In opdracht van Karel Anthierens herschreef Ivan Heylen in 1982

DE LEEUW VAN VLAANDEREN

complete historische roman vrij naar H. Concience

Een rosse zon klimt boven de horizon. Bomen gloeien als koperen kandelaars. Tjilpende mussen verjagen de nachtegaal. Donkere nachtwolken vluchten naar het westen. Een troep zwaar bewapende ruiters rijdt stapvoets richting Roeselare. Herten schrikken wakker. Konijnen vluchten. De ruiters roepen of schreeuwen niet, maar hun stalen wapens kletteren en de hoefslagen van hun zware paarden hameren luid op de akkergrond. De dure uitrusting van de ridders verraadt hun goede komaf. Ze dragen zijden kolders en helmen van zilver, met purperen vederbos. Verder handschoenen met metalen schelpjes en knieplaten van goud, geen harnas, maar ze zijn wel zorgvuldig gewapend. Messen, dolken, lange zwaarden. Schildknapen voeren beukelaars, ronde schilden met in het midden een stalen knop. De glamour van het gezelschap wordt bedekt met een dun laagje zandstof, een bewijs dat de ridders al een lange weg hebben afgelegd . Ze rijden in stilte, sluimerend, gedachtenloos. Hun vermoeide paarden wringen het gebid driftig tussen zilveren tuigknopen.Aan de kop van het gevolg stapt een kerel met staalblauwe ogen en lang blond haar. Hij draagt een wollen kolder en aan zijn zij hangt een dolk, een kruismes. Met wijde passen dwingt hij de paarden bijna tot draf. Zo nu en dan loert de man met een schuin oog naar de ridders. Het is duidelijk dat hij het gezelschap geen goed hart toedraagt. Bij het binnen komen van het Wijgmaalse bos struikelt een van de paarden over de stronk van een afgehakte boom. Het dier schrikt en springt steigerend recht. Ruiter graaf de Châtillon drukt geïrriteerd zijn ene spoor in de flank van de merrie. Het paard briest, stampt, stormt vooruit, dreunt tegen de dikke stam van een eik. Graaf de Châtillon wordt uit het zadel geslingerd en slaat als een blok lood tegen de grond. Zijn gezellen komen razend snel aangereden. " Maar mijnheer de Châtillon ", roept zijn broer , de Saint- Pol . " Saint - Pol, hou je bek", kreunt de Châtillon. " Denk je dat de saracenen mijn leven hebben gespaard, opdat ik zou dood bloeden op een Vlaamse akker?" Maar broer kijk dan toch er vloeit bloed uit je maliënhemd." Brul niet zo voor een schram, man, bijt de Châtillon terug, en tot de gids: " Rotte Vlaming, je leidt ons met opzet langs de behekste wegen. Ik laat je opknopen, smeerlap!"De Vlaamse kerel is doof langs die kant. Met een snuit als hij geen stom woord Frans verstaat, kijkt hij de indrukwekkende graaf koel in de ogen. Graaf de Châtillon brult in pretentieuze razernij: "Kom hier, vulgaire slaaf, lompe boer. De Vlaming nadert grijnzend. " Heer", zegt hij in gebroken Frans met Westvlaams accent." Hier op deze weg is nog nooit een ongeluk gebeurt, maar u zat te slapen in het zadel."Het gelaat van de Châtillon krijgt dezelfde kleur als de rosse, rijzende zon." Boerenhond", briest hij. " Daar zul je voor boeten." Schildknapen hang dat varken aan een strop! De vlaming, bleek als krijt, stapt achteruit tot hij met de rug tegen een boomstam leunt. Met het kruismes in de hand , dreigt hij: " Ik steek je ogen uit, onnozele Fransman. Een Vlaming ophangen?Blijf met jullie poten van mijn lijf, of ik snij het hart uit jullie borst." "Mijn god tiert de Châtillon. Als ik niet van adel was, sloeg ik je persoonlijk het hoofd van de romp. Maar dit is grauw tegen grauw. Volk tegen volk. Schildknapen maak hem kapot." Aarzelend komen de schilknapen dichterbij. Maar een van de ridders verspert de weg. Op zijn borstschild draagt hij, onder een kroon, drie gulden lelies op een blauw veld, symbool voor Frans koningsbloed. " Laat hem", klinkt het streng. "De koning mijn broer, gaf me het graafschap Vlaanderen te leen. Vlamingen zijn mijn vazallen. Jij hebt geen recht op hun leven, de Châtillon." " Heer de Valois, ik laat niet met me spotten ", kirt de Châtillon. "Mijn broer heeft gelijk", komt de Saint - Pol tussenbei. "Een strop voor die boer." "Geen sprake van", reageert de Valois nadrukkelijk . "Hou je mond en rij verder." " Mijnheer de Valois is een volkgezinde salonridder", sist de Saint- Pol tot de Châtillon. "Hoever is het nog naar het slot Wijnendaal ?" vraagt de Valois aan de gids. De kerel buigt galant: "Nog een boogscheut, hoogheid." " Maar bij god ik weet wie die Vlaamse smeerlap is, krijst de Châtillon. Pieter de Coninck, de Brugse wever." " Onzin reageert ridder Raoul de Nesle. Als dit Pieter de Coninck is dan ben ik Godfried van Bouillon. De Coninck heeft maar een oog. Deze kerel heeft er twee heel heldere, als je het mij vraagt. Vergeet deze simpele duif zijn trouw aan de oude graaf van Vlaanderen heeft hem verblind. Hij houdt ons voor een soort van veroveraars. Kom, we rijden verder. Ik zal die Vlaamse klootzakken wel manieren leren, jankt de Châtillon verder. " Koning Philippe le Bel zal me daarbij helpen. We zullen ze pluimen als soepkippen , met of zonder toestemming van mijnheer de Valois .

Om verder te lezen, klik hier.

©ivanheylen1982

 

More INFO *

 

Hosted by www.Geocities.ws

1