Verstoten
auteur:
Joyce Herry
Ali stapte verstrooid in Den Bosch in de trein. Hij had geen idee waar de trein naar toe ging.
Hij wist alleen dat hij ver weg moest van de stad waar hij te horen kreeg dat hij niet meer in dit land mocht blijven. Vijf jaar had hij gehoopt op een verblijfsvergunning en nu was hij uitgeprocedeerd, geen dak boven zijn hoofd en geen toekomst.
Waar moest hij naar toe?
Naar zijn geboorteland in Soedan kon hij beslist niet zonder zijn eigen leven in gevaar te brengen. Als dertienjarig jongetje was hij met nog anderen gevlucht om te voorkomen dat hij gevangen genomen zou worden om in het leger als kindsoldaat te dienen. Hij wilde niet meer denken aan de ontberingen die hij geleden had voordat hij eindelijk toegelaten werd in het
asielzoekerscentrum voor alleenstaande minderjarigen.
Hij had onderwijs genoten en sprak de taal redelijk goed. Achttien was hij nu en geen AMA (alleenstaande minderjarige asielzoeker) meer volgens de wet en de rechter vond zijn zaak niet belangrijk genoeg om hem in Nederland te houden.
Angst, verdriet en woede vervulden hem, toen hij zittend aan het raam in de trein de huizen en wegen aan zijn blik voorbij zag razen.
Zijn advocaat wilde de zaak met hem evalueren, maar hij was teleurgesteld weggehold, hij wilde niets meer horen of weten.
De sneltrein minderde vaart voor de vierde keer. Toen hij twee conducteurs het gangpad zag inlopen om de kaartjes te controleren, stond hij abrupt op en liep naar achteren de trein in. Toen de trein stopte, wrong hij zich tussen de passagiers en sprong op het perron.
Vlug keek hij op het naambordje: station Arnhem.
Hij liep de achteruitgang uit en liep met wat mensen op toen hij in de verte een dichte rij bomen zag. Het bos, dat was een goede plek om uit de buurt van de autoriteiten te blijven.
Het was al vrij donker in deze decembermaand en hij stapte haastig door. Hij had geen flauw idee waar hij naar toe ging. Het was stil in het bos. Hij liep voorbij een oude watermolen. Opeens kwam hij bij een aangelegd watervalletje. Hij bukte en dronk wat van het koude water. Hij liep nog verder het bos in. Hij struikelde bijna over een paar ontwortelde bomen. De zware storm van een paar weken geleden had flink huis gehouden in het bos. Hij keek om zich heen. Dit zou een goede schuilplaats zijn. Hij sprokkelde wat losse takken met bladeren en bouwde een schuilnest. Hij was moe van het denken en had honger. Hij deed zijn rugzakje open. Veel had hij niet bij zich. Een aangebroken strip met kauwgom, een boterham met kaas, maar daar moest hij voorzichtig mee zijn. Zijn pocketradio kon hij nu niet aanzetten, wilde hij niet opgemerkt worden. Hij had amper twintig euro op zak. Ver kon hij niet komen met zo weinig.
Hij sloot zijn rugzakje en hield het dicht tegen zich aan. Hij legde zijn hoofd neer op de bladeren van enige takken en kroop onder andere takken met bladeren. Het bleef koud, maar hij doezelde weg in slaap.
Het gehuil drong langzaam tot hem door. Hij werd er wakker van. Eerst kon hij zich niet ori�nteren, maar langzaam drong de afgrijselijke waarheid tot hem door. Hij was in het bos. Zouden er wilde dieren in de omgeving zijn. Hij wist dat er geen olifanten en leeuwen waren in dit land. Hij luisterde aandachtig. Het gekrijs kwam niet erg ver van hem vandaan. Het was geen dier, maar het geluid van een baby! Ali wilde wegrennen, maar iets weerhield hem. Hij sloop op het geluid af.
Hij zag niemand, maar het geluid klonk harder. Hij stak het voetpad over en vond verscholen tussen een ontwortelde boom een baby. Ali kon zijn ogen niet geloven. Hij boog zich voorover om goed te kunnen kijken en zag een krijsende baby wild spartelen met zijn armpjes en beentjes. Naast de baby lag een flesje met wat melk en de deken die de baby had weggeschopt.
�Shhh, shhh, shhh�. Het hielp niet, de baby bleef krijsen.
�Hoe kom jij nou hier?�
Ali tilde het hummeltje op en liet het bijna vallen van de stank.
Tijd om na te denken over zijn eigen problemen, kreeg hij niet. Hier lag een kind dat veel hulpelozer was dan hij. Hij haalde de vieze luier weg en zag dat het een jongetje was.
Welke ontaarde moeder doet zoiets met haar kind. Ali kon het niet begrijpen, maar hij moest het kind zien stil te houden. Hij wikkelde de deken om hem heen en wiegde hem een beetje. Hij gaf hem de fles met melk en de baby dronk gulzig en was eindelijk stil. Ali nam de baby mee naar zijn schuilplaats en dacht wat hij nu moest doen. Hij kon de baby onmogelijk achterlaten. Hij kon de baby ook niet meenemen. Hij wist zelf niet waar hij heen moest.
Daar waren ze dan, beiden zonder familie, zonder liefde, verstoten door de maatschappij.
Ali stond op en wikkelde de baby onder zijn jas. Zo hielden ze elkaar warm. Hij liep voorzichtig het bos uit en zocht een afgelegen plek waar hij zijn kleine metgezel kon achterlaten.
Bij een bushalte aan de kant van de weg bekeek hij de verlichte abri om zijn vriendje achter te laten, maar dat was niet veilig genoeg. Ineens ontdekte hij een kerk aan de overkant van de straat. Hij rende de weg over en zocht de struiken op. Het was donker en er brandde geen licht.
Ali legde de baby voor de deur van de pastorie en trok aan de bel. Hij gooide steentjes naar het raam. Hij liep op de baby af en zei: �Sorry vriendje, maar ik moet dit doen�. Hij kneep de baby in z�n bil. Het kind begon meteen te krijsen en Ali bleef steentjes gooien. Opeens floepten lichten aan. Ali zocht een plek waar hij niet gezien kon worden en zag hoe een man in een lange jurk de deur opendeed en vol verbazing naar zijn stoep keek. Hij stapte langs de huilende baby om te zien of hij iemand in het donker kon onderscheiden, toen pakte hij het bundeltje op en ging ermee naar binnen.
Ali wist dat voor het kind redding zou komen, hij moest nu nog zien hoe hij zichzelf ging redden.
Simia Literio
Cosmic Theater, Amsterdam
5 oktober 2003
Wandelen en klik hier voor een leuke site over de Arubajutter