EXAMENTRAINING M5
TALSTELSELS
Vraag 1.
Waar komt de naam �digitaal� vandaan?
Antwoord:
Vraag 2.
Wat is het verschil tussen digitaal en analoog?
Antwoord:
Vraag 3.
Waar komt de naam �bit� vandaan?
Antwoord:
Vraag 4.
Wat betekend �binair�
Antwoord:
Vraag 5.
Gegeven het decimale getal 23.
Schrijf dit als een binair getal
Antwoord:
Vraag 6.
Gegeven het decimale getal 432.
Schrijf dit als een binair geta
l
Antwoord:
Vraag 7.
Gegeven het decimale getal 3890.
Schrijf dit als een binair getal.
Antwoord:
Vraag 8.
Gegeven het decimale getal 6500 .
Schrijf dit als een binair getal.
Antwoord:
Vraag 9.
Gegeven het decimale getal 1234.
Schrijf dit als een binair getal.
Antwoord:
Vraag 10.
Gegeven het binaire getal 11011.
Schrijf dit als een decimaal getal
Antwoord:
Vraag 11.
Gegeven het binaire getal 1100111101.
Schrijf dit als een decimaal getal
Antwoord:
Vraag 12.
Gegeven het binaire getal 110101100.
Schrijf dit als een decimaal getal.
Antwoord:
Vraag 13.
Gegeven het binaire getal 110010001.
Schrijf dit als een decimaal getal
Antwoord:
Vraag 14.
Gegeven het decimale getal 21.
Schrijf dit als hexadecimaal getal
Antwoord:
Vraag 15.
Gegeven het decimale getal 293.
Schrijf dit als hexadecimaal getal
Antwoord:
Vraag 16.
Gegeven het decimale getal 2198.
Schrijf dit als hexadecimaal getal
Antwoord:
Vraag 17.
Gegeven het decimale getal 21008.
Schrijf dit als hexadecimaal getal
Antwoord:
LOGISCHE CIRCUITS
Vraag1.
Wat betekent TTL?
Antwoord:
Vraag 2.
Wat betekent CMOS?
Antwoord:
Vraag 3.
Wat is het spanningsniveau van een logische 0 bij een TTL bouwsteen?
Antwoord:
Vraag 4.
Wat is het spanningsniveau van een logische 1 bij een TTL bouwsteen?
Antwoord:
Vraag 5.
Wat is de voedingsspanning van een TTL bouwsteen?
Antwoord:
Vraag 6.
Teken een tweevoudige AND-poort met schakelaars.
Antwoord:
Vraag 7.
Geef de waarheidstabel van een AND-poort.
Antwoord:
Vraag 8.
Geef de functie van de AND-poort weer met behulp van de schakelalgebra.
Antwoord:
Vraag 9.
Teken een tweevoudige OR-poort met schakelaars
Antwoord:
Vraag 10.
Geef de waarheidstabel van een OR-poort.
Antwoord:
Vraag 11.
Geef de functie van de OR-poort weer met behulp van de schakelalgebra.
Antwoord:
Vraag 12.
Teken een NOT-poort met schakelaars.
Antwoord:
Vraag 13.
Geef de waarheidstabel van een NOT-poort.
Antwoord:
Vraag 14.
Geef de functie van de NOT-poort weer met behulp van de schakelalgebra.
Antwoord:
Vraag 15.
Hoe wordt een NOT- poort ook wel genoemd?
Antwoord:
Vraag 16
Teken een NAND-poort.
Antwoord:
Vraag 17.
Geef de waarheidstabel van een NAND- poort.
Antwoord:
Vraag 18.
Geef de functie van de NAND-poort weer met behulp van de schakelalgebra.
Antwoord:
Vraag 19
Teken een NOR- poort.
Antwoord:
Vraag 20
Geef de waarheidstabel van een NOR- poort.
Antwoord:
Vraag 21.
Geef de functie van de NOR-poort weer met behulp van de schakelalgebra.
Antwoord:
DATA CONVERSION
Vraag 1.
Als we een analoog signaal willen omzetten naar een digitaal signaal, gebruiken we een:
Antwoord:
Vraag 2.
Noem drie factoren die bij het omzetten van een analoog naar een digitaal signaal
een rol spelen.
Antwoord:
Vraag 3.
Geef het in een blokschema het principe van een dual slope integration-ADC.
Antwoord:
Vraag 4.
Welke twee basisschakelingen van de opamp worden daar toegepast?
Antwoord:
Vraag 5.
Noem drie verschillende eigenschappen van een ADC.
Antwoord:
Vraag 6.
Wat verstaat men onder de resolutie bij een ADC.
Antwoord:
Vraag 7.
Gegeven het onderstaande grafiekje van een ADC.
Geef hier in de resolutie aan.
Antwoord:
Vraag 8.
Wat verstaat men bij een ADC onder de conversietijd?
Antwoord:
Vraag 9.
Noem drie factoren waarvan de nauwkeurigheid van een analoog-digitaalconverter
afhankelijk is.
Antwoord:
Vraag 10.
Geef in onderstaande grafiekje de nulfout of offset error van een ADC aan.
Antwoord:
Vraag 11.
Wanneer we een digitaal signaal willen omzetten naar een analoog signaal gebruiken we een:
Antwoord:
Vraag 12.
Teken het principe van een digitaal � analoog converter?
Antwoord:
Vraag 13.
Gegeven het onderstaande schema van een digitaal � analoogconverter.
De schakelaars S0 en S2 zijn gesloten.
De referentiespanning is 5 V.
R0=80 kOhm,R1=40 kOhm,R2=20kOhm, R3=10 kOhm en R4=5 kOhm
Bereken de uitgangsspanning.
Antwoord:
Vraag 14.
Gegeven het onderstaande schema van een digitaal � analoogconverter.
De schakelaars S1, S2, en S2 zijn gesloten.
De referentiespanning is 5 V.
R0=80 kOhm,R1=40 kOhm,R2=20kOhm, R3=10 kOhm en R4=5 kOhm
Bereken de uitgangsspanning.
Antwoord:
Vraag 15.
Noem drie verschillende eigenschappen van een ADC en een DAC.
Antwoord:
Vraag 16.
Wat verstaat men onder de resolutie bij een DAC
Antwoord:
Vraag 17.
Gegeven het onderstaande grafiekje van een DAC.
Geef hier in de resolutie aan.
Antwoord:
Vraag 18.
Wat verstaat men bij een DAC onder de settlingtime?
Antwoord:
BASIC COMPUTERSYSTEMS
Vraag 1.
Wat is een SRAM?
Antwoord:
Vraag 2.
Wat is een DRAM?
Antwoord:
Vraag 3.
Wat is een ROM?
Antwoord:
Vraag 4.
Wat is een PROM?
Antwoord:
Vraag 5.
Wat is een EPROM?
Antwoord:
Vraag 6.
Wat is een FEEPROM?
Antwoord:
Vraag 7.
Teken een flipflop met behulp van NAND-poorten
Antwoord:
Vraag 8. ___
Wat betekent CS?
Antwoord:
Vraag 9. ___
Wat betekent OE?
Antwoord:
Vraag 10. ___
Wat betekent WE?
Vraag 11.
Noem een nadeel van een SRAM.
Antwoord:
Vraag 12.
Hoe wordt bij een dynamische RAM de data opgeslagen?
Antwoord:
Vraag 13.
Waarom moet een dynamische RAM gerefresht worden?
Antwoord:
Vraag 14.
Noem een toepassing van een DRAM
Antwoord:
Vraag 15.
Wat is een SIMM?
Antwoord:
Vraag 16.
Wat verstaat men onder een niet vluchtig geheugen?
Antwoord:
Vraag 17.
Wat is een fusible link?
Antwoord:
Vraag 19.
Teken met een schema de informatie opslag in een ROM
Antwoord:
Vraag 20.
Met wat voor licht wist men de geheugencellen in een EPROM?
Antwoord:
Vraag 21.
Wat is bij een EPROM de �floating gate�?
Antwoord:
Vraag 22.
Wat is een HEX-dump?
Antwoord:
Vraag 23.
Teken een NAND-poort.
Antwoord:
Vraag 24.
Geef de waarheidstabel van een NAND-functie.
Antwoord:
Vraag 25.
Teken een NOR-functie.
Antwoord:
Vraag 26.
Geef de waarheidstabel van een NOR-functie.
Antwoord:
Vraag 27.
Wat verstaat men onder een vluchtig geheugen?
Antwoord:
Vraag 28.
Hoe gedraagt een geprogrammeerde geheugencel zich in een EPROM?
Antwoord:
Vraag 29.
Waarom passen we adresmultipexing toe bij DRAM�s?
Antwoord:
Vraag 30.
Waar worden SIMM�s toegepast?
Antwoord: