EXAMENTRAINING Hoofdstuk 3, Netwerken

 

Vraag 1:

Gegeven twee weerstanden van 100 Ω.

Deze weerstanden worden parallel gezet.

Bereken de vervangingsweerstand.

Antwoord:

 

Vraag 2:

Gegeven een weerstand van 50 Ω. en een weerstand van 100 Ω.

Deze weerstanden worden in serie gezet. Bereken de vervangingsweerstand’

Antwoord:

 

Vraag 3:

Drie weerstanden van 33 Ω. worden parallel gezet.

Bereken de vervangingsweerstand.

Antwoord:

 

Vraag 4:

Twee weestanden van 22 Ω. worden parallel gezet en in serie geschakeld met  twee weestanden van 33 Ω.

Bereken de vervangingsweerstand.

Antwoord:

 

 

Vraag 5:

Zeven weerstanden van 70 Ω worden parallel gezet.
Bereken de vervangingsweerstand?

Antwoord:

 

Vraag 6:

Gegeven drie weerstanden van 60 Ω worden parallel gezet.

Bereken de vervangingsweerstand?

 

 

Vraag 7.

Gegeven vijf weerstanden van 150 Ω.

Deze weerstanden worden parallel gezet.

Bereken de vervangweerstand.

Antwoord:

 

Vraag 8.

Wat verstaat men onder een onbelaste spanningsbron?

Antwoord:

 

Vraag 9:

Teken de voorstelling van een niet ideale spanningsbron?

Antwoord:

 

Vraag 10.

Geef een schema om een weerstand met een volt en ampèremeter te meten.

Antwoord:

 

Vraag 11.

Teken in een grafiekje een weerstandslijn van 20 Ω.

Antwoord:

 

Vraag 12.

Teken in een grafiekje een weerstandslijn van 100 Ω

Antwoord:

 

Vraag 13.

 

Gegeven een weerstand met vier ringen.

Wat geven de eesten twee ringen van deze weerstand aan?

Antwoord:

 

Vraag 14.

Gegeven een weerstand met vier ringen.

Wat geeft de derde ring van deze weerstand aan?

Antwoord

 

Vraag 15.

Gegeven een weerstand met vier ringen.

Wat geven de vierde ring van deze weerstand aan?

Antwoord

 

 Vraag 16.

 Welke waarde heeft de volgende weerstand:

 Bruin zwart rood goud

 Antwoord:

 

 

Vraag 17.

Welke waarde heeft de volgende weerstand:

Rood, rood, oranje, goud

Antwoord

 

Vraag 18.

Welke waarde heeft de volgende weerstand:

Rood, violet, oranje, goud

Antwoord

 

Vraag 19.

Welke waarde heeft de volgende weerstand:

Bruin, zwart , geel, goud

Antwoord

 

Vraag 20.

Welke waarde heeft de volgende weerstand:

Oranje, oranje, oranje, goud

Antwoord

 

Vraag 21.

Wat verstaat men onder de E 12 reeks?

Antwoord:

 

Vraag 22.

Wat verstaat men onder een NTC – weerstand?

Antwoord:

 

Vraag 23.

Voor welke temperatuur geldt de waarde van de kleurcodering op de NTC – weerstand?

Antwoord:

 

Vraag 24.

Wat is een PTC – weerstand?

Antwoord:

 

Vraag 25.

Is een LDR wel/niet gecodeerd?

Antwoord:

 

 

Vraag 26.

Wat is de dissipatie van een weerstand?

Antwoord:

 

Vraag 27.

Gegeven een weerstand van 100 Ohm.

Deze weerstand is aangesloten op een spanning van 100 V.

Bereken de dissipatie van deze weerstand.

 

Vraag 28.

Voor de dissipatie van een weerstand geldt de volgende formule:

 

a.  P = I2 x R

 

b. P =  I2 /R

 

c. P = R / I2

 

Vraag 29.

Gegeven een weerstand van 100 Ω

De maximale dissipatie is 1 W.

Bereken de maximale spanning die op de weerstand mag worden gezet.

Antwoord:

 

Vraag 30.

Gegeven een weerstand van 50 Ohm. De stroom door de weerstand is 2 Ampère.

Bereken het opgenomen vermogen van de weerstand.

Antwoord:

 

Vraag 31.Gegeven het onderstaande plaatje. en gegevens.

 

I1 = 1A

I2 = 2A

I3 = 3A

I4 = 4A

 



Bereken I5.

Antwoord:

 

 

Vraag 32.Gegeven het onderstaande plaatje. en gegevens.

 

I1 = 5A

I2 = 2A

I3 = 7A

I4 = 4A

 



Bereken I5.

Antwoord:

 

 

Vraag 33.Gegeven het onderstaande plaatje. en gegevens.

 

I1 = 1A

I2 = 2A

I3 = 3A

I5 = 14A

 



Bereken I4.

Antwoord:

 

 

Vraag 34.Gegeven het onderstaande plaatje en  gegevens.

 

I1 = 1A

I3 = 3A

I4 = 4A

I5 = 9A



Bereken I2.

Antwoord:

 

Vraag 35.

Gegeven onderstaand plaatje met gegevens:



Ua = 10 V

Ub = 2 V

R1 = 5 Ohm

R2 = 3 Ohm

Stel de vergelijking op en bereken de stroom I.

Antwoord:

 

Vraag 36.

Teken een ideale spanningsbron.

Antwoord:

 

Vraag 37.

Hoe groot is de inwendige weerstand van een ideale spanningsbron?

Antwoord:

 

Vraag 38.

Teken een ideale stroombron.

Antwoord:

 

 

Vraag 39.

Drie weerstanden van 10 ohm, 20 ohm en 30 Ohm staan in serie aangesloten op een spanningsbron van 60V.

Bereken de spanning over de weerstand van 10 Ohm.,20 Ohm en 30 Ohm.

 

Vraag 40.

Geef de wet van Ohm in formulevorm.

Antwoord:

 

Vraag 41.

 

Gegeven een draaispoelmeter van 1 mA en een spanning van 100 mV.

Hoe  groot moet de voorschakelweerstand zijn als men hiermee max. 10 V wilt meten.

Antwoord:

 

 

Vraag 42.

 

Gegeven een draaispoelmeter van 1 mA en een spanning van 100 mV.

Hoe  groot moet de shuntweerstand zijn als men hiermee max. 10 mA wilt meten.

Antwoord

 

Vraag 43.

Hoe wordt een instelweerstand ook wel genoemd?

Antwoord:

 

Vraag 44.

Wat is het verschil tussen een koolstofinstelweerstand en een ceramiek- metaalfim-

Weerstand?

Antwoord:

 

Vraag 45

Geef een toepassing vaar schuifpotentiometer.

Antwoord:

 

Vraag 46.

Waarvoor worden potentiometers met een logaritmisch weerstandsverloop gebruikt?

Antwoord:

 

Vraag 47.

Gegeven een meter met een weerstand van 50000 Ω/V. Het meetbereik is 100 Volt.

Wat is de inwendige weerstand van de meter?

Antwoord:

 

Vraag 48.

Gegeven een meter met een weerstand van 10000 Ω/V. Het meetbereik is 10 Volt.

Wat is de inwendige weerstand van de meter?

Antwoord:

 

Vraag 49.

Gegeven een meter met een weerstand van 20000 Ω/V. Het meetbereik is 1000 Volt.

Wat is de inwendige weerstand van de meter?

Antwoord:

 

Vraag 50.

Wat is absolute fout?

Antwoord:

 

Vraag 51

Wat is procentuele fout?

Antwoord:

 

 

Vraag 52.

Gegeven de onderstaande figuur:



 

Rm is 10 MΩ.

R = 1M Ω.

UR = 10 V.

 

Bereken de absolute fout en de procentuele fout.

Antwoord:

 

Vraag 53.

Gegeven de onderstaande figuur:



 

Rm is 1 MΩ.

R = 100 k Ω.

UR = 10 V.

 

Bereken de absolute fout en de procentuele fout.

Antwoord

 

 

Vraag 54.

Gegeven de onderstaande figuur:



 

Rm is 1 MΩ.

R = 10 kΩ.

UR = 10 V.

 

Bereken de absolute fout en de procentuele fout.

Antwoord

 

Vraag 55.

Gegeven de onderstaande figuur



R1 = 10 kΩ

R2 = 20 kΩ

R3 = 30 kΩ

 

Bereken de vervangweerstand.

Antwoord:


Vraag 56.

            Geef  twee manieren om een wattmeter aan te sluiten.

Antwoord:

 

Vraag 57.

            Gegeven een spanningsbron van 10V en een inwendige weerstand Ri van 1Ω

            en een belastingsweerstand van 10 Ω. Teken in een grafiek de belastinglijn en de

            weerstandslijn. Bepaal de uitgangsspanning.

Antwoord:

 

 

Vraag 58.

            Gegeven een spanningsbron van 28V en een inwendige weerstand Ri van 1Ω

            en een belastingsweerstand van 5 Ω. Teken in een grafiek de belastinglijn en de

            weerstandslijn. Bepaal de uitgangsspanning.

Antwoord:

 

Vraag 59.

            Gegeven het onderstaande plaatje.

  

                            

 

            Bereken de klemspanning en de inwendige weerstand.

Antwoord:



 

Vraag 60.

            Gegeven het onderstaande plaatje.

 



 

            Bereken de klemspanning en de inwendige weerstand.

Antwoord:

 

Vraag 61.

            Gegeven het onderstaande plaatje

                       



                                  

            Bereken de klemspanning en de inwendige weerstand.

Antwoord:

 

 

 

Vraag 62.

            Gegeven het onderstaande plaatje.

                           



                                  

            Bereken de klemspanning en de inwendige weerstand.

Antwoord:

 

 

 

Vraag 63.

            Gegeven het onderstaande plaatje



            Bereken de klemspanning en de inwendige weerstand.

Antwoord:

 

 

Vraag 64.

            Gegeven een spanningsbron met een inwendige weerstand.

            Geef een meetschema hoe men de in inwendige weerstand kan bepalen.

Antwoord:

 

Vraag 65.

            Waarmee is de common-ingangsbus bij een netgevoede universeelmeter

            Verbonden?

Antwoord:

 

Vraag 66.

            Waarom moeten we altijd voorzichtig zijn met instrumenten waarbij de

            Ingang aan aarde ligt?

Antwoord:

 

Hosted by www.Geocities.ws

1