3.3 Electrical Terminology.
Vraag 1.
Hoe noemt men potentiaalverschil?
Antwoord.
Vraag 2.
Met welke letter geven we spanning aan?
Antwoord.
Vraag 3.
Waarin drukken we spanning uit?
Antwoord.
Vraag 4.
Hoe noemen we de aansluitingen van een spanningsbron?
Antwoord.
Vraag 5.
Teken het symbool van een accu.
Antwoord.
Vraag 6.
Teken het symbool van een generator.
Antwoord.
Vraag 7.
Teken het symbool van een bus.
Antwoord.
Vraag 8.
Geef een schematische voorstelling van een bussysteem met lamp en generator.
Antwoord.
Vraag 9.
Noem twee veel gebruikte spanningen in vliegtuigen.
Antwoord.
Vraag 10.
Hoeveel volt is.
1 kilo Volt?
4 milli Volt?
7 micro Volt?
Vraag 11.
Met wat voor meter meten we spanning?
Antwoord:
Vraag 12.
Met wat voor meter meten we stroom?
Antwoord:
Vraag 13.
Met wat voor meter meten we vermogen?
Antwoord:
Vraag 14.
Wat is een universeelmeter?
Antwoord:
Vraag 15.
Wat betekent AC?
Antwoord:
Vraag 16.
Wat betekent DC?
Antwoord:
Vraag 17.
Hoe noemen we de spanning van een onbelaste spanningsbron?
Antwoord:
Vraag 18.
Met welke letter geven we de weerstand aan?
Antwoord:
Vraag 19.
Spanning "staat over/loopt door" een weerstand.
Antwoord:
Vraag 20.
Stroom "loopt door/staat over"een weerstand.
Antwoord:
Vraag 21.
Wat is het verschil tussen een analoge universeelmeter en een elektronische analoge universeelmeter?
Antwoord:
Vraag 22.
Geef de wet van Ohm.
Antwoord:
Vraag 23.
Over een weerstand van 50 Ω staat een spanning van 100 V. Bereken de stroom door de weerstand.
Antwoord:
Vraag 24.
Over een weerstand van 50 Ω staat een spanning van 400 V. Bereken de stroom door de weerstand.
Antwoord:
Vraag 25.
Door een weerstand van 60 Ω gaat een stroom van 6 A. Bereken de spanning over de weerstand.
Antwoord:
Vraag 26.
Door een weerstand van 22 Ω gaat een stroom van 2 A. Bereken de spanning over de weerstand.
Antwoord:
Vraag 27.
Door een weerstand gaat een stroom van 4 A. De spanning over de weerstand is 40 V.
Bereken de stroom door de weerstand indien de
spanning wordt vehoogt tot 100 V
Antwoord:
Vraag 28.
Door een weerstand van 18 Ω loopt een stroom van 2 A. Bereken de spanning over de weerstand.
Antwoord:
Vraag 29.
Door een apparaat loopt een stroom van 5A. Over het apparaat staat een spanning van 60V.
Bereken de weerstand van het apparaat.
Antwoord:
Vraag 30.
Door een apparaat loopt een stroom van 3A. Over het apparaat staat een spanning van 90V.
Bereken de weerstand van het apparaat.
Antwoord:
Vraag 31.
Door een apparaat loopt een stroom van 8A. Over het apparaat staat een spanning van 72V.
Bereken de weerstand van het apparaat.
Antwoord:
Vraag 32.
Wat is een legering?
Antwoord:
Vraag 33.
Waarom worden weerstanden van metaallegeringen gemaakt?
Antwoord:
Vraag 34.
Noem vijf metaallegeringen waarvan weerstanden worden gemaakt en hun toepassingen.
Antwoord:
--------------------------