1 Sam 1 en Luk 18, 9-14                                            Enschede         Verrijzeniskerk 7-9-2003

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Op het eerste gezicht herkennen we ons meer in de beide vrouwen uit de eerste lezing dan in de beide mannen uit de tweede. Die laatste zijn een karikatuur. Die zijn we zo in het echt nog nooit tegengekomen. Geen Farizeeër zal zich in dit beeld herkennen. Maar ook een tollenaar past niet in dit plaatje. Die bidt niet zo, die gaat ook helemaal niet naar de tempel. Lukas zet hem zo neer om ons aan het denken te zetten. Daar komen we straks op terug.

Eerst staan we even stil bij het eerste verhaal. De schrijver van de Samuël-boeken wil zijn lezers ook aan het denken zetten.

De boeken 1 en 2 Samuël volgen op Richteren. Het slot daarvan is treurig. In Israel is van alles fout gegaan en er is niemand die een oplossing lijkt te kunnen bieden. Af en toe, bij een nieuwe richter zoals Simson flakkerde even de hoop weer op. De vijanden werden verslagen en er werd weer orde op zaken gesteld. Maar na verloop van tijd deed ieder weer wat goed was in zijn ogen en als dat gebeurt verkeert de orde binnen de kortste keren in wanorde.

Geen wonder dat de roep om een koning steeds sterker werd.

In 1 Samuël ontstaat een nieuw begin. Daar heeft God van alles mee te maken, maar dat merk je niet zomaar op het eerste gezicht, hoewel de oplettende lezer er al een vermoeden van kan krijgen. Het gaat er op het eerste gezicht zo heel gewoon menselijk aan toe. Er was een man,

zijn naam was Elkana. Dat betekent: God is een schepper. Een nieuw begin? Maar niet zonder mensen. Elkana had twee vrouwen. De ene vrouw, Peninna was moeder van zonen en dochters, maar de andere vrouw, Hanna was kinderloos. Dat bracht voor haar een diep verdriet met zich mee. Alsof haar kinderloosheid al niet erg genoeg was, werd ze er ook nog mee gepest door Peninna. Zo gaat dat vaker. Mensen weten soms feilloos de zwakke plek van de ander te raken. En soms scheppen ze er zelfs behagen in om dat te doen.

Er kunnen allerlei redenen zijn voor kinderloosheid. Hier lezen we tot tweemaal toe, dat de Here de moederschoot van Hanna had toegesloten. Verderop lezen we dat de Here aan Hanna dacht, waarop ze zwanger werd en na een jaar een zoon baarde.

Voor de schrijver van de Samuëlboeken is God duidelijk aanwezig in wat er gebeurt. Hij is de Grote Regisseur, die aan de touwtjes trekt. Vandaag hebben velen een heel ander beeld van God. Voor hen gaan er juist veel dingen buiten God om. Ze kunnen zich niet voorstellen, dat God overal de hand in zou hebben. Zeker niet in al het kwaad, dat mensen overkomt en dat ze elkaar aandoen. Het boeiende is, dat je de sporen van dat beeld ook in de bijbel tegenkomt. Op sommige plaatsen is heel duidelijk sprake van de macht van het kwaad, soms in de persoon van de duivel neergezet, die zich met alle macht tegen Gods goedheid verzet en het goede leven bederft. En daarnaast is er de mens met zijn eigen verantwoordelijkheid. Van God heeft hij vrijheid en ruimte gekregen om die in te vullen.

Het is wel heel opvallend dat Gods werkzaamheid die van de mens niet uitschakelt, maar juist opneemt. Als God de moederschoot van Hanna opent, dan is dat een belangrijke voorwaarde voor haar zwangerschap, maar evenzeer is voorwaarde, dat Elkana gemeenschap met haar heeft. 

Hier in dit eerste hoofdstuk gaat het er op het eerste gezicht heel menselijk aan toe.

Er zijn twee vrouwen; de ene schept er behagen in de ander te pesten met haar kinderloosheid.

Er is een man, die niet in staat is de diepte van het verdriet van zijn vrouw te peilen, getuige zijn vraag: ben ik u niet meer waard dan tien zonen?

En er is een priester, die het aanhoudend bidden van Hanna aanziet voor dronkenschap.

En daar is Hanna, die in haar bidden tot het uiterste gaat. Met een bijzondere belofte probeert ze Gods gunst te verkrijgen. Als ze met zijn hulp – want anders zal het niet gaan – zwanger zal worden, dan zal ze haar kind afstaan voor de dienst aan Hem.

Zo onstaat een nieuw begin. God laat zich verbidden. En Hanna zingt het hoogste lied.

Ze ziet het heel helder voor zich: God brengt uiteindelijk alles terecht. Hoogmoed, grootspraak, geweldenarij, daarmee red je het niet. Aan wat er met Hanna is gebeurd kun je zien, dat wie teneergeslagen is, niet hoeft te wanhopen.

Tot datzelfde besef wil Lukas zijn lezers uitnodigen. Met hoogmoed en grootspraak red je het niet; wie teneergeslagen is hoeft niet te wanhopen.

De tweede lezing komt ons veel dichter op de huid dan de eerste. Zijn we bij de eerste nog min of meer toeschouwer, hier worden we uitgenodigd onszelf er in te lezen.

De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar doet sterk denken aan die van de verloren zoon. De jongste zoon kun je vergelijken met de tollenaar; hij is een hopeloze zondaar, die het geld van zijn vader in een ver land er doorjaagt in een verkwistend leven en die uiteindelijk bij de varkens tot inzicht komt. De oudste zoon kun je vergelijken met de trouwe, goed oppassende, zelfgenoegzame en oordelende farizeeër.

In wie herkennen wij ons het meest?

In de verloren zoon, met de tollenaar? In zoverre, dat wij ons soms ook ver bij de vader vandaan bevinden. Een kant van ons, die soms sterk naar voren komt, soms ver op de achtergrond blijft.

In de oudste zoon, de farizeeër? In zoverre, dat wij ons ook best wel wat deugdzaam en fatsoenlijk vinden. Tegelijk hebben we ook wel moeite met het moralisme en de braafheid.

We kunnen het beste erkennen, dat we met verschillende kanten leven, misschien zelfs met verschillende ikken. We zijn beide, zowel jongste als oudste, zowel farizeeër als tollenaar, zowel een vrome zondaar als een zondige vrome.

Er zijn mensen, die daar veel over nadenken, over wie ze nu zelf zijn. Die daar soms ook zwaar mee omtobben. Maar het zou Lukas bedoeling wel es geweest kunnen zijn ons daarvan af te helpen. Om onze blikrichting te veranderen, van onszelf naar God, van onszelf naar Jezus. Want het komt er veelmeer op aan, dat we Jezus leren volgen, dat we trouw zijn en trouw blijven aan hem.

Daar wil Lukas op wijzen met deze gelijkenis. Daar ligt de kritiek op de vrome farizeeër. Hij is veel meer met zijn eigen geloof, met zichzelf bezig dan met Jezus. Hij wekt de indruk Jezus achter zich gelaten te hebben. Zijn geloof heeft zich als het ware verzelfstandigd, losgemaakt van Jezus, is voor zichzelf begonnen. En daar gaat het niet om. Je moet niet in je geloof, niet in je overtuiging geloven, maar in Jezus.

De tollenaar heeft geen geloof of overtuiging om op terug te vallen of om zich aan vast te klampen. Voor hem is er enkel God – o God, wees mij, arme zondaar, genadig.

De tollenaar roept God aan, hij roept om een antwoord, om een reactie van God.

De farizeeër vertrouwde op zichzelf en bad tot zichzelf. God komt bij hem niet ter sprake.

De tollenaar heeft een probleem. Hij is voor zichzelf een groot probleem. Hij zit met zichzelf als zondaar. De zonde heeft in zijn leven een te diep spoor getrokken. Dat krijgt hij zelf niet uitgewist. En ermee verder leven kan hij niet. Hij heeft God, hij heeft Jezus, hij heeft Gods ingrijpen nodig.

Zondaar en zonde, dat zijn beladen woorden en begrippen. Sommigen weten precies aan te geven wat zonde is, voor anderen is het onduidelijk. Vroeger noemden we fietsen op zondag zondig, tegenwoordig zien de meesten daar geen kwaad meer in. Wat we zonde noemen heeft veel met cultuur en gewoonte te maken. In de bijbel is zonde vooral: leven zonder God, leven zonder elkaar, leven alleen voor jezelf; of dingen doen, gedachten koesteren, die ingaan tegen Gods wil, Gods wil die uit is op het goede voor mens en wereld. Hoezeer te daarin vertsrikt kunt raken laat die tollenaar horen. Voor hem is er geen andree uitweg dan God.

En dan zegt Jezus in Gods naam: ik zeg u, deze ging gerechtvaardigd naar huis terug, die ander niet.

Met hoogmoed en grootspraak red je het niet. Wie teneergeslagen is hoeft niet te wanhopen.

Of, zoals we zojuist zongen:

De boog valt uit de hand van wie hem pochend spant om needrigen te treffen.

Maar wie versaagde wordt met nieuwe kracht omgord en zal zich blij verheffen.

                                                                                                                                 Amen

1