Gereconstrueerde
authenticiteit
De compositie
van authenticiteit d.m.v. conceptuele constructies.
De
eerste generatie filmers keek naar het leven en maakte films. De tweede
generatie die de films van de eerste generatie heeft gezien, heeft naar
het leven gekeken en films gemaakt. De derde generatie heeft enkel films
gezien van de vorige generaties en heeft films gemaakt. De vierde
generatie, die we nu zijn, kijkt niet naar het leven en ziet geen films.
Er wordt enkel gekeken naar de technische brochures over film, en film
wordt enkel op technische basis gecreëerd[1].
Een film heeft niet zoveel technische middelen nodig. Een camera, drie
lenzen en een statief zijn genoeg, net zoals in de begin jaren van de
film[2].
Als
filmstudent ben ik er altijd van overtuigd geweest dat je met simpele
middelen een krachtige filmische vertelling kan maken. Ik ben er ook
altijd van overtuigd geweest dat je geen kennis moet hebben over andere
films om tot krachtige films te komen. Enige kennis kan helpen om je
eigen werk in een filmische context te plaatsen, maar het gevaar is een
imitatie te maken van al bestaand materiaal. Film wordt gemaakt door
middel van de authentieke blik van de auteur op de wereld en de filmtaal
die deze daarvoor gebruikt. Deze filmtaal bestaat deels al omdat deze
gecreëerd werd door de vorige generaties cineasten, maar deze taal
wordt ook gecreëerd door de persoonlijke intenties van de auteur van de
film. Na vier jaar filmschool besef ik dat ik veel voorbeelden van
verschillende filmtaal gezien heb. Ik besef me ook dat ik voor school al
over een eigen taal beschikte, en het doel nu is die twee op een niet naïeve
manier met elkaar te combineren.
Als
filmer ben ik geïnteresseerd in de overlappinggebieden tussen
verschillende richtingen, zoals documentaire en fictiefilm. Voor mij
werkt creatie op een leeg blad niet, ik moet vertrekken uit een
realiteit. In deze scriptie wil ik een aantal elementen behandelen die
interessant zijn bij het maken en het verfilmen van een documentaire
film. Ik ben ervan overtuigd dat verschillende werkwijzen die normaal
gesproken worden gedaan voor een fictiefilm, uitermate van pas kunnen
komen in een documentaire setting. De scriptie moet een scenaristische
voorbereiding worden die ik kan toepassen op het onderwerp dat ik film
dat ik voor mijn eindwerk zal kiezen. De scriptie moet geen handboek
worden dat als een formule toegepast kan worden op welk script dan ook.
De scriptie wordt een verzameling van bedenkingen van mezelf, tegenover
gesteld aan meningen van documentaire regisseurs en documentaire
handboeken.
Een
cineast die voor mij zeer inspirerend werkt is de Iranese regisseur Abas
Kiarostami. Zijn werk bestaat uit zowel fictie als documentaire films.
Hij laat zien dat de essentie van film ligt in de kijk van de cineast
naar de wereld en dat de cineast film kan maken zoals een schilder
schildert, zoals een beeldhouwer beeldhouwt: zonder afhankelijk te zijn
van kapitaal of censuur. Kiarostami balanceert in mijn ogen op een
interessante manier tussen fictie en documentaire. In zijn laatste film
“10 on Ten” gaat hij in op zijn werkwijze. “10 on Ten” is
Kiarostami’s didactische betoog over zijn film "Ten".
"Ten", dat bestaat uit tien ontmoetingen, speelt zich helemaal
in een auto af. De hoofdpersoon, een aantrekkelijke slimme vrouw
ontvangt mensen in haar auto die ze ophaalt, en wegbrengt, zoals haar
zoon, maar ook mensen die ze nog nooit eerder heeft ontmoet. Het
interessante aan deze film is dat hij gemaakt is met niet-professionele
acteurs en zonder een letter geschreven tekst voor de acteurs op papier.
Kiarostami vertelt onder andere over zijn werkwijze met, zoals hij het
noemt, de “non‑acteurs”: “Ik gebruik meestal
niet‑professionele acteurs. Ze hebben altijd een determinerende
rol in mijn films...De belangrijke persoonlijke levenservaring die ze
uit hun levens hebben zorgt ervoor dat hun personages in hun spel nog
authentieker zijn. Het is belangrijk in het vertrekpunt van de keuze van
de non‑acteurs voor een rol dat er een grote gelijkenis is met het
werkelijke leven van de non-acteur. Een ander punt lijkt me ook
belangrijk: de mensen met wie ik werk zijn geen acteurs, en het zal zeer
moeilijk zijn om in een rol iemand anders te spelen. Eigenlijk wil ik
zeggen dat ze maar één enkele rol kunnen spelen, en dat is de rol van
hun eigen persoon[3].
Ondanks dat Kiarostami praat over denkbeeldige personages, wil hij dat
deze personages zo dichtbij als mogelijk staan met de personages die ze
in het leven buiten de film zijn. Dit komt zeer dichtbij mijn visie over
de personages in documentaire film. Ik ben ervan overtuigd dat de
aanwezigheid van een camera en een microfoon zeker een invloed heeft op
de personages. Een denkbeeldig personage dat zeer dichtbij de persoon
moet staan die de rol speelt, zoals Kiarostami het noemt, komt voor mij
overeen met een werkelijk personage en dat gefilmd wordt. Kiarostami
noemt het een rol. Ik noem het een interactie van een personage in een
situatie, waarin een camera een natuurlijke positie moet innemen. Ik
denk niet dat het mogelijk is pure authentieke scènes met een persoon
op te nemen alsof de camera er niet bij was, alsof de persoon alleen is.
De aanwezigheid van een filmmaker en zijn camera verandert een situatie.
Die verandering hoeft niet als negatief ervaren te worden. In mijn ogen
is het onmogelijk pure authentieke momenten met personen of tussen
personen op te nemen, omdat ik ervan overtuigd ben dat zelfs in het
dagelijkse leven er zelden pure authentieke momenten zijn. Wanneer is
een persoon authentiek? Is dat wanneer deze wakker wordt naast zijn
geliefde. Is dit wanneer hij naakt voor de spiegel staat? Is dit wanneer
hij op een tram wacht? Is hij dit op zijn werk of bij zijn vrienden? Een
mens heeft verschillende rollen, en zet zijn maskers op in verschillende
situaties. En juist die maskers zijn interessant om te filmen. Aan de
hand van de verschillende sociale maskers die iemand opzet is het
mogelijk een authentiek portret van iemand te maken, zonder dat zo’n
persoon ooit puur authentiek gefilmd is. Wanneer het als filmer lukt
zo’n masker dusdanig in beeld te brengen dat hij te doorprikken is,
vertelt dit meer over een persoon, dan wanneer deze persoon zonder
masker, “bloot en naakt” voor een camera zou zijn. Bovendien is het
vooral interessant als filmer hetgeen waar te nemen dat een persoon niet
laat zien, omdat hij het verbergt, of er zich niet van bewust is. Juist
de rol die een persoon in een bepaalde omgeving speelt vertelt veel over
onderliggende spanningen en maatschappelijke structuren. Als men zich
hiervan bewust is, kan zelfs de meest dagdagelijkse scène een diepe
universele betekenis hebben. Het is de vraag of iemand die in een
rolpatroon geduwd wordt er zich van bewust is dat hij deze rol speelt.
Ik ben ervan overtuigd dat in veel dagdagelijkse handelingen de meeste
mensen zich er niet van bewust van zijn dat ze een masker naar anderen
ophouden. En als ze zich er al van bewust zijn, dan spelen ze zo slecht
hun rol die ze zichzelf opgelegd hebben, dat er op een makkelijke manier
doorheen te prikken is, denk bijvoorbeeld aan politici. Als documentaire
filmer zet je reële personages in een situatie neer dat zich live voor
de camera afspeelt. Het is de kunst van een documentaire filmer een
context te creëren waarop je personages reageren zoals je dat hoopt. Je
creëert als het ware spontaniteit. Kiarostami’s film “Ten” ligt
voor mij zeer dichtbij een interessante werkwijze voor een documentaire
film. De inhoud en thematiek van zijn scènes bepaalt hij aan de hand
van de levensverhalen en de karakters van zijn non‑acteurs.
Kiarostami vertrekt vanuit een werkelijkheid. Vanuit een werkelijk
gegeven, de echte verhalen van de mensen. De ontmoetingen die hij met
deze mensen heeft voeden de film. De authentieke ontmoetingen worden in
de film heropgeroepen, Kiarostami weet door zijn constructie die
ontmoetingen binnen een ruimte plaats te laten vinden, in de auto, de
spontaniteit terug op de roepen. Ik ben ervan overtuigd dat de mensen
die in de auto zitten, en volgens Kiarostami een rol spelen, zich niet
bewust van hun rol zijn. Ze zijn door de maker in deze situatie gestopt,
en hun reacties zorgen voor de authenticiteit van de scène, zonder dat
ze daar zelf authentiek voor hoeven te zijn. Geen enkele letter is
geschreven. Alles wordt gedaan om de dialogen en stiltes tussen de
personages zo natuurlijk mogelijk te houden. Dit gebeurt ook met de
“présence” van de personages. Zo dragen de non‑acteurs hun
eigen, authentieke kleding, en eventueel hun eigen make‑up[4].
Abas Kiarostami praat zelf over zijn film “Ten” alsof het een
fictiefilm is. Voor mij is deze film een perfect voorbeeld van een
documentaire, waarin een fictieve constructie, het zelf selecteren van
de mensen die je in een ruimte plaatst, zorgt voor interessante
authentieke scènes, die perfect het standpunt van de regisseur
weergeven, door middel van deze fictieve constructie en het uitlokken
van de situaties.
Marcel
Lozinski, een Poolse documentairemaker, maakt in zijn film “Anything
Can Happen” gebruik van hetzelfde principe. In deze documentaire
fietst zijn 6 jarige zoon Tomek door een park in Warschau in de lente.
Hij raakt in gesprek met de verschillende bejaarden mensen die
regelmatig in dit park op een bankje uit komen rusten. De kleine Tomek
praat met de verschillende mensen over zijn en hun dromen, over liefde,
oorlog, religie, eenzaamheid en de dood. Het verschil van de standpunten
ten opzichte van de verschillende thema’s van de idealistische kleine
Tomek, en de verbitterde oudere mensen, tekent de kloof tussen jong en
oud. De kleine, simpele vragen die Tomek aan de mensen vraagt, zoals
““Waarom is er oorlog?” “Hoelang leef jij nog? “Waarom zit jij
hier alleen?”” gaan soms recht naar hun hart en de kinderlijke
onschuld waaruit ze gesteld worden, laten een diepere pijnlijke waarheid
zien: dat de meeste mensen een zwakke schaduw worden van hetgeen ze
droomden, en dit met tegengestelde rationele argumenten goed proberen te
praten. Een klein kind als Tomek prikt hier doorheen. Alhoewel het
gegeven, men laat een brutaal, gedreven jongetje door een park fietsen
en in gesprek raken met oude mensen, een constructie is, leveren de
ontmoetingen authentieke veelzeggende scènes op. Het is dus perfect
mogelijk een situatie te verzinnen waarin authentieke scènes plaats
kunnen vinden.
Ik
citeer de documentaire regisseur Laurant Chevallier die een interessante
term geeft van hoe het verweven van eventuele fictieve constructies in
documentaire situaties, zoals Kiarostami en Lozinski dat doen toepast
genoemd kan worden:
“Ik
houd niet van het woord “mis en scène”. De mis en scène is erg
verbonden aan één plaats en één specifiek type van artistiek werk
dat geschreven en verzonnen is. Ik heb echter te maken met een
natuurlijk decor, met echte mensen die in echte situaties leven. Dat is
geen “mis en scène” maar “mis en situation”” [5].
Het
plaatsen van mensen bij elkaar in een gesloten ruimte, zoals Kiarostami
dat doet, of het creëren van ontmoetingen op verschillende bankjes in
een park zoals Lozinski dat doet kan beschouwt worden als mis en scène,
maar in die ruimte laten de makers hun non-acteurs doen wat er op dat
moment gebeurt. Kiarostami noemt dit zelf de regie loslaten en jezelf
door je acteurs laten regisseren. Dit is iets dat in de documentaire
wereld de normale gang van zaken is. Het ontbreken van een duidelijke
regie is een conventie in de documentaire taal, want realiteit is niet
te regisseren. Daarmee bedoel ik dat de realiteit niet door een op voor
hand gemaakt concept ingevuld kan worden. Wel is het mogelijk dat
wanneer je de omgeving, de personages en hun standpunten kent, je een
voorspelling kan maken van wat er eventueel zou kunnen gebeuren. En de
kunst is dan het te capteren vanuit een interessant standpunt. Dit is
niet enkel de visuele registratie. Hetgeen dat opgenomen wordt moet ook
de intenties van de auteur van de film weergeven. In de openingsscène
van "Ten", zien we een beeld dat op de zoon gericht is die
door zijn moeder naar school wordt gereden. Dit beeld dat relatief lang
duurt is een bewuste keuze van de regisseur. De lengte van dit shot en
de reacties van de jongen op zijn moeder, tonen niet alleen de
spanningen die er tussen deze twee specifieke mensen heersen, het toont
vooral hoe de hedendaagse Iranese cultuur in elkaar zit en de lengte en
het standpunt van dit shot zijn bewust gekozen door de maker om dit te
vertellen. Het is dus belangrijk om bij de tournage bewust te zijn van
het standpunt dat je in neemt ten opzichte van je onderwerp, want zelfs
in de meest dagdagelijkse handelingen (je zoon naar school brengen,
zoals in de openingsscène van "Ten") schuilen grote
sociologische en culturele betekenissen die je als maker niet mag
missen.
Ook
is het samen zetten van mensen in een bepaalde ruimte een keuze die in
de documentaire wereld vaak wordt toegepast. Het is een goede manier om
de gefilmde mensen zich er minder bewust van te laten zijn dat ze
gefilmd worden, en bepaalde situaties uit te lokken. Een gesprek tussen
twee mensen geeft namelijk een heel andere situatie, dan een gesprek
door middel van een interview tussen de regisseur en het onderwerp. De
Franse documentaire maker Pierre Perrault kwam er bij toeval achter dat
wanneer een persoon reageert op een vraag, je een antwoord, een tekst,
of een leugen terugkrijgt. Wanneer je echter aan twee mensen een vraag
stelt, gaan ze beide in op een vraag, en dan krijg je uiteindelijk een
dialoog terug[6].
Die dialoog is authentieker dan een antwoord op een vraag. Het is dus
interessant dat je een authentiek gegeven kan verkrijgen door de
personages te zetten in een "mis en situation". Bovendien vond
Perrault dat stiltes tussen personen dankbare dialogen op kan leven. In
een interview met het Franse tijdschrift “Un cinéma de la Réalité,
Image et Son” vertelt hij in april 1965: “De mens kan een stilte
niet lang uithouden, hij lost dit op door middel van te praten”. Het
is dus essentieel in documentaire observatie ook de stiltes tussen de
personages mee te nemen. Vaak kunnen door deze stiltes en de onderlinge
blikwisseling andere motivaties gevonden worden van de personages, dan
ze in hun woorden tegen elkaar uitwisselen.
Lozinski
maakt van de stilte op een treffende wijze gebruik in zijn film “So It
Doesn’t Hurt”. In de film, die gaat over een intellectuele vrouw die
zich afgesloten heeft van haar omgeving op het platteland in Polen,
vraagt hij haar op het einde of ze zich niet eenzaam voelt. De vrouw die
de gehele film nogal defensief is geweest geeft een rationeel goed
geformuleerd antwoord. Waar een andere documentaire maker de camera uit
zou zetten, liet Lozinski de camera doorlopen na het antwoord op de
vraag. De stilte die daarna volgde was lang, veelzeggend en werd
pijnlijk. Uiteindelijk barst de vrouw in tranen uit. Het is de stilte
die haar defensieve intellectuele masker heeft doorgeprikt. Het is de
stilte waarvan de regisseur zich bewust was, dat ervoor heeft gezorgd
dat de vrouw onvermijdelijk haar masker op kon houden. Het is de stilte
die ervoor zorgde dat de vrouw die een rol voor zichzelf speelde, haar
masker niet langer op kon houden, en de authenticiteit, die uit een
compleet artificiële situatie naar voren komt, wordt daardoor des te
krachtiger.
Ik
wil in mijn documentaires enkel een schets van het leven maken. Een
beschrijving van het leven. Dit hoeven geen grote spectaculaire momenten
te zijn. Uit kleine dagdagelijkse momenten kan men een diepere
universele betekenis halen. Kiarostami
zegt hierover in “10 on Ten”: “Het lijkt me dat het werk van een
cineast niet bestaat uit het beïnvloeden of het ontroeren van de kijker
door enkel speciale momenten te creëren. Enkel door de realiteit in
beeld te brengen kan de kijker ook leiden tot over hun gedrag en acties
na te denken”[7].
Kiarostami hamert op het overbrengen van de realiteit. Ik ben ervan
overtuigd dat je als documentairemaker niet enkel bij de realiteit hoeft
te blijven om een diepere realiteit bloot te leggen. De eigen perceptie
van de maker is namelijk net zo belangrijk als de waarheid die zich
buiten de auteur afspeelt. Kiarostami laat zijn interpretatie van de
werkelijkheid zien met de keuze van het shot op de zoon in het begin van
de film "Ten". De eigen perceptie die een eigen kleur aan een
onderwerp geeft is voor mij essentieel in documentairefilm. De perceptie
en het standpunt van de maker zorgen ervoor hoe een boodschap die in een
film verweven zit op de kijker overkomt. Hoe meer je je subjectiviteit
toont des te meer je de kijker uitdaagt een mening te vormen over
hetgeen dat je in je documentaire laat zien. Een goed voorbeeld van de
eigen perceptie van de maker en het tonen van die perceptie door middel
van een cinematografische ingreep om een diepere commentaar op een
bepaalde realiteit te geven is de film “Microphone's Test” van
Marcel Lozinski. In deze film komen jongeren aan het woord en wordt hen
gevraagd over hoe zij zichzelf en hun toekomst zien. Hun antwoorden die
in het begin van de film enkel somberheid en pessimisme uitstralen,
worden in het tweede deel van de film dusdanig verknipt, dat het
pessimisme uit het eerste deel plaatsmaakt voor zekerheid en vertrouwen
in de toekomst. De manipulatie in de geluidsband is duidelijk zicht- en
voelbaar. De oorspronkelijke interviews met kleine dagdagelijkse vragen
krijgen door de manipulatie een andere wending tot een breder geheel.
Dit toont aan het publiek de kracht van audiovisuele manipulatie, en
daarmee dus ook de mate waarin film en televisie de realiteit kunnen
verdraaien om het verhaal naar hun eigen belang te verdraaien. Gezien de
periode waarin deze film werd gedraaid, begin jaren tachtig in Polen, is
er een duidelijke commentaar van de maker te zien over de propaganda die
het communistische regime via de media naar het volk voerde. De geheel
verknipte werkelijkheid tot een surreëel gegeven, toont de perceptie
van de maker van de film van de televisiebeelden die hij op dat moment
via de reguliere kanalen ontving. De subjectiviteit van de maker in deze
film versterkt zijn boodschap duidelijk.
2:
De
hedendaagse digitale techniek zorgt voor een democratisering in het
filmproces. Als je iets te vertellen hebt, dan is het financieel
compleet haalbaar dit in een filmische vertelling te doen. In de
documentairefilm “Tempo Di Viaggo” geeft de Russische regisseur
Andrej Tarkovski een essentieel advies aan beginnende filmmakers: “Het
advies dat ik aan beginnende filmers kan geven is niet het werk, de
film, te scheiden van hun leven. Want een regisseur is als ieder ander
kunstenaar, een schilder, een poëet, een musicus. En omdat het van hen
vereist is hun eigen leven daaraan te wijden is het vreemd te zien dat
sommige regisseurs hun werk een verheven positie geven, gegeven door het
lot, en enkel hun werk uitvoeren. Ze
leven op een bepaalde manier maar maken films over iets anders. Ik zou
graag, speciaal tegen jonge regisseurs willen zeggen dat ze moreel
verantwoordelijk zijn voor hetgeen ze doen terwijl ze bezig zijn met het
maken van een film. Dat is het belangrijkste.
Bovendien moeten ze er voorbereid op zijn dat film een zeer
moeilijke en een serieuze kunst is. Het vraagt je er voor jezelf op te
offeren. Film gebruikt je leven, en niet andersom.[8]”
Ik
ben het met Tarkovski eens dat film een complete opoffering van jezelf
vraagt. Die opoffering houdt voor mij automatisch in dat er geen
onderscheid is tussen je leven en je werk. Als documentairefilmer heb je
een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van je onderwerp. Ik vraag
me af hoe je kan verlangen dat je onderwerp zich compleet blootgeeft
voor je camera wanneer je dat nog nooit zelf hebt ervaren. De relatie
tussen filmmaker en onderwerp is gelijk, daarom dat ik in mijn eerste
documentaires zelf een personage in mijn films ben geweest. Bovendien is
het belangrijk jezelf af te vragen hoe je naar de wereld kan kijken,
zonder dat je eerst naar jezelf hebt gekeken? Hoe kan je anderen
beoordelen wanneer je dit niet met jezelf hebt gedaan? Hoe kan je iets
vertellen over een situatie buiten jezelf wanneer je niet eerst naar je
eigen wereld hebt gekeken?
Het
is belangrijk de wereld om je heen constant in vraag te stellen, maar
ook de interne wereld van jezelf als maker. Bovendien is het een
leerrijk proces om te beginnen te vertellen over iets dat je al kent,
jezelf, je eigen wereld. Je ontdekt hoeveel je er nog niet over kent, en
zal genuanceerder naar buiten en anderen kijken.
Film
is een krachtig en invloedrijk medium en als documentaire maker heb je
een grote morele verplichting naar de mensen wiens leven je laat zien in
je films. Basisregel voor mij is dat je onderwerp in zijn dagdagelijkse
leven na het tonen van de film aan een publiek, er geen problemen van
ondervindt. Die regel is een knelpunt bij het regisseren van iedere
documentaire film, want een goed portret van een persoon, toont zowel de
goede als slechte kanten van een persoon.
Interessant
was de aanpak van de Poolse regisseur Krzystof Kieslowski in zijn
documentaire “First Love.” In zijn boek “Kieslowski on
Kieslowski” vertelt hij hoe hij een aantal gebeurtenissen manipuleerde
om zijn scènes meer spanning te geven. Hij volgde in deze documentaire
een pas getrouwd koppel een jaar lang. Er gebeurde niet veel dus
Kieslowski zorgde er zelf voor dat dit koppel een aantal
straatscontroles kreeg, dat in de jaren 70 in het communistische Polen,
bij dit koppel de nodige spanning creëerde. Kieslowski gebruikte ook
zijn kracht om dit koppel eerder dan normaal een goed appartement
toegewezen te laten krijgen. Maar een incident dat buiten zijn macht lag
heeft hem doen besluiten nooit meer een documentaire film te maken. Hij
draaide enkele scènes van zijn laatste documentaire in de bagagedepots
van het station in Warschau. Een paar dagen na het draaien van die scènes
werd zijn pellicule in beslag genomen. Dezelfde avond dat er gedraaid
werd had een jonge vrouw in Warschau haar ouders vermoord, in stukken
gesneden, en de koffers met de resten van het lichaam in het bagagedepot
van het station in Warschau gedaan. De politie wilde weten of zij op de
gedraaide film stond. Na onderzoek stond het meisje niet op de pellicule
van Kieslowski, maar Kieslowski besloot nooit meer een documentaire film
te maken. Hij wilde niet in het verlengstuk staan
van de politie. Hij besefte dat hetgeen dat hij draaide indirect
schadelijke gevolgen kon hebben voor de personen die hij filmde. Het
feit dat hij die indirecte schadelijke gevolgen niet zelf kon voorzien
maakte het voor onverantwoord om de mensen die hij filmde op zo’n
manier in een kwetsbare positie te brengen. Kieslowski raakt hiermee een
dilemma aan waarmee iedere documentaire maker eens mee te maken krijgt.
Belangrijk vind ik het in overweging te nemen wanneer er gevaar bestaat
voor schadelijke gevolgen voor het onderwerp of het verhaal niet op een
andere manier vertelt kan worden. Kieslowski had een oplossing voor zijn
probleem: hij maakte enkel nog fictiefilms.
3:
De
tournage garandeert niet de kwaliteit van een film, maar wel zijn
authenticiteit[9].
Om een goede authenticeit te verkrijgen is het belangrijk als
documentaire crew volledig te integreren met de omgeving waarin je
filmt. Naast de vertrouwensband die je met je onderwerp opbouwt is het
belangrijk dat ook alle technische middelen compleet in de wereld van
het onderwerp zijn geïntegreerd, om een bepaalde authenticiteit te
krijgen.
Frans
fotograaf en documentaire filmer Raymond Depardon stelt dat: “Het als
maker belangrijker is je plaats te vinden binnen de fysieke omgeving
waarin je filmt, dan de beste hoek om je beeld zo optimaal mogelijk te
krijgen[10].
In zijn film "Délits Flagrant" heeft hij zeer bewust gekozen
voor de camera opstelling. Voordat de film, die bestaat uit interviews
tussen de procureur-generaal en verdachten van een klein delict, allen
gefilmd in plan-séquence, en profil, zonder camerabeweging, gedraaid
kon worden, nam het Depardon 7 jaar in beslag toestemming te krijgen van
het Franse rechtssysteem om de film te maken. Depardon vertelt in een
interview met het Nederlandse televisieprogramma Stardust dat hij toen
hij de eerste keer in de kamer was waar hij zou gaan opnemen een
griffier aanwezig was die alle gesprekken opschreef. Zeven jaar later,
toen de opnames uiteindelijk pas plaatsvonden, was die griffier er niet
meer, maar Depardon was ervan overtuigd dat de camera de plaats van de
griffier over moest nemen. “Ik vond dat de camera een soort griffier
moest zijn die de dialoog vastlegt. Het statief hoorde bij de
inrichting, zoals een lamp of een schilderij. Een camera op statief was
discreter dan een draagbare camera. Omdat hij niet bewoog verstoorde hij
de enscenering niet.” Het is dus belangrijk bij ieder onderwerp het
juiste standpunt te kiezen om het te verfilmen. Het filmische standpunt,
maar ook de drager. Depardon wilde het onderwerp in zijn film "Délits
Flagrants" behandelen zoals de president behandeld zou worden, als
hij gefilmd werd. Daarom koos hij voor 35 millimeter en optimaal geluid
dat geperched werd. Hij wilde absoluut niet met zendmicrofoontjes
werken. Hij vond dit een verstoring van het rollenspel. Depardon zit er
in zijn opnames in zijn hoedanigheid, de gefilmde mensen in hun
hoedanigheid. Depardon was ervan overtuigd dat wanneer de film op een
kwalitatief lagere drager zou gedraaid zijn, dat dit de personen en zijn
onderwerp zou degraderen. Zo vond hij het perfecte standpunt om te
integreren met de omgeving. Depardon: “Ik ben van oorsprong een man
van het beeld. Dat is ook een taal. Maar in "Délits
Flagrants" wordt veel gesproken. Dus ik moest opeens gaan
luisteren. Door mijn functie, mijn houding, mijn afkomst, ik kom van het
platteland en ben nogal verlegen, heb ik alleen maar geregistreerd. Ik
heb de mensen alleen maar laten praten. En omdat ik vaak alleen was,
vergaten ze me. Daardoor spreekt er uit mijn films misschien net iets
meer oprechtheid.[11]"
Alhoewel het dus essentieel is je als maker volkomen te integreren in de
omgeving waarin je filmt is het belangrijk niet te vergeten wie je bent
en wat je professionele afstand is ten opzichte van je onderwerp.
Depardon: "Ik ben een plattelandsjongen die stadsmensen filmt. Met
liefde, scherpzinnigheid en humor. Maar zonder medelijden. Ik ben vrij
hard. Ik ben niet zachtzinnig".[12]
4:
De
verzamelde notities van de Franse cineast Robert Bresson "Notes sur
le cinématographe", als eerste instantie bedoeld als commentaar op
de fictiefilms blijkt uitermate geschikt om vanuit een documentaire
standpunt te bekijken. Iedere cineast spreekt in zijn eigen vocabulaire.
Kiarostami heeft het over non-acteurs, Bresson heeft het over modellen.
Met zijn uitspraak “Het zou niet belachelijk zijn tegen je modellen te
zeggen: "ik vind jullie uit zoals jullie zijn."[13]” komt Bresson dicht bij Kiarostami’s opvatting
over zijn non-acteurs waarvan hij vindt dat het het beste is dat hun rol
in de film dichtbij hun leven buiten de film ligt.
Bresson's
modellen zullen niet te zien zijn in een film, maar in een
"cinematografisch werk". Voor Bresson is dit een essentieel
verschil. Alles dat acteur is en film, is volgens Bresson verbonden met
de vooral Amerikaans industriële werkwijze, waarin reproductie en het
sterdom van de acteurs centraal staan. Dit heeft niks met het werk te
maken dat Bresson wilt maken. Hij wilt niet reproduceren, maar creëren[14].
Acteurs behoren volgens hem tot een andere kunstvorm en verschillende
kunstvormen zijn niet met elkaar te vermengen[15].
Een acteur hoort thuis in het theater, waar hij op een ingestudeerde
manier met theatrale natuurlijkheid het leven kan kopiëren,
ingecalculeerd op gevoelens die bestudeerd en aangeleerd zijn[16].
Dit hoort volgens Bresson absoluut niet thuis op het witte doek. Daar
hoort zijn model op thuis die niet het leven kopieert, maar het voor de
camera ervaart, zoals in de realiteit. Volgens Bresson is 90% van de
bewegingen die we maken gebaseerd op gewoonten en automatisme[17].
Het is voor hem onmogelijk dit een acteur, gecontroleerd door zijn
discipline en wil, in een cinematografisch werk te laten doen. Hij laat
zijn modellen hun bewegingen 20 keer repeteren, zoals een machine, en
filmt het pas wanneer de bewegingen eigen zijn geworden aan de modellen.
Hetzelfde gebeurt met de tekst, die pas uitgesproken wordt na vele
repetities, zonder dat hun geest er deel aan neemt waardoor de manier
van het uitspreken uiteindelijk overeen komt met de ware natuur van het
model[18].
Volgens
Bresson is een acteur in een cinematografisch werk, als in een vreemd
land, hij spreekt de taal niet[19]. Ik ben het met Bresson eens dat een acteur in veel
filmische werken onnatuurlijk aanvoelt. Maar ik vraag me daar hardop bij
af of dit enkel het probleem van een acteur binnen een filmische
reconstructie is, of dat er al een probleem schuilt binnen die filmische
reconstructie. Ik ben ervan overtuigd dat bepaalde vertellingen ervaren
acteurs nodig hebben die op commando situaties en gevoelens kunnen
reproduceren. De kernvraag hierbij is: wanneer heeft een verhaal dit
nodig, en wanneer kan een verhaal verteld worden met echte mensen, in
een kunstmatige situatie, of met echte mensen in echte situaties met
echte gevoelens? Ik ben van mening dat je als filmmaker open moet staan
voor verschillende genres en werkwijzen. Je moet je bij ieder onderwerp
afvragen wat voor soort vertelling de te behandelen thematiek het meest
versterkt. Dit kan fictie zijn, maar ook documentaire of experimentele
film, of een overlappinggebied daar binnen in. Ik denk dat het probleem
van de acteur binnen veel speelfilms niet de acteur zelf is, maar de
verkeerde keuze van de regisseur om een fictieve filmische vertelling te
maken met personen die personages reconstrueren en niet creëren. Dit
omdat veel films volgens gangbare conventies worden gemaakt, en er te
weinig kritisch gekeken wordt naar nieuwe of andere of minder evidente
tussenvormen. Als een echt bestaand persoon die in de situatie leeft van
het verhaal dat je wilt vertellen, en als het verhaal beter is in een
documentaire setting, dan een fictieve reconstructie, waarom dan een
fictie film maken ? En wanneer men een fictiefilm maakt, waarom zou men
dan gebruik maken van professionele acteurs ? Ik denk dat het probleem
van de acteur, zoals Bresson erover praat in veel films aanwezig is,
omdat dit soort acteurs er niet in thuis horen.
Ondanks
dat Bresson in zijn geschrift beweert dat een regisseur vooral zichzelf
moet regisseren en niet iemand anders[20]
heeft hij een strakkere hand in de acties en dialogen die de
modellen uitvoeren dan bijvoorbeeld de non-acteurs in Kiarostami’s
films.. Toch heeft Bresson een aantal interessante opvattingen die ook
opgaan bij het kiezen van personages van een documentaire film. Het
allerbelangrijkste bij het kiezen van een model, was voor Bresson de
stem van zijn model[21]. Ik ben het met hem eens dat een stem veel verteld
over hoe iemand in elkaar zit, wat zijn zelfbeeld is, in hoeverre iemand
dicht bij zichzelf staat, of vooral niet. Voor mij is het essentieel dat
iemand die een dragende rol in een film inneemt, zijn of haar stem past
bij de sfeer die je wilt oproepen. Het eerste criterium bij het
uitzoeken van mijn personages is het persoonlijk verhaal dat ze met zich
meedragen. Maar om het filmisch over te kunnen brengen moet een persoon
over de juiste présence beschikken. De présence is niet enkel het
uiterlijk, maar vooral ook het ritme en klankkleur van een persoon. Een
stem is een essentieel onderdeel ervan. Het innerlijke ritme van de
persoon wordt vooral duidelijk gemaakt door het stemgebruik, de
intonatie en het ritme van woorden en stiltes. Bresson: “De stem
schetst me zijn mond, ogen, zijn gezicht, een totaal portret, zowel
interieur als exterieur, beter dan dat iemand voor me zou staan. Het is
de beste ontcijfering bereikt door het gehoor”[22].
Ook
is het volgens Bresson onmogelijk om de realiteit vast te leggen. De
werkelijkheid die bij de geest is aangekomen is al geen werkelijkheid
meer. Ons oog denkt teveel, het is te intelligent.
Er
zijn twee soorten werkelijkheid: 1: De ruwe werkelijkheid, opgenomen
door de camera. 2: Hetgeen dat we werkelijkheid noemen en dat we
vervormd zien. Vervormd door de herinnering, en foute inschattingen. Het
probleem is, je moet laten zien wat je ziet, door middel van een machine
die niet ziet wat je ziet[23].
Ook
Bresson hamert er dus op dat de werkelijkheid weergegeven in een
cinematografisch werk, een interpretatie daarvan is door de maker.
“Geen enkel menselijk oog, geen enkel potlood, penceel of krijt heeft
de mogelijkheid te vangen wat een camera kan die dat doet met de ruwe
onwetendheid van een machine, zonder te weten wat het is”[24].
Ik
ben het niet met Bresson eens dat hetgeen dat door een camera gezien
wordt, afwijkt van hetgeen dat de maker ziet. Ik ben ervan overtuigd dat
een camera er juist voor zorgt dat de wijze hoe een documentairefilmer
de wereld bekijkt, zichtbaar wordt gemaakt voor andere mensen. Het is de
kracht van het juiste gebruik van de camera die ervoor zorgt dat die
blik zichtbaar wordt. Het is dus essentieel dat een filmer zich bewust
is van alle mogelijkheden die een camera biedt, en weet hoe hij de
camera moet bedienen om zijn wereld toonbaar te maken. Dit is enkel
vakmanschap. Een kok weet hoe hij door middel van ingrediënten de
juiste smaakpupillen wakker maakt en zorgt ervoor dat hij de eter de
ervaring geeft die hij ze wilt geven. Een violist weet welke noten hij
speelt, wat de verhouding ten opzichte van elkaar is en hoe dit overkomt
bij de luisteraar. Het is belangrijk dat de documentairefilmer de
cinematografische taal beheerst en kent, en vooral dat hij zich deze
taal eigen maakt, om zo in zijn eigen taal, zijn wereld toonbaar te
maken. Om dit te kunnen doen is niet enkel de cameravoering van
essentieel belang, maar vooral ook de montage. De cinematografische
constructie is de ultieme gelegenheid om elementen die voor anderen niks
met elkaar te maken hebben logischer wijs te verbinden. Bovendien is het
vastleggen van de beelden en scènes’s in een opeenvolgende
constructie een uitermate belangrijk stadium om een dramatische lijn
vast te leggen die een cinematografische vertelling nodig heeft om bij
een publiek over te komen. De afzonderlijke scènes hoeven daarvoor niet
dramatisch te zijn. Volgens Bresson is de realiteit niet dramatisch. Het
drama wordt geboren uit een samenloop van niet dramatische elementen[25].
Ontroer niet met ontroerende beelden, maar met de relaties tussen
beelden, die soms levendig, en soms ontroerend zijn[26].
Alhoewel
Bresson in zijn "Notes sur le Cinématographe" erop hamert dat
een tournage van een film voorbereid moet worden als een militair
gevecht[27]
is het volgens hem ook essentieel je tijdens het draaien van een film
onwetend op te stellen en een intense nieuwsgierigheid te hebben[28].
De beste toevalligheden komen volgens Bresson voort uit precisie. Het is
een kwestie van het slechte te vermijden en het goede aan te trekken, en
hiermee van te voren al rekening houden en een plaats ervoor openhouden
in je compositie[29]. Bresson
verwijst naar een gesprek tussen Renoir en Matisse waarin Renoir vertelt
dat hij bloemboeketten vaak schildert aan de andere kant van het
schilderij waar hij ze niet voorzien had. Als documentairemaker is het
essentieel toevalligheden in te rekenen in je compositie. En Bresson
heeft gelijk dat dit gedaan kan worden met redelijke precisie. Wanneer
je als documentairemaker de drijfveren en karakters van je personages
kent, kun je voorspellen wat er gebeurt wanneer je deze karakters samen
zet (zoals Kiarostami dat doet in zijn auto in "Ten") of wat
er kan gebeuren als je ze in een bepaalde situatie mis en situeert
(Lozinski’s zoontje in het park in "Anything Can Happen").
Volgens
Bresson ligt de werkelijkheid niet in de levende personen of de objecten
waarmee je werkt. Het is de indruk van de werkelijkheid die de beelden
krijgen wanneer je ze samen legt in een bepaalde volgorde. Aan de andere
kant, de suggestie van de werkelijkheid die de beelden krijgen wanneer
je ze in een bepaalde volgorde samen brengt geeft een bepaalde
werkelijkheid aan de personen en objecten[30].
Een cinematografische werkelijkheid heeft niks te maken met de
realiteit. Een cinematografische werkelijkheid kan een diepere realiteit
tonen die men nooit gezien zou hebben als het niet zo vastgelegd zijn
door de maker, zijn beelden, gerangschikt in een bepaalde volgorde. Ik
zie de cinematografische werkelijkheid niet als een afspiegeling van de
realiteit, maar als commentaar daarop. En dit is hetgeen dat voor mij
vereist is voor een interessant cinematografisch werk. Het is een
belangrijk onderdeel van de kunst om commentaar te leveren op de
maatschappij. Alles in vraag te stellen, en als dit kan door middel van
subjectieve interpretaties van een werkelijkheid, dan heb ik daar geen
problemen van. Abas Kiarostami heeft het niet over een cinematografische
werkelijkheid, of een interpretatie ervan, hij heeft het gewoon over
liegen. "Alles dat we vertellen is een grote leugen. Onze kunst is
het dusdanig te vertellen dat men het geloofd. Of een deel nu
documentaire is, of gereconstrueerd, het is onze werkwijze en daar heeft
het publiek niks mee te maken. Het belangrijkste is dat we een serie van
leugens achter elkaar plaatsen om tot een ruimere werkelijkheid te
komen. Dit zijn geen echte leugens, maar toch enigszins waar. Dat is
belangrijk. We nemen hier wat, en wat van daar, we huren een huis, en
zeggen dit is je huis en je ouders. Het is allemaal een leugen, niks is
echt, maar we suggereren de waarheid van een familie"[31].
Kiarostami
noemt het een verzameling leugens bij elkaar brengen, Bresson noemt het
een indruk van de werkelijkheid, en ik noem het de realiteit
reconstrueren. De reconstructie van de werkelijkheid, of dit nu een
indruk of een interpretatie daarvan is of een verzameling leugens, is
naar mijn mening een essentieel uitgangspunt om tot een authentieke
filmsche compositie te komen. Die authentieke filmische compositiie is
niet alleen een reflectie van de losse elementen van de werkelijkheid
die vastgelegd zijn, maar tegelijkertijd ook het commentaar van de maker
daarop. Deze twee lagen zijn voor essentieel om tot een cinematografisch
werk te komen, dat in Bresson's terminologie, de film overstijgt.
Laat
dingen zien die zonder jou misschien nooit gezien zouden zijn[32].