3.14 Resistive (R), Capacitive (C) and Inductive (L) circuits
Vraag 1.
Waarom laat een condensator wel wisselspanning maar geen gelijkspanning door?
Antwoord:
Vraag 2.
Wanneer zegt men dat een sinusvormige stroom en spanning in fase zijn?
Antwoord:
Vraag 3.
Zijn de spanning en stroom bij een ohmse weerstand in fase of uit fase?
Antwoord:
Vraag 4.
Teken de spanning en stroom van een weerstand aangesloten op een sinusvormige wisselspanning in ��n grafiek.
De spanning 10 Veff en de stroom is 10 ma eff.
Antwoord:
Vraag 5.
Teken het vectordiagram van de stroom en spanning van een weerstand aangesloten op een wisselspanning.
antwoord:
Vraag 6.
Wanneer spreekt men van een faseverschuiving?
Antwoord:
Vraag 7.
Ijlt de stroom in een condensator voor of na op de spanning?
Antwoord:
Vraag 8.
Teken de spanning en stroom van een condensator aangesloten op een sinusvormige wisselspanning in ��n grafiek.
De spanning 10 Veff en de stroom is 10 mA eff.
Antwoord:
Vraag 9.
Teken het vectordiagram van de stroom en spanning van een condensator aangesloten op een wisselspanning.
antwoord:
Vraag 10.
Teken het vectordiagram van de stroom en spanning van een condensator.
antwoord:
Vraag 11.
Hoe noemt men de schijnbare weerstand van een condensator?
Antwoord:
Vraag 12.
Een condensator is aangesloten op een spanning van 115 V.
Door de condensator loopt een stroom van 10 mA.
Bereken de wisselstroomweerstand van de condensator.
Antwoord:
Vraag 13.
Een condensator is aangesloten op een spanning van 220 V.
Door de condensator loopt een stroom van 100 mA.
Bereken de wisselstroomweerstand van de condensator.
Antwoord:
Vraag 14.
Geef de formule van de schijnbare weerstand van een condensator.
Antwoord:
Vraag 15.
Gegeven een condensator van 1 �F.
Bereken de wisselstroomweerstand van deze condensator in dien deze wordt aangesloten op een spanning met een frequentie
van respectievelijk 5 Hz, 50 Hz en 500 Hz.
Antwoord:
Vraag 16.
Noem enige toepassingen van een condensator in de wisselstroomtechniek.
Antwoord:
Vraag 17.
Ijlt de stroom in een spoel voor of na op de spanning?
Antwoord:
Vraag 18.
Teken het vectordiagram van de stroom en spanning van een spoel aangesloten op een wisselspanning.
Antwoord:
Vraag 19.
Teken de spanning en stroom van een spoel aangesloten op een sinusvormige wisselspanning in ��n grafiek.
De spanning 10 Veff en de stroom is 10 mA eff.
Antwoord:
Vraag 20.
Een spoel is aangesloten op een spanning van 300 V.
Door de spoel loopt een stroom van 10 mA.
Bereken de wisselstroomweerstand van de spoel.
Antwoord:
Vraag 21.
Een spoel is aangesloten op een spanning van 220 V.
Door de spoel loopt een stroom van 50 mA.
Bereken de wisselstroomweerstand van de spoel.
Antwoord:
Vraag 22.
Gegeven spoel van 100 mH.
Bereken de wisselstroomweerstand van deze spoel in dien deze wordt aangesloten op een spanning met een frequentie
van respectievelijk 5 Hz, 50 Hz en 500 Hz.
Antwoord:
Vraag 23.
Wat verstaat men onder een ideale spoel?
Antwoord:
Vraag 24.
Geef de formule van de schijnbare weerstand van een spoel.
Antwoord:
Vraag 25.
Hoe noemt men de wisselstroomweerstand van een ideale spoel?
Antwoord:
Vraag 26.
Waarom bestaan er geen ideale spoelen?
Antwoord:
Vraag 27.
Teken het vervangschema van een niet ideale spoel.
Antwoord:
Vraag 28.
Hoe noemt men de totale weerstand van de serieschakeling van ohmse weerstand en inductantie?
Antwoord:
Vraag 29.
Tekent men bij het vectordiagram van een serieschakeling de stroom of de spanning op de horizontale as?
Antwoord:
Vraag 30.
Op welke as zet men bij een serieschakeling de stroom uit, de horizontale of de verticale as?
Antwoord:
Vraag 31.
Gegeven een spoel met een ohmse weerstand van 3 Ω.
De inductantie is 4 Ω
Teken de serieschakeling en de weerstandsdriehoek. Bereken de totale impedantie van de schakeling, de cosφ en de faseveschuiving.
Antwoord:
Vraag 32.
Gegeven een spoel met een ohmse weerstand van 20 Ω.
De inductantie is 60 Ω
Teken de serieschakeling en de weerstandsdriehoek. Bereken de totale impedantie van de schakeling, cosφ en de faseveschuiving.
Antwoord:
Vraag 33.
Teken het vectordiagram van een condensator in serie met een weerstand.
Antwoord:
Vraag 34
Gegeven een condensator met een Xc van 100 Ω in serie met een ohmse weerstand van 20 Ω.
Teken de serieschakeling en de weerstandsdriehoek. Bereken de totale impedantie van de schakeling, cosφ en de faseveschuiving.
Antwoord:
Vraag 35
Gegeven een condensator met een Xc van 120 Ω in serie met een ohmse weerstand van 50 Ω.
Teken de serieschakeling en de weerstandsdriehoek. Bereken de totale impedantie van de schakeling, cosφ en de faseveschuiving.
Antwoord:
Vraag 36.
Tekent men bij het vectordiagram van een parallelschakeling de stroom of de spanning op de horizontale as?
Antwoord:
Vraag 37.
Teken een parallelschakeling van een condensator en een weerstand en teken het bijbehorende vectordiagram.
Antwoord:
Vraag 38.
Gegeven een condensator met een Xc van 100 Ω parallel met een ohmse weerstand van 100 Ω.
De schakeling is aangesloten op een spanning van 100V.
Teken de schakeling en het vectordiagram. Bereken de totale impedantie van de schakeling, cosφ en de faseveschuiving.
Antwoord:
Vraag 39.
Gegeven een condensator met een Xc van 150 Ω parallel met een ohmse weerstand van 50 Ω.
De schakeling is aangesloten op een spanning van 100V.
Teken de schakeling en het vectordiagram. Bereken de totale impedantie van de schakeling, cosφ en de faseveschuiving.
Antwoord:
Vraag 40.
Geef de formule van het vermogen bij wisselstroom.
Antwoord:
Vraag 41.
Wat verstaat men bij wisselstroom onder het schijnbaar vermogen en waarin wordt dat uitgedrukt?
Antwoord:
Vraag 42.
Hoe wordt de cosφ ookwel genoemd?
Antwoord:
Vraag 43.
Wat verstaat men bij wisselstroom onder het werkelijk vermogen en waarin wordt dat uitgedrukt?
Antwoord:
Vraag 44.
Wat verstaat men bij wisselstroom onder het blind vermogen en waarin wordt dat uitgedrukt?
Antwoord:
Vraag 45.
Gegeven een spoel met in serie een ohmse weerstand van 3 Ω.
De inductantie is 4 Ω. De schakeling is aangesloten op een spanning van 5V.
Teken de weerstandsdriehoek. Bereken de totale impedantie van de schakeling, de stroom door de schakeling, de cosφ,
het schijnbaar vermogen, het werkelijk vermogen en het blind vermogen.
Antwoord:
Vraag 46.
Een apparaat van 115 V neemt een stroom op van 5A.
De arbeidsfactor is 0,8.
Bereken Ps, Pw, Z, R, XL.
Antwoord:
Vraag 47.
Een apparaat van 220 V neemt een stroom op van 5A.
De arbeidsfactor is 0,9.
Bereken Ps, Pw, Z, R, XL.
Antwoord:
========================================