OEFENVRAGEN HOOFDSTUK 5 en 6
HOOFDSTUK 5 WISSELSTROOMBEGRIPPEN
Vraag 1.
Geef de definitie van een wisselspanning.
Antwoord:
Vraag 2.
Hoe kunnen we een wisselspanning opwekken?
Antwoord:
Vraag 3.
Teken een blokspanning als wisselspanning.
Antwoord:
Vraag 4.
Teken een driehoekspanning als wisselspanning.
Antwoord:
Vraag 5.
Teken een zaagtandspanning als wisselspanning.
Antwoord:
Vraag 6.
Geef de formule van de periodetijd en de frequentie.
Antwoord:
Vraag 7.
Gegeven een wisselspanning met een frequentie van 50 Hz.
Bereken de periodetijd.
Antwoord:
Vraag 8.
Gegeven een wisselspanning met een frequentie van 400 Hz.
Bereken de periodetijd.
Antwoord:
Vraag 9.
Wat verstaan we bij een wisselspanning onder de momentele waarde?
Antwoord:
Vraag 10.
Wat verstaan we bij een wisselspanning onder de maximale waarde of topwaarde?
Antwoord:
Vraag 11.
Wat verstaan we bij een wisselspanning onder de top-top waarde?
Antwoord:
Vraag 12.
Wat verstaan we bij een wisselspanning onder de gemiddelde waarde?
Antwoord:
Vraag 13.
Wat verstaan we bij een wisselspanning onder de effectieve waarde?
Antwoord:
Vraag 14.
De amplitude van een wisselspanning is 311V.
Bereken de gemiddelde waarde van deze spanning.
Antwoord:
Vraag 15.
De effectieve waarde van een wisselspanning is 115 V.
Bereken de amplitudewaarde van deze wisselspanning.
Antwoord:
Vraag 16.
De amplitude van een wisselspanning is 311V.
Bereken de effectieve waarde van deze spanning.
Antwoord:
Vraag 17.
Geef de formule van de cirkelfrequentie.
Antwoord:
Vraag 18.
Hoe wordt de cirkelfrequentie ook wel genoemd?
Antwoord:
Vraag 19.
Wat verstaan we onder de fasehoek bij een wisselspanning?
Antwoord:
Vraag 20.
Twee wisselspanningsbronnen met een topwaarde van 10V staan met elkaar in serie.
De faseverschuiving is 0 graden.
Bereken de topwaarde van de resulterende spanning.
Antwoord:
Vraag 21.
Twee wisselspanningsbronnen met een topwaarde van 10V staan met elkaar in serie.
De faseverschuiving is 90 graden.
Bereken de topwaarde van de resulterende spanning.
Antwoord:
Vraag 22.
Twee wisselspanningsbronnen met een topwaarde van 10V staan met elkaar in serie.
De faseverschuiving is 180 graden.
Bereken de topwaarde van de resulterende spanning.
Antwoord:
Vraag 23.
Gegeven U1max = 25 V
Gegevev U2max = 30 V
De fasehoek ? = 0 graden.
Bepaal de resulterende spanning.
Antwoord:
Vraag 24.
Gegeven U1max = 50 V
Gegevev U2max = 50 V
De fasehoek ? = 90 graden.
Teken het vector diagram
Antwoord:
Vraag 25.
Gegeven het onderstaande plaatje.
De verticale as staat op 5V/div.
Wat is de topwaarde van deze spanning?
Antwoord:
Vraag 26.
Gegeven het onderstaande plaatje.
De horizontale as staat op 5�s/div
Wat is de periodetijd van deze spanning?
Antwoord:
Vraag 27.
Gegeven het onderstaande plaatje.
De horizontale as staat op 25�s/div
Wat is de frequentie van deze spanning?
Antwoord:
Vraag 28.
Gegeven het onderstaande plaatje.
De horizontale as staat op 10�s/div
Wat is de frequentie van deze spanning?
Antwoord:
Vraag 29.
Gegeven het plaatje van een scoopbeeld.
In dien het beeld is ingesteld op 50�s/div, wat is dan de periodetijd?
Antwoord:
Vraag.
30
Gegeven het plaatje van een scoopbeeld.
In dien het beeld is ingesteld op 20�sdiv, wat is dan de frequentie?
Antwoord:
HOOFDSTUK 6.
Vraag: 1.
Wat is de elektronenspin?
Antwoord:
Vraag 2.
Wat is een permanente magneet?
Antwoord:
Vraag 3.
Wat is een elektromagneet?
Antwoord:
Vraag 4.
Noem drie metalen waarop magneten een kracht uitoefenen.
Antwoord:
Vraag 5.
Hoe noemen we de polen van een magneet?
Antwoord:
Vraag 6.
Hoe kunnen we de richting van een magnetisch veld bepalen?
Antwoord:
Vraag 7.
Hoe lopen veldlijnen buiten een magneet?
Antwoord:
Vraag 8.
Hoe lopen veldlijnen binnen een magneet?
Antwoord:
Vraag 9.
Wat verstaan we onder de magnetische flux?
Antwoord:
Vraag 10.
Waarin wordt de magnetische flux uitgedrukt?
Antwoord:
Vraag 11.
Wat verstaan we onder de fluxdichtheid?
Antwoord:
Vraag 12.
Waarin wordt de fluxdichtheid uitgedrukt?
Antwoord:
Vraag: 13.
Een magneet heeft een oppervlakte aan de polen van 5 cm2 en een fluxdichtheid van 0,6 T.
Hoe groot is de magnetisch flux van deze magneet?
Antwoord:
Vraag: 14.
Een magneet heeft een oppervlakte van 10 cm2.
De fluxdichtheid is 15 T.
Bereken de magnetische flux van deze magneet.
Antwoord:
Vraag 15.
Een magneet heeft een flux van 150 Wb.
De oppervlakte van de magneetpolen is
15cm2.
Bereken de fluxdichtheid.
Antwoord:
Vraag 16.
Een magneet heeft een flux van 1400 Wb.
De oppervlakte van de magneetpolen is
70cm2.
Bereken de fluxdichtheid.
Antwoord:
Vraag 17.
Indien de stroom door een geleider van ons af gaat, welke richting draait dan het magnetisch veld?
Antwoord:
Vraag 18.
Gegeven een een magneet met een flux van 0,3 Wb. Deze magneet wordt in een veld met een sterkte van 4000 A/m gebracht.
Bereken de kracht die op de magneet wordt uitgeoefend.
Antwoord:
Vraag 19.
Gegeven een een magneet met een flux van 0,5 Wb.
Deze magneet wordt in een veld met een sterkte van 1500 A/m gebracht.
Bereken de kracht die op de magneet wordt uitgeoefend.
Antwoord:
Vraag 20.
Een magneet wordt in een veld gebracht met een veldsterkte van 1000 A/m.
De magneet ondervindt een kracht van 10 N.
Bereken de flux van de magneet.
Antwoord:
Vraag 21.
Een magneet wordt in een veld gebracht met een veldsterkte van 6000 A/m.
De magneet ondervindt een kracht van 6 N.
Bereken de flux van de magneet.
Antwoord:
Vraag 22.
Gegeven het volgende plaatje:
Loopt de stroom naar ons toe of van ons af?
Antwoord:
Vraag 23.
Gegeven het volgende plaatje:
Loopt de stroom naar ons toe of van ons af?
Antwoord:
Vraag 24.
Gegeven een geleider waardoor een stroom loopt van 10 A.
Bereken de veldsterkte op 10cm afstand van deze geleider.
Antwoord:
Vraag 25.
Gegeven een geleider waardoor een stroom loopt van 400 A.
Bereken de veldsterkte op 30cm afstand van deze geleider.
Antwoord:
Vraag 26.
Gegeven een spoel van 1000 windingen met een lengte van 10 cm
waardoor een stroom van 4 A door gaat.
Bereken de veldsterkte binnen deze spoel.
Antwoord:
Vraag 27.
Gegeven een spoel van 400 windingen met een lengte van 8 cm
waardoor een stroom van 1 A door gaat.
Bereken de veldsterkte binnen deze spoel.
Antwoord:
Vraag 28.
Gegeven een spoel van 250 windingen met een lengte van 5 cm
waardoor een stroom van 0,4 A door gaat.
Bereken de veldsterkte binnen deze spoel.
Antwoord:
Vraag 29.
Wat verstaan we onder een strooiveld?
Antwoord:
Vraag 30.
Gegeven het onderstaande plaatje.
De stroom door de windingen is 2A.
Bereken de veldsterkte in de kern.
Antwoord:
Vraag 31.
Hoe wordt een open spoel ook wel genoemd?
Antwoord:
Vraag 32.
Geef de kurkentrekkerregel:
Antwoord:
Vraag 33.
Wat is een weissgebiedje?
Antwoord:
Vraag 34.
Wat verstaat men onder onder magnetische inductie?
Antwoord:
Vraag 35.
Wanneer is een ijzeren kern magnetisch verzadigd?
Antwoord:
Vraag 36.
Wat is de permeabiliteit?
Antwoord:
Vraag 37.
Hoe worden stoffen genoemd die fluxvergrotende eigenschappen hebben?
Antwoord:
Vraag 38.
Wat is de absolute permeabiliteit?
Antwoord:
Vraag 39.
Met welke letter wordt de absolute permeabiliteit aangegeven?
Antwoord:
Vraag 40.
Wat is de relatieve permeabiliteit?
Antwoord:
Vraag 41.
Wat zijn diamagnetische stoffen?
Antwoord:
Vraag 42.
Wat zijn paramagnetische stoffen?
Antwoord:
Vraag 43.
Wat zijn ferromagnetische stoffen?
Antwoord:
Vraag 44.
Hoe wordt een magnetisch zacht materiaal ook wel genoemd?
Antwoord:
Vraag 45.
Wat is het curiepunt bij een magnetisch materiaal?
Antwoord:
Vraag 46.
Hoe heet de onderstaande figuur?
Antwoord:
Vraag 47.
Wat is het remanent magnetisme?
Antwoord:
Vraag 48.
Wat is de coercitiefkracht?
Antwoord:
Vraag 49.
Waarvan hangt het hysteresisverlies aF?
Antwoord:
Geeft een smalle hysteresislus veel of weinig verlies?
Antwoord:
Vraag 50.
Een spoel wordt uitgedrukt in een vaste grootheid.
In welke eenheid wordt deze spoelconstante uirgedrukt?
Antwoord:
Vraag 51.
Met welke letter wordt deze uitgedrukt?
Antwoord:
Vraag 52.
Een spoel met 1200 windingen is op een zachtstalen kern met een doorsnede van 4 vierkante centimetergewikkeld.
De gemiddelde lengte van de kern is 20 cm en de permeabiliteit van het zachtstaal is 3 . 10 exp-3.
Bereken de grootte van de zelfinductie.
Antwoord:
Vraag 53.
Een spoel met 300 windingen is op een zachtstalen kern met een doorsnede van 6 vierkante centimetergewikkeld.
De gemiddelde lengte van de kern is 20 cm en de permeabiliteit van het zachtstaal is 3 . 10 exp-3.
Bereken de grootte van de zelfinductie.
Antwoord:
Vraag 54.
Een spoel met 1200 windingen is op een zachtstalen kern met een doorsnede van 4 vierkante centimetergewikkeld.
De gemiddelde lengte van de ijzerkern is 20 cm en de permeabiliteit van het zachtstaal is 3 . 10 exp-3.
In de kern is een luchtspleet van 1mm gemaakt.
Bereken de grootte van de zelfinductie.
Antwoord:
Vraag 55.
Hoe noemen we de kracht die een magneetveld op een lading uitoefend?
Een spoel met 1200 windingen is op een zachtstalen kern met een doorsnede van 4 vierkante centimetergewikkeld.
De gemiddelde lengte van de kern is 20 cm en de permeabiliteit van het zachtstaal is 3 . 10 exp-3.
Bereken de grootte van de zelfinductie.
Antwoord:
Vraag 56.
Wat kunnen we met de linkerhandregel bepalen en hoe luid deze?
Antwoord:
Vraag 57.
Gegeven onderstaande figuur.
Naar welke kant wordt op de draad een kracht uitgeoefend?
Antwoord:
Vraag 58.
Gegeven onderstaande figuur.
Welke kant draait het draadraam op?
Antwoord:
Vraag 59.
Indien men twee stroomvoerende geleiders heeft en de stroom door de geleiders is dezelfde kant opgericht,
hoe is dan de kracht op de geleiders gericht?
Antwoord:
Vraag 60.
Indien men twee stroomvoerende geleiders heeft en de stroom door de geleiders is tegengesteld,
hoe is dan de kracht op de geleiders gericht?
Antwoord:
Vraag 61.
Gegeven een hysteresislus met een zeer groot oppervlak. Is dit een magnetisch hard materiaal of een magnetisch
zachtmateriaal?
Antwoord:
Vraag 62.
Noem twee legeringsmaterialen waarbij het mogelijk is om verschillende polen in het materiaaloppervlak aan te brengen.
Antwoord: