3hv5_3
De eenheid van versnelling a is meters per seconde-kwadraat (m/s2). Hoe kan dat? Zijn dat soms ‘vierkante seconden’?
|
Snelheid betekent dat iedere seconde de afstand groter wordt. |
Versnelling betekent dat iedere seconde de snelheid groter wordt. |
|
Snelheid is verandering van afstand per seconde |
Versnelling is verandering van snelheid per seconde |
|
|
|
|
Als je van deze formules de eenheden opschrijft, gebruik je rechte haken eromheen. |
|
|
Hiermee laat je zien dat de eenheid van snelheid is opgebouwd uit de eenheden van afstand en die van tijd. Hiernaast zie je op dezelfde manier hoe de eenheid voor versnelling is opgebouwd uit de eenheden voor snelheid en tijd. Ga zelf na dat je ook de eenheid voor de veerconstante zo kunt verklaren uit hoofdstuk 1. |
Dit mag ik ook schrijven als:
Delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde:
En zie hier de m/s2 verklaard. |
|
22 |
Als de snelheid steeds toeneemt, naarmate de tijd vordert. |
|
|
23 |
Als de snelheid steeds afneemt, naarmate de tijd vordert. |
|
|
24 |
Je maakt de tikkerstrook vast aan het auto’tje. De strook gaat in de tikker die je aanzet en laat de auto rijden. Op de strook verschijnen nu stipjes waarvan je de afstand kunt opmeten. De tijd tussen de stippen is constant en wordt bepaald door de tikker. |
|
|
25a |
Vertraagd |
Snelheid neemt af |
|
b |
Eenparig (constant) |
Snelheid varieert niet |
|
c |
Versneld |
Snelheid neemt toe |
|
d |
Vertraagd |
Remmen is steeds langzamer gaan |
|
26 |
Nee dat kun je niet. Je weet namelijk niet of de strook van links naar rechts (versneld) of van rechts naar links door de tikker is gegaan (vertraagd). |
Zie figuur 14 van je wb. |
|
27a |
ttotaal = 17 * 0,01 = 0,17 (s) stotaal = 14,6 (cm) = 0,146 (m) vgem = stot / ttot
= 0,146 / 0,17
= 0,86 (m/s) |
Zie figuur 15 van je wb. Nu is aangegeven waar de beweging is begonnen. |
|
b |
Ds = 3,6 (cm) = 0,036 (m) Dt = 0,03 (s) vmax =Ds / Dt =0,036 / 0,03 = 1,2 (m/s) |
Maximale v is daar waar de puntjes het verste uit elkaar staan. Dat is tussen puntje 8 en 11. Gebruik weer Ds en Dt. Het gaat niet om de totale afstand en tijd maar om een gedeelte van de beweging. |
|
28 |
vraag a = 4: eenparige beweging vraag b = 2: eenparige beweging vraag c = 3: vertraagde beweging vraag d = 1: versnelde beweging vraag e = 6: eenparige beweging vraag f = 5: versnelde beweging vraag g = 7:vertraagde beweging |
Zie figuur 16 van je wb. Het is een (s-t)-diagram dus de steilheid zegt iets over de snelheid van de beweging. Rechte lijn betekent constante snelheid; Kromme lijnen betekenen versnelling, zie opg 22 of vertraging, zie opg 23 |
|
29a |
zie boven |
|
|
b |
ttotaal = 105 (s) stotaal = 280 (m) vgem = stot / ttot =280 / 105
= 2,67 (m/s)
= 2,67 * 3,6 = 9,6 (km/h) |
|
|
30a |
t
= 4,0 (s) v
= 7,5 (m/s) a
= v / t = 7,5 / 4,0 = 1,9 (m/s2) |
Nu komt het er op aan dat je de juiste gegevens opschrijft voor je begint met rekenen. s = 500 (m) is niet belangrijk en hoef je niet op te schrijven bij je gegevens. |
|
b |
t = 6,0 (s) v = 290 (m/s) a
= v / t
= 290 / 6,0
= 48,3 (m/s2) |
|
|
c |
t = 5,0 (s) Dv = veind - vbegin =
90-63 = 27 km/h
= 27 / 3,6 = 7,5 (m/s) a
= Dv
/ t
= 7,5 / 5,0 = 1,5 (m/s2) |
In deze opgave zitten 2 moeilijkheden. Je moet de snelheidstoename nemen, dus Dv. en de snelheid is gegeven in km/h |
|
31 |
vbegin = 4,0 (m/s) t = 3,2 (s) a
= 0,70 (m/s2) a
= Dv
/ t Dv = a * t =0,70 * 3,2 = 2,24 (m/s) veind = vbegin + Dv = 4,0 + 2,24 = 6,24 (m/s) |
Je berekent met de formule de snelheidstoename, dus Dv. Maar er wordt naar de eindsnelheid gevraagd, dus die moet je er nog bij optellen. |
|
32 |
vbegin = 8 (m/s) veind = 0 (m/s) Dv
= veind - vbegin = 0 – 8 = - 8 (m/s) t = 17 (s) a
= Dv
/ t
= -8 / 17 = - 0,47 (m/s2) |
Het gaat hier om een vertraagde beweging. Met de notatie Dv = veind - vbegin zie je dat vertraging ook een “versnelling” is, maar dan negatief. |
|
33a |
a
= 9,8 (m/s2) t
= 2,5 (s) v
= a * t
= 9,8 * 2,5 = 24,5 (m/s) |
|
|
b |
v = 180 (km/h) = 180 / 3,6 = 50 (m/s) |
|
|
c |
De val wordt afgeremd door de luchtweerstand. Op een gegeven moment is de versnelling en de vertraging even groot en heffen elkaar dus op. |
In de paragraaf 5 leer je dat kracht (bijv zwaartekracht) en versnelling iets met elkaar te maken hebben. |
|
d |
vbegin = 50 (m/s) veind = 9 (m/s) Dv
= veind - vbegin = 9 – 50
= - 41 (m/s) t
= 3,0 (s) a
= Dv
/ t
= -41 / 3,0 = - 13,7 (m/s2) |
|