Terug naar homepage
terug naar modelbouwpagina

volgende pagina
Vroeger, heel lang gelden, toen dinosaurussen rond stampten en ik amper 3 turven hoog was, was het een spannende wereld. Het jaar 2000 was een magische datum, ergens heel ver weg. Iedereen zou tegen die tijd een vliegende auto hebben, treinen zouden de rails niet eens meer raken, en op de maan, Mars en overal in de ruimte zouden mensen rondzwerven. Bij de kapper las ik de strips over Archie, de Man van Staal. En ik ging astronaut worden. Of testpiloot, als astronaut niet zou lukken.
Ik was helemaal gek van vliegtuigen en raketten, en pa hielp me bij het bouwen van wat papieren modellen van een boeing 747 en de X-15. Of beter gezegd, pa bouwde die modellen terwijl ik letterlijk misselijk van de opwinding erbij zat. Toen ik wat ouder werd, ongeveer drie�neenhalve turf hoog, toen begon ik zelf modellen in elkaar te zetten. Niet speciaal vliegtuigen, meer alles wat ik kreeg of wat ik van mijn zondagscenten kon kopen. Een modelbouwen was toen min of meer een race tegen de klok; binnen een uur of zo prutste ik het model in elkaar, en daarna had ik nog even een half uurtje nodig om alle onderdelen kwijt te raken die ik per ongeluk aan mezelf in plaats van het model geplakt had. Tegen de tijd dat ik een turf of vier bereikt had was ik 15, en bouwde ik mijn laatste model; een Apollo 11 van revell, in schaal 1 op 48. En hoewel het mijn laatste model was, was het ook in een aantal opzichten mijn eerste model; voor het eerst had ik wat potjes verf gekocht, en voor het eerst streefde ik naar een realistische weergave van de werkelijkheid. Voor het eerst was ik ook echt trots op het resultaat. Dat was geen speelgoed, dit was een Model! Ik maakte er foto�s van, en met wat knutselen in de donkere kamer kreeg ik een aardige serie van het Apollo project in actie.
En toen groeide ik op, en het echte leven deed mee. Ik moest me druk maken over punten en examens, militaire diens, werk vinden, om nog maar te zwijgen over mijn min of meer romantische avonturen met de andere kunne.

Zoef door de tijd, we schrijven het jaar 2001.
Ik ben ouder dan ik ooit dacht te worden. Ik ben wel 5 turven groot geworden, ik heb een baan, een baard en een buik. Ik heb mijn kloten afgevroren in arctische gebieden, ik rij zomer en winter motor, en ik rook pijp. Ik ben een echte Kerel.  In Sittard opende een nieuwe winkel zijn deuren. Modeltreintjes en bouwdozen. En ineen sstond ik weer met mijn neus tegen de etalage geplakt, weer helemaal 14 jaar oud. Oh nee, geen nieuwe hobby, ik heb al genoeg omhanden! Dus besloot ik dit slim aan te pakken. Ik zou 1 model kopen, alle verf en andere troepjes die bij dat model hoorde, en dat model bouwen met alle kennis en vaardigheid die ik als ooit eens kunstenaar en leraar tekenen handvaardigheid heb. Wedden dat ik het beu was voordat ik halverwege was? En dan ging dat half afgebouwde model de kast in, en zou vanuit die kast me eraan helpen denken dat modelbouw niets voor mij was. Nietwaar?

Heeren �en de per ongeluk hier aangelande dame-, mag ik U voorstellen:
�Het Model Dat Nooit Af Zou Komen��
Miljaar! Ik heb het gedaan. Ik heb het kreng wel afgebouwd. Dat �kreng� is de U-47, een Duitse duikboot uit de 2e wereldoorlog, type VII B. Dit is een Revell kit, schaal 1:125, met een open zijkant en een interieur.
Aangezien dat interieur nogal mager was ben ik zelf begonnen met er wat zaken aan toe te voegen. Scheepsribben, buizen, wijzerplaten, noem maar op, allemaal niet uit de bouwdoos maar zelf gemaakt. Toen het ding af was ben ik het zelfs gaan verweren, roeststrepen en verfschilfers makend, om het model levendiger te maken. Subtiel is anders, maar levendig is het wel geworden� (voor meer informatie over de U-47 hier klikken).
Het probleem was dat ik dit echt leuk vond. Het was een aangename manier om een avond om te krijgen zonder tv kijken. Ik heb me verbaasd over wat die kleine dikke worstenvingertjes van me konden. Ik had niet in jeugdig ongeduld zitten doorduwen om het ding af te krijgen, ik had me geamuseerd met het rustig verder prutsen. Zen en de kunst van modelbouw�
En er is meer, erger. Het Internet is , na friet en superlijm, het beste wat ooit voor modelbouwers gemaakt is � Toen ik klein was ging ik naar de bieb om iets te vinden over de modellen die ik maakte. Als ik geluk had vond ik een stukje in een encyclopedie, en als ik een heleboel geluk had vond ik er zelfs een plaatje van. Nu, met behulp van Google en al die gekke amateur-geleerden die alles op internet zetten, weet ik zo ongeveer alles behalve de schoenmaat van de kapitein over de U-47.
Uiteindelijk ging ik pas echt voor de bijl toen een vriend van me ook stiekem aan de lijm bleek te zijn. Niet alleen had ik nu iemand om eens lekker tegenaan te zeuren over modelbouw, hij had ook een perfecte modelbouwkamer, geknipt voor 2 personen. Dat is het ware! Ik heb daar een paar genoeglijke dagen doorgebracht, sneeuw buiten, snorrende petroleumkachel binnen, met het afbouwen van mijn duikboot. Hij gaf me ook nog de link naar Hannants, een soort van modelbouwers natte droom postorderbedrijf in Engeland. Janneman was door de bocht.
Maar eerste dingen moesten eerst gebeuren. Die vriend van mij had dan wel een mooie modelbouwkamer, maar ik zat nog te klooien op een stuk triplex in de woonkamer. Bij hem aan modellen werken was leuk en aardig, maar half afgebouwde modellen heen en weer slepen op de motor was een stuk minder. Ik had een modelbouwkamer nodig! Ik besloot mijn mooie nieuwe studeerkamer aan dit nobele doel op te offeren.
Aan de grote computertafel kwam een kleine werktafel. Ik maakte wat plek in een dressoir, en Janneman was op weg. Ik realiseerde me al snel dat, met deze mooie modelbouwvoorziening, er wel eens een model of wat bij kon komen. Dus besloot ik dat er ook nog ergens een vitrinekast moest komen.
Ik spijkerde wat planken tegen de muur, zette er glazen schuifdeurtjes in, en een lampje, en Janneman was klaar voor wat ging komen. Het enige wat ik nu nog nodig had was een plan, een grote lijn. Anders zou ik me helemaal gek kopen aan de meest uiteenlopende modellen.
Ik had al besloten vliegtuigen te gaan bouwen, en een kale houten plank is niet de natuurlijke omgeving van vliegtuigen. Vliegtuigen horen in de lucht, of op ene vliegveld. Aangezien niet bewegende vliegtuigen de neiging hebben uit de lucht te vallen dacht ik dat een vliegveld misschien wel een aardige achtergrond voor mijn modellen zou vormen. Op een reis langs vliegtuigmusea in Duitsland, in het voorjaar van 2002, kwam ik wat oude hangaars tegen op Flugwerkt Schleissheim, bij Munchen.
Deze Junkershallen waren schitterend verweerde, roestige overblijfselen uit het interbellum. Met mijn korte beentjes telde ik stappen om enig idee te krijgen over de algemene maten van de hangaars, en ik maakte er wat foto�s van. Thuis begon ik de hangaasr na te bouwen van karton.

Zoals ik al zei, toen ik klein was, was het een spannende wereld voor een knulletje dat astronaut of testpiloot wou worden. Ons huis daverde af en toe van de sonische knallen van Starfighters die door de geluidsmuur gingen. Pa en mijn broers gebruikten mijn enthousiasme om me te leren rekenen:
�Janneman, hoeveel is 5 keer 7?�
Ehhh, uhhhm�
WIEIEIEIEIEIEIEIEIEIEOEOEOEOEOEOEOEAAAAAAAAAAAAA(geluid van neerstortend vliegtuig)� KLABOOM!�
�Komop Janneman, een piloot moet snel kunnen rekenen!�
Jamaar jamaarikwisthetwel� Uhm ehhh, 35?�

Televisie bood ��n kanaal, als het goed weer was. Nieuws kwam voornamelijk via kranten, tijdschriften en boeken tot ons. Aangezien deze dingen wat langer meegaan dan een televisie uitzending, kwam ik in de bieb heel wat oud en nieuw nieuws door elkaar tegen. Verhalen over een passagiersvliegtuig dat in de nabije toekomst misschien wel 2 keer zo snel als het geluid zou vliegen stonden in hetzelfde boek als de verhalen over de Bell X-1 en de Lockheed X-15. En dit ware de echte stoere jongens!
Testpiloten waren Kerels, en ze vlogen in machines die Nieuw waren. Niks computersimulaties of onbemande testvluchten, deze mannenbroeders klommen in toestellen waar niemand iets zinnigs over kon zeggen. Zou de motor lopen of ontploffen? Zouden de vleugels het houden? En dit is mijn �grote lijn� geworden. De vliegtuigen die ons uiteindelijk de ruimte in zouden brengen; vroege straaljagers en experimentele raketvliegtuigen. De lelijke kleine Messerschmitt 163, de X-1, de Starfighter en de X-15. Er zitten ook wat kleinere stapjes tussen, zoals de vroege straaljagers, in zeven haasten ontwikkeld in en na de 2e wereldoorlog. Toestellen als de haai-achtige Messerschitt 262, de Gloster Meteor en de Mig 15.

En zo is het begonnen. Een voor een landde de vliegtuigen op mijn eigen kleine vliegveldje.
White Knuckle Airfield, Sittard.
Terug naar homepage
terug naar modelbouwpagina

volgende pagina
Hosted by www.Geocities.ws

1