Dag een, Brauel (D), 462/462 km.

Ik ben weer onderweg, en de eerste dag zit erop. Moeizaam voortploeteren, dat is de beste omschrijving voor vandaag.

Ondanks de spanning voor elke grote reis heb ik vannacht goed geslapen, en ik was vanmorgen dan ook vroeg uit de veren. Thee zetten, water inslaan, een paar broodjes smeren voor de eerste pauze, en tenslotte nog eens goed rondkijken of ik nu alles gedaan had. Bij dat rondkijken keek ik ook naar buiten, en daar stapte Howard van de motor. Hij kwam me uitzwaaien, leuk! Samen een peuk en een glaasje cola, en daarna vertrok hij naar z’n werk en ik begon de motor vol te hangen. Mijn nieuwe klokje in de tanktas nog even goedzetten, en even voor negen uur draaide ik de rijksweg op.

Het was stralend weer en bij het laatste tankstation van Sittard stond ik dan ook alweer stil om een hemd uit te trekken; warm. Deze reis begint eigenlijk met drie dagen stug doorrijden over min of meer bekende weg: langs Hamburg naar noord-Duitsland, en dan langs de deense westkust omhoog tot Hirtshals. Dezelfde route als twee jaar geleden, en tot Hamburg was ik dit voorjaar ook al gereden. Om niet helemaal in slaap te sukkelen had ik tot Brauel een alternatieve route uitgezocht. Niet meer door Nederland omhoog tot Denekamp, maar meteen bij Venlo al Duitsland in en zo omhoog over kleine wegen. Geldern, Munster, en vanaf Diepholz zou het toch bekende weg worden. Maar het rijden viel niet mee. Het was druk, er waren veel werkzaamheden aan de weg met stilstaan of langzaam rijden, het was warm en mijn knie speelde op. Ik was dan ook blij toen Brauel in zicht kwam. Ik maak nu weer elke 100 kilometer een foto, dat moet tot een soort van stripverhaal van de hele reis gaan leiden. Maar voorlopig is daar toch weinig spectaculairs van te maken. In Diepholz -300 km- zaten vier heren oude jazz te spelen, maar ik vrees toch dat daar op foto weinig van te horen valt. Het klonk trouwens wel prima.

Tegen het einde van de middag begon de lucht vuil uit te zien. Het was dan ook drukkend warm, en tegen de tijd dat ik mijn tentje had staan en achter een pilsje in de kantine zat -ik wordt hier ondertussen al herkend- vielen de eerste druppels van een korte maar stevige bui.

Dag twee, Hvide Sande (DK), 882/420 km.

Ik moet zeggen, deze vakantie begint werkelijk moeizaam. Vandaag was ik duf, moe, ik had vage hoofdpijn, en net als gisteren was het voornamelijk stug doorploeteren. Alleen het laatste stuk werd beter.

Toen ik opstond was het weer ‘zo-zo’, dreigende wolken met blauwe plekken, en zo is het het grootste deel van de dag ook gebleven. Verder was vandaag helemaal in het spoor van twee jaar geleden. Seedorf, broodjes en drank inslaan -twee flessen 54% rum-, Stade, het veer over de Elbe bij Glückstadt, en van daaruit verder omhoog. Onder de kerk van St. Margarethen heb ik broodjes gegeten, een prima plek voor een pauze. Maar ik was vergeten hoe leeg en saai dat uiterste noorden van Duitsland was. En ik was ook vergeten dat er voor de afslag naar Sylt blijkbaar altijd een half uurtje file hoort te staan (LET OP, LEER DIT NU, GA NIET VIA DE B5 NAAR DENEMARKEN!!!). Maar rond een uur of drie werd ik, na één blik op het opengeslagen paspoort in het kaartvak, probleemloos Denemarken ingezwaaid. Janneman was weer in Denemarken; rechte wegen die eindeloos voor je uit door het landschap golven, af en toe onderbroken door een kleine rondweg en een paar rotondes als er een plaats omzeild moet worden. Geld plukken in Bredebro was geen probleem, op mijn geheugen reed ik zo naar de bank toe (2e rotonde de stad in, tegenover de Spar rechts, bank aan de rechterkant). En in Nymindegab begon het wonder van de vorige keer weer! Het weer knapte behoorlijk op, en in een rode, ondergaande zon begon ik langs de kust te zwerven. Heerlijk rijden, overal huisjes met plaggendaken, grote campings en hotel-boerderijen. De eerste camping reed ik zonder twijfel voorbij, de tweede kostte al iets meer moeite. Eigenlijk wilde ik doorrijden tot Ulfborg, net als de vorige keer. Maar dat was geen mooie camping, en hier lagen ze zo fraai midden in het duinlandschap... De derde camping is het geworden, en daar sta ik nu. Ik heb ook meteen een vriendinnetje opgedaan, ene Gerty uit Hamburg. Zij was de trotse bezitster van de rode R45 waar ik mijn motor naast had gezet. En ik ben haar de rest van de avond ook niet meer kwijt geraakt; Bier, thee, koffie, koekjes, eindelijk een leeftijdgenoot die ook nog niet zo lang motor reed... Sommige mensen ligt het alleen zwerven misschien toch iets minder. Van haar deed ik twee belangrijke tips op. Als BMW-rijders meerwarig praten over Guzzi’s dan moeten de Guzzimensen gewoon even op de stand van de BMW cylinders wijzen; ‘hangetitten’(zij had hiervoor Guzzi gereden). En op de terug weg moest ik bij Nødagger, hier in Denemarken, de motorcamping bezoeken; het zou daar een mooi heuvelachtig gebied zijn, en de camping zou erg prettig te zijn.

We komen weer noordelijker, de dagen lengen alweer duidelijk...

Dag drie, Hirtshals (DK), 1182/300 km.

Een korte dag, maar de eerste echt lekkere reisdag. Ik was vroeg op en weg, kompleet met thee en al. Mijn vriendinnetje sliep nog, dus ben ik zonder afscheid vertrokken.

Ik had goed gegokt; Denemarken is zo’n land waar je op zondag verse broodjes kunt krijgen. Het hobbitontbijt in de duinen was dan ook meteen een genoegen. Kromme broodjes van gewoon brooddeeg, geen bladerdeeg. Vult en smaakt!

Het was grijs weer, met een stevige wind en af en toe een dun straaltje zon. Het viel me op dat de begroeiing rondom boerderijen en dergelijke volledig in het teken van de wind staat; veel sterker nog dan in de nieuwe nederlandse polders. Daar is die begroeiing een blok, rondom de boerderij. Hier zijn het echte wiggen tegen de wind, aan één kant laag beginnend, oplopend, met achter de hoge kant de boerderij. Als een keurig geknipte haag, alleen dan met uiteindelijk volwassen bomen! Ik vermoed dat de wind zelf hier de grote kapper is.

Ik ben via de ‘bekende’ weg naar Hirtshals gereden, geen avonturen vandaag. Maar het landschap was weids, een pauze op een pleintje in Thisted leverde een open supermarkt en een chocoladecake op, en de picknickplaatsen waren weer fraai. Eindelijk weer echt lekker onderweg.

Hirtshals was snel bereikt, en daar dook een kleine tegenvaller op: ik kon vannacht met de boot mee, of anders pas dinsdag, en dan wel om zeven uur op de kade zijn. Vannacht reizen zag ik niet zitten, dus morgen heb ik een rustdag. Gebakken eitje als ontbijt, wat lezen, wat vliegeren, ik zie dat best wel zitten.

Nu is het een mooie avond aan’t worden. Een wandeling naar zee was een succes, evenals mijn paraslee in nieuwe kleuren. Voor vanavond heb ik chips, en rum voor de tour de camping...

Dag vier, Hirtshals (DK), 1436/254 km.

Ja hoor, het grote zwerven is echt begonnen. Vandaag begon natuurlijk met uitslapen en met de gebakken eitjes. Die heb ik in de ketel gebakken, de eigenlijke pan heb ik deze reis niet bij me. Dat bakken in de ketel werkt prima als je er even de tijd voor neemt; goed doorbakken en dan rustig op de vork nemen. Thermoskan met thee vullen, en daarna nestelde ik me met een leuk boek in de schaduw. Het was schitterend weer, warm in de zon, en van Geert heb ik voor de vakantie ‘Jupiters reizen’ gekregen, het reisverslag van ene Ted Simon, een echt grootscheepse motorzwerver. Maar eigenlijk kriebelde het mooie weer. Als ik nu eens naar een stad reed voor verse broodjes, voor morgen op de boot? Ik had nog broodjes uit Nederland, maar die begonnen ondertussen toch wel erg stevig te worden. En dan meteen maar noorse kronen afhalen? Dan had ik daar morgen alvast geen omkijken naar en kon ik vanaf het veer meteen Kristiansand uitrijden. Goed plan!

Dunne broek uit, leren broek aan, tanktas op de motor en vort met de geit. Het was lekker rijden. In plaats van Hirtshals op te zoeken besloot ik omlaag te rijden, naar Hjøring. Maar daar was ik veel te snel, en ik had nog helemaal geen zin om te stoppen. Verder naar het zuiden dus, naar Ålborg.

Dat bleek een flinke havenplaats te zijn, de grootste stad die ik tot nu toe in Denemarken heb aangedaan. En Janneman is dom... Nou heb ik fantastische koffers, waar je zo een helm en een warme motorjas in kunt opbergen. Die koffers laat ik dus uitgepakt en wel op de camping staan -ik ga toch niet veel kopen- en in plaats daarvan neemt Janneman zijn tanktas mee. En met 30 graden sjokte Janneman dus door de stad, de veel te warme jas aan, de onhandige helm links, de zware tanktas rechts. Zo dom... De wandeling heeft dan ook niet zo vreselijk lang geduurd. Even een rijtje leuke huizen fotograferen, geld tappen en wisselen, een halve liter cola naar binnen gieten, en toen maar snel weer op de motor, afkoelen in de lekkere rijwind.

De lange rechte weg terug trok me niet meer, dus ben ik eens op de kaart gaan kijken. De wat grotere verbindingswegen hier zijn behoorlijk saai; een lange rechte rijksweg die alleen maar op en neer gaat en redelijk druk is. Soms kun je wel 10 of 20 kilometer voor je uit kijken. Ik besloot mijn geluk op de kleine rode lijntjes te beproeven. En dat is de manier om hier in Denemarken een vakantie met de motor door te brengen. Leuke kleine slingerwegen, heuvels, kleine dorpjes, heerlijk rijden! Via Ør, Vrå en Trårs ben ik naar Frederikshavn gereden. Ondertussen had ik op de kaart al een doel gevonden voor een leuke middag rijden, en buiten de stad om ben ik naar de noordelijke weg gereden. Eerst nog even tanken, en zelf begon ik ook wat hol te voelen. Een Pommes Fritter zonder zout en een grote beker cola verhielpen dat probleem.

Het nieuwe reisdoel was Skagen, het meest noordelijke puntje van Denemarken. Vanuit Frederikshaven was dat wel weer zo’n rechte weg, maar nu was het landschap toch opvallend anders, vlakker en zo. Langzaam werd het ook schraler en leger. Ineens was er een brede duingordel, wat water links en rechts van de weg, en toen wat naaldbomen-aanplant. Hier begon een schiereiland dat de noordpunt vormt. Vlak voor Skagen waren er enkele grote ronde weilanden waar geen vee in stond en die gigantisch naar vis stonken. Wat was dit in hemelsnaam? In een van de weilanden zat -redelijk in het midden- een man op een keukenstoel iets te doen. Friemelwerk, met z’n handen in z’n schoot? Toen pas zag ik de vage rode waas die over de weilanden hing. Visnetten! De man zat een visnet te boeten, en die weilanden waren blijkbaar in gebruik om de netten uit te spreiden, te drogen en te repareren. Skagen zelf was een soort van Valkenburg, ik ben er niet gestopt. Je kon nog even doorrijden naar het noorden, naar een vuurtoren en een souvenierstalletje. Daar heb ik een sticker en een foto gescoord, en daarna heb ik me snel uit de voeten gemaakt; het was er druk.

Op de terugweg kon ik onder de duinenrij rechtsaf, en binnendoor heb ik mijn weg terug naar de camping gezocht. Bij aankomst was ik ondertussen wel zo doorgezweet dat een douche op z’n plaats was. Minpuntje van de dag? Ik ben de broodjes vergeten.

Dag vijf, Åmli (Noorwegen), 1642/206 km.

Een zware dag waar ik toch met plezier op terugkijk.

Het begon gisteravond: toen ik naar bed ging -het was nog licht, maar ik had geen wekker en moest toch rond een uur of zes uit de veren- begon het in de verte te rommelen. En dat gerommel groeide al snel uit tot een volwassen onweer dat de hele nacht geduurd heeft. Weinig slapen, telkens wakker schrikken en op m’n klokje kijken, geen echt rustige nacht dus. En toen het eenmaal 5 uur was geweest begon ik bang te worden nog eens echt in slaap te vallen, dus ik ben maar heel stil opgestaan en heb rustig de diverse ochtendrituelen afgewerkt. Het was wel net opgehouden met regenen, maar alles nog erg donker en somber. Het hek van de camping bleek een echt obstakel; dat was in half-open toestand vastgezet, zodat er wel nog voetgangers het terrein op en af konden, maar geen voertuigen. Koffers van de motor, goed mikken, even een handige beweging met het stuur... JA, ik was erdoor. Koffers weer aanhangen, en een kwartier later stond ik op de kade. Ik kon inklaren, maar verder was alles nog in diepe rust. Vreemd, al met al was het toch al vijf voor half zeven, was ik weer het te brave jongetje? Toen er pas rond een uur of negen serieus beweging in de zaak kwam was het al snel duidelijk; mijn klokje liep maar liefst drie uur voor! Ik was de dag wel heel erg vroeg begonnen. Het veer oprijden en de motor vastzetten was snel gedaan, en de overtocht was voornamelijk lang en nogal vervelend. Ik kwam wel leuk aan de praat met een noors stel dat twee weken in Denemarken gefietst had, en kreeg hun adres voor als ik nog tijd over had.

Rond een uur of één -ik gok maar wat- stond ik eindelijk weer op noorse bodem. Dankzij de in Denemarken gescoorde kronen en benzine hoefde ik niet eerst de stad in, en weg 39 stond al meteen aangegeven. Maar eerst: toch maar even de regenbroek aantrekken. Goed en wel op weg werd de miezerregen al heel snel een gigantische stortbui. De weg werd een snelstromende beek, ik zag geen barst en ben de eerste bushalte die ik tegenkwam opgedoken. Dit was geen doen. Twee broodjes verder was het ergste voorbij en kon ik op zoek naar een rustplek met picknickbank. Welkom in Noorwegen dan maar weer.

De rest van de middag bestond voornamelijk uit een chaoskoers in harde en zachte regen. Toen ik eindelijk ontdekte dat de E39 op mijn kaart als E18 stond aangegeven werd er veel duidelijk. Ik reed in westelijke richting, in plaats van naar het noorden. Vandaar ook de hele tijd die ‘verkeerde’ plaatsnamen! Bij Vigeland viel het muntje, en daarna kwamen de plaatsnamen die ik zocht. Konsmo, Byremo, het Sveindal. Daar kwam trouwens ook een tegenvaller; benzine is hier de afgelopen twee jaar een hoop duurder geworden (meer dan fl. 2,50, de vorige keer was benzine goedkoper dan in Nederland). En dat terwijl ik hier dik drie weken ga blijven en de vakantie een beetje goedkoop zou willen houden! Dure benzine, verkeerde wegen, doorweekte handschoenen, soppende voeten, op die momenten vraag je je toch af of deze reis nu wel zo’n goed idee is geweest.

Maar dan wordt de regen minder. Je rijdt Evje binnen. Twee jongetjes kijken met open mond toe als ik van de motor stap, mijn handschoenen uitdoe en soppend en swishend de cafetaria inloop. Binnen lacht een meisje bewonderend. Daar doen echte kerels het voor.

De werkelijke reden volgt een uurtje later. Met de twee stevige mokken koffie uit Evje rechtop in m’n maag slingerde ik over kleine wegen omhoog en omlaag. Meertje met eiland hier, bouwvallige antieke schuur daar, bergen overal. Met veel fantasie meende ik zelfs even een schaduw van mezelf op het natte asfalt te zien. Dit is echt genot, en daar geniet je dubbel van als het daarvoor zo zwaar was. Hoezeer ik ook genoot, van alle kanten dreigden zware wolken, en ik besloot er die eerste dag alvast geen latertje van te maken. Ik ben vroeg op gestaan, en ik zat vandaag voor het eerst met deze zware motor op dit soort wegen. Bij Åmli dook ik een camping op die ik van de vorige keer al kende. Tentje bouwen, noodrantsoen aanbreken, en tijd voor pijp en bijschrijven.

Dag zes, tussen Geilo en Gol, 2044/402 km.

Gisteravond heb ik nog een hele tijd met een Duitser zitten praten. Hij is met een fraaie BMW-classic met zijspan onderweg (en met zijn vrouw trouwens, maar die hield zich afzijdig). Het zijspan hing er nu drie weken aan, en hij beschouwde zo’n Noorwegen-reis als een goeie manier om aan het ding te wennen. Komt me bekend voor. Ik had mezelf gisteren die vraag ook al gesteld; leerde ik weer bij? Twee jaar geleden was Noorwegen schrikken en heel snel heel veel bijleren. Nu is dat toch een hoop minder, het gaat allemaal, ondanks de nieuwe motor, soepeler. Ik ben de afgelopen twee jaar toch verder gekomen, ik heb meer zelfvertrouwen, maar ik trek nu ook duidelijker grenzen. Gisteren ben ik gestopt omdat het me te hard regende en ik het wegdek niet meer kon zien. Twee jaar geleden ben ik met vergelijkbaar noodweer bij Bremen doorgereden. Dat is wat er veranderd is.

En hoe was vandaag? Een dag van uitersten, en ik ben dan ook doodmoe. Vanmorgen was ik vroeg wakker, de camping sliep nog. Ik heb ingepakt en thee gezet, en net toen ik de tent wou gaan inpakken reed de Duitser van gisteravond voorbij. Ik denk dat ik een kwartiertje later de camping af reed.

Hoe vroeg het was bleek in Åmli; ik wilde een brood kopen, maar er was nog geen teken van leven in de supermarkt die om acht uur open moest gaan. Geen probleem, dan maar eerst eens een stukje rijden.

Ik heb de kleine rode lijntjes van de kaart op gezocht, en dat was geweldig! Stille, smalle wegen, heftig bochtenwerk, spectaculaire landschappen. Bossen, flink berg op, hard berg af. Ik heb nu ook een idee gekregen over hoe de Noordkaap-reis in de jaren 50 moet zijn geweest: plusminus 30 kilometer lang over een smal weggetje van kuilen, gravel, af en toe wat asfalt of gestort beton. Nauwelijks een auto breed, afgronden zonder vangrail of wat dan ook, beken die de weg oversteken. Met 20 tot 40 kilometer per uur probeer je de grootste gaten te missen en de boel een beetje heel te houden. Wauw! Ik zie me al rijden, oude R-50 onder de kont, twee of drie reserve buitenbanden dwars achterop, en twee maanden de tijd...

Voor de 100-km-foto zag ik een fraai bruggetje, en wie stond daar? De Duitser van gisteravond. Groetjes, zij verder, ik foto’s maken. In de loop van de dag zijn we elkaar daarna nog 5 vijf keer tegen gekomen. We waren er gisteravond al achter dat we dezelfde kaart gebruikten, maar blijkbaar hadden we ook een zelfde smaak voor wegen kiezen en pauzes pakken. De laatste keer zag ik hen rond een uur of drie vanmiddag.

Eigenlijk is de regen vandaag de enige spelbreker geweest. Ik ben droog vertrokken, maar na een kilometer of 60 begon het te regenen, en op een paar onderbrekingen na heeft het verder grotendeel geregend. Na een koffiepauze in de Kro van Åmot was het even droog, en ik heb wat foto’s gemaakt van de houten schuren zoals je die hier overal ziet. Ze zijn nog echt in gebruik al schuur, maar soms ook verbouwd tot vakantiehuisjes. Waarom de bovenbouw groter is dan de onderbouw krijg ik nergens te horen. Zelf vermoed ik dat het hout moest drooghouden.

Het droge weer hield niet lang aan. Een -naar ik vermoed- uiterst spectaculair dal rond Krokan leek te roken van de regen, en meer dan een foto van de waterkrachtcentrale heb ik er niet aan over gehouden. Pas laat in de middag kwam het snoepje van de dag, op de weg van Bakko naar Imingen. Ineens ging het steil omhoog, en daar, boven op een barre vlakte, reed ik de regen uit. De lucht gebroken, geelgrijs korstmos, ik was er weer! Ik heb lang staan twijfelen. Het was er wondermooi, wild kamperen daarboven? Maar het was ook bitter koud, ik was doorweekt, en aan alle kanten dreigde de lucht. Toch maar niet.

Vanaf Imingen ging het via een grotere weg naar Geilo en daarna door naar Gol. Maar Boven Gol hing een bijna zwarte lucht. Daar nog induiken vandaag? Ik wilde eigenlijk in de buurt van Gol een camping zoeken, maar uiteindelijk besloot ik om van de laatste zonnestralen die onder het wolkendek uit schenen gebruik te maken. Ik heb aan de weg van Geila naar Gol bij een boerderijcamping gestaan. En weer had ik bij aankomst meteen een vriendinnetje opgedaan. De conversatie verliep wat moeizamer dan met de duitse dame, ik denk dat ze alleen Noors spreekt. Ik denk trouwens ook dat ze een jaar of zes is. Maar niet weg te branden.

Het blijft me verbazen: op deze motor wordt ik op een rare manier moe. Geen pijntjes of stramme ledematen, maar ik bouw de tent, ik drink een kop soep, en ineens ben ik volkomen afgebrand, uitgeput. Doordat de motor zo goed zit merk je lichamelijk niet dat je lang bezig bent, en omdat ik nu eigenlijk ook geen peukenpauzes meer neem rij ik veel meer door dan vroeger. Stops voor tanken of 100-km-foto’s zijn minimaal, en buiten dat heb ik vandaag eigenlijk maar twee pauzes gepakt om te eten, en een stop voor koffie bij de Kro. En dat terwijl je toch eigenlijk heel intensief bezig bent. Hoe dwing ik mezelf tot regelmatige pauzes?

Dag zeven, Berkak, 2458/414 km.

Een geslaagde dag! Met wat geluk en wat wijsheid heb ik vandaag eindelijk het juiste mengsel van stug doorzetten maar ook van soepel inspelen op de omstandigheden gevonden, en ik heb me prima geamuseerd. Nu zo volhouden.

De dag begon met doorzetten. Het regende toen ik wakker werd. Rustdag of stug doorstoten? Voorlopig geldt eigenlijk dat mijn kansen op goed weer toenemen naarmate ik noordelijker kom. Ergens in de buurt van Trondheim eindigt de natste zone van Noorwegen. Doorduwen dus. Het regende toen ik de tent inpakte en vertrok, het regende nog steeds toen ik in Fagernes benzine en shag insloeg -zo lossen we het pauzeprobleem toch maar op- en het regende zelfs nog toen ik, achter Fagernes, op een bankje ging zitten om van het uitzicht te genieten. Koud, soppende voeten, zwarte handen van de doorweekte handschoenen. Maar ook: mijn nieuwe hoed op, peuk erbij, en wie doet me wat?

Bij Bytostølen reed ik omhoog, de eerste echt barre vlakte op. En ik reed ook weer, net als gisteren, uit de regen. Motor aan de kant, picknickbank dekken, ontbijt nog eens dunnetjes overdoen (ik had, in afwachting van een opklaring, vanmorgen ook al wat gegeten voor het vertrek). En wonder boven wonder bleef het daarna zelfs min of meer droog. Randen, Otta, en de E-6 werden weer gevonden. Ik heb bij de eerste pauze langs de E-6 gecontroleerd of ik alle fotorolletjes nog had, de vorige keer kwam ik er op dat punt achter dat ik mijn eerste rolletje kwijt was. Maar dit keer was alles kompleet. Meteen na Otta wordt de E-6 op een imposante manier door bergen ingesloten, met uitgesleten gletsjerdalen, steile wanden en kolkend water langs de weg. Achter Dombås ging het weer hard omhoog, ditmaal de Dovrefjell op. En waar ik op de vorige hoogvlakte de regen uit reed, reed ik nu de wolken uit! ZON!. Alweer meteen gebruik maken van de omstandigheden: motor aan de kant, een mooi plekje tussen de grijze rotsen met zwarte vlekken en geel korstmos zoeken, en pauze. Schoenen en handschoenen in de zon, voetjes in verse, droge sokken, schitterend uitzicht voor me, Hier was het wel even uit te houden.

Na een uurtje zonnebaden ging de reis verder. Ik heb geprobeerd om via foto’s te laten zien hoe je van zo’n vlakte afkomt, maar dat lukt niet. Op de beste plekken voor een foto kun je niet stoppen, en van het gevoel van ingeslotenheid, dat je krijgt als je omlaag gaat, blijft niets over. Ik reed trouwens ook weer dreigende luchten tegemoet. Achter Opptal begon het grote twijfelen. Eigenlijk wilde ik door, langs Trondheim, en dan een camping zoeken. Maar ik was nu eens even droog. Was het de moeite waard om weer nat te worden vandaag? En het was ook koud; vanmorgen was het in Fagernes 15 graden, en sedertdien was het vandaag eigenlijk alleen maar kouder geworden. De eerste regendruppels hielpen me besluiten. Ik ben de camping voorbij Berkak opgedoken, waar ik twee jaar geleden ook was. Friet op de camping, een mooi veld langs de Gaulla en ik kon mijn tent opzetten om te drogen (die eerste druppels hebben niet echt doorgezet).

Dag acht, Mosjøen, 2940/482 km.

Vandaag was een mooie dag. Stug doorrijden over de E-6, een paar buitjes, en de poolcirkel is binnen handbereik.

Vanmorgen was ik volgens mij laat op. Er was tenminste al heel wat leven op de camping. Gisteravond had ik wat met handen en voeten staan praten met een fransman, en ik heb een tijdje staan kijken naar een vader die zijn dochter de eerste beginselen van het vliegvissen stond bij te brengen (hallo Geert!). Tijdens het inpakken viel er een buitje, en met een grijns zong de Fransman: ‘ietsaa long waay tooo Tieiepuweeewie’. Maar ik kreeg mijn tentje droog op de motor en was weer op weg, ontbijt kwam later wel. En jawel, op een mooie picknickplaats langs kabbelend water smaakte dat prima.

Toen begon de verandering weer die me de vorige keer ook al was opgevallen. Langzaam maken de bergen plaats voor heuvels, meer gebouwen, Trondheim ligt echt in een ander Noorwegen. Soepel over tolwegen -gratis voor motoren- door de stad, nog wat meer heuvels, en langzaam begint het echte Noorwegen weer. Berg op, een buitje, en daar is het Snåsavatnet, een langgerekt meer. Daar ergens begint de ook echte reis naar het noorden, van dat punt af is de beschaving nooit meer dichtbij en vanaf dat punt zijn toeristen reizigers geworden. Pauze, tijd om ‘Berta’s Marmermåne’ aan te breken. En ik moet zeggen, die tante Bertha bakt een verdomd smerige cake. Ik denk dat ik er op de terugweg maar eens een stuk of drie insla, zodat ik thuis ook nog eens kan genieten. Overigens is de hoed werkelijk een briljant idee, ik heb tijdens een bui lekker in de regen staan smikkelen!

De rest van de dag voerde door het naaldwoudendeel van Noorwegen. In het zuiden zijn wel bossen, en ook veel naaldbomen, maar hier golft de weg echt eindeloos tussen de bomen door. Lekker rijden! Ergens rij je onder een of andere spektakelboog door die je probeert wijs te maken dat hier het noorden begint, maar dat vind ik toch wat overdreven. Ik ben er nu niet gestopt, misschien dat ik er op de terugweg een foto van maak. Ondanks dreigende luchten bleef het vrijwel droog, en voor het eerst reed ik niet meer met soppende voeten. Tegen het begin van de avond heb ik ergens langs de weg soep gebakken, het voelde allemaal lekker aan en ik wilde vanavond best eens een latertje maken. Het begon er ook aardig op te lijken. Vlak voor Mosjøen had ik de hoofdprijs van de dag: rendier op de weg. Ik kon de motor een paar honderd meter verder heelhuids aan de kant zetten, de camera pakken en met langzaam terugwandelen heb ik foto’s van kunnen maken terwijl het dier via een weiland in het bos verdween. De beesten zijn trouwens wat groter dan ik dacht, in plaats van het ree-achtig beest dat ik verwachtte hebben we het hier toch over formaat hert. Niet echt iets om tegenaan te rijden. In Mosjøen heb ik getankt, en daarna reed ik ineens een regengrijs dal in. Daar had ik na deze geslaagde dag helemaal geen zin in. Daar was trouwens ook een camping. En daar sta ik nu. Voor me een stil meer, in de verte bergen met sneeuwresten, we zijn er bijna. Morgen ga ik over de cirkel. Als ik dan eens een niet te dure camping tref dan wordt het tijd voor een rustdag.

Dag negen, Trollfossen, 3266/326 km.

Ja hoor, Janneman is weer helemaal weg. Regen, soppende voetjes, kou, het kan me allemaal niet meer deren: vandaag ben ik op mijn vakantiebestemming aangekomen! Ik zit boven Fauske...

De dag begon met tussen de buien door inpakken. De beloning was een fraaie regenboog toen ik de camping afreed. Het ging ook meteen hard omhoog, naar een schitterend uitzicht over twee dalen in de zon en een landschap in de regen. Helaas kwam de regen hard mijn kant op, en ontbijt zat er op die plek niet in. Weer onder heb ik eerst in Eiteræge boodschappen gedaan voor het weekend (zaterdag blijft zaterdag, waar je ook bent). Toen ging de reis verder naar Mo i Rana, waar ik mijn financiële reserves heb aangevuld. Het gaat hard... Maar ik heb de afgelopen dagen heel wat kilometers afgelegd, en nu zouden er wat dagen van kalm aan moeten aanbreken, vermoedelijk te beginnen met morgen.

Na Mo i Rana ben ik op zoek gegaan naar die mooie overdekte picknickbanken, die ik me van de vorige keer herinnerde. Maar ik meende me ook te herinneren dat ik de vorige keer vlak na Mo i Rana een camping had gezocht. Dat bleek nogal tegen te vallen, de camping dook pas een kleine 50 km na de stad op. En die banken waren ook niet de eerste maar de tweede picknickplaats na de camping. Al met al was ik koud, nat en had ik genoeg honger tegen de tijd dat ik ze gevonden had. Maar het is wel echt de plaats om te ontbijten, en al helemaal met slecht weer! Ik heb er lang gezeten. Deels om eens lekker bij te trekken, deels om eens goed te ontbijten, en tenslotte omdat het weer langzaam leek te verbeteren. En inderdaad, uiteindelijk waaide de laatste regen voorbij, en de rest van de dag heb ik droog gereden, met af en toe zelfs een serieuze zon in de nek.

Snel na de pauze kwam het hoogtepunt van de dag. Langzaam wordt het landschap leeg. Sneeuw en ijs komen dichterbij. De poolcirkel-vlakte! Het blijft een imposant stuk rijden; ergens heb je wel degelijk het gevoel de normale wereld achter je te laten. In het poolcirkel-café heb ik uitgebreid kaarten geschreven. Op die manier zijn ze tenminste thuis voordat ik thuis ben. Dat schrijven nam veel tijd in beslag, en ik denk dan ook dat ik daarmee het grootste deel van de middag heb doorgebracht.

Met het oog op morgen rustdag -vandaar morgen kalm aan- ben ik eens serieus gaan zoeken naar een plek om wild te kamperen. Boven op de vlakte zag ik wel een plaats die misschien zou gaan: parkeerplaats, dan een hoge rots, waar je gewoon omheen kan lopen. Daarachter misschien, net uit het zicht van de weg? Maar het is wel de poolcirkel-vlakte: sneeuw op lopen afstand, geen bomen of andere beschutting tegen de gierende wind... Nee, dat leek me toch een tikkeltje te wild. Als ik hier om 10 uur ‘s avonds aankwam misschien, enkel en alleen om even te slapen. Maar een rustdag? Nee. De rest van de middag heb ik vooral doorgebracht op smalle wegen die nergens heen gingen. Maar het wou niet lukken. Ik kon de motor niet kwijt, er stonden huizen, of het was wildernis (bomen en rotsen, bij voorkeur omhoog of omlaag, nooit vlak). Ik heb een rugzak nodig, zodat ik wat verder van de motor af kan kamperen. En zelfs dan is het nog maar de vraag. Al zoekend kwam ik vanzelf in Fauske terecht. Helaas, het mooie vikingbootje van twee jaar geleden lag er niet meer. Ten noorden van Fauske wist ik wel een aardige camping, net even van de grote weg af. En hoewel ik er naar op zoek was reed ik de afslag toch nog voorbij: verborgen tussen twee tunnels. Terug dus. Bij de afslag zag ik nu trouwens dat er nog een tweede camping aangegeven stond, 7 kilometer verderop aan die zijweg. Die eerste kende ik al, dat was een grote familiecamping aan een meer, met een strand en zo. Nu maar eens die tweede bekijken? Dat bleek een schot in de roos: boerderij, oude man die alleen noors sprak, wat hutten, een paar caravans van noren die de camping blijkbaar als weekendverblijf beschouwen. Dat laatste betekent vooral rust: noren blijven niet op de camping hangen om voor de caravan te gaan zitten kaarten. Men komt aan, haalt de rugzak uit de caravan en is weer verdwenen. Zondagavond terug, rugzak in de caravan, tent en slaapzak in de voortent, men is weer weg. De caravan is blijkbaar meer een opslagplek voor visgerei en kampeerspullen dan iets waar je in verblijft. Bij de ingang van de camping begint ook een wandelroute, misschien dat ik daar morgen eens wat mee doe. WE ZIJN ER!

Dag tien, Trollfossen, 3266/0 km.

Ik heb een goede dag gekozen om niet te reizen, er is veel regen gevallen. Gisteravond werd ik nog even bekropen door twijfel over de rustdag. Ik zat in mijn gesloten tentje toen het plotseling duidelijk kouder begon te worden. Een blik naar buiten leverde een verklaring en twijfel; ineens was de lucht helemaal strak blauw! Wat als...

Maar vanmorgen begon toch weer met het vertrouwde getik op de tent; regen. Uitslapen, toilet maken, eitjes bakken, thee zetten en veel lezen dan maar.

Toen de regen wat minder leek te worden ben ik een eindje gaan wandelen. Tsja, met een rugzak erbij had ik nu wel een plek gevonden waar ik wild zou kunnen kamperen. Motor op een parkeerplaats die hier voor de camping ligt, en dan nog een half uur stevig wandelen tot de plek die ik gevonden heb. Probleem is natuurlijk dat je op die manier niet kunt stoppen voor de nacht: zomaar ergens de motor neerzetten en op goed geluk beginnen te lopen... Daarbij komt een andere ontdekking: ik zie mezelf hier niet echt lekker met een zware rugzak rondpandoeren. Steile paden, glibberige paden, smalle paden, balanceren over boomstammen, je reinste Indiana Jones werk. En dat door dichte begroeiing en in de regen: het was net even te koud, ander had het echt junglewerk geleken. Met dat half uurtje wandelen had ik serieus de tong op de schoenen hangen, al ging de terugweg al een stuk gemakkelijker en ook wel wat sneller. Maar een paar dagen geleden, bij Bytostølen, zag ik hoe een opa met dochter en kleinzoon ergens uit een auto stapte. Ze trokken andere schoenen aan, en binnen een paar minuten waren ze soepel een erg schuine rotswand -geen pad- opgelopen en over de richel verdwenen. Daar moet je toch duidelijk in opgroeien.

Ik ben nog steeds bezig in ‘Jupiters reizen’. De man is met een Triumf tussen ‘74 en ‘77 vrijwel overal geweest, 102.000 km. Deels is zijn reis mij vreemd: hij zoekt met name gebieden op waar ik nu net niet zo willen zijn (Afrika, zuid-Amerika, India en zo voort). En als hij schrijft over de confrontatie met zichzelf wordt hij wat zweverig, met name in India (maar we hebben het hier over de eerste helft van de jaren zeventig). Met die twee kanttekeningen in het achterhoofd is dit boek toch een feest der herkenning. Langzaam groeit zijn vertrouwen en de motor en het materiaal waar hij me rondtrekt, en hij wordt er trots op, handig mee. Ook de manier waarop hij andere mensen bekijkt trekt me; niet de arrogante toerist die vindt dat hij door onderontwikkelt gebied trekt. Als er problemen zijn is hij bereidt om kritisch naar zijn eigen verwachting en opstelling te kijken, precies datgene wat bij Frank van Rijn -de wereldfietser- zo ontbrak. En als ik even over het zweverige deel heenkijk is zijn eindeloze gepieker ook erg herkenbaar. Daar heb je tijd voor, als je alleen onderweg bent.

Een erg aardige vondst vind ik het zogenaamde ‘B-film-gevoel’. Af en toe bekruipt hem een zwaar onheilspellend gevoel: dadelijk gaat het helemaal mis. In het donker, rijdend in de regen, zomaar ineens totale onzekerheid. Ik herken dat gevoel, en wijt het aan vermoeidheid, kou, algemene ‘ontheemtheid’. Te lang gereden over onbekende wegen, en ineens ben ik bij elke bocht bang dat er dadelijk iets dwars op de weg staat, of dat de weg een haakse bocht maakt zodra ik hem even niet kan overzien. Tijd om te stoppen dus. Wat hij niet beschrijft is de euforische tegenhanger: laat ik het maar het ‘Peter-Stuyvesant-gevoel’ noemen. Ineens zit je midden in dat spannende leven dat je in de reclame ziet, de zon schijnt, de weg kronkelt eindeloos voor je uit, je hoeft nooit meer te tanken of te stoppen, alle mooie meisjes lachen en zwaaien, lalala... Net zo onecht en vals als het B-film-gevoel. Maar wel wat leuker.

Is er ook nog een echte ervaring, of is alles zo gekleurd door film en tv? Gistermorgen: natte voeten, ik heb het koud, ik heb honger, en de picknickplaats blijkt toch verder weg te zijn dan gedacht. Maar ook: weinig verkeer op de weg, bochten die als op rails lopen, langzaam veranderd het landschap om je heen naar een jou vreemde wereld. Het leven dat je altijd hebt geleidt is vergeten, waar die picknickbanken staan is eigenlijk niet meer belangrijk, alleen het moment en alles wat je daarbij voelt blijft over. Als ik eraan terug denk dan is die hele rit in feite nog maar één moment.

Geen nood, het dagelijks leven blijft dichtbij. Gistermorgen heb ik boodschappen gedaan, het was immers zaterdag. En gisteravond was dan wel zonder Peter of Howard, maar wel met frietsticks (dichter bij friet kan ik op deze plek niet komen). Het was wel degelijk zaterdagavond...

Dag elf, Nordkjosbotn, 3686/420 km.

YES YES JA!!! Ik zit in magisch geel licht voor de tent, en het is ergens na elf uur. We zijn weer echt in het noorden. Het is nog geen stralend weer, maar de lucht was vanmiddag en vanavond serieus gebroken. Vandaag was de beste dag tot nu toe, en niet alleen vanwege het weer.

Vanmorgen begon gewoon met slecht weer. Ik was pas laat wakker, omdat ik het gisteravond laat en gezellig had gemaakt met ene Brigitte en Martin uit Duitsland. Zij hadden een hut gehuurd, en we hebben tot diep in de nacht thee met rum zitten drinken. Van hen kwam ook een verhaal over de grootste angstweg hier in Noorwegen, ergens in het zuiden: een lange onverlichte tunnel met haarspeldbochten. Er staat een stoplicht dat inrijdend verkeer regelt, maar dat gaat ervan uit dat je binnen tien minuten door die tunnel vliegt, en dat schijnt toch alleen voor de lokale cowboys weggelegd te zijn. Zodoende ben je goed en wel over de helft met je weg zoeken over haarspeldbochten in het donker als er ineens tegenliggers opduiken.

Door het uitslapen en de rustdag was er vanmorgen toch geen twijfel: thee zetten, ondertussen inpakken, en wegwezen. Dat pakte goed uit, na een veertig kilometer werd het droog. Tijd voor een 100-km-foto en ontbijt. En weer 100 km verder was ik niet alleen bij het veer van Bognes, ik zag ook stralen zon tussen de wolken door over het landschap vegen. Het was wel koud, ik had al ergens binnen koffie zitten drinken. Na het veer volgde de lekkerste rit tot nu toe. Niet echt zonnig, maar met slimme pauzes bleef ik uit de buien. Geweldig landschap, geweldige weg, heerlijk slingeren en rijden, intens genieten!

Vandaag ook een nieuwe ervaring: ik ben aangevallen door een boze pappameeuw (het kan ook een mammameeuw geweest zijn, daar wil ik vanaf zijn). Ik was gestopt voor een 100-km-foto, ik stap af, zet mijn helm af, doe mijn handschoenen uit, pak de camera en krijg van achteren een ferme tip op mijn hoofd. Als ik me verbaasd omdraai hangt er een meeuw op 2 meter afstand zeilend in de wind, me boos aankijkend met een fel rood omrand oogje. Terwijl ik sta te kijken haalt hij uit, omzeilt mijn zwaaiende armen en deelt een tweede tik uit. Geen gaten in je kop, maar zo’n snavel komt toch goed aan! Ik heb hem de ruimte gegeven en ben verderop de foto gaan maken. Ik denk dat ik te dicht bij een nest ben gekomen.

Bij Botnfjord, aan het Gratangenfjord, heb ik weer het visserijmuseum aangedaan. Ik werd met een prachtige regenboog ontvangen, dat was ook de definitieve reden voor het museumbezoek: bui vooruit. Het blijft een raar en onaf museum, net alsof men heel enthousiast begonnen is en toen ineens weer gestopt is. Volgens mij is er sedert de vorige keer weinig veranderd. Buiten zijn er wat meer wrakken bijgekomen die ooit eens opgeknapt moeten worden, meer verandering zag ik niet.

In Setermoen heb ik boodschappen gedaan, en iets noordelijker, in Andselv, heb ik friet gegeten. Het was goed koud, het regende, en Janneman is echt op gang: ik ben ondanks het slechte weer buiten gaan staan omdat ik het binnen warm en benauwd vond. Binnen stonden trouwens computers klaar voor internet: 50 kronen per uur (iets van 14 gulden). Jammer dat ik geen e-mail adressen bij me heb.

Toen ik verder reed werd het ineens geweldig: Groot blauw, zon, 20 meter schaduw van motorrijdend Jantje! Pauze op een berg, bij een Sami-kamp, al met al heb ik zo een uur lang echt kunnen genieten van het weer. Toen draaide de weg weer in de richting van een vallei met zwarte lucht en grijze regennevel, en ik besloot om de dag af te sluiten.

Dan zit je 3600 km van huis. Een meneer spreekt je aan in het frans, en daarna in gebroken belgisch-nederlands. Ja, hij woont in België, maar komt uit Nederland, uit Roermond. He, daar heb ik ook gewoond. Even praten leert dat dit de broer van Mevrouw Finckers is, een huisarts van pa en ma. De wereld blijft klein.

Dag twaalf, Alta, 4040/354 km.

Weer een dag die alle voorafgaande dagen overtreft. Vanmorgen begon met serieus uitslapen. Hoewel het al een aantal dagen geen nacht meer wordt slaap ik toch prima. Tegen de tijd dat ik al mijn ochtendrituelen achter de kiezen had en klaar stond voor vertrek was het half elf. Het had wat geregend, maar de tent was al weer half droog bij het inpakken. Goed en wel op weg barstte de regen al snel weer los, maar het bleef vandaag bij buien. Af en toe lang genoeg droog voor een stuk cake en een bak thee, en toen het me te lang duurde heb ik gewoon in de regen zitten ontbijten. De hoed is echt een goed idee geweest! Alleen ben ik uiteindelijk snel vertrokken omdat er een echte stortbui aankwam, en dat heeft me mijn bord gekost (vergeten dus, maar ik ben de grijze muur wel voor gebleven).

Ook met regen: het was alweer schitterend! Kåfjord, Lyngefjord, imposante bergen. Gletsjers en ijs van boven, witte linten van watervallen op de flanken, grijs, groen en zwart afhankelijk van regen, zon en schaduw, werkelijk een indrukwekkend landschap. Terwijl ik het Kvånangsfjel opreed liet ik de regen definitief achter me, ik heb een pauze gehouden waarbij ik de hele tijd de regen tegen de berg zag opkruipen, maar uiteindelijk kwam er niet meer dan wat vochtige wind tot waar ik stond. Aan de noordkant van de vlakte staat een motel met restaurant, daar heb ik binnen koffie zitten drinken. Stijlvol, met grote mooie ramen die uitzicht bieden op een van de meest imposante water- en berglandschappen die ik hier ken. En dat dan onder imposante, aan flarden gescheurde wolkenlucht. In feite kun je hier gewoon een hele dag naar buiten gaan zitten kijken.

Met de regen was ik ook de regenbogen kwijt, maar dat werd goed gemaakt door opnieuw een rendier op de weg. Ferm remmen en een soepele uitwijker, en toen de motor langs de kant om nog maar eens wat foto’s te maken terwijl het beest in de bossen verdween. Later zag ik een hele kudde langs de weg, maar toen had ik geen goede plek om te stoppen.

En toen, net binnen de marge -plus of min 10 km- voor de 4000 km foto: Alta lag in de verte in de zon te blinken. Ergens heb ik wel het gevoel dat ik hiermee mijn uiteindelijke vakantiebestemming heb bereikt. Vanaf nu bepalen het weer en mijn belangstelling wat ik doe. Ik heb een kleine week de tijd, daarna moet ik weer op de terugweg zijn. Een rondje van zo’n 1000 kilometer, naar Kirkenes? Weer naar de kaap? In Alta is in elk geval een museum met rotstekeningen waar ik naartoe wil. Is dat iets om mee te beginnen of mee te eindigen? Ik denk dat ik het museum bewaar tot het einde, als troost, voordat ik weer terug begin te rijden.

Om te vieren dat ik zover ben gekomen heb ik nog maar eens friet gegeten. Ik denk dat ik de plaatselijke variant van Happy Day’s heb gevonden; vaste klanten aan tafeltjes, een sneeuwscooter aan de muur als hoofdprijs van de zomerloterij, een gezellige tent. En nu zit ik voor het eerst sedert mijn aankomst in Noorwegen zonder jas voor de tent. Al begint dat toch snel frisjes aan te voelen.

Dag dertien, Neiden, 4517/477 km.

Ongelofelijk, wat een dag! Vertrek uitgesteld vanwege regen, vervolgens een hele dag met schitterend weer, en ik heb de tent nog niet staan of de hemelsluizen… Maar: alweer de beste dag tot nu toe. Vandaag heb ik nieuwe grond gebroken, zo ver was ik nog nooit van huis. Ik heb het lege stuk van Noorwegen ontdekt; nadat ik voor de Noordkaap rechtsaf geslagen ben heb ik nog maar 3 motortoeristen gezien.

De dag begon met regen, even wachten en toch maar vertrekken. Daarna kwamen om te beginnen de twee barre vlaktes boven Alta, en daarbij liet ik de regen achter me. Ik kwam weer langs het -nog steeds- rode restaurant vlak voor Olderfjord, en toen kwam HET moment van deze reis: linksaf kun je alleen maar naar de Noordkaap, en ik ben rechtsaf geslagen. Dat wordt denk ik de naam van deze reis: Bij de Noordkaap rechtsaf...

Het eerste stuk was nog E-6, langs de kust omlaag. Het landschap wordt meteen al anders, vlakker, meer afgesleten door ijs. Bij Lakselv verliet ik de grote weg, en de rest van de dag is echt een nieuw landschap aan me voorbij gerold. Het eerste stuk was vooral veel grind: gele grindbergen, gele grindvelden, lage berkenstruikjes en dergelijke. Ik heb vlak voor Ilfjord zelfs iets gehad dat zich laat omschrijven als een grindwoestijn, een eindeloze vlakte met wat armetierige struikjes, de weg net even verhoogd in de verte verdwijnend. In Ilfjord -op de kaart lijkt het nog een hele plaats, maar ik kwam niet meer dan een pomp met kiosk en een paar huizen tegen- heb ik een broodje gegeten in de kiosk, en daarna kwam het meest imposante stuk leegte dat ik ooit gezien heb. Geen grind meer, maar echte rots, niets was hoog maar alles was woest. Voor je uit kun je soms meer dan een uur weg zien slingeren, geweldig. En dan ineens even omlaag, en alles is weer echt groen. Tussen het groen door schemeren zandbank-oevers en een rivier, lage heuvels links en rechts, een volslagen lieflijk rivierlandschap. Dat is de Tana, van de IJszee naar Tana Bru. Bij Tana Bru kwam ik weer op de E-6, richting Kirkenes. Zon onder wolken door, meestal zicht op de zee, af en toe even omhoog over een paar rotsen of tussen een opgegespleten berg door. En hier bekroop me ineens het gevoel dat ik echt ver van huis was. Het leek wel wat op het noorden van Schotland, maar hier is het landschap eindeloos. Er staan wel huizen, zo af en toe, maar al met al straalt het landschap een verlatenheid uit die ik niet kan beschrijven. Mijn hele leven heb ik het gevoel gehad dat er om mij heen een wolkje eigenheid hangt; overal slaag ik erin om mijn meest directe omgeving voldoende aan mezelf aan te passen om me thuis te voelen. En vanavond was ik dat wolkje eigenheid ineens kwijt. Hier hoor ik echt niet thuis. Ik had het gevoel dat ik zo snel mogelijk maar even naar Kirkenes moest gaan en dan zo snel mogelijk over de grote weg weer terug naar Alta. Het B-film gevoel? Eindelijk de realisatie dat ik inderdaad ver van huis ben, in een landschap waar ik niet thuishoor? Of gewoon moe van alle nieuwe indrukken?

Ik denk dat laatste, ondertussen zit ik al weer een tijdje te schrijven, en het gevoel zakt langzaam weer weg. Nadat ik dat gevoel had gekregen moest ik ook nog een noodstop voor een rendier maken, en daarna vond ik het eigenlijk wel welletjes. De eerste camping ben ik nog wel voorbij gereden, de volgende zag er beschut genoeg uit. Nu zit ik nog maar een paar uurtjes van Kirkenes af, morgen kan ik de reis ‘afmaken’.

(een noodrantsoen en een tour-de-camping later). Mijn reis dreigt alweer langer te worden. Ik heb zojuist met een noors motorstel staan praten, en volgens hun moet ik na Kirkenes toch nog even doorrijden, naar de russische grens, en dan door naar de Kong Oscar II kapel. Schijnt leuk te zijn. Ik laat het van het weer afhangen; op dit moment is het helder, en het zit tegen het vriezen aan (ik adem wolkjes).

Volgens hen moet ik daarna trouwens ook naar Vardø komen, daar is een motortreffen, en zuiderlingen zijn zeldzaam op dat treffen. In Alta kreeg ik dat ook al te horen. Maar Vardø is op de oostpunt van een schiereiland, bijna vlak boven Kirkenes. Als ik daar het komend weekend naartoe ga en zondag begin te rijden dan wordt het wel een heel ruige spurt om nog op tijd bij het veer te komen. Tikkeltje te ruig naar mijn idee. Ik kreeg overigens ook een aardige tip tegen rendieren op de weg: koop een gewei, dan hoef je er geen meer dood te rijden. Leuk.

Dag veertien, Tana Bru, 4827/310 km.

Een goede beslissing, en net op tijd: Ik ben eerder gestopt dan mijn bedoeling was, vanwege een zwarte lucht. Hagel ratelt op de tent. Vandaag zijn de motor en ik tot het uiterste gegaan, in meer dan een opzicht…

De dag begon met een valse start. Toen ik me gisteravond inschreef voor de camping was het half tien. Daarna heb ik tentje gebouwd, gegeten, geschreven, wat gewandeld, wat met Noren gepraat en toen ben ik naar bed gegaan. Toen ik vanmorgen wakker werd waren er wat wolkenvelden, maar het was droog en helder. Ik ben opgestaan, heb thee gebakken, ingepakt en ben op weg gegaan. In Neiden bij het tankstation bleek het half twee ‘s nachts te zijn, ik had maar een paar uur geslapen. Ik ben omgedraaid, terug naar de camping gegaan, ik heb mijn tentje weer opgezet en ben weer in de slaapzak gekropen. Ik ben bang dat ik anders dag en nacht helemaal kwijt raak…

De tweede start was minder geslaagd; massief grijze lucht en regen. Maar de slaap was nu definitief op, en ik ben toch maar op weg gegaan. Nog steeds vroeg, uiteindelijk was het even na acht uur toen ik Kirkenes binnen reed. Ondertussen was al duidelijk dat de russische grens dichterbij kwam; borden met verboden te stoppen, verboden te fotograferen, grote witte koepels hier en daar; de koude oorlog is hier nog niet helemaal opgeruimd. Kirkenes zelf is een redelijk forse -naar begrippen van hier- havenplaats; er staat zelfs een gebouw met vier of vijf verdiepingen. Er komt hier ijzer en kolen uit de grond, en de stad is dan ook echt een werkstad. In de regen maakte de plaats een rommelige en mistroostige indruk. Ik wilde dit hoogtepunt van de reis vieren met een ontbijt ergens, maar in het centrum -een plein en anderhalve echte winkelstraat- was alles nog doodstil. In de haven, een paar straten lopen, waren bont beschilderde russische hoeren en donkere kroegen open, maar geen van beiden trok me echt aan. Ik ben weer terug naar het plein gelopen en heb me daar met een pijp op een bankje genesteld en gekeken hoe de stad tot leven kwam. Veel echt russische koppen (neem Bresnjev of Jeltsin in gedachten en pas dat uiterlijk op alle leeftijden toe). Rond de telefooncel hangt de hele tijd een figuur rond die zelf belt met een mobiele telefoon, en met allerlei mensen praat die daarna in de cel gaan bellen. Uit een grote nieuwe wagen wordt een stalletje opgebouwd dat vol wordt gezet met russische souveniers: klederdrachtpoppen, glaswerk, en van die poppen in poppen. Als ik om half tien in een open gegaan restaurant zit blijkt er om mij heen alleen russisch gesproken te worden, ook ik wordt in het russisch aangesproken. ‘Egg og bacon’ is hier trouwens uit de kunst.

Bij het uitrijden zie ik rendieren uit de bloembakken vreten. Northern Exposure.

Met een waterig zonnetje zet ik koers op de russische grens. Steeds weer borden met regels, maar ook het ruigste bord van mijn vakantie: Moermansk, rechtdoor… De grens zelf kan niet bezocht worden, er staat een uitdrukkelijke waarschuwing om de grens niet te benaderen zonder geldig visum. In de verte zie je nog net de noorse kant en het begin van een stuk niemandsland. En nogal wat slagbomen en prikkeldraad.

Bij die grenspost kun je weer naar het noorden rijden, en uiteindelijk rij je dan langs een rivier die de grens met Rusland vormt. Gele grenspalen aan deze kant, rood/groene grenspalen aan de overkant. En statieven met machinegeweren, en uitkijkposten. De koude oorlog is niet alleen nog niet opgeruimd, hier is hij blijkbaar nog niet eens voorbij! Het laatste stuk weg werd echt avontuur; grind, fijne grijze modder en plassen, voor het eerst met de grote motor serieus van de verharde weg af! Griezelig, maar het wende toch wel en langzaam steeg de snelheid weer tot iets tussen de 20 en 40 km/u. Dan komt er de Kong Oscar II kapel, gebouwd als teken van goede wil vanwege de vele grensconflicten in het begin van de vorige eeuw. Daarna komt er een rotspunt, met een licht en iets dat er uitziet als een halve boot, als baken voor de scheepvaart. Voorbij die rotspunt buigt de weg naar links af…

Einde. Geen kiosk, geen souvenirs, geen spektakel. Een modderige ronde plaats om te keren, wat vervallen gebouwtjes, en een bord: Kirkenes 60. En de Barendszee. Ik heb er een tijdje gezeten. Allereerst was daar de ultieme wraak op het kloteklokje van Heutz: batterij eruit, en met een grote boog en bevredigende plons verdween het ding van het vasteland van Europa. Ik wilde eigenlijk ook wel even pootje baden, maar de rotsen bleken te glibberig om verder dan wat achtergebleven poelen te komen (en het was er te afgelegen om valpartijen te riskeren). Het was een lange en zware reis geweest om zover te komen, en het punt waar ik nu rechtsomkeer maakte was, meer nog dan de Noordkaap, alleen maar een abstract begrip, een punt op een kaart dat alleen vanwege een afspraak -de grens- bijzonder is. Anticlimax? Op het moment dat ik daar was wel, Maar eerlijk is eerlijk, het weer deed ook niet mee. Graag had ik weer de zon over de noordelijke ijszee gezien. Nu was het even zitten, een stukje cake eten, en terug maar weer. Maar hier, in de tent -de hagel is overgegaan in natte sneeuw- krijg ik al weer een ander gevoel. Ik wou dat ik in Kirkenes harder naar een koffersticker had gezocht. Ik wou dat ik een foto van de rendieren die uit de bloembakken vraten had gemaakt. Ik wou dat ik een foto van mezelf had gemaakt toen ik aan het einde van Noorwegen stond. Kortom, ondertussen begin ik toch iets van trots te voelen bij het punt waar ik geweest ben.

De terugreis was eigenlijk simpel. Gezien het slechte weer heb ik besloten om niet via Finland of Zweden te gaan rijden, dus kon ik alleen via de E-6 terug naar Tana Bru. Op de plek waar ik gisteren een noodstop maakte voor een rendier blijk ik een zwarte streep van een meter of dertig te hebben achter gelaten. Van over zee kwamen de meest afgrijselijke buien aandrijven, en ik slaagde erin ze te ontwijken totdat ik Tana Bru inreed. Vanwege de zwarte lucht die me toen aan alle kanten insloot heb ik hier kamp gemaakt. Duur, een ongezellig terreintje tussen hutten in, met na de buien grote plassen op de bevroren grond (het water kan niet weg op de permafrost). Mijn tentje staat net goed, maar morgenvroeg moet ik vermoedelijk zwemmen om mijn motor op te halen.

En nu? In feite heeft de tweede stoot geklonken, het doel is bereikt. Morgen of overmorgen ben ik terug in Alta, en ik vermoed dat de derde stoot dan niet lang meer op zich laat wachten: terug naar huis.

Dag vijftien, Alta, 5227/400 km.

Met een ijzige dag sluit ik mijn zwerftocht in het hoogste noorden af. 1100 km, kou, hagel en regen, en een ongelofelijk leeg landschap. Vandaag was overigens wel een schitterende dag: ik heb ‘vlak’ Noorwegen ontdekt.

Vanmorgen begon vrijwel droog. Thee zetten en wegwezen dus maar. Op het toilet nog even met een noorse motorrijder praten. Of ik meeging naar Vardø? Neu, doe maar niet. De sirenes die ik vannacht gehoord had? Sirenes? Sirenes? Oooh, dat waren wolven meneer, als het weer slecht wordt komen ze wat dichter bij de huizen.

Miezerregen en kou, dat was het weer in de eerste helft van de dag. Koud, gruwelijk koud. Ik heb weer op m’n knieën naast de motor gezeten om mijn handen aan de uitlaat te warmen. Ik heb zelfs mijn fleece aangetrokken onder de motorjas, maar dat hielp niet voor mijn handen, voeten en benen. Het landschap was on-noors; een vriendelijk rivierlandschap, de Tana. Veel laag groen, zandbanken in de rivier, wat losse boerderijen. De Tana is de grens met Finland, en Utsjoki, waar ik wilde tanken, bleek in Finland te liggen. Ik had geen zin om speciaal hiervoor de grens over te gaan, en na grondig op de kaart kijken durfde ik het wel aan om door te rijden tot Karasjok. De spelling van plaatsnamen schijnt hier overigens nogal vrij te zijn, zolang de plaatsen maar met sjok, sjohki of sjohka eindigen. In plaats van tanken dan maar ontbijten? En ik heb de held gefotografeerd, op z’n motor. De rit naar Karasjok was echt koud. Ik was dan ook vastbesloten om daar een lange pauze te nemen en eens goed bij te trekken. Karasjok is blijkbaar een belangrijke plaats voor de Sami, er was tenminste een groot gebouw van hout opgetrokken met een permanente uitstalling van souvenirs. En de absoluut mooiste dame die ik hier in het noorden gezien heb; een noorse prinses! De koffie heb ik samen met twee noorse motorrijders gedronken, uit Tromsø en Ankenes. Een waarschuwing om niet alleen door noord Finland of zweden te gaan zwerven, te gevaarlijk als er iets gebeurd. En weer sterke aandrang om toch vooral mee te gaan naar het treffen in Vardø, dat is in het totaal de vierde keer. Na Karasjok ging de reis dus verder in zuidwestelijke richting. Dat werd een vreemd gebied; bijna onbewoond, een hoog plateau maar niet echt een barre vlakte. Zand, grind en struiken, op de een of andere manier moest ik vooral aan amerikaanse prairie denken. Alleen waren er ook overal meren en plassen. Ik zag zelfs twee watervliegtuigjes. Ik heb ook een lynx gezien, en deze keer zelfs van vrij dichtbij. Te dichtbij naar mijn idee: ik ben op gegeven moment maar op de motor klaar gaan zitten om te vertrekken. Dat was niet nodig, maar zo’n beest is toch groter dan de forse poes die ik in gedachten had. Een grote hond, groter dan een herder of labrador. Het dier gedroeg zich wel als een poes, zo quasi-nonchalant heen en weer zwerven en ondertussen steeds dichterbij komend.

Vlak voor Gievdneguoika draaide ik weer richting Alta, en toen pas kwam ik er achter hoe hoog de hoogvlakte eigenlijk lag. Als eerste verschenen er in de verte weer eens wat scherpere en blote bergtoppen. Toen ging het ineens via een smalle vallei heftig bergaf, 6 km lang met een 8 tot 10 % daling! Ik had zelfs kans om te stoppen voor een foto! En zo kwam ik weer in bekend landschap. Tijd voor eten op een picknickplaats. Het was nog wel koud, maar er was af en toe een zonnetje, en het laatste stuk tot Alta was aangenaam rijden. Ik was vroeg in Alta, zeker naar plaatselijke begrippen (de zon gaat nog steeds niet onder). Ik had mezelf het rots-tekeningen-museum beloofd, en ik besloot daar nog voor de camping langs te gaan om te kijken hoe laat het eigenlijk was en tot hoe laat het museum open was. Het was half zes, en het museum was alleen van twee tot vier ‘s nachts gesloten. Yes dan maar.

Ik heb me de afgelopen dagen al afgevraagd hoe je een museum voor rotstekeningen maakt. Kap je de hele tekeningen uit de rots en hang je die aan de muur? Maak je gips-afdrukken van de rots waar je de tekeningen op overneemt? Of blijft het beperkt tot foto’s? Niets van dat al dus. Het gebouw was breed, maar bij binnenkomst bleek het geen erg diep gebouw te zijn. Links van de ingang een grote souvenirwinkel, rechts een restaurant -KOFFIE!!!- en een paar expositiezalen, en naar onderen een trap naar schuilkelders die nu ook voor exposities werden gebruikt. Geen exposities over rotstekeningen trouwens. In het midden was een balie waar je kon betalen, en na betaling kreeg je een boekje met een kaart, en achter de balie was nog een deur, naar buiten. De rotstekeningen zaten buiten, in de levende rots, en via een wandeling van een kilometer of wat kon je op een aantal plekken de tekeningen bekijken. Werkelijk schitterend! Er is dus een kleine baai aan de zuidkant van Alta. Over de oevers van die baai liggen verspreidt tekeningen van 6000 tot 4000 jaar oud. Een moderne kunstenaar zou er goud mee kunnen verdienen: schitterend gestileerde dieren en mensen, en boten, geen kindertekeningen maar perfecte abstracties. Met één simpele lijn een zwemmende eland, ik was werkelijk diep onder de indruk. De engelse term, ‘rockcarvings’, is trouwens beter, de tekeningen bestaan uit een 3 tot 5 mm brede lijn die ondiep in de rots in uitgekapt. Om ze beter te kunnen zien zijn ze ijzeroxide-rood ingekleurd, men vermoed dat ze dat vroeger ook waren. Zonder inkleuring zijn ze inderdaad nauwelijks te zien.

En nu? De eerste camping ten noorden van Alta kost maar de helft van de tweede. Ik heb een douche genomen om weer op temperatuur te komen, een waar genot. Morgen rustdag en Alta bekijken? Ik vrees dat de derde toon heeft geklonken.

Dag zestien, Nordkjosbotn, 5588/361 km.

Een geslaagde dag, zo moet ik de rest van de reis naar huis doorkeutelen.

Vandaag begon met een mooie hemel; dunne wolkjes en wiegedekentjes blauw. Geen rustdag dus; inpakken en wegwezen. In Alta heb ik nog even suiker en teveel boter gescoord, en snel na Alta was het tijd voor ontbijt. Ik vond een mooi plekje langs het Kåfjord (let op, er zijn minstens twee kåfjorden, dit is dus vlak onder Alta). Hier is in de oorlog de Tirpitz tot zinken gebracht, en er zijn ook restanten van een oude kopermijn die hier in de vorige eeuw was. Ja, zo’n dagje museum is echt leerzaam. Wat een onderneming, om op deze breedtegraad een mijn te beginnen in die tijd. En wat een ellende trouwens ook, voor de werknemers. Koper, geen steenkool, dus niet alles zwart. Na een tijdje kregen de mijnwerkers witte jassen verstrekt, zodat hun lichamen in het donker nog te vinden waren als er weer eens wat mis was gegaan met een springlading…

Toen ik weer op weg was kwam ik een schitterend voorbeeld tegen van een rondgesleten gletsjerdal. Omdat er daarna dan ook een wegwijzer naar het Jøkelfjelbree stond, lag een kleine omweg voor de hand. Verbazingwekkend; dit hele landschap is eigenlijk vorm gegeven door niets anders dan langzaam schuivend ijs. Gletsjers zelf vallen me altijd weer tegen. De blauwe kleur van het intens geperste ijs is mooi, maar het is toch vooral een modderige en vuile vlek ijs in een enorm landschap.

Ondertussen was de lucht dicht getrokken en miezerde het weer. Het was trouwens ook weer bitter koud geworden. Boven op de Kvånangsfjel heb ik koffie gedronken in het motel, en terwijl ik daar zo naar buiten zat te kijken viel me op dat het landschap er op de een of andere manier anders uit zag dan op de heenreis. SNEEUW! Er lag verse sneeuw op de bergen. Mooi, vroege winter? Ineens kreeg ik de schrik van mijn leven: er lagen nog een paar hoge passages voor me uit… Ho nou jongens, niet overdrijven…

En jawel, ik heb op de Kvånangsfjel door de sneeuw gereden; een dunne laag verse sneeuw op de weg, en dikker langs de rand van de weg. Ik durfde niet te stoppen voor een foto, heel voorzichtig doorrijden en ik was nogal bang voor wat ging komen als ik berg af moest. Dat viel gelukkig mee, zodra ik de hoogvlakte verliet was de sneeuw weg. Pffff. Dit was voor vandaag in elk geval het hoogste punt op mijn route, en van nu af aan kom ik toch elke dag zuidelijker. De rest van de dag bleven vers besneeuwde bergtoppen het leitmotiv, en ik keek er de hele tijd met gemengde gevoelens naar: mooi, maar….

Nu sta ik op dezelfde camping als op de heenweg. Ik kreeg ook nog korting -en de camping was niet eens duur- zodat ik nu echt wel een rustdag wil nemen. Morgenvroeg maar even melden dat ik nog een nacht blijf.

Dag zeventien Nordkjosbotn, 5746/158 km.

Rustdag met een bezoek aan Tromsø en geen regen. Tsja.

Vandaag begon rustig. Uitslapen, het laatste eitje uit Nederland bakken, theezetten. Toen ging ik aan de dame in het huisje melden dat ik nog een nacht bleef, en als dank voor mijn blijkbaar aangenaam verpozen werd ik meteen bedolven onder de folders van wat er in de buurt te doen was. Tromsø, Parijs van het Noorden? Toch maar eens gaan kijken dan?

De reis erheen was in elk geval aardig. Mooi fjord, mooi gletsjerdal, leuk gesprek met een bejaarde heer. Nee, ik was net te laat, tot half juli hadden ze hier schitterend weer gehad. Weinig sneeuw -achteloos wees de man ter hoogte van zijn navel aan- en vroeg sneeuwvrij, en droog, en zon. De sneeuw van de laatste dagen was uitzonderlijk en had ook de krant gehaald.

Tromsø viel me wat tegen. Of beter gezegd, het voldeed aan mijn verwachting: de grotere steden hier in het noorden zijn niet mooi maar rommelig en kaal. Alles staat ver uit elkaar. Om mee te gaan in de vaart der volkeren staat er oerlelijke nieuwbouw tussen de mooie houten gebouwen. Zie de foto’s van Kirkenes. Eigenlijk zijn de kleine plaatsen veel evenwichtiger en leuker. Misschien moet je hier toch vooral in de winter zijn, als sneeuw de meeste chaos bedekt. Om nog iets te doen ben ik naar het museum geweest, maar zelfs dat viel wat tegen. Geen boekjes over het museum zelf. De pool-expositie was vooral op kinderen gericht, en de Sami-expositie leek vooral op een overzicht van klederdrachten en souvenirs. Echt opvallend? Rendierhaar onder ski’s als terug-glij-beveiliging. En de hoofddeksels: klassieke ijsmuts in het zuiden, naar vijf-puntige muts in het noorden, naar bontmuts met oorkleppen in het oosten. In het museum werden de Sami met hongaarse volkeren verbonden, terwijl de tenten en de taal voor mij toch eerder vanuit het oosten lijken te komen. Alleen die rood/wit/blauwe klederdrachten, die doen wel aan de Balkan denken.

De terugreis verliep snel en voorspoedig. Raar trouwens om hier met een kale motor rond te rijden. Eigenlijk voel ik me zo helemaal niet lekker, ik heb liever alles bij me. Zodadelijk ga ik me een frietje halen, en dan op tijd plat. Morgen gaan we reizen.

Dag achttien, Trollfossen, 6185/439 km.

Eerst nog even over gisteravond. Terwijl ik zat te schrijven kwamen twee mannen met een nederlandse auto aan. Ze begonnen over de hele camping te wandelen, op zoek naar een plek, maar ik zat toch echt op het feitelijke kampeerveld. Blijkbaar zag ik er iets te woest uit; pas nadat ik vriendelijk en in het Nederlands ‘goedendag’ had gezegd werd de auto mijn veld op gereden. Maar die eerste begroeting had blijkbaar toch voldoende ijs gebroken, uiteindelijk is het een buitengewoon gezellige avond geworden met Paul en Wietske, twee broers. Wietske had een serieuze zalmforel gevangen die op de bbq ging, en dat was smullen voor drie. Ik had voor de vakantie al eens een zalm gekocht om te kijken hoe me dat smaakte, maar dat was toen regelrechte stinkvis. Dit was van een geheel andere orde. Toen de heren ook nog een fles Talisker uit de kofferbak goochelden was Janneman’s geluk volmaakt; heerenkamp op 400 km boven de poolcirkel.

Vanmorgen begon met regen. Zodra die stopte heb ik ingepakt. Nog even koffie met de broers, en toen was Janneman op weg. Vlak onder Nordkjosbotn was het grote Samikamp waar ik op de heenreis gepauzeerd had, en dat was nu een goede plek voor ontbijt en souvenirs scoren…

Ik heb een doosje gekocht, van berkenbast. Het wordt thuis mijn tabaksdoosje voor op tafel. Ik ken deze doosjes al heel lang uit boeken; toen ik net begon met pijproken las ik erover in een boek van Brongers. Hij noemde het ‘Tujas’ en vertelde dat ze in Groningen bij Oostzeevaarders als tabaksdoos in gebruik waren. Ik kon me niets voorstellen bij de omschrijving ‘doosjes van berkenbast’. Nu heb ik er zelf een, een soort van spanen doosje dus. Leuk en niet te duur. Veel erger: ik ben toegetreden tot die zotten die met een gewei achterop rondrijden… Ik was vroeg vanmorgen, en de tenten waren nog niet echt open. Toen ik stopte werd er meteen een tent open gemaakt door een man in trui en spijkerbroek; ik kon wel degelijk rondneuzen. Terwijl ik de doosjes bekeek kwam er een Sami in vol ornaat binnen, kompleet met krulschoenen en veelpuntige muts. De man kwam me vaag bekend voor. Onder mijn piekerende blik begon de man een tikkeltje schaapachtig te grijnzen, en ineens viel het muntje: dit was de kerel die zojuist de tent voor me had opengemaakt, en die zich nu blijkbaar ter ere van die ene bezoeker maar meteen had omgekleed. Ik moest er eigenlijk ook om lachen, en daarmee werd het al snel gezellig. Koffie, kletsen, en zo kwamen we over het gewei te praten. Vroeger hun plastic, tegenwoordig slachtafval tenzij de toeristen het willen kopen. Vooruit dan maar. De uitgestalde geweien vond ik te groot, maar als ik even mee naar achteren wilde lopen… Het echte kamp lag, zoals gewoonlijk, net verborgen vanaf de weg. Wat caravans, oude vrachtwagens en tenten met plastic in plaats van bruin canvas, en een hele stapel zo te zien verse geweien. Ik vond een mooi klein exemplaar, hij maakte het even schoon en hielp me de zaak achter op de motor een plaatsje geven. Nu mag ik ook schaapachtig lachen…

Verder was vandaag eigenlijk een dag van stug doorrijden. Bij Gratangen ben ik langs het fjord gereden op zoek naar een van de laatste traditionele visdokken. Ik heb het gevonden, maar ik had eigenlijk een beetje gehoopt op een drijvende dependance van het bootjesmuseum, en dat viel tegen. Ik weet nu dat het mooie vikingbootje, dat ik bij de vorige reis onder Fauske zag liggen, eigenlijk een Nordlandboot is. Het is een vissersboot zoals ze aan het begin van deze eeuw nog in gebruik waren en waarmee voorbij de Noordkaap en tot voor Groenland gevist werd. Bij Fauske heb ik hem dit jaar niet gezien, en ik had een beetje op hier gehoopt.

Na het Gratangenfjord was Narvik aan de beurt, en na Narvik werd het even echt eng; ik moest over de bergen door de wolken. Mist op een slingerende weg langs afgronden, niet echt lekker rijden. Gelukkig liet ik die mist bij het veer van Bognes achter me. Bij het Efjord heb ik wel tijdens een pauze een tijdje mogen genieten van een jagende arend. Imposant, dat moet toch ook een fraaie vlieger maken.

Ik snak ondertussen wel naar eens een paar dagen echt mooi weer. Mijn rijplezier schiet de lucht in zodra de lucht even breekt en de zon zich laat zien. Het weer drukt ook de kilometerstanden; ik heb nog geen enkele ‘eindeloze’ avond in de zon gereden. De vorige reis reed ik met een CB 250 en zat ik gemakkelijk tussen de 500 en 600 km per dag, nu ben ik nog geen enkele keer boven de 500 uitgekomen.

Een ander ding dat me opvalt is hoe sterk mijn dromen hier zijn; elke nacht twee of drie echt lange, uitgewerkte dromen. Alle reisindrukken, of de nachtloze slaap? Het is in elk geval wel leuk.

Dag negentien, Namsskogan, 6609/424 km.

Gisteravond zeuren over het weer, vanavond…

Vandaag begon op de gebruikelijke manier. Regen toen ik wakker werd, min of meer droog toen ik van de camping afreed. Maar het was wel heel erg somber. Ik ben naar Fauske gereden, en heb daar eens een rondje door de stad gewandeld. Ik moest wat boodschappen doen, en ik was eigenlijk op zoek naar het ideale muggenspul volgens Wietske; gerookt rendiervet. Helaas, overal werd eens vies gekeken en met de plaatselijke variant van Autan gezwaaid. Tanken en verder dan maar. En warempel, bij het uitrijden van Fauske lag de Nordlandboot weer aan z’n boei! De vorige keer kwam ik hier op zaterdag voorbij, blijkbaar wordt er in het weekend echt mee gevaren.

Na Fauske ging het langzaam omhoog, richting poolcirkel. En toen ik de kale vlakte opreed brak de lucht ineens open. Zon, kleine wolkjes, blauw! Eerst een 100-km-foto, en toen op naar de kroeg voor egg og bacon!

Bergaf trok de lucht wel weer dicht, maar dit was toch anders; dunne wolkensluiers. De regenbroek, die ik voor het poolcirkelcafe had uitgetrokken moest nog even aan bij Mo i Rana, maar na de stad brak de lucht definitief. Ik heb aan de buitenrand van de stad nog een frietje gegeten, en toen kon een echt mooie avond beginnen. Gouden licht, golvende weg, in Mosjøen moest zelfs het hemd uit omdat het warm werd. Het heerlijk avondje was gekomen.

Het was al laat en begon weer wat te schemeren toen ik de ‘noord-Noorwegen-boog’ weer tegekwam. Zoals op de heenreis voorgenomen, nu heb ik er wel foto's van gemaakt. In de verte doken weer wolken op, maar de dag was ondertussen wel lang genoeg geweest. Mijn tent is eindelijk weer eens echt droog, ik sta op een mooie camping langs een riviertje, en deze avond neemt niemand me meer af.

Dag twintig, Dovrefjell, 7079/470 km.

De vorige Noorwegenreis was nu afgelopen; vandaag is dit de langste trektocht van mijn leven geworden (op eigen kracht dan). Vandaag begon slecht en eindigde geweldig.

Vanmorgen regende het. Harde regen, zachte regen, opbreken en de eerste uren waren vooral een kwestie van stug doorrijden. Het was ook weer serieus koud. Maar langzaam begon de horizon voor me een gouden randje te krijgen, er lag beter weer voor me uit. Net achter Grong had ik nog echt zo’n pauze om bij te trekken, op de parkeerplaats van een groot motel, maar langs het Snåsavatnet werd het langzaam beter en droger. Geen stralend weer nog, nevelig en grijs, maar droog en langzaam minder koud. Tegen de tijd dat Trondheim in zicht kwam brak zelfs de zon door. Ik heb het gevierd met een uitgebreid ontbijt in het truckerscafé benoorden Trondheim. De stad zelf werd weer snel en vloeiend genomen, over de grote tolwegen. Ten zuiden van de stad gaf een thermometer 23 graden aan, de zon scheen echt, en voor de tweede keer werd het een heerlijke avond rijden door schitterend landschap. Met name boven op de Dovrefjel was het zo mooi dat ik een hele tijd heb zitten kijken naar de lage zon over de bergen. Ik had helemaal geen zin in de afdaling naar Dombas, dus ik het hierboven een camping gezocht en gevonden (wildkamperen op een parkeerplaats: tegen de tijd dat de negende camper stopte en begon uit te pakken ben ik vertrokken, op een camping is het rustiger).

Een algemene observatie ten aanzien van de motor: een zwaardere motor is hier eigenlijk nauwelijks een voordeel. Ik kom gemakkelijker en met meer reserve de berg op, jawel. Maar over het algemeen wordt de snelheid hier toch bepaald door de weg, en voor serieus bochtenwerk lijkt een lichtere motor zelfs wel handiger. Aan het eind van de dag ben ik nu net zo doorgezeten als eerst met de cb 250. Het verschil is dat ik nu eigenlijk mijn hele lijf voel, van het werken in de bochten, terwijl bij de cb vooral mijn kont en rug opspeelden door de slechtere zit.

Gisteravond nog een tijdje met een zwitser zitten praten. Hij gaat het volle rondje maken; Noordkaap, Finland, Rusland, Baltische staten, Polen en Duitsland. Dappere kerel. Hij had overigens geen tanktas maar twee zijtassen over z’n tank. Nu heb ik die extra ruimte niet nodig, maar het zag er wel erg handig uit.

Ik twijfel over het vervolg van mijn reis. Rustig omlaag sukkelen? Doorrijden en bij Oslo naar het Kon Tiki museum? Doorrijden en nog wat westkust meenemen? Morgen valt bij Randen de beslissing: naar het oosten, zuiden of westen.

Dag eenentwintig, Hemsedal, 7466/388 km.

Vandaag was een geweldige dag. Niet de beste dag van de vakantie, daarvoor zit ik alweer te zuidelijk en is de wereld te beschaafd. Maar veel beter dan dit kon het toch niet worden.

De dag begon goed. Droge tent inpakken, dun zonnetje en mijn eigen schaduw voor me uit toen ik de camping afreed. In Dombas even benzine en eten inslaan, en verder maar weer. Het was mooi weer, niet te warm, niet overdreven druk op de weg -het uitgestorven noorden ligt echt wel weer achter me- en al met al had ik zo’n plezier aan het rijden dat ik de 7100 km totaal vergeten ben. Dat had ergens een stuk voor Otta moeten zijn, maar ik zat te twijfelen over wat ik zou doen, en pas achter Otta -ik had gekozen voor een rit in westelijke richting- dacht ik aan foto's maken.

Die keuze voor het westen leek in eerste instantie goed uit te pakken: het weer werd regelrecht stralend, de bergen werden stijler en de dalen nauwer, het was mooi. Het viel me op dat ik nogal wat nederlanders tegen kwam, en dat was, achteraf gezien, een teken aan de wand. Randen en Lom bleken letterlijk uit te puilen van de toeristen. Wandelaars, caravans, terrasjes, dit was Valkenburg op z’n ergst! En het werd alleen maar erger. Ik zat op de weg over de Sognefjel, de hoogste pas van noord Europa (1440 meter of zoiets). In het noorden de Jostendalbreen, een enorm gletsjercomplex, en in het zuiden het Jotenheimenpark. Heel fraai, sneeuw en ijs, en haarspeldbochten, smeltwatermeren en schitterende dalen. Maar ook eindeloos veel toeristen; over de pas was het gewoon file rijden. Iedereen in Nederland heeft me verteld dat ik hier moest wezen, dit is het mooiste stuk van Noorwegen. Vast wel, maar dan moeten er wel wat minder mensen zijn, nu zag ik door de mensen de berg niet meer. Ik wilde hier zo snel mogelijk weg! Al rijdend koos ik voor plaatsen naar het zuidoosten en tijdens een frietje bij Kaupanger heb ik eens goed op de kaart zitten kijken. De nieuwe route ging via het Lørdal en het Hemsedal naar Gol. En dat is een goede beslissing geweest. Ineens waren de toeristen weer weg. Het Lørdal bestond uit een smalle kronkelende weg door diepe kloven, ten oosten van Borlaus ging het ineens weer omhoog naar een vlakte, de zon hield stand, het was weer heerlijk. De camping waar ik nu sta heeft vaste standplaatsen met Nederlanders, in grote lijnen is dit toch nog steeds verkeerd gebied. Maar de gekozen weg en de avond hebben de dag gered. Wat is het verschil tussen een reiziger en een toerist?

Dag tweeëntwintig, Åsgrav, 7756/290 km.

Janneman is aan de boemel geslagen. Met wat losjes zwerven en hier en daar kleine wegen zoeken was vandaag genoeglijk rijden. Het voelt bijna aan als een vakantie na de reis.

De dag begon niet zo veelbelovend; massief grijs. Uiteindelijk bleef de regen beperkt tot een spatje tussen Gol en Nesbeyen, en tegen die tijd had ik al lekker langs de weg zitten ontbijten. Na die paar spatjes begon de lucht te breken. Ik ben ten zuiden van Nesbeyen eerst nog een tijdje over dezelfde grote weg doorgereden, door Bromma en Flå. Maar die weg was toch te druk en te loom slingerend om echt te boeien. In Flå heb ik koffie gedronken en eens goed op de kaart gekeken, en daarna ben ik rode lijntjes gaan doen. Het schoot niet op maar was wel heerlijk rijden. Wegen voor mij alleen, door bossen, over beschaafde bergen. Hamremoen, Krøderen, Glesne, Sigdal en toen binnendoor naar Huagfoss. Uren rustig lekker rijden. Voor Åmot ben ik nog een tijdje op zoek geweest naar een kobalt-mijn, maar toen die weg over ging in los grind besloot ik dat de dag ook zonder mijnbezoek leuk genoeg was. In Åmot ben ik de meest waanzinnige wegconstructie van deze reis tegen gekomen; via een kurketrekker-weg wordt je ineens een meter of twaalf, vijftien de lucht in gewerkt. Geen waarschuwingsborden, geen aanduiding, gewoon een haarspeldbocht die eindeloos lijkt door te gaan, geen 180 graden maar iets van 450 graden. Woef!

Richting Kongberg werd het druk, zoals te verwachten. Ik heb de zilvermijn opgezocht en even getwijfeld, maar de zon was ondertussen serieus doorgebroken, en ik had al eerder vandaag besloten dat ik ook zonder mijnbezoek de dag kon doorkomen. Verder dus maar.

Ik had een route uitgezet via kleine wegen naar Notoden, Gvarv, Lunde, Bostrak en Treungen. Het eerste uur was heerlijk, al kwam ik hier voor het eerst echt in aanraking met vorstschade aan de wegen. Er zijn drie soorten: de ‘stoep af’ halverwege de weghelft, de opstaande richels met scheuren in dwarsrichting en de opstaande richels met scheuren in de lengterichting. Vooral die laatsten zijn griezelig: opstaande rand, dan een scheur waar een voorband keurig inpast, en dan weer een opstaande rand. Dat geheel slingert van links naar rechts over je rijstrook, kruist je ideale lijn in de bocht en dergelijke. Avontuur!

Na dat eerste uur heerlijk rijden kwam ik ineens over een berg een massief grijze lucht tegen. Onweer? Ik had geen reden voor~ of zin in nat worden, en heb de eerste de beste camping opgezocht. Een drukke familiecamping. Superhotdogs als avondeten, een stevige neut, en het begint te regenen.

Dag drieëntwintig, Nødagger, 8187/431 km.

Vandaag een kort verslag, want Janneman heeft hem serieus plakken. Ik sta op een motorcamping en het afgelopen uur heeft iedereen me bier gegeven. Vandaag was een woeste dag.

Gisteravond viel er inderdaad nog een hoop regen. Maar het was warm, en ik heb nog een hele tijd met hoed op en neut in de hand voor de tent gestaan. Het werd eindelijk weer echt donker, overal gingen lichtjes aan en ik vond het net kerstmis. Een uitnodiging van drie dames om bij hen in de caravan de regen uit te zitten heb ik afgeslagen. Dom, achteraf gezien, dat had best nog een gezellige avond kunnen worden.

Vanmorgen kon ik wel een droge tent inpakken. In Selfjord heb ik boodschappen gedaan, en later, na wat serieus bochtenwerk en de ‘eerste’ haarspeldbochten, heb ik heerlijk zitten ontbijten (de ‘eerste’ bochten bij mijn eerste reis). De rest van de dag was schitterend rijden, mooi weer, kleine stille wegen, ik was in Kristiansand voordat ik het wist. Toch maar even kijken of ik morgen in plaats van overmorgen met de boot mee kon…

Ik kon gelijk de boot oprijden en er was alleen een toeslag voor het raceveer. Zodoende zit ik twee dagen eerder dan gedacht al weer in Denemarken. Ik kwam vroeg aan -het raceveer- en heb nog een heel eind kunnen rijden. Het werd een mooie avondrit door een goudkleurig Denemarken. Ik sta nu dan ook op de motorcamping die me op de heenreis is aanbevolen. Ik ben echt te lang in de wildernis geweest; zaterdagavond, motorcamping: natuurlijk is er hier een groot feest gaande. ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Kirkenes, voorbij de Noordkaap.’ ‘Have a beer on me.’ Baf…

Dag vierentwintig, Nødagger, 8187/0 km.

Miauw, mrauauauw… Janneman heeft nadorst. En een rustdag. Buiten regent het gestaag, ik zit in de bar, schrijf en probeer mijn kater te verdrinken.

Gisteravond was dus gezellig. Ik heb voornamelijk met een paar figuren uit Utrecht zitten kletsen, afgewisseld met wat internationale contacten. Er is hier een Guzzitreffen met veel Duitsers, wat Engelsen, een paar Hollanders en nogal wat Noren. Vanmorgen was ik vroeg wakker. Ik heb maar eens uitgebreid gedoucht, en daarna een wandeling over de camping gemaakt. Bij de meeste plaatsen een keurige stoeptegel in de grond voor de jiffy, mooie motoren en leuke mensen. Wat me opviel: veel Le Manz, weinig California’s. En ondanks de regen iedereen rond elf uur onderweg; Wat nou electrieke problemen bij Guzzi? Lachen was de man die in klein trekkerstentje sliep, naast een grote bungalowtent. In de bungalowtent stond zijn Goldwing met aanhangwagen…

Mijn tent gaat hard achteruit. Na de hagelbui bij Tana Bru heb ik mijn tentje eens goed bekeken en ik zag hier en daar wat beginnende vouwschade; het stof begint zijn soepelheid te verliezen. En ondertussen heb ik ook het eerst kleine scheurtje gevonden. De tent is gaar. Ik had dit voorjaar al een vermoeden dat ik aan een nieuwe tent toe was, nu is het zeker. Het belooft een prijzig najaar te worden; beurt en band, nieuwe helm, nieuwe tent… Bij mijn helm is het vizier ver op, het is nauwelijks nog omhoog of omlaag te bewegen. Alleen met voorzichtig wiebelen krijg ik het wat verder open of dicht. De motor zelf heeft zich niet alleen uitstekend gehouden, hij loopt zelfs beter dan ooit.

Ik zit te twijfelen, nu ik zo vroeg terug in Denemarken ben. Ik zou best kunnen doorrijden naar zuid-Duitsland, voor de zonsverduistering. Maar heb ik daar nog zin in? Eigenlijk wil ik nu wel naar huis, spullen verzorgen en nog even aklimatiseren. Ik zie wel.

(na het frietje) Denen zijn echt speels en versierderig; zelf op de motorcamping komt de friet met vissticks voorzien van alle mogelijke garnering; citroen op de vis, tomaat langs de kant, geraspte wortel, gele kledder met brokjes hier, groene kledder met brokjes daar. Ik keek verbaasd en de baas informeerde of er iets mis was. ‘I just didn’t expect it to look like a birthdaycake’. De niet-Denen vielen van de kruk van het lachen.

Dag vijfentwintig, Dönsel, 8814/627 km.

Aha, zo doet men dat als er kilometers gemaakt moeten worden: men draaie de autoweg op en men draaie aan het gas… Zoef. Eigenlijk heb ik maar iets van 200 kilometer autoweg gedaan, de rest was toch binnendoor. Ik was om half negen op weg, en reed om half negen de volgende camping op. Fit als een hoentje.

Vanmorgen begon met regen en een nette tent inpakken. De eerste helft van de dag was vooral buiig. Voor de 100-km-foto had ik een fraai Deens landschap; een lieflijk kasteeltje met ‘ongebruikte’ grond ervoor. Hier ligt echt veel land gewoon braak. Ik ben daarna de autoweg opgedraaid, en vanaf daar schoot de dag goed op. Rond een uur of twaalf reed ik Duitsland binnen, en ook het lege stuk Duitsland heb ik via de autoweg gedaan. Pas onder Schleswig ben ik de kleine wegen op gegaan, richting Glückstadt. Ondertussen was het goed warm geworden, het stierf van de beesten in de lucht, en op het veer over de Elbe zag ik een wesp in de vizierspleet van mijn helm verdwijnen. Paniek en een half uurtje prutsen leverden niets op, ik heb het beest nooit meer terug gezien.

De rest van de dag was bekende weg. Hemmoor, Zeven, Nienburg, en ondertussen sta ik weer op dezelfde laatste camping als twee jaar geleden. Traditie moet er zijn, en ik weet wat het ontbijt morgen word: Imbiss en Stramme Max.

Het laatste stuk was overigens weer heerlijk rijden, hand in de lucht tegen de lage zon, en genieten maar.

Dag zesentwintig, Sittard, log 9210/396 km.

Vandaag was eigenlijk een korte reisdag, maar toch in de beste traditie van deze vakantie.

Ik was vroeg op, het miezerde, en ik heb dit keer zonder thee te zetten ingepakt. Een heer met hond van de camping wist me te vertellen dat het even na half zeven was. Oei, wel erg vroeg, hoe vroeg ging dat eethutje open? Maakt niet uit, het paard rook de stal en ik wou op weg. Het eerste deel was echt vervelend; ochtendspits -al waren het dan ook over het algemeen geen grote plaatsen waar ik doorheen kwam, iedereen had wel haast- en af en toe serieuze plensbuien. En die eetgelegenheid wou maar niet opduiken. Waar zat dat klereding ook al weer? Ergens op een heel kort stukje autoweg, dat wist ik nog wel, maar waar? Gaandeweg begon ik toch de indruk te krijgen dat ik twee jaar geleden misschien ergens een andere route had gekozen, ik weet nog dat ik toen geen kaart van Duitsland had en gewoon op een routebriefje van de heenreis reed. Dan maar ontbijt in Nederland, want de grens kwam rap dichterbij. En wat dook daar op, na 95 kilometer? Bingo, het stukje autoweg. Stramme Max, Janneman komt zijn vakantie afsluiten! De koffie was goed, het werd even droog, een geslaagd ontbijt, mag ik wel zeggen.

Daarna dook ik al snel weer het gewemel van Nederland in, bij Denekamp. Het blijft wennen; te druk, auto’s te dicht op elkaar, dan weer sneller, dan weer langzamer, er wordt hier echt anders gereden. Enfin, ik voel me ondertussen wel zo goed thuis op de motor dat ik er soepel tussendoor kan schieten. De thuisreis was domweg autowegen volgen; Hengelo, even Amsterdam, Arnhem, Nijmegen, Maastricht...

Ik was duidelijk vroeg vandaag. Met stromende regen stopte ik rond een uur of twee bij Henri om mijn negen rolletjes in te leveren. Nog een laatste foto van de motor, 9200 km verder als de eerste, en toen de laatste meters naar huis...

Hosted by www.Geocities.ws

1