http://www.monacotvseries.com/Poems.htm
IVAN HEYLEN'S
Eeuwig verlangen (1977)
Verhalen uit het zieleleven,cosmos en melancholie
Melissa
De zon zakt weg met rode ogen.
M'n populieren gloeien als koperen kandeleirs.
Late zomer.
De zware damp van de grond is roze.
De stijgende maan oranje.
D'Aarde heeft heur regels.
't keren van 't seizoen.
grillig weer.
' Hoesten van boeren.
Is het antwoord op 't schetteren van kraaien.
Kromme boeren.
Die nooit rijk worden.
Nimmer heilig.
Het zijn magere boeren .
Op arme grond.
Harde werkers.
Wie hier zonder liefde is, is alleen
Wie eenzaam is, verloren.
In de winter zien de mensen grijs.
Hoe lager de wolken hangen,
Des te dieper ze buigen.
Houtland
Neder Land
Sterren zijn tranen op het gelaat van god.
Dit land heeft zijn opgekropt verdriet
Tot een ploeg gesmolten.
Van z'n zorgen een bruine mantel genaaid.
Hier gaan mensen samen slapen.
Met 'n warmwaterkruik.
Vier dikke dekens.
Kruipen daaronder dichte tegen een.
Harde winters,
Vochtige zomers.
Wat de mensen wacht ?
Zwoegen.
De grond is gierig.
Kleine vreugden kosten duur.
Miserie verbindt de dagen.
Ze zijn simpel.
Dat maakt de grond gewillig.
't werk lichter.'n vermoeid lijf sterker.
Armoe rijker.
Kleurt gebroken dromen in onverschillige ogen.
'k Woon alleen.
'n Klein Hof.
Vier kinderen .
Ze slapen.
M'n eend broedt op vier eieren.
Vruchteloos .
't Is veel te laat .
Te ver op het jaar.
Ze zal moeilijk kiekens krijgen.
'k slenter rond .
Niemand wacht op mij.
'k Heb geen reden om mij te haasten.
Dat steekt tegen 't herte.
Wie alleen is leeft niet lang.
Geniet niet.
Al mijn doen is op gezelschap gericht.
'k verzorg goed mijn lijf.
'k Eet gezond.
Drink niet te veel.
'k Draag zachte kleren met laffe kleuren.
Op 'n bank voor mijn huis brengt schemeravond rust .
Met Venus komt bezoek.
'n schim.
Blauw.
Hemels kristal.
Soms zie ik haar goed.
Bijwijlen niet.
Onduidelijk.
Ze spreekt niet.
Is zeer bedachtzaam.
Zelf durf ik niets te zeggen.
't verlangen stormt in mijn bloed.
"Vriend, vanavond heb ik borrels gedronken.
Troost voor schemerverdriet.
Paarse mannen wentelen door mijn hoofd.
Mijn sentiment wordt sterker dan mijn weerstand."
< Wie zijt gij?>, hoor ik mezelf vragen.
Ze is schichtig.
Aarzelt.
< Liefde >, zegt ze.
<Liefde?>
'k Maak mij klein .
Zacht.
'n Kussen.
<Waarom komt gij bij mij?>vraag ik .
Ze glinstert.
Stofjes in een manestraal.
<Omdat ge alleen zijt.>, zegt ze.
< Uw eenzaamheid roept mij.>
z' Is een staarster .
'n Korenbloem.
Geraffineerd pastel.
<'k Kan u niet goed zien, > zeg ik.< Zijt gij schoon?>
'n Fijn penseel tekent haar in geurende krullen.
< Zo schoon als gij mij zelf maakt,>zegt ze.
< gij vormt mij. Uw kracht maakt mij sterk.
Ge kunt mij moeilijk zien? Wat wilt ge ?
NU ben ik zwak.'k Heb op aarde veel verloren.
Maar als gij 't goed meent kunt ge mij weerom sterk maken. Dan geef ik u alles terug.
Duizend keer meer.
Alle liefde.
Meer dan heel de wereld.>
Haar ogen zijn wijd open.
Wat ze zegt komt uit het diepste van de aarde.
< Wat wilt ge daarvoor terug?< vraag ik.
<Alles!> zegt ze.
<Alles.>
< Als ge mij wilt moet ge alles geven.>
Ze verkleurt tot fel paars.
Vloeit samen met het avondrood.
Z' Is de bruid van de velden.
'k Probeer haar alles te geven.
Mijn lijf.
Mijn ziel.
Passie.
Toewijding.
Standvastigheid.
Zij houdt haar gelofte.
Troost.
Warmte.
Goed voor 't lijf.
Heur haren zijn draperieen.
Heur borsten kussens.
'n Deken.
Heur schoot een wieg.
Onze liefde vandaag is het licht van morgen.
'r Komt meer bezoek.
Twee geesten.
Ze lijken goed opeen.
Grijs.
Wazig.
Hun lijven wemelen doorheen.
Ze stappen met hun fiets aan d'hand.
Recht naar m'n bank.
'k Blaas pijperook naar hen.
Ze komen toch.
<Goeden avond, > zeggen ze.
Zelfbewust.
Wij zijn twijfel.>
> Hij is goed en ik bezn kwaad.>
Zij hebben dit nog niet gezegd of 'k zie het verschil niet meer.
> 'k heb u niet geroepen, > zeg ik .
> Wij komen met de jaren,>zeggen ze.< We zijn er.>
'k verjaag hen met m'n muts. Nutteloos.
Ze blijven.
Liefdr verdrijft hen.
Met haar onnemelijke macht.
Zuiverheid.
<We gaan weg,>zeggen ze.< maar pas op.Na ons komt nog bezoek. 's Mensens grootste twijfel.tot ziens.>
Over 't erf komt een strenge Heer.
Bruin kostuum. Groene hoed.
'n man van goede doen.
Zijn aanzien maakt mij futloos.
Zijn woorden waaien door mij.
Elk stervend blad is een traan van 'n mens.
< 'k Ben de herfst,>zegt hij.
Vlakke stem. Mannelijk. Zonder moeite.
<d' Allerhoogste stuurt mij.
Wees niet verontwaardigd.
Vertrouw.
De plannen zijn opgemaakt tot in 't kleinste detail.
'n Wijs man verwacht mij.
Legt flanellen lakens, wollen kousen, rubber laarzen gereed.
Zoekt helende kruiden.
Ik ben je vriend.
'k geef wijsheid.
't Afsterven van jeugd.
Beeld u niets in.
Daag mij niet uit .
Wees niet verontwaardigd.
Ik ben de juiste weg.
U hebt deel in alle delen.
Ook in mij.>
Hij blijft .
Merels eindigen hun lied.
De zon zakt weg.
God's hand ligt voor mijn ogen.
Mijn liefde heeft de kleur van elk seizoen.
Ze weent. 'k Droog haar tranen met mijn schaduw.
Ze lijdt.
Onder heur ogen heeft ze twee ringen verdriet.
Heur stem is zwak. 'k Kom bij haar als ze roept.
Traag.
In mij wordt het winter.
Grauw.
'k Word doof.
M'ngemoed staat vol water.
M'n gedachten krijsen.
Op 't glas van m'n ogen groeien bloemen van ijs.
Elke avond zit ik in de kou op m'n bank.
Wachtend.
Op 't laatste bezoek.
Niet angstig.
Ongerust.
'k Ben zoveel dier als mens.
Mijn lijf woog te zwaar om te vliegen als 'n engel.
Als ik m'n ogen sluit zie 'k de ruigheid van de aarde.
't Geluk bleef maar m'n groeit elke dag.
Liefde vroeg alles.
'k Heb alles gegeven.
M'n leven lang.
Nu slijt ik.
'k Wandel tot bij m'n eend.
Ze heeft vier kuikens.
Gele bolletjes.
Kruipen weg onder haar vleugels.
Dan zie 'k haar. Eindelijk.
Gesluierd.
Devotie in alle kleuren.
Boven haar hoofd een fonkelende kroon.
<Schrik niet,> zegt ze.
<'k Ben heler van alle wonden.
Vertrouw mij.
Vrees niet.
'k Kom bij iedereen.
Verzet u niet .
Ik ben goed.
Rechtvaardig.
Barmhartig.
Vraag niets.
Verstand schiet te kort waar mijn rijk begint.
U laat niets achter.
Wat u hier bent, zijt ge ook ginder.
Eerlijk.
U bent meer dan een voorbijganger.
Moeder van u eigen ziel.
'k Heb liefde voor het leven.
Vermeng mij zonder zorgen.
Het lichaam sterft. De ziel wordt geboren.
Volg mij.
Mijn armen zijn zacht.
U had een rijp leven.
Vertrouw mij.
'k ben de dood.
Alles begint er na.
U bent hemels voedsel.>
M'n mond zakt machteloos open.
Mijnogen breken.
'k stijg uit mijn uit m'n lichaam.
Alle liefde en eenvoud die ik heb verzameld mag ik meenemen.
In de nevel trek ik een aarzelend spoor.
We wandelen voorbij m'n eend.
'k Geef haar m'n laatste hooi en schutsel.
Aan het hek zie 'k door haar sluier.
Een edel gelaat.
Heldere ogen tonen al 't goed en kwaad, van heel de wereld.
Boven haar hoofd schittert een kroon gesmeed uit aards verdriet.
Haar fijne hand neemt de mijne.
< Kom,>zegt ze.
Ze verheft mij.
Eindelijk kan ik vliegen.
M'n ziel vonkt.
Mijn lichaam blijft achter.
Vergaat in de grond.
'k Heb grootte en vorm van mijn goedheid.
Beneden zie 'k velden ademen.
Bomen wuiven.
De weg wordt verlicht door duizend lichten.
Elk lich wordt vastgehouden door een vriend.
In d'ogen van de maan zie'k het licht van werkende zielen.
Over m'n erf hangt een sfeer die alle eeuwigheid vult.
De kleur van gezuiverd land.
Allen werken we mee.
Verlossen pure goedheid uit grond.
'k glijd weg naar een hemel gevormd door alle deugd.
Overal is zij.
Melissea.
Badend in heilig licht.
Heldere schoonheid.
Volmaakte bekoring.
'k versmelt met haar.
Alles wat 'k ooit heb gegeven krijg ik in een verschroeiend moment terug.
Eeuwig herinnering.
Eindeloos in alle afmetingen.
Mijn warmte geeft kracht aan de wereld.
Potentie.
D'Aarde wordt mijn lief.
Mijn zaad zaait bloemen langs de wegen.
Woorden
Beelden
Wijzers.
Naar haar.
Melissa.
Kerstmis'74.
De wind speelt een lied op d'harp van de Heer.
Manestralen zijn donkere vlechten engelenhaar.
Donkere mist is d'adem van de winter.
Sterren zijn blinkende ogen van eenvoudige herders.
Sneeuwvelden zijn lichamen onbezwaard gemoed.
De vloer van de hemel is het dak van de hut.
Het lekt.
God heeft teveel gedronken en giet de rest onder tafel.
Of zijn het de bomen die wenen?
't regent.
Kil.
Aan de zijkant van de stal hangt een zwart wit affiche.
'n ruige tekening.
Eindelijk binnen.
Een kleine hut.
Oranje lampen.
Gezeillig.
Landelijk.
Arm.
Twee stoven gloeien.
Een vooraan, een achteraan.
Lange buizen leiden de rook weg.
De mensen blozen.
Hun natte mantels dampen.
Rieken naar gewassen hond.
Naar warm vrouwenvlees.
Doorrookte mannenstemmen klinken overal.
Vrouwen schateren . Ongestemde bazuinen.
Bier is 't kussen op 'n harde stoel.
't Ligt dooft.
Geroep om nog een laatste glas.
't Wordt stil.
De reuk wordt sterker.
't Doek opent.
Donkerrood.
Rose licht draait met zijn gezicht mee.
'n Hoekig hoofd.
Gebogen neus.
'n Boerenlijf.
Kromme benen.
Droeve ogen.
Afgescheiden.
Ze zweven door de zaal.
Draaien.
Zenden uit.
Verbreden.
Vertellen verhalen over mensen.
Over mij.
Zijn lijf groeit.
Breder. Hoger.
Komt dichter.
Zacht vlees.
Natte ogen.
Zeeen.
Aan d'horizon een open hart.
Hoge golven.
Krachtige wind.
Zachte handen roeien onze boot.
Sterke voeten tikken het ritme.
'k Wil op afstand volgen. Dat kan niet.
'k Val in die ogen.
Mijn weerstand vloeit uit mij.
Etter uit 'n wonde.
Boven m'n hoofd voel 'k een witte hand.
Om m'n schouder een arm.
Goed gevangen.
Niet bang.
't Ritme van z'n laars zweeft.
Vult.
Spreidt zijn armen.
Golft.
Een lied van de zee.
Zijn woorden zijn visrijk water.
Wij zwemmen .
Draaien.
Schuimen.
Een waterval.
Damp.
Boven ons vliegt hij.
Elegant.
Teder geweld.
Zuivere zinnelijkheid.
'n Roze engel.
Vleugels klapwielen.
Lokken.'n Woerd.
Hij wordt zon.
't Hart van de Heer.
Zakt in onze zee.
Verdampt ons.
Zingend…..
Z'n adem wasemt.
Dat zijn wij.
Kondenseren op onze stoel.
Water.
Mals.
Vloeibaar.
Beweeglijk.
Doorzichtig.
Voor mij danst een sappige jonge vrouw met blote schouders.
Zonder remming dans ik mee.
Heur ogen glinsteren.
Hij groet.
< goede avond.Bedankt.>
Hij buigt niet.
Verdwijnt.
Wij roepen hard.
Hij komt niet terug.
Naar huis.
In 'n nevel.
M'n ziel klotst in m'n zakken.
't Hoofd is vol.
'n Waaigat.
Flodders muziek.
Mistbanken.
Gele lampen.
Ogen.
'k Stap ritmisch.
M'n vrouw leunt tegen mij.
Knuffelt.
Kust.
Vol.
Heeft twintig armen.
Honderd prikkelende vingers.
We vlotten naar huis.
Laven mekaar.
Schuimwijn.
Van zijn druivelaar.
S' Anderdaags.
M'n matigheid is niet terug.
Zorgeloos.
'k Kom niet los van haar.
Zij is de wereld.
Alles.
Elke dag dring ik dieper in haar.
Een blote schouder en ik wordt omstuimig.
'n Wilde rozelaar.
Zij wordt mooier.
Zwieriger.
Zotter.
Edeler.
'n Merrie.
Een fascinerend landschap.
De mond van een vulkaan .
De sierlijkheid van een zwaan.
De trots van een hert.
De kern van de aarde.
Ze is bezieling.
Elan.
Vuur.
Ongestoord.
Weg van anderen.
De wereld wordt groter.
Regels en wetten takelen af.
We eten uit twee ruiven.
Van duivel en god.
We leven dubbel.
Hebben twee lijven.
Een geestelijf.
Stuwing.
Een stoffelijk.
Pen en inkt.
Snakkend naar prikkel.
Erkentelijk voor elke emotie.
Proevend.
Ondervindend.
Smullend.
Dienend.
De ziel is baas.
't lichaam wordt geleefd.
Gestuurd.
Zonder rem.
Naar alle liefde van de wereld.
Geen moment ontevreden.
Dankbaar.
Het leven is gespleten.
Paard en ruiter.
Mijn ziel rijdt mij.
De elitaire ulaan.
Zit in mij gegoten.
Afwerpen gaat niet.
Ik ben gedwongen toto deze dolle rit.
'n Kind met hoogtevrees.
'n Maagd in bed met de duivel.
'n Pater met een hoer.
'n Geschilde appel.
Groots gevaarlijk.
Slang.
V. een dorp bij O.
Oost- Nederland.
Ver van de kust.
Geen poort op de wereld.
'n Eigen Cultuur.
'n persoonlijk dialect.
De vreemdeling wordt niet geacht.
Wat van buiten komt brengt miserie.
In het theater, waar ik binnen kom, wordt goed gedronken.
Mannen juichen.
Vrouwen kijken.
'k Houd mij klaar voor een zware avond.
'k Kijk ernstig.
Of het een vrouw of een dier is, het heeft respekt voor een eenzame berg. Een donkere wolk.
Wie moet spreken moet geloofd worden.
'k weet wat ik wil.
'k Ken mijn macht.
Wie naar mij luisterd verpand zijn geest.
Dit is mijn domein.
Mijn aarde.
Mijn muziek zoekt achter de wolken naar een opening.
Hier of daar.
Altijd is iemand bereid die te maken.
Een zonnestraal uit een donkere hemel brengt meer enthousiasme dan een hele dag zon.
Het gewelf scheurt open.
Een brokkelende muur.
Toch blijven ze schuilen achter barrikades van puin.
Beheerst, zonder merkwaardige emotie, leg ik mijn eerstse vermomming af.
Onmiddellijk leggen ook een deel van hen de weerstand uit hun ogen.
'k Zit in 'n zetel.
'n Machtspositie.
'k heb een aanhang gelijk aan het derde deel.
Bij de anderen geen sympatie verloren.
Met overleg ga ik verder.
Ziehier wat daarvan het gevolg is.
'k Geef alles wat ik in mij heb.
Mijn lied zet in.
'k Stamp met mijn voet op de maat van mijn bloed.
Mijn woorden zijn zinnelijk.
Als ik nu sneuvel of win, ikzelf ga over de grens van het uiterste geven.
'k Strooi mijn emotie's weelderig.
Wellust doorstroomt mij.
'k Daag hen uit.
Voortdurend.
Tot een uitbarsting komt.
Nu eens , dan weer.
Droefheid en zorg worden vergeten.
'k Sleep hen mee en 'k breng hen er toe op te treden als opstandelingen.
Weg van de grote rechte weg.
Met klimmende argumenten.
Onophoudelijk.
Het wordt niet meer bijgelegd.
Genadeloos roep ik ze.
Met bijbel en scheldnaam.
Zweer met hen samen.
Snel.
In drommen komen zij over het punt waar zij worden afgesneden van wat zij ooit zijn geweest.
Zweren vroegere eden af.
Gaan buiten hun limiet.
Langzaam en hartochtelijk kleed ik mij uit.
Ook de voorhoede legt kledingstuk ne kledingstuk af.
De anderen volgen.
Erkennen.
Bevestigen.
Waar zo juist nog argwaan was is nu genade.
Verbijsterend.
Vertrouwen schittert.
Wordt zonder overleg rondgestrooit.
Een kluwen.
Voor hen sta ik.
Naakt.
Mijn stam dempt het licht.
Ik breng alle deugden en ondeugden in beroering.
In alle glorien, met opengesperde armen, beminnenzij.
Een vloedgolf erotiek komt mij tegen.
Stormt in mijn bloed.
Mijn voet stampt donderslagen.
Verlangen brandt door mijn schild.
Mijn ogen draaien weg.
Ik wacht hemelswijd.
Maar niemand brengt mij verlossing.
Geen persoon brandt zijn lichaam rond het mijne.
Niemand wisselt zijn ziel met mij.
'k Ben een vreemde.
Eenzaam rijd ik weg.
Bloot.
Zonder huid.
Plomp verloren.
Mensen zijn grond voor een onstuitbare liefde.
Noodlottige liefde.
Ik ben een boer.
Ploeg.
Eg.
Zaai.
Oogst niet.
'k Bel de zaal waar ik hem heb gezien.
D'eigenaar is vuur en vlam.
Hij komt terug.
Nog drie weken.26 maart.
Drie weken.
Hoofdstukken.
M'n paard ruikt de stal.
Hooi.
Stro.
Veiligheid.
Z'n meester.
Het regent.
Bliksem scheurt mist.
Een alternatief theater.
Naast de deur een gele frituur.
Moeder kijkt toe.
De ingang is lang en smal.
De ruimte laag en donker.
Afgeschilferde stoeltjes.
Weinig volk.
Kwartvol.
'n Disc-Jockey draait vreemde muziek.
Luister.
De herders wachten ongeduldig.
Vol vragen.
'k Voel hem achter 't podium.
Hij denkt aan mij.
'k Beef.
'k Kan niet peinzen.
Wel voelen.
Trillen.
Een snaar van de harp.
Naast mij zie ik dezelfde gezindheid.
Harmonisch.
Zoekende ogen.
Schorre stemmen.
Hij is er.
Hij stapt vreems.
Loopt op wolken.
Op roze water.
Hij schommelt.
< Ik ben een boot,<zegt hij.< Kom , vaar mee.>
Hard gezicht.
Fijne baard.
Schonkig lijf.
Droeve ogen.
Wandelpeden.
Sterke stem.
Zware voeten.
Slingers.
Heen en weer.
Heen en weer.
Zeker.
'k Stijg.
'k Wend mij af.
'k Wil niet.
'k Wil hier blijven.
Weg van het water.
Zelf sturen.
'k duw mijn handen over mijn oren.
Sluit mijn ogen.
Beweeg mijn lijf op en neer.
Tegen het ritme.
Uit zijn greep.
'k moet weten wat hier gebeurt.
Mezelf meester worden.
Baas op eigen hof.
Voorzichtig kijk ik rond.
Wat een veld…….
Gloeiende kaken.
Natte ogen.
Blote dampende lijven.
Schuddende gatten.
Stampende voeten.
Vervoering.
Hysterie.
D'Armen omhoog.
Varend.
Heen en weer.
Heen en weer.
Pakken mekaar vast.
Troosten.
Geloven.
Huilen.
Kussen.
Zwemmen.
Hij vaart harder.
Speelt sneller.
't Verstand is verdwenen.
De voorkant van 't gezicht is weg.
't Gevoel heerst.
Hij lokt.
Het komt.
Wat gevangen zit breekt uit.
Zonder onderscheid………
Zonder mij.
'k voel mij sterk.
'k hoor niets.
Hem zien wil ik een moment.
Een souvenier…….
Mijn ademstopt.
De deur naar mijn ziel waait open.
Exploderend gevoel.
Een bom emotie.
Kreunt.
Smeekt.
Bidt.
Dient.
Regeert.
Gensters vliegen tussen de mensen.
Ze eten ze.
Leggen ze op hun tong.
Wrijven ze over hun lijf.
Mij ogen gaan open.
Mijn ziel komt buiten.
'k Stijg op in de hete lucht.
Tussen de reuk.
Andere ogen zijn sluizen.
'k val in de zee.
In alle water.
Dan, word ik rustig.
'k spoel aan.Bethlehem.
In mijn hoofd brandt een roze lamp.
Schoonheid.
Liefde.
Kracht.
Eenheid.
'k Wordt bemind.
'k heb lief.
Eeuwige minnaar.
Vol begrip.
Vroeger.
NU.
Later.
De zaal is een stoof.
Wij zijn gloeiende steenkool.
We zitten IN hem.
Duizend mensen.
In zijn tempel.
We zingen.
Hand in Hand.
Een bevrijdende ring.
We verlossen ziel uit het lijf.
Geven lamme paarden sterke ruiters.
Trotse hengsten. Mustangs.
Edele merrie's.
Schuimende bekken.
Trillende benen.
Galop.
Twee delen.
Paard en ruiter.
En dan………
Een!
Centauer. Half mens, half paard.
We zien hem niet weggaan.
We roepen hem terug.
Hij komt niet.
In mijn handen hou ik een stukje van zijn stem.
Voor later………………
Euwig verlangen.
Een bergkamer vol verdriet.
Als ze huilt ben ik bang.
Haar troosten kan ik niet.
Onbegrip voor haar lijden.
'n Vogel is wijzer dan ik en een kind ook.
Die hebben haar al getroost.
Zij voelt meer.
Dat maakt haar mijn meesteres.
Zonder agressie dirigeert zij mij.
Ze leidt mij in alle ernst.
'k Vergeet dikwijls het trapje voor onze deur………….
Dan kijkt zij nadenkend naar mij…….
'k heb haar vertrouwen nooit gewonnen.
Ze blijft bij mij omdat ze hoopt dat ik haar ooit zal begrijpen.
Soms denk ik dat ze een verdwaalde engel is.
Ze is zo droef.
Zo zuiver.
Zo mooi.
'n Twijgje in een sneeuwlandschap.
Ze kijkt naast mij en zegt :< Kom we rijden weg>.
Onmiddlijk reageer ik.
De hele weg zegt ze niets.
Toch hoor ik haar richtlijnen.
Snelheid. Weg.
'k Praat niet met haar.
Mijn woorden zijn sneeuw.Ze blijven liggen op haar oppervlak. Vergroten haar last.
Overtuigen haar dat niemand de taal spreekt welke zij denkt.
Haar berg is mij te hoog.
Ze leeft in een vreemd land.
Pioniert.
Ook als ze mijn wagen verlaten heeft zit ze nog naast mij.
Ze bepaalt de richting die 'k kijk.
Ze houdt mijn mond in haar hand.
Zonder haar goedkeuring zeg ik niets.
Kan ik niets.
Ze laat me doen wat ik niet begrijp.
Ik ben haar dwerg.
Ik rijd naar <Den Groenen Appel> 'n kroeg waar alle soorten mensen komen.
Ik heb tijd voor een paar pilsjes.
Niet meer dan twee zegt de zender.
Aan het einde van de bar zit een van haar oude minnaars.
Een beeld waar ik heb mee leren leven.
Aan elke bar zit een ex.
Helaas het is diegene die ik meest verafschuw.
Hij is, zacht gezegd, zeer emotioneel.
Hij heeft aanvallen van agressieve waanzin.
Schreeuwt altijd dezelfde woorden.
Akra en dakra.
Ook zijn berg is mij te steil.
Beneden luister ik.
'k Denk dat hij kwaad is.
Jaloers en gevaarlijk.
Hij kijkt mij nooit aan.
Met voelhorens volgt hij.
Roept <Akra en dakra> om mijn zenuwen te testen.
'k Durf niet naar het toilet.
't Bier smaakt bitter.
Wandelen is beter dan pintjes drinken.
Onderweg naar mijn werk ontmoet ik 'n archtekt waar ik veel voor werk. Hij kijkt d d'ndere kant op. En dan?
Mij humeur past goed in de deemstering van de stad.
'k Voel mij een buitenwijk.
'k haal vrouw en kinderen. We rijden naar huis.
Zwijgen.
Spanning in de lucht.
Mijn zenuwen doen pijn.
Zware druppels vallen traagjes in de straten.
Een snijdend woord zou genoeg zijn.De televisie zet alle gevoelens stil.
Na een doffe avond, een lege nacht, een voze slaap,
Rijd ik naar mijn werk.
Na de middag roept de chef mij.
'k ga met tegenzin.
Hij houdt niet van me.
Mijn stoel is lager dan die van hem.
Zijn bureel is zwaar.
Hij kijkt niet.
'k Voel zijn afkeer.
'k Wil niet klagen maar soms….
'k vouw mijn handen.'k Kijk naar de grond.
Maak mij zo klein mogelijk. Wacht.
< er is, > zegt hij spijtig,< een opdracht welke je meteen moet afwerken. Alle andere werk moet wachten. Die van hierboven wil dat.> ( hiermee bedoelt hij niet god maar de baas die zijn bureel een verdieping hoger heeft.)
< Het moet vlug gaan. We hebben te weinig tekenaars.Toch moet de opdracht zeer punktueel uitgevoerd worden.>
'k Verlaat zijn kantoor.
De lage lucht verandert de gebouwen in diepvriesruimtes voor mensenzielen.
Mijn ziel voor een pint in <den Appel>.
In mijn auto begint haar wereld.
Haar invloed.
Mijn schrik.
Ze heeft geen tijd om te groeten.
Haat kaken zien rood van het koken.
Rode kolen.
Haar pupillen zijn zeer klein.
Ze kijkt niet.
De kinderen zijn ondergedoken.
Komen aarzelend boven.
't Voedsel is bereid voor honger naar hoger.
Ze eet dierlijk.
'k Spreek niet.
Elk woord zou kwetsen.
Ze is half hier, half ginder.
Haar hand valt stil.
In haar hals verschijnen rode vlekken.
Tranen die haar ogen niet bereiken.
De kinderen voelen het.
Kijken als diertjes voor onweer.
'k weet mij machteloos.
Wat ik ook zeg, ze komt niet terug.
Haar ogen in haar bord. Onbeweeglijk.
Blind.
Grote tranen vallen als druppels van een ouderwets dak.
'k Leg de kinderen in bed en 'k sluit de deur.
'k Rijd naar mijn stamkroeg.
'k Wil veranderen.
Laven op een beter weg.
'n veulen is geen hengst.
>Het leven,> zegt mijn vriend, < is een treinspoor zonder einde. Nog geen trein is teruggekeerd.Sommige mensen horen signalen, andere niet.>
Hij heeft mij jaren geleden aan haar voorgesteld.
Ze hadden een hevige romance.Ze heeft hem laten staan.
Hij begrijpt waarom.Ik niet. Anderen ook niet.
Hij is niet wrokkig.
Soms zie ik in zijn ogen dezelfde afwezigheid.
Hij is ouder, sterker, mooier.
Hij heeft meer geleefd.Verder.
'k Houd veel van hem. Hij beschermt mij.
Hij heeft haar gezegd dat ze van mij nog zal opkijken.
Dat verwondert mij.
Zij weet zeer goed wat zij aan mij heeft.
Hij kan goed vertellen . Ongrijpbaar.'n Adelaar.
Strooit sterren.
Als je ze eet moet je lachen.
Getroost en doorzopen rol ik in bed.
'k Streel haar . Ze reageert niet.
Ze is nog niet terug.
Het nieuwe werk is koud en moeilijk.
Een huis op een heuvel.
Het is middelgroot met vreemde vormen.
Helemaal in glas.
DEnige uitzondering is 'n bergruimte.
Die 's alleen te bereiken door de badkamer.
En deze door de slaapkamer.
Het is ongewoon en moeilijk.
Eenhuis van glas met 'n hart van steen.
Sommige mensen doen vandaag dingen waar ze morgen spijt van hebben.
Twee witte anjers, een rode roos, een lelie, twee irissen en een gele tak.
M'n bloemen maken haar gelukkig.
Ze is terug.
Ze kijkt.
Heur haren hangen sluik.
Een open gordijn.
Heur ogen zijn blauwe bloemen.
De kinderen slapen.
Ook zij gaat naar de slaapkamer.
Ze ligt op bed.
Een ster.
'k Zit met grote ogen voor haar.
De poort van mijn hart staat half open.
Ze beweegt niet. Zegt niets.
Toch is ze hier.
Ze richt haar op.
Kijkt recht in mijn ogen.
Haar blik houdt geen rekeing met mijn lijfelijke aanwezigheid.
Ze kijkt door mij.
Ziet mij zo leeg als ik lij voel.
<Het gaat niet meer,> zegt ze.
<Het is gedaan.'k wil niet meer leven>
Zonder emotie verwijst de heer mij naar de achterste rij.
Ze scheit niet.
Kijkt zonder wrok.
Het is de eerste keer dat ze zo ver gaat.
'k Ben geschokt.
Wacht teruggetrokken af.
Twee duivels in donkere pesen.
Zonder woede.
Duister gang.
'k ben een geraamte.
Dit is mijn graf.
'k Heb deze vrouw verknoeid..Alle kansen ontnomen.
Verloren.
De poort sluit achter mij.
<Ik wil scheiden ,>zegt ze.
'k wist dat dit zou komen.
De kamer valt weg.
Midden in de hel staat de bar van > Den Appel>
'k Drink pintjes tot alle mensen, waar ik ooit van heb gehouden, rond mij zitten.
Voor mij zit zij.
Ze weent.
Ik ween mee.
Zonder tranen.
Van binnen ben ik leeg.
Zij woont in het nieuwe huis
Ik blijf hier.
Elke week komen de kinderen. Per taxi.
'k Durf ze zelf niet te halen.
Uit het oog , uit het hart.
'k Hou me goed.
'k Voel mij niet goed.
Mijn werk is slecht.
Mijn chef toont vals medeleven.
Door zijn ogen kijken fabrieksregelementen mee.
Hun blikken tonen mij de weg.
Naar buiten.
S' Nachts dronkaard.
Overdag stempelaar.
Mijn slaapkamer ruikt naar haar.
Dat maakt mij wild.
Mijn neus is oog.
'k Vernauw mijn gedachten.
't diafragma van mijn gevoel is zo smal als ik leef.
In de stad zie ik mensen.
Ik weet dat zij in die mensen is.
In de nacht.
En een beetje in mij.
Vroeger kon ik haar niet bereiken nu kan ik niemand bereiken.
Alle banden met mijn omgeving zijn los.
Niemand heeft met mij binding.
Een gevallen blad.
Zielloze dingen zijn mijn gezelschap.
Wolken, stenen, mussen, lege tramlokalen.
Als deel van de wind streel ik mensen zonder dat ze het weten.
'k ben natuur niets meer.
Ik regen, schijn, waai.
Juist nu zie ik hem terug.
<Akra Dakra>
Hij zit aan de bar
<Akra-Dakra>
Hij is erg populair.
Moest ik zo roepen 't zou niet mogen.
'k heb schrik van hem.
Zijn radar volgt mij.
<Akra-Dakra>
Omdat ik lucht ben riekt hij mijn angst.
Hij is een dier onberekenbaar.
<Akra-Dakra>
Een lach van een kraai.
'k duw hem uit mijn ogen .
Hij roept nog luider.
'k Wordt niet goed.
Mijn afzondering w<ordt groter.
In een waas zie ik hem.
Van heel ver hoor ik hem.
Ik ben lucht.
Ik kan buitenzweven aar een stad waar niemand mij kent.
Maar dit is al mijn tweede stad.
Waarom krijg ik geen liefde ? Bewondering?
Of wrok?Vernedering ?
Ernst?
'k Ben niets.
Hol.
En als ik Akra een klop geef?
Hem wurg ?
Zal ik dan vol zijn ?
Iets zijn?
Een vechtersbaas? Een wilde man ?
Word ik dan verhoord?(Heb ik iets te zeggen?)
'k Zwwef rond de bar.
Aarzel bij de juke Box.
Lees alle titels op de plaatjes.
Bestudeer de gebruiksaanwijzijng.
<Akra-Dakra>
ik doe het.
't Gebeurt vlugger dan 'k beslis.
Mijn lichaam schrikt.
'k heb hem geslagen.
Nu zal hij mij of een ander een goede rammeling gevan.
Hij heeft de hele tijd in de spiegel gespioneerd.
Heeft de slag zien aankomen.
Hoel lang verwacht hij die?
De duivelse treiteraar heeft een complot met heel zijn omgeving.
Iedereen weet dat hij mij uitdaagt.
Waarom heb ik dat niet gezien.
'k Val tegen hem. <Grijp hem vast bij zijn trui.
Hij heeft niet bewogen. Zit met zijn ene been over zijn ander.'k Ben geen vechtersbaas.'k Laat me boven hem vallen.
We rollen samen over de vloer.
Zijn mager lijf bonkt tegen de tegels.
'k Druk hem tegen de grond. Mijnarmen grijpen zijn armen.
Mijn hoofd duwt op zijn hoofd.
'k riek zijn haar.
Het is ruw-zoet.
't Herinnert mij aan de keuken van mijn moeder.
Beschermt mij.
'k duw zijn armen dicht tegen mijn lijf.
Zijn benen knel ik tussen de mijne.
Hij kan niet bewegen.
Deze spin heeft een vlieg.
Zijn lichaam is week.
Hij weerstaat niet.Ontvangt.
Langzaam zak ik dieper in hem.
Een vreemde heilige laat mij binnen.
Een geweldloze martelaar.
Hij ligt niet stil.
Hij geeft.
Houdt van me.
Hij is geen tegenstander.
Een mens die evenveel lijdt als ik.
Iemand die niets ontnomen kan worden omdat hij alles geeft.
Mijn tranen druipen in zijn haar.Geen regen.
Tranen.
'k Word meer engel dan mens.
'k Zie meer.'k Zie door de oppervlakt van de werkelijkheid.
Door alle zintuigen.
In zijn ogen zie ik gelijkeid. Aandoenlijke onmacht.
Engel en dier.
Vertrouwen . Opoffering.
In zijn vlees leeft wat ook bij haar leeft.
Scheiding.
Einde . Eeuwigheid.
In zijn greep voel ik een vraag om haar.
In zijn greep voel ik een vraag om haar.
Om een ultieme omhelzing.
In <Akra-Dakra> hoor ik een vraag om verlossing uit isolement.
Uit te veel lijden.
'k Heb op aarde weerom 'n vriend.
In argwaan en vertrouwen.
Als dienaar.
Hij zal het nooit weten.
<Akra-Dakra>
Helaas, mijn schuld.
Mijn vrouw heeft moederogen.
Ziet in het donker.
Moederhanden.
Geneest.
'n Moederborst.
Beschermt.
Voedt.
Verbergt.
'n Moederhart.
Tunnel naar de hemel.
Moederzorgen.
Altijd wakend.
Moeder.
Veel verloren.
Alles gekregen.
Koningin.
Vrezend en heersend.
Teder in een wrede wereld.
'n Mus in de sneeuw.
Moeder.
Elke traan is een parel op je stoel in de hemel.
Moeder.
Sachet.
Haar ogen boven de wieg.
Twee zonnen.
Twee landschappen .
Als't daarin regen……..
Vannacht slaap ik niet.
'k Voel haar naast mij.
'k praat tegen haar …..ze luistert.
'k streel haar ze lacht.
De nacht is vol vertrouwen.
Het hol gevoel tussen mijn schouders verdwijnt.
Mijn schouders worden gevuld met deel van alle kracht.
Een warme wind waait door de bomen van mijn ziel.
Vurige tongen zetten zich op mij neer.
Uit een pop komt een vlinder.
Gestuurd door mijn gevoel rijd ik naar haar.
De eerste keer.
'k heb haar iets te geven.
Mijn geest stormt in mijn vlees.
In het ronken van de motor hoor ik het ruisen van ons gemaanschappelijk bloed.
Mijn gemoed ontvangt visioenen en dromen.
De zon is donker, de maan vol levenssap.
De nieuwe dag komt groot en heerlijk.
Iedereen zal worden gered!
'k Wankel niet.
Het gevecht tussen god en duivel is geindigd.
Einde van eeuwige twijfel.
Mijn hart is blij.
Mijn tong jubelt.
Mijn vlees is vol hoop.
Mijn ziel is opgestaanuit het dodenrijk.
De weg wordt mij getoond.
Oppervlakkigheid, mijn grote vijand , ligt als een voetbank voor mijn voeten.
'k Ben niet meer alleen.
Ze bezaten alles in gemeenschap.
Het huis is zoals ik haar ken.
Smaak, eenvoud.
God's loper.
Een lazaret.
Langdurig bel ik.
In de hal brandt licht maar niemand opent.
Mijn vuist bonkt op de deur.
De weerklank komt onverschillig terug.
Dat herinnert mij aan vroeger.
Maakt mij onzeker.
Kalm, denk ik, kalm.
'k Voel mijn hart vrezen.
De laatste twijfel?
'k maak zelf de deur open.
De gang is nauwDe woonkamer haar schoot.
Heilig.
Reuze planten groeien uit tegen de zoldering.
Elk blad is een genezend woord.
Licht komt van overal.
Muziek verbindt twee werelden.
Zij zit in een fluwelen zetel.
Voor haar een glas rode wijn.
Haar ogen kijken in mij.
Een spiegel.Haar hoofd zoekt steun op mijn hoofd.
Ze is niet moedeloos.
In haar brandt een toorts.
Zij is geen raadsel.
Een boek.
Door eeuwen geschreven.
Haar gedachten zijn bekend.
Nieuwe legenden.
Haar leven hangt als landschap aan de muur.
'k herken elke weg, elke boom.
'k Ruik de grond.
In de glijdende wolken zie ik de richting van de wind.
Op een heuvel staat een huis.
Een grote woonkamer, een slaapkamer, daarachter een badkamer en daarachter een bergkamer.
Het huis op de heuvel.
Het huis dat ik heb getekend.
Haar slaapkamer.
Zoete geur komt mij tegen.
Zacht licht.
Doepdonkere draperieen.
Op haar sanguine bedsprei.
Zie ik de afdruk van haar lichaam.
Gelukzaligheid kruidt mij.
Hier leeft liefde.
Erotiek heeft vorm.
Uitkomst voor de kikvors.
Eiland.
Talent.
Wildernis.
Purper en scharlaken.
Mysterie.
God is dichtbij.
Zijn wereld gloeit.
Ik zie door de muur van de bergkamer.
Zacht blauw licht.
De muren, vloeren, meubels zijn fluwee.
Blauw.
In het midden een wolk.
Daarop een roze engel.
'k Val in aanbidding.
Zij zegt doe het niet
< Ik ben u dienares>
Langs de muren staan twaalf beelden.
Alle verdriet.
Wanhoop, vertwijfeling, eenzaamheid, ongeloof, wantrouwen, eerzucht, vergelding………
Zij kreunen hun eigen naam.
Verbittering, angst, illusie.
Ze opent de poorten van de stad.
'k kom bij haar.
Onbelemmerd schenken aan ongehinderd geven.
Ze ontspant.
Streelt mijn lichaam.
Glorie verlicht haar.
Ze zuigt kracht uit mijn mond en geeft die met haar schoot terug.
Zr plooit rond mij.
Fakkel. Zon.
Haar lippen zijn zoet.
Twijfel? Zelfkwelling?
Het dertiende beeld is zij.
Roze tussen blauw.
< Wie ben ij ?> Vraag ik.
< Eeuwig verlangen> zegt ze.
Eeuwig verlangen.
Verloren ring
Als ik jou word,
En jij mij, besta ik in jou,
En jij in mij,
Denk ik met jou,
En jij met mij,
Is mijn wil jou wil,
En jou wil mijn wil,
Zijn jij en ik een ring,
Dan ben ik jou en lij sterk,
En jij mij en jou sterk.
Ginder wordt betaald met het goede van hier.
Ouderdom is spiegel van jeugd.
Alles is symbool van alles.
Ieder is op weg naar alles.
De aarde voelt.
Magellan vond:
De aarde is rond.
Ontdekkers zochten naar landen en vonden die.
Maar nieuwe ontdekkers zullen zoeken naar haar gevoel .
Oordeel:
De aarde voelt.
Als mensen bang zijn beeft de aarde.
Als mensen goed zijn leeft de aarde.
Als mensen beminnen bloeit de aarde.
Als mensen zonder begrip zijn voor het leven, stormt de aarde.
Zo lang er mensen zijn leeft de aarde.
Onze liefde is haar waarde.
Er is geen aarde zonder ons,
Zonder ons geen aarde.
De mensen zeggen het einde der tijden is nabij.
Maar wat is tijd ?
Beperktheid.
De mensen zeggen:
Het einde der beperktheid is nabij.
Nu is het tijd.
Onze moeder is de aarde,
De vrouw, alle levende vruchtbaarheid.
Ons bewustzijn is de man,
De vader,
Alle levende gedachten.
Als er vrede is in ons,
Is er vrede in hen.
In de aarde, op de aarde.
Als wij liefde geven,
Bidden wij,
Verzoenen wij ons met de moeder via de vader.
Het is gezien,
De beberktheid is voorbij.
Kijk , bemin,
Aanvaard en bewonder.
Ontken niet meer, weersta niet meer.
Wees niet moedwillig dom meer.
Heilig zijt gij.
Deel van andere delen.
Deel van de moeder.
Uit haar gegroeid.
Met haar gevoed.
Deel van de vader.
Deel van alle verstand.
Deel van alle gevoel.
Bij onze dood gaat onze lichaam terug naar de aarde.
De moeder.
Ons verstand,
Onze bezieling,
Terug naar de vader,
Naar alle bezieling,
Naar alle levende gedachten,
Naar alle bewustzijn.
Dit alles is mooier dan de landen die de eerste ontdekkers zagen en wier schoonheid hen deed huilen.
Dit alles is de sleutel. (dit is 'home')
Het huilen van de ziel zegt: stop niet.
Eeuwig verlangen.
Pijn in je bloed.
Honger van de ziel.
Brandstof.
De wil om te voorkomen wat is geweest.
In mij voel ik sterren.
Groeiend ongeduld.
Nieuwe kansen.
Het leven is ver.
Alles wordt getoond.
Al wat is,
Is symbool voor het eeuwige.
Elk zijn we op onze eigen manier van onze opdracht verwijderd.
Elkeen heeft zijn eigen unieke weg om die te bereiken.
Alles aanvaarden zonder wrok is symbool voor onze herkomst.
Eerst is alles een.
Zuivere waarheid.
Dan groeit illusie.
De zuivere ziel stoot de onzuivere uit.
De verbannen ziel moet zelf haar verlossing zoeken.
Vlek na vlek aaneenrijgen tot vermogen.
Vermogen tot gas.
Gas condenseren tot materie.
Materie verheffen toto leven.
Leven toto bewust leven.
Bewust leven tot goed, waarheid.
Waarheid tot ziel.
Zuivere ziel tot geherwaardeerd deel van GOD.
Dat is weg!
Materie verhief de man.
Hij droeg een kiem kosmisch bewustzijn.
Verdwaalde.
Materie verhief uit hem een vrouw.
Haar vruchtbaarheid geeft tijd.
Haar honger naar liefde is oog, oor en voedsel.
Wegwijzer.
Eeuwig verlangen.
Bron van leven.
Bezieling van materie.
Met de wil van God.
Kracht voor elke angst.
Troost voor elk verdriet.
Gevoel in elk deel.
Handen die strelen en zalven.
Met een huilende ziel.
Elke dag.
Verbonden met de bron.
De beperking van haar invloed,
Is de beperking van het heelal.
En alles wat wij doen wordt geschreven op haar bladen.
Een vrouw is dochter van de aarde.
Begrijp de grond en je begrijpt de vrouw.
Haar kern is gloeiend en basis van eindeloze vurigheid.
Zo eindeloos gevend de aarde kan zijn,
Zo eindeloos schenkend is de vrouw.
Ze hebben dezelfde gedrevenheid.
Een vrouw kan haar schenken tot zij oplost in de man.
De aarde kan geven aan de oerman.
De oergeest.
Tot zij kracht is in hem.
Voedsel voor gedachten.
Bron van liefde.
Verrijzenis.
Leven is filtreren.
Scheiden van goed en kwaad.
Omzetten van grond in ziel.
Stof houdt ziel gegijzeld en 't losgeld is liefde.
Mensen die oren, weten, zien, begrijpen, dienen meer.
De onzuiverheid van 't stof is het drama van 't leven.
Als een lichaam sterft wordt een ziel geboren.
Een levenslange zwangerschap.
Schoonheid verlaat de aarde,
Twijfel, illusie, dood blijven achter.
Worden opnieuw geregenereerd.
Ik ken'n mens
Die doof wil zijn,
Blind,
Die streeft naar materiele macht uit liefde voor zielloze dingen.
Zo ken ik 'n mens
Die zichzelf veroordeelt.
Er wacht een diep verdriet.
Als de wereld de ziel niet kan voeden
Wacht een groot geluk.
Er wacht een klein kind dat alles wil beleven.
Een brug tussen wanhoop en vrede.
Zoet leven.
Lijden is schijn.
Relatief.
Aards gebonden.
We zijn allemaal verbonden door dezelfde ziel.
Jij en ik zijn water.
We vloeien in een oeverloze zee.
En als ik denk aan een schip dat uit de haven vaart,
Dan sluit ik mijn ogen voor de wereldzee.
Leven is hebben.
Leven is zijn.
Wie is en heeft, leeft.
Wie heeft en niet is,
Heeft niets en is niets.
Wie is en niet heeft,
Kan niet blijven.
Hebben vraagt zijn en
Zijn vraagt hebben.
Leven is evenwicht tussen hebben en zijn.
Eten is religie.
Materie omzetten in energie.
Handelen is religie.
Energie om zetten in: goed, kwaad.
In het ruisen van bomen
Hoor ik 'n stem die zegt,
Slaap niet, waak!
In 't bonken van wind hoor ik een stem
Die niet wordt gehoord.
In slaande donder hoor ik ongeduld.
In 't stromen van water zie ik:
Doe voort.
In de monding van 'n stroom zie ik 'n belofte.
In schemering zie ik 'n kans.
In 't zingen van vogels hoor ik: IK BEN
In 't loeien van een koe hoor ik: IK BEN
In de vlucht van een insekt zie ik: OOK IK BEN
In de kelk van 'n bloem zie ik: IK BLIJF.
En zoals een blad in grillige cirkels onherroepelijk
Naar de aarde glijdt, zo nader ik tot U.
Veilig zijn is verzoend zijn met onveiligheid.
't Leven is goed voor goede mensen.
't begin van geluk is aanvaarden van ongeluk.
Op een morgen werd ik wakker en ik voelde me een met alles.
Alles wat ik mij beschermd had , had een reden.
Elke dag word ik wakker in een ander leven, een andere wereld, in een ander lichaam.
Ik sterf elke avond.
Elke morgen word ik herboren.
Voor mij, een vaag vermoeden.
Het geweten is liefde voor waarheid.
De onbewust levende mens kent de waarheid maar kan ze niet zien.
Hoe verder hij van de waarheid afdwaalt hoe pijnlijker zijn geweten.
Mensen die liefde voor de waarheid vluchten vinden geen rust in schoonheid.
Ieder draagt in zichzelf zijn taak, zijn plaats en zijn waarde.
Het geweten is liefde voor waarheid.
De onbewust levende mens kent de waarheid maar kan ze niet zien.
Hoe verder hij van de waarheid afdwaalt hoe pijnlijker zijn geweten.
Mensen die liefde voor waarheid vluchten vinden geen rust in schoonheid.
Ieder draagt in zichzelf zijn taak, zijn plaats en zijn waarde.
Mensen zijn boodschappers.
Bestuurders van de aarde.
Bloemen, dieren, de aarde zelf is een spiegel van hun gedachten.
Aktie en reactie.
De kleuren, de geuren: uitdaging en antwoord.
Mensen zijn dragers van elk leven en elk bewustzijn.
Ze zijn ingeent op alle leven en geest.
Mensen zijn sperma en eicel van de wording.
Hun taak is motor van levensdrift.
Door hun ontwetendheid zetten ze die om in blinde haat.
Toch brengen zij bewuste liefde over het heelal.
Mensen zijn prikkel die aarde doet leven.
Zendelingen van Gods gedachten.
Bloemen op zijn ideeen.
Het begin van het geheel is liefde tussen twee.
Liefde is de grootste kracht,
Sterker dan leven,
Sterker dan kwaad,
Sterker dan wijsheid.
Wie liefde kan geven kan alles geven, kan alles geven.
Wie liefde voelt , voelt alles.
Wie weet wat liefde is, weet alles.
Liefde toont ons waar we zijn zodat we kunnen gaan waarheen we willen.
Het mooiste wat liefde aan de wereld schenkt is vorming van ziel.
De weg naar kosmisch orgasme is:
Met liefde genieten van elk gevoel.
Totale tederheid tijdens 't grootste geweld.
Helderheid tijdens verwarring.
Alle noden en deugden aanvaarden en beleven.
Beminnen zonder eisen.
Als minnaar en minnares zelfstandig beslissen wat het beste is voor beiden.
In volle bewustzijn het bewustzijn verliezen.
De wereldse navelstreng met de moeder verbreken.
Oneindig geven en alles aanvaarden.
Ongehinderd schenken aan onbelemmerde liefde.
Kosmisch orgasme is samensmelten van twee zielen.
Waar zielen raken, raakt de eeuwigheid in diepgang en duur.
Wat je geeft krijg je terug.
We leven in de spiegel van ons gedachten.
Wat mensen denken, is
Wat mensen willen, is.
Wie niets heeft kan veel geven.
Er is geen schuld.
Alleen onwetendheid.
Ik sterf voor de zoveelste keer.
'k vaar voorbij de sterren naar alle rust.
'n Zwijgzame diener bereidt mij een maal.
< Er is niet veel tijd,> zegt hij.
< Veel werk en weinig tijd.
We hebben mensen tekort.>
Hij leidt mij naat het centrum van alle goed.
Boeddha is daar.
Hij spreekt met Christus en Mohammed.
Zegt tot mij zonder woorden:
< Vriend keer terug. De tijd is gunstig. De sneeuwbal rolt.>
ik keer terug in de ruimte.
Verbind me met zaad en eicel.
Negen maand later wanneer de zon tussen jupiter en Saturnus staat word ik geboren.
Blind en onwetend.
Met IN mij alle wijsheid.
Voor mij: een vaag vermoeden.
Lieve God,
Goed aangekomen.
IK
Mijn kind,
Verwijder u niet van de kudde.
Leven is boeren.
Op 't veld van de Heer.
Onze daden zijn vrucht en onkruid.
Kinderen zijn bloemen.
Kansen om te herleven.
Niets op aarde is eeuwig.
Geen bloem op het water.
Geen schuldloze schoonheid.
Geen oeverloos verdriet.
Ook een kinderhart is onderweg naar de Heer.
Geen geloof.
Geen lied wordt eeuwig gezongen.
Niets blijft.
Bitterzoet leven.
Ik hou van jou, daarom leven wij.
Melancholie
Leven in euforie.
Mensen zonder sluiers.
Baden in intieme geulen.
Vrouwen.
Schuimende bessen.
Witzijden kleren.
Druiven.
Mannen. Jonge bomen.
Harige handen.
Dynamiek.
Vloeiende stemmen.
Symphonien.
Rust. Vereniging.
Huizen. Paddestoelen.
Opwinding.
Roze diamanten.
Leven is bloeien. Zaaien. Sterven.
Ondiep.
Roos van Jericho.
Euforie heeft grenzen.
Strenge.
Natuurlijke.
Distels.
Doolhoven.
Drassige gronden met franse lelie's.
Wie buiten de grenzen gaat komt moeilijk terug.
Nieuwschierigheid heeft mij nooit gekweld.
'k Ben niet sensatie belust.
Tot nu.
Een jonge vrouw.
Verschroeiend mooi.
Krijsend.
Een rat in 'n klem.
Buiten de grenzen.
Ze vecht.
Smeekt.
Bidt.
Scheldt.
Geschokt.
Onverbiddelijk wordt zij teruggestuurd.
Kermt.
Valt neer.
Dampende ellende.
Honderd meter weg.
Toch zie 'k haar ogen.
Vishaken.
Vast in mijn lijf.
Hatend.
Verzoekend.
Ze huilt.
Niet heftig.
Klagend.
Verraden.
Ze zal sterven.
Verdwijnen.
Voor altijd.
Ze is besmet.
Komt uit een land waar iedereen lijdt.
'n ziekte.
Gevaarlijk.
Verbietigend.
Het zien van onze wereld kwelt haar.
Nooit heb ik wroeging gehad.
Behoeft om te helpen.
Om meer te weten.
Het ontbreekt mij aan niets….
Leven is drinken……Een glas…….. Een frisse fontein……….
Maar nu ben ik niet alleen.
Haar blik is bij mij.
Weerhaken.
Warm water.
Rozen. Vuurrode ballen.
Oranje zon.
Klaterend lachen.
Ritselende zijde.
Vurige tongen.
Niets weerhoudt mij.
Deze verdwaalde vogel roept mij.
Eisend.
Niet wijkend.
Elke ademhaling licht mijn anker.
Verschrikte kreten waarschuwen mij.
Nutteloos.
Denken kan niet meer. Instinct.
Beschermend val ik op haar.
Een wolf op een zeemeermin.
Ze reageert niet.
Geen dankbaarheid.
Minachting voor mijn twijfel.
Haar vlees is week.
Vochtig.
Ik bijt in haar diepte.
Tril.
Sta op.
Grijp haar hand.
Klemmend.
Agressief.
Zinderend.
Van Gogh.
Zorgeloos.
Anders.
Zonder schil.
Haar glos is amber.
Donkere hoeken.
Membratie.
Signalen.
Golven door mijn lijf. Geest.
Zoeken barsten in mijn harnas.
<Kom , > zegt ze.
Ik volg. Kan niet terug.
Haar vlees is week.
Vochtig.
Ik bijt in haar diepte.
Tril.
Sta op.
Grijp haar hand.
Klemmend agressief.
Zinderend.
Van Gogh.
Zorgeloos.
Anders.
Zonder schil.
Haar glas is amber.
Donkere hoeken.
Memebratie.
Signalen.
Golven door mijn lijf.Geest.
Zoeken barsten in mijn harnas.
<Kom, > zegt ze.
Ik volg. Kan niet terug.
Geel zand brandt tussen mijn tenen.
Nu en dan val ik.
Zij is 'n kat.
'k neem haar arm.
Mild vlees.
Bruin-blank.
Blauwe aders. Rivieren.
Witte handen.
Zinnelijk.
Fijne borsten.
Appels.
Dubbele ogen.
Beschuldigend. Weerloos.
Eisend.
Drie dubbel.
Hangen aan me.
Rond ons, stroef gras en duinen.
Nood.
We rusten.
Opgerold.
Haar vingers rond de mijne.
Duwend.
Nu en dan schokkend.
Wenend. Onbekende tranen.
Ploegen in mijn twijfel.
Mijn lot groeit aan haar.
Ze is een duif.
Circelt rond een warme vijver.
Fluwelen huid.
Rijpe amandelen.
Marsepijnen lijf.
De andere duif ben ik.
Strijk naast haar.
Fladder.
Prikkelende druppels vallen op haar schouders.
Ze kirt.
'k Drijf m'n snavel tussen haar pluimen.
Pluk een takje loof uit de kroon rond haar hoofd.
Land.
Ze geeft me graan en drinken.
Met kokend bloed vlieg ik naar mijn nest.
Ze trilt.
Pikt graan uit m'n keel.
Ruikt mijn liefde.
We zijn leeuwerikken.
In de verte hoor ik mijn broers en zusters.
Bezorgd. Jaloers. Nieuwsgierig.
'k ken geen twijfel.
Wat 'k hier voel krijg ik nergens.
Basis.
Vleugels.
Een moment is langer dan een leven.
Diepgang kun je meten.
Een seconde bij haar en 'k heb geleefd.
Eeuwig.
We naderen de rand van het bos.
Geen doorgang.
Zij kent de weg.
Elke tak, struik, herkent ze.
Het groen sluit achter ons.
Zij leidt me door distels.
Op blote voeten.
Zeker
Een hert.
Volle benen. Veerkracht.
Schichtig. Snel.
Mijn onrust maakt haar blij.
Ze lacht.
Mensen zeggen dat god andere ogen heeft.
Dat hij paradijzen ziet waar wij blind zijn.
Deze ogen zijn de zijne.
Een moment.
Bladeren zijn een groen dak.
Verbergen de zon.
Zij aarzelt niet.
Weet waar we gaan.
Antwoordt niet.
Haar taal is niet de mijne.
Een kat aait of klauwt.
Vogels fluiten.
Ze volgt een beek.
Snel stromend.
Een smal pad wordt breder.
Ook de beek.
Snijdt het bos.
Hier en daar een begroeid eiland.
Het water wordt een meer.
Aan de kant, het verst van ons verwijdert, zie ik een kasteel.
Geelgroen.
Het pad leidt naar de ingang.
Geen tuin.Geen bloemen. Geen kinderen. Niemand.
Rust.
We sluipen binnen.
Boven de deur: een druivelaar.
Hoge trappen.Breed.
Grote schilderijen op muren en plafond.
Haar kamer is lichalijk.
Kleine voeten.
Tere enkels.
Roodoranje bed.
Rode billen.
Sluiten rond mij.
Ik boor naar het middelpunt van de aarde.
Zaai haar en foetus in vruchtwater.
Geef gods kracht.
Gods vreugde stroomt.
Ons ritme is dat van alle elementen.
Alle leven.
Doorgang voor 't mysterie boven ons.
God en Duivel.
Haten . Beminnen. Vechten. Onafscheidelijk.
Handen duwen dieper in haar.
Adem schroeit.
Huilt.
Giert.
Bekent.
Voert mee,
Spitse handen aan m'n schouders.
Duwen.
Op en neer.
Borsten zijn handvaten van de ziel.
'k Zink weg in haar wereld.
Ze klimt langs mij.
Onderweg ontmoeten we elkaar.
Dezelfde taal. Hetzelfde verleden.
Herboren.
Haar bloem vliegt in de wind.
Bedwelmende geur.
'k Vloei in haar kelk.
M'n greep wordt overbodig.
Haar nagels keren uit m'n vlees.
Ontmoeting.
Verzoening.
Rakend in diepgang.
Onafscheidelijk.
Zielen smelten goed uit kwaad in alle eeuwigheid.
Zij is mijn vlees en bloed.
Tastbare verleiding.
Levende zee.
Boom der vruchten. Wijsheid.
Sap van alle leven.
Overvloed.
Ik drink haar vocht.
Liefste.
Je geeft mij alle leven.
Wat kan ik jou, die alles heeft, terugschenken?
Welke waarde heeft mijn nietig vermogen?
Je wolken schitteren.
Waaiende wind spreekt met jouw kreunen.
De kleur van je ogen leert mij stralen.
Is mijn redding jouw troost?
Vergeef mij m'n nietigheid.
's Morgens .
schemerlicht.
Warme rug.
Mos.
M'n handen zoeken steun.
Verstrengelen.
Zo blijven we uren.
Gemerkt.
Met gloeiend metaal.
< M.>
melancholie.
Mijn ogen zijn geen roze venster.
M'n gedachten zijn regen.
In mijn bloed groeien zaden verdriet.
Elke dag bloeien ze.
Een keer of meer.
De zaaier is HIJ.
Lucifer. Satan.
Hij broedt.
Spaart niemand.
Kinderen.
Vaders.
Vrouwen.
Maagden.
Mannen met sterke lijven.
Jonge goden.
Vol glorie.
Worden deel van alle weemoed.
Vroeger of later.
Brandende zwaarden.
Lijden .
Alle verschrikingen worden getoond.
De wreedheid van alle beulsheid.
Straf.
Monsterlijke angst.
Beschamende onderdanigheid.
Nieuw leven . Vrouw.
Redt mij.
Eerlijkheid is Uw naam.
U hebt mij geroepen.
Help mij dit bovenmenselijk moment doorstaan.
Mijn dankbaarheid is eeuwige overgave aan uw verlangen.
Hou mijn hand.
Verleng mij tot in uw hart.
Ik groei in jou.
Jij in mij.
Wij vormen een ring.
Mijn lijden wordt jou lijden .
Jouw lijden mijn lijden.
We dragen samen.
Gezamelijk zijn we sterk.
Verbindt je lot aan mij met haken in je ogen.
Je kinderen.
Je giften.
Je noden.
Mijn handen zijn klauwen van fluweel.
Dragen je hart.
Mijn relikwie.
Adem mijn adem.
Leef mijn leven.
Jou zijn is mijn troost.
Mijn zijn is jou troost.
Ons zaad half God, half duivel.
Onze liefde zal het zuiveren.
Hou van mij. Daarom leven wij.
Het leven in het huis is streng.
Vroeg opstaan. Vroeg slapen.
's Morgens in de schemering.
Ogen open. Oren open. Handen testen. Gedachten verwijden.
Hart luchten. De vorige dagen wassen. Het verblijf is niet verplicht.
Velen keren terug.
Euforie is hier bekend.
Wordt meewarig bekeken.
Mensen leven in groepen.
Zoeken samen.
Brokken verdriet worden ontleed.
Gemalen.
Gewogen.
Gesplitst.
Opgelost in water.
Weggespoeld.
Sommigen dragen een splinter aan een ketting.
Herinnering.
Ik zoek onder leiding van een grijze man.
Eeuwig jong.
Sterke gedachten.
Duidelijk hoorbaar.
Blijvend.
Onveranderd.
Sleutels.
Oeverloos.
Vos.
Uil.
Hij is lang onderweg.
Wijs.
Voorzichtig.
Meester over veel twijfels.
Vol geduld.
Sterke bomen groeien traag.
Hij komt bij veel mensen.
Voor wie de zon slaapt.
Vastgesmeed. Blind.
Tastend. Onzeker.
Hij is rots. Baken. Stem. Windrichting.
Enig geluid.
Omgeving.
Opperrechter.
Hij leeft eeuwig. Denneboom.
Ziet alles. Begrijpt volkomen.
Biblioteek met alle wijsheid.
Ook wat hij niet zegt wordt gehoord.
Niemand weet waar wij zijn.
Hij wel.
Hij lijdt in ieders plaats. Heeft rust voor elk.
Heilige misdienaar.
Vader van alle gedachten.
Soms dansen we voor hem.
Bijwijlen zingen we.
Altijd is hij blij.
Voor elk initiatief.
Onze wil pleziert hem.
Boeit hem.
Hij leest wat ons lichaam vertelt.
Ons lichaam draagt woorden.
Soms denk ik dat hij god zelf is.
Drinkt god bier? Cognac?
Ziet God graag schone meiskes?
Artiesten?
Komt god in euforie voor een mooi verhaal,
In bekoring voor een mooi visioen?
Hij is ontvanger. Zendpost.
Aardstralen. Mensenstralen. Hersenstralen. Hartstralen.
Middelpunt tussen euforie en melancholie.
Niemand evenaart hem.
Vergeleken bij hem zijn wij dieren.
Onze poezie geknor.
Zijn tafel is 'n altaar.
Eten, drinken, een relegie.
Elke uitspraak een eed.
Vandaag I s het herfst.
Elk blad een traan.
Herfst.
Winterbericht.
Wijsheid.
Jeugdeinde.
Wollen sokken.
Vergeten zomerliefde.
Leeg nest.
Herfst.
Hard woord.
Troosteloze eenzaamheid.
Verwijdering.
Vuur en slachtmes.
Zijn stem roept.
Zijn ogen zadelen ons.
Neem de enige die gij liefhebt.
Offer haar al uw dagen.
Wees anker.
Meerpaal.
Een blijvende naam.
Als zij roept.Antwoord.
Getuig. Hier ben ik.
Steek een hand uit.
Onthoud u van ingreep.
Sta ter beschikking.
Blijf uzelf.
Laat u niet vernietigen.
Uit liefde voor alles.
Voor allen.
Uit wijsheid.
Eerbied.
Draad tussen twee werelden.
Mijn liefste kleeft aan mij.
Vindt troost.
Geeft visioenen.
Haar hersftdansen brengen hemelse winterbeelden.
Wintergesprekken vervroegen de lente.
Lente is vroege zomer.
's Zomers is melancholie draaglijk.
's Avonds zing ik liederen.
Teksten over grote vreugen .Kleine verdrieten.
Snoepjes voor de ziel.
Als ik vraag zing mij een lied, dan zwijgen ze.
Ooit heb ik 'n lied gehoord.
Bij het water.
En rijpe vrouw.
Een zingende zwaan.
Neuriend.
Het lied waar zon en aarde raken.
Pijnlijke vreugde.
Soms zie ik deze melodie in haar ogen.
Haar handen.
Smaak ze in haar kussen.
Tranen op de tong.
Smekende noten.
Begrip. 'n Aai .'n Gesprek.
'n Schatkamer.
Ze vragen me wat is liefde in euforie?
Dan wring ik mijn handen.
Samengaan ?
Bescherming ,
Verbond ?
Drift ?
Erotiek ,
Vriendschap?
Noodzaak?
Opwekkende drank ?
Kindernest ?
Voorbijgaand ?
Voorbijgestreefd?
Conservatief ?
Vrouwelijk?
Romantisch?
Kinderachtig ?
Godsdienst?
Gewoonte ?
Prikkel ?
Vergeten,
Eten ,
Dierlijk ,
Dichterlijk ,
Zeldzaam?
Waardevol ?
Noodzaak ,
Het kan zoveel zijn zeg ik .
Schoonheid ?
Warmte ?
Edeldom?
Simpel,
Voor elk kan het anders zijn .
Zoekt een mens in liefde ?
Veiligheid ?
Tederheid ?
Bescherming ?
Gevaar?
Sensatie ?
Is het een goddelijke drang ,
Onverwoestbaar ?
Ieder heeft iemand die hij lief heeft .
Liefde wordt gedeeld.
Kleine attentie's ,
Verantwoordelijkheid ,
Trouw ?
Wat betekent liefde voor u ? Voor melancholica?
Weer zwijgen ze.
Neergeslagen ogen.
Ontspannen gezichten.
Triomf.
Ook mijn liefste kijkt niet.
De stilte is voelbaar.
Het antwoord drijft in de wind.
< alles > zegt ze .
<Alles>
hun lichamen buigen dieper. Drinken deze woorden.
Hun blikken blijven neersgeslagen. Mijn ogen kijken niet meer rond.
Een arm beweegt.
Liefde.
Een mens staat op.
Liefde.
Bladeren ritselen. Avondvuur knettert.
Liefde.
Een kind roept mama. Hand zoekt hand.
Vrouwen wassen kleren.
Koken.
Mannen werken. Bakken brood. Vissen.
Strijden.
Mensen dansen in elkanders hart.
Leven. Dood. Verdienste. Zonde.
Zon geeft warmte. Grond geeft vruchten.
Liefde.Liefde.Liefde.
<Kom> zeg ik.< ik toon je euforia. Morgen vertrekken we. Dit moeten ze weten ….Liefde.>
mijn haren rieken zoet. Bittere amandelen. Opwinding. Angst.
't Gevoel dat zegt: leef verder. Het is niet volbracht.
De weg van de euforie naar malancholie is niet aangelegd.
Je moet hem zelf maken.
Echte melancholiekers kunnen dat niet.
Een goede gids is nodig.
Iemand die beide werelden kent.
Wie is zo sterk ? Zo nuchter ,
Het zijn twee levende werelden door mekaar.
Zelfde aarde. Andere dimensie.
Meerder keren ontmoet ik bekenden.
Groet hen.
Zij zien mij niet.
'k raak hen……..
mijn hand grijpt in het ijle.
Als ze spreken zie ik hun lippen bewegen.
Geluid hoor ik niet.
Ook mijn woorden waaien weg.
Mijn pogingen zijn komisch.
Ze lachen.
Schokschouderen.
Verwachten mijn terugkeer.
Ze hebben geen tijd.
Hun paradijs is niet voor zwakken . Doven. Stommen.Anderen.
Hun eden is voor knappe, jonge, frisse, ambitievolle, nuchtere geesten. Alwetend. Onbekommerd.
Geloven in het tempo van de tijd.
Ssneller. Sneller.
Stappen in de cirkel van het leven.
Afgeschermd door onoverbrugbare grenzen.
Gevoelloosheid. Oogkleppen.
Valse informatie.
Toch drinken wij van dezelfde bron.
Levenskracht en geest.
Geent op dezelfde ziel.
Verbonden.
Reagerend op dezelfde prikkel.
Wat de ziel beroert voelt iedereen.
Als een wezen verdriet doorgeeft voelt elk schepsel droefheid.
Als liefde de ziel verrijkt wordt elk schepsel beter.
Wie anderen voor hem laat lijden, lijdt zelf mee.
Kinderen zijn bruggen tussen wanhoop en vrede.
Ongeluk.
Eenvoud.
Twee poorten.
Wie de reis maakt moet door een van deze.
Vervoer is nederigheid. Ootmoed.
Gids is aarde . Natuur.
Het is vroegez morgen.
Mist. Rijm. Kou.
< Kom > wenkt de aarde.
Ik ben je vriend. Ontwaak. Volg mijn weg. Hoor mijn woorden.
Bladeren. Vogels. Vruchten. Seizoenen. Jagende wolken.
Wind. Ik streel je.
Bekijk me.
Neem me.
Eet me.
Volg de draden van je gevoelen.
Hi,nder niet.
Laat je drijven.
We zijn samen.
Dezelfde lach.
Verenigd in dezelfde gedachte.
Een goede gedachte van God.
Oerkracht.
Harmonie tussen lijf en geest.
Een goede gedachte van god.
Oerkracht.
Harmonie tussen lijf en geest.
Je komt.
Droefheid glimlacht.
Web en nevel verbinden je met bomen.
Takken met wolken.
Wolken met zon.
De stralen met de heer.
De gedachten van de Heer met alle levende wezens.
Gezuiverd.
Zonder rancune.
Geen pijnlijke eenzaamheid.
Vasstaand.
De aarde is bruiner. Groener.
We zaaien . Groeien.
Tweemens.
Kop van engel.
Lijf van dier.
Zwaarmoedig welbehagen.
Pathos.
Takken in euforie.
Wortels in u.
Melancholie.
Eeuwig verlangen, het gevoel dat zegt:
Stop niet, ga verder.
Honger van de ziel.
Pijn in je bloed.
Een bijblijvend boek.
Troost voor de ziel.
Een lans in het hart van onze schijncultuur.
Ik ben net zoals de anderen.
Ik zeg de leugen voor de waarheid.
Maar ik moet in de leugen blijven geloven.
Alleen als ik sterf mag ik zeggen:
Alles was verkeerd………….
Einde van een artiestenleven…