Johannes 20, 19-31                                                                Open Hof    7-4-2002

 

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Om maar direct met de deur in huis te vallen: er zitten vreemde haken en ogen aan het paasbericht; weerbarstige knopen. Natuurlijk in de eerste plaats de verschijning van Jezus zelf, die door zijn vrienden in het graf is gelegd. Maar het graf is leeg en als de Opgestane Heer spreekt Hij Maria aan en verschijnt Hij aan de andere leerlingen. Maar in de tweede plaats niet minder vreemd en weerbarstig in het verhaal van vanmorgen. Ineens staat Jezus midden in de kring van zijn bange leerlingen. Er gaat geen deur voor Hem open; integendeel, ze zijn en blijven gesloten, maar voor Hem speelt dat geen rol.

Om zulke verhalen hebben veel mensen de bijbel dichtgeslagen en weggelegd. Niet voor moderne mensen. Of hebben de boodschap van de opstanding en de verhalen van de verschijningen van de Opgestane vergeestelijkt.

Dat is wel begrijpelijk, maar is het ook terzake? Zou je je toch ook niet aan die wonderlijke verhalen kunnen toevertrouwen? Wat weten wij van God, die de hemel en de aarde heeft geschapen, die mensen schiep naar zijn beeld en hen de levensadem inblies?

Wat weten wij van het leven, van het geheim van het leven? Wij weten dat uit een zaad- en een eicel nieuw leven kan ontstaan, een nieuw uniek mensenkind, maar waneer het ons overkomt raken wij verwonderd en diep ontroerd, want wij beseffen dat het ver uit gaat boven ons begrip. Wat weten wij van de enorme groeikracht die de bloemen doet bloeien en het groen aan de bomen doet uitspruiten? 

Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de dicipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u!

Er kunnen veel redenen zijn om de deuren angstvallig gesloten te houden. Angst voor wat de leerlingen van Jezus te wachten staat nu het hun Heer zo is vergaan: veroordeeld, gekruisigd en gestorven. Hoe zal het met hen aflopen? Zal de woede van de massa die Jezus aan het kruis en ter dood bracht, zich nu ook op hen richten? Door zich achter dikke muren en dichte deuren te verschansen creëren ze hun veiligheid.

Met alle gevolgen van dien. Angst doet ook iets met je. Er gaan niet alleen deuren op slot, maar zelf schiet je ook in een houding van afweer. Je draait in je eigen kringetje rond en wat er buiten allemaal gebeurt dringt niet meer echt tot je door.

Zo is, vertelt Johannes, de gemeente, de kerk haar weg begonnen. En zo heeft die weg er later veel vaker uitgezien. De eeuwen door. De kerk in een isolement. Gesloten, behoudend. Angstig, niet open voor het nieuwe. De gemeente afgezonderd van en tegenover een boze buitenwereld, waar niets goeds van te verwachten was. Zo ging het en zo gaat het er nog vaak aan toe. Gesloten fronten wanneer de ander je te na komt. Je afsluiten. Van de ander een karikatuur maken. Geen ruimte in jezelf voor een echte, een levens-echte ontmoeting.

Zo kan het gaan tussen mensen onderling. Dikke muren, vergrendelde deuren. Leven in angst en onzekerheid. Soms heel aardig gecamoufleerd met een grote mond of met de schijn van onverschilligheid.

Onverwacht is Jezus daar, in hun midden. Zomaar. Onverklaarbaar. Hij is er. Hij staat daar. Hij laat zich niet buitensluiten. Hij laat zich niet weerhouden door grendels en kerkdeuren. Geen muur is hem te dik. Hij wil leven brengen, waar de ijzeren wetten van de angst regeren. De ijzeren wetten van de dood. Hij die het graf heeft opengebroken, kan elk afgesloten huis binnendringen.

Op twee manieren breekt nu het nieuwe zich baan en schept Jezus nieuw leven voor zijn discipelen. Allereerst door de woorden waarmee Hij hen tegemoet treedt. Hij groet hen met: Vrede zij met u! Dat is aan de ene kant een heel gewone, alledaagse groet, zoals ons goede morgen, goeiedag. Aan de andere kant is het hier in de mond van Jezus een groet met een diepe inhoud. Shalom: vrede, volheid van leven. In het gewone, in het alledaagse komt het bijzondere aan het licht. Vrede met God, vrede met de mensen om je heen, vrede met jezelf, vrede met de hele schepping. Door dit alledaagse woord, deze heel gewone groet dringt het licht van de opstanding, van het nieuwe leven van God onze duisternis binnen. Jezus leerlingen mogen alle angst laten varen. Er is vrede voor hen vanwege Jezus.

Het spreekt niet vanzelf dat Jezus hen zó tegemoet komt. Want zij hebben hem verloochend, zij hebben Hem verraden, Hem in de steek gelaten. Zij hebben alle reden bang te zijn voor de confrontatie met Hem. Maar Hij brengt hen ook nu wat hij eerder in zijn leven deed en liet zien: vrede. Hij is uit op hun leven, op hun heil. Ze worden bevrijd uit de kramp van de angst en in de ruimte gesteld.

Maar in die ruimte gebeurt ook nog iets anders. Jezus doorbreekt niet alleen hun angst, maar ook het isolement, waar die angst hen in voerde. Hij stuurt hen naar buiten, er op uit, de wereld in. In één adem met de vredesgroet. Vrede zij u. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.

Een klein groepje, in een vijandige wereld, moet getuigen van de vrede van de Opgestane Heer. Moedig en vrijuit.

Hoe zou je dat durven? Hoe zou je dat kunnen?

Net als in het begin. Vanzelf. Zonder er bij na te denken. Zoals God deed, toen Hij de mens geschapen had en de levensadem in zijn neus blies: pas toen werd de mens een levend wezen.

Dat gebeurt ook hier. Jezus blies op hen en zeide: Ontvangt de Heilige Geest! Ze worden herschapen. Van bange mensen, die leven in de geslotenheid van deze doodswereld worden ze tot nieuwe mensen, die hun kracht en hun inspiratie ontlenen aan de wereld van God, aan het nieuwe leven, aan de vrede van God.

Vrede met u. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u.

Doel van de uitzending van de leerlingen is de verkondiging van de onvoorwaardelijke vergeving van de zonden. Dat is dé boodschap waarmee de gemeente van Godswege in de wereld staat en door de wereld gaat. Vergeving van zonden, verzoening met God. Vrede.

Alles wat aan onze handen kleeft, wat wij misdaan hebben, waarin wij tekort geschoten zijn, naar elkaar toe, naar onszelf, naar de schepping, naar God toe, alles wat wij op onze schouders en onze nek meezeulen door het leven heen, wat door onze schuld kapot gegaan is en niet meer hersteld kan worden - dat allemaal vergeeft God. Want barmhartig en genadig is de Here, lankmoedig en rijk aan goedertiertenheid. Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is zijn goedertierenheid over ons. Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons. Zingt Psalm 103.

Maar niet op een koopje. Niet goedkoop. Niet als water dat eenden van hun veren schudden. Daarvoor is er tussen mensen vaak teveel gebeurd. En dat zal dan ook uitgesproken moeten worden, wil het tot vergeving kunnen komen. Daarom is vergeving meer een weg om te gaan, dan een woord dat we gemakkelijk indrinken.

Vergeving door God vraagt om herstel van verhoudingen waarbinnen mensen leven. Vraagt om erkenning van schuld en het doen van gerechtigheid. En dat kan heel lastig en pijnlijk zijn. Maar de gemeente leeft binnen de ruimte van Gods vergeving. In Gods vergeving wonen wij.

Met die boodschap stuurt Jezus de gemeente de wereld in.

Hoe moeilijk en broodnodig tegelijk die boodschap is weten we van Zuid Afrika, en van Rwanda, van Nederland en Indonesië en straks van Servië en Kosovo.

De kerk heeft veel boter op haar hoofd, maar krijgt elke dag weer een nieuwe kans.

Jezus komt zijn leerlingen in hun angst als de Opgestane Heer tegmoet.

Niet alle leerlingen zijn daar op die avond in dat huis aanwezig. Thomas is er niet. Hij hoort van zijn collegas wat hen is overkomen. Hij kan het niet geloven. Hij moet eerst zien.

Wij herkennen ons in zijn moeite. Wij willen ook wel zien.

Thomas behoudt met al zijn moeite zijn plaats in de kring van zijn leerlingen. Hij wordt niet buitengesloten. Het geloof in de Opgestane kunnen wij elkaar niet geven en zeker ook niet van elkaar eisen of afdwingen. Maar net als eerder Maria overkomt nu ook Thomas dat hij te zien krijgt, en meer dan dat: hij mag met zijn handen de wonden van Jezus aanraken. Concreter en lcihamelijker kan voor ons niet.

Thomas staat daar in het evangelie als vertegenwoordiger van al die mensen die eerst willen zien en dan geloven.

Maar Jezus wenst geluk wie niet zien en toch geloven.

Tot wie het wil en tot wie het kan horen komen zijn woorden: Vrede met u, vrede met jou, en met jou en met jou. Nu en alle dagen.

                                                           Amen

 

1