd in een ruimere macrocontext van de etnische groep als een systeem van
‘extended kinship’ en als een sociaal ‘mating’ systeem. In deze
analyse heb ik de intense reacties op het individuele niveau kunnen kaderen in
een context van de strijd voor het zelfbehoud van de etnische groep. Deze
strijd heb ik gekaderd in de paradoxale werking van wat ik heb genoemd de ‘etnische
paradox’: het behoud van het
‘zelf’ ten opzichte en desnoods ten nadele, van ‘de ander’
(etnocentrisme) enerzijds en het overleven van het ‘zelf’ dankzij
diezelfde ‘ander’ anderzijds (etnogenese). Enerzijds is er dus een nood om
zich af te zetten ten opzichte van ‘de ander’ (d.i. het eigene van
alterisering) opdat men zou kunnen voortbestaan in ‘het zelf’; anderzijds
kan het zelf enkel overleven krachtens deze ‘andere’.
Het is juist in
gemengde relaties dat deze etnische paradox zo wonderwel naar voor komt.
Enerzijds zijn gemengde relaties nodig om een optimale biologische balans te
bereiken in een samenleving. Anderzijds zorgen gemengde relaties voor het
(gevreesde) opnemen van ‘de andere’ in ‘het zelf’. Deze paradox is dan
ook de kern van heel de problematiek rond gemengde relaties.
Men zou in deze
context dus kunnen stellen dat gemengde relaties de balans vormen tussen de
twee krachten van de etnische paradox in die zin dat zij de xenofobie
doorprikken en hierdoor een proces van etnogenese in werking brengen, waardoor
zij als het ware een bi-etnische brug vormen tussen onderscheiden etnische
groepen. Gemengde relaties houden op die manier de biologische balans van een
samenleving in stand, maar de prijs die zij hier voor betalen is de keerzijde
van de etnogenese, nl. etnocentrisme en xenofobie.
Gemengde relaties
vormen dus niet alleen de motor van de etnogenese, maar zij kunnen in dit
opzicht ook beschouwd worden als een van de fundamentele krachten in de
eeuwigdurende fluctuerende evolutie van de samenleving, gesteund op de
alomtegenwoordige paradox van het behoud versus de vooruitgang in de
samenleving van de Homo sapiens sapiens in al zijn diversiteit en
universaliteit.
Voorwoord
Leman,
J. (2000). The Dynamics of emerging Ethnicities: immigrant and indigenous
ethnogenesis in confrontation. Lang
Frankfurt a. M.
Rushton,
J.P. (1999). Genetic
Similarity Theory and the Nature of Ethnocentrism. In:
Thienpont, K. en Cliquet, R. (eds.) (1999). In- group/Out- group
Behaviour in Modern
Societies. An Evolutionary Perspective. – Brussel: Vlaamse Gemeenschap.
– (NIDI
CBGS Publications; 34).
DEEL
B
Brewer,
M.B. en N. Miller (196). Intergroup
Relations. Buckingham: Op en university Press.
Fiske,
S.T., S.E. Taylor (1991). Social
Cognition. New York: McGraw Hill.
Hogg, M.A. (1992). The
Social Psychology of Group Cohesiveness: From Attraction to Social
Identity.
London: Harvest Wheatsheaf.
Leeflang, R. (2002). Ethnic Stereotypes ans Interethnic Relations. Doctoraatsproefschrift,
Tilburg.
Tajfel,
H. (1969). Cognitive Aspects of Prejudice. Journal
of Social Issues, 25: 79-97.
Tajfel,
H. (1982). Social Identity and intergroup relations. Cambridge: Cambridge
University
Press.
Tajfel,
H. (1978). The Social Psychology of minorities. Minority Rights Group
London.
Thienpont,
K. en Cliquet, R. (1999). In-
group/Out- group Studies and Evolutionary Biology.
in Thienpont, K. en Cliquet, R. (eds.)
(1999). In- group/Out- group Behaviour in Modern
Societies. An Evolutionary Perspective. – Brussel: Vlaamse Gemeenschap. –
(NIDI CBGS Publications; 34).
Van
den berghe, P.L. (1999). Racism,
Ethnocentrism and Xenophobia: In Our Genes or In
Our Memes?;
in Thienpont, K. en Cliquet, R. (eds.) (1999). In- group/Out- group
Behaviour in Modern Societies. An
Evolutionary Perspective. – Brussel: Vlaamse
Gemeenschap. – (NIDI CBGS Publications; 34).
DEEL C
Aborampah,
O-M (1999). Systems of Kinship and Marriage in Africa: Continuities and
Change. In: Browning S.L. en Miller R.R. (1999) (eds.). Till
Death do us part: A Multicultural
Anthology on Marriage. Stamford, Connecticut: Jai Press Inc.
Duben, A. en Behar, C (1991). Istanbul
Housholds.
Cambridge: Cambridge University Press.
Gemengd Verbonden.
Eindrapport Kerkwerk Multicultureel Samenleven, in het kader van een
studiedag aan de Ugent, 12 oktober 2000.
Hondius, D. (1999). Gemengde Huwelijken, Gemengde
Gevoelens: Aanvaarding en
ontwijking van etnisch en religieus verschil sinds 1945. Sdu Uitgevers, Den Haag.
Janssen, J. (2002). Do Opposites Attract Divorce? Doctoraatsproefschrift, Nijmegen
Kortram, L.H. (1990). De Cultuur van het Oordelen: Oordeelsvorming in interetnische
relaties.
Doctoraatsproefschrift, Nijmegen.
Leman, J. (1998). The
Italo-Brussels Jehova’s Witnesses revisited: from first generation religious
fundamentalism to ethno-religious community formation, Social
Compass, 45 (2), 219-226.
Masui, M. (1981). Interetnische Huwelijken. Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën,
Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.
DEEL D
Anderson,
B. (1983), Imagined
Communities.
London: Verso.
Bateson,
P. (1978), Sexual Imprinting and Optimal Outbreeding. Nature, 273: 659-60.
Dawkins,
R. (1976). The Selfish
Gene.
Oxford: Oxford University Press.
Dawkins,
R. (1982). The Extended Phenotype. Oxford: Oxford University Press.
Deets,
Lee Emerson. (1975). The Hutterites: a study in social cohesion.
Philadelphia:
Porcupine Press.
Dunbar, R.I.M.
(1989). Genetic Similarity
Theory Needs More Development. Behavioral and Brain Sciences,
12: 520-521.
Fox, R. (1970). Verwantschap en Huwelijk. Spectrum Utrecht.
Leeflang,
R. (2002). Ethnic
Stereotypes and Interethnic Relations. Doctoraatsproefschrift,
Tilburg.
Leman, J. (2000). The
Dynamics of emerging Ethnicities: immigrant and indigenous
ethnogenesis in confrontation. Lang
Frankfurt a. M.
Reniers, G. en Lievens, J. (1997). Stereotypen
in perspectief: De evolutie van enkele aspecten
van het huwelijk bij de Turkse en Marokkaanse minderheden in België. Working
papers, etnische minderheden in België, vakgroep
bevolkingswetenschappen,
universiteit Gent.
Stallaert,
C. (2000). ‘Biological’
Christianity and Ethnicity: Spain’s Construct from Past
Centuries.
In: Leman, J.
(2000). The
Dynamics of emerging Ethnicities: immigrant
and indigenous ethnogenesis in confrontation. Lang Frankfurt a. M.
Van
den Berghe, P.L. (1983), Human Inbreeding Avoidance, Culture in Nature. The
behavioral and Brain Sciences, 6: 91-102.
Van
den Berghe, P.L. (1987), The
ethnic Phenomenon.
New York: Praeger.
Van den Berghe, P.L. (1999). Racism,
Ethnocentrism and Xenophobia: In Our Genes or In
Our Memes?;
in Thienpont, K. en Cliquet, R. (eds.) (1999). In- group/Out- group Behaviour in Modern Societies. An Evolutionary Perspective. – Brussel: Vlaamse
Gemeenschap. – (NIDI CBGS Publications; 34).
Van Den Eeckhout, V. en Luyten, R. (1992). Interculturele
huwelijken: verslagboek van de
studiedag rond interculturele huwelijken.
Federatie van centra voor levens- en
gezinsvragen, Brussel.
[1] Voor een uiteenzetting met betrekking tot het belang en het ‘waarom’ van het instellen van een dubbele standaard in een samenleving, zie paragraaf 6: ‘Een dubbele standaard’ van Deel D van deze paper.
[2] Voor een uiteenzetting met betrekking tot het belang en het ‘waarom’ van het instellen van een dubbele standaard in een samenleving, zie paragraaf 6: ‘Een dubbele standaard’ van Deel D van deze paper.