Matth 7, 13-20 en 24-27                                               Open Hof         2-6-2002

 

 

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

en beloven jullie je kind voor te gaan op de weg ons gewezen door de Heer?

Op die vraag zeiden jullie 11 en 12 jaar geleden ja, Wout en Jos, Louw en Ankie, Lodewijk en Greetje, Kees en Kirsten, toen jullie je kinderen Manon, Laura, Erwin en Sylvana lieten dopen. Jullie beloofden je kinderen niet alleen te vertellen van Jezus, maar hen voor te gaan. Dus zélf achter Jezus aan te gaan.

De lezing van vanmorgen zet ons stil bij de vraag hoe die weg eruit ziet. De weg van Jezus en dus ook de weg achter Jezus aan.

We hoorden Jezus spreken over een brede en een smalle weg, over een wijde en een enge poort. Wat ís die smalle weg eigenlijk? en wat is de brede? Hoe zien ze eruit?

Misschien herinneren sommigen van ons zich die oude plaat. Vroeger zag je hem nog wel es hangen in een consistoriekamer of in een catechisatielokaal. Die plaat van de twee wegen, van de brede en de smalle weg.

De brede weg was er één met allerlei aantrekkelijkheden, vermaak en rijkdom, veel mensen. Hij kwam uit in een brandend vuur, de hel.

De smalle weg was eenzaam en donker, droefgeestig. Maar die kwam uit in de hemel.

Je kreeg een eng gevoel van binnen. Het was allemaal zo streng, zo onverbiddelijk. Er is ontstellend veel bangmakerij geweest in het christendom.

Die plaat is gelukkig verleden tijd. Het was geen bijbelse plaat. De weg gaan, achter Jezus aan, dat is niet: niet mee mogen doen met het leven, nooit iets fijns mogen, bang zijn om in de hel te komen en daarom zo benauwd mogelijk leven.

Maar wat het wel is? Eigenlijk vinden we het niet zo gemakkelijk om daar iets concreets over te zeggen. We raken wat in verlegenheid als Jezus vandaag tegen ons zegt: de smalle weg, de enge poort. Want, ja, je kunt en mag die plaat dan best opbergen, maar die woorden staan er wel.

Die woorden staan aan het eind van de Bergrede, Mattheus 5, 6 en 7. Daar valt heel veel van te zeggen. Maar laten we voor vanmorgen vasthouden dat de Bergrede een tekening is, een werktekening van de weg van Jezus Christus. De weg die hij ging. De weg waarop hij ons meeneemt.

Aan het begin van die weg staat geen dreiging, maar een belofte. De zaligsprekingen. Heel kort samengevat: dat de God van de bijbel, van Israel, van Jezus Christus, ons aanvaardt, een toekomst belooft, zin geeft aan ons leven, ons bestaan in zijn hand houdt – wat er ook gebeurt, hoe wij er ook aan toe zijn.

Die weg gaan met Jezus, dat is

zó geloven in de eerlijkheid, de trouw en de macht van deze God, dat je het aandurft om in alle bescheidenheid te leven met de dingen die Hij belangrijk vindt.

Zodat je bestaan een nieuwe betekenis krijgt, als zout, als licht; dat is

zó geloven in deze God, dat je niet langer alleen voor jezelf wilt leven. Maar dat je vanuit een nieuwe houding gaat leven. Zo van: er is mij veel gegeven en veel vergeven, dus kan ik door mijn geven en vergeven ruimte bieden aan anderen; dat is

zó geloven in deze God, dat je niet voortdurend bang en bezorgd hoeft te zijn over jezelf en je druk moet maken met al die kleine en grote dingen van elke dag, maar dat je je handen vrij krijgt om te doen wat er op aan komt.

Over zulke dingen gaat het in de Bergrede. Dan wordt ook duidelijk waarom deze weg de smalle weg is.

Het is de weg die je zoeken moet. Hij ligt niet voor de hand. Iedereen schijnt die andere weg te nemen. En het liefst zou je je aansluiten bij iedereen.

De weg van Christus is de weg die je moet zoeken, waar je naar moet vragen, waar je op gewezen moet worden. En je blijft zoeken en vragen. Geloven en leven met het geloof is niet iets kant-en-klaars. Het is vragen: wat wil de Heer nu van ons, waarheen gaat Hij ons voor, wat is de weg?

Daarnaast is de smalle weg de weg die je in zekere zin alleen gaat. Je wordt niet meegenomen door de massa. Je gaat zelf, bewust. Je kiest ergens voor. Je breekt ergens me.

Toch ga je niet helemaal alleen. Want op deze weg vind je een gemeente. Anderen, die er ook zo voor kiezen deze smalle weg te gaan. Maar je moet wel zélf kiezen.

De smalle weg is ook de weg van het kruis-dragen. Dat is iets anders dan ieder huisje heeft zn kruisje. Hier gaat het om de prijs die van je gevraagd kan worden als je achter Jezus aan gaat. Wij mogen van geluk spreken als wij niet worden vervolgd, als ons niets in de weg gelegd wordt om ons geloof te beleven en te belijden. Dat is elders wel anders. Het kan ook op onze weg komen. De weg van Jezus was de weg naar het kruis. De smalle weg is de weg van het kruis-dragen, met Christus mee. Laten we ons dat realiseren.

Het is steeds weer de vraag: willen wij die weg gaan?

Het is een smalle weg.

Willen wij Jezus volgen?

Als we dat willen, dan lijkt het alsof de mensheid in tweeën wordt verdeeld. Hier de mensen van de smalle weg: de volgelingen van Jezus, die ergens uitkomen. Daar de mensen van de brede weg: die komen nergens uit, hun weg loopt dood, ze zijn verloren.

Als die gedachte bij ons opkomt moeten we een belangrijke bijbelse toon aanslaan.

Die toon zegt: het uitverkoren volk Israel werd geroepen ter wille van de volkeren.

De zegt: de ene, Jezus, ging zijn weg ter wille van allen.

Die zegt: de weinigen die Hem volgen doen dat ter wille van de velen die Hem niet volgen.

Wie achter Jezus aangaat, die zegt niet: en nu hoor ik goddank niet meer bij die anderen.

Wie met Jezus gaat, die zegt: nu hoor ik pas bij al die anderen. De wereld is Gods wereld en alle mensen zijn Gods mensen. Aan het kruis heeft Jezus alle mensen, de hele wereld omarmd.

Wie Jezus volgt, die – het kàn gewoon niet anders – die is als een boom, in goede grond geworteld, die brengt vruchten voort, goede vruchten, vruchten van de Geest.

Welke dat zijn?

Daar zingen we nu van.

                                               Amen

1