Eerste kerstdag 2001  Jesaja 52, 7-10 en Lukas 2, 1-14                    Open Hof  (IKON)

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Opnieuw viert de kerk het kerstfeest, de geboorte van Jezus in Bethlehem.

Opnieuw komen miljoenen mensen overal vandaan bij elkaar om de bekende liederen te zingen en de bekende woorden te horen. Overbekend. Tot op de draad versleten.

Toch vieren ze opnieuw het feest;

- is het de behoefte aan licht, die hen hun huizen uit en de kerken in doet gaan?

Onze voorouders staken rond deze tijd grote vuren aan. Wij tuigen kerstbomen op met glinsterende ballen en soms wel honderd lichtjes.

- is het vanuit een verlangen naar vrede? Je houdt het toch niet vol, het leven in een wereld met zoveel ellende, onrecht, geweld en dood! Hoop doet leven. Hoop op vrede, op licht, op heil.

Maar in al die eeuwen dat de kerk het kerstfeest viert is de wereld er niet echt vreedzamer op geworden. Toch weerhoudt ons dat er niet van liederen van vrede te zingen en het verhaal van de geboorte van de Vredevorst opnieuw te horen.

Er gaat in die bekende boodschap van kerst een kracht schuil, die ons niet alleen diep raakt, maar die ons ook een besef van vrede bijbrengt. We ervaren iets van vrede en heil in de woorden die aan ons geschieden.

Daar moet je je ogen, oren en hart wel voor open willen stellen. Dat is het ene. Tegelijk moeten die  daar ook voor geopend worden worden. Dat is het andere.

Vanmorgen horen we het kerstevangelie tegen de achtergrond van oude profetenwoorden.

Vele eeuwen voor Jezus geboorte zijn ze door een ons onbekende profeet uitgesproken. Hij richtte zich tot zijn volksgenoten, die vanuit hun land Israel waren weggevoerd naar Babel.

Dat is een schokkende ervaring geweest voor hen. Veel en diep hebben ze erover nagedacht hoe het toch zover heeft kunnen komen. Dat Jeruzalem is ingenomen en de tempel is verwoest. Dat ze nu ver van huis en diep in de put hun dagen moeten doorbrengen.

Zoals onze kranten en opiniebladen sinds 11 september vol zijn van de vraag hoe het tot die ramp heeft kunnen komen. t Is niet voldoende te constateren dat er op deze wereld misdadigers rondlopen die blijkbaar tot zulke ongelofelijke dingen in staat zijn.

Wat zegt het van onze wereld, van de manier waarop mensen, volkeren, werelddelen met elkaar omgaan, dat zulke dingen gebeuren? En voor wie gelooft komen daar nog een paar indringende vragen bij. Heeft God daarmee te maken? Waar is Hij in wat er gebeurt?

Profeten spreken onomwonden over Gods ingrijpen in onze geschiedenis. In de natuur, in de politieke ontwikkelingen, in goede en in slechte oogsten, overal kun je Gods hand in zien; de ene keer is dat een straffende, de andere keer een zegenende hand. Dat het volk is weggevoerd naar Babel heeft het aan zichzelf te wijten. Het volk is bij God weggelopen. Is andere goden gaan dienen. Is ongehoorzaam en ontrouw geworden. Wat nu gebeurt is een oordeel van God.

Velen kunnen vandaag God niet meer zo aanwijzen. De natuur wordt bepaald door krachten die optreden met een eigen, innerlijke wetmatigheid. Mensen met hun kunnen en hun falen bepalen de geschiedenis met zijn economische en politieke oorzaken en gevolgen.

Beter dan God weg te verklaren uit onze geschiedenis is het in alle dubbelzinnigheid te blijven zoeken naar sporen van God. Ook in de bijbel ligt de Eeuwige niet voor het oprapen.

Enkel wie vanuit geloof op zoek gaat ontdekt soms even iets van Hem.

De profeet ziet een nieuwe heerser het wereldtoneel bestijgen. Hij zal het volk Israel naar zijn eigen land laten terugkeren. Aan de ballingschap komt een einde. Het is een teken dat boven zichzelf uitwijst. Een teken dat wijst naar vrede en heil. Naar God. Daarom is de vreugde zo groot, omdat de Here naar Sion weerkeert. Hij heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden van de aarde zullen zien het heil van onze God.

Dat is de taal van het geloof. Die taal registreert niet wat er is, maar geeft stem aan wat er nog niet is, aan wat er staat te gebeuren. Een taal die in het zaad de bloem al ziet bloeien. Die in de cocon al een prachtige vlinder ontdekt. Die taal stoort zich niet aan wat wij de werkelijkheid noemen. Voor wie gelooft is het zaad even werkelijk als de bloem en de cocon als de vlinder.

De ballingen krijgen in Babel iets te zien van wat zich ver weg in Jeruzalem afspeelt. Wachters die tesamen jubelen. Puinhopen die uitbreken in gejuich.

Maar het is pas vele jaren later dat de eerste groepen ballingen op weg teruggaan. Het wordt geen glorieuze intocht. Hun thuiskomst wordt niet met gejuich begroet. Wat hen daar wacht is een moeizaam weer opbouwen van de puinhopen.

Toch gaven de oude profetenwoorden toch telkens weer voeding aan de hoop, dat het er ooit van zou komen: vrede en heil voor alle volken op aarde. Daarom bleven die woorden gelezen en gehoord worden. Net als wij doen met het overbekende kerstverhaal.

Wat we hoorden bij Jesaja is van een even grote uitbundigheid als wat we zo goed kennen van Lukas. Waar een engel zegt: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u een grote blijdschap: U is heden de Heiland geboren, Christus de Heer.

Het zijn woorden waar we warm voor lopen. Waar ons hart sneller van gaat kloppen. Zal het er dan toch van gaan komen, dat er iemand komt, die heel zal maken wat kapot gegaan is?

Die gezond zal maken wat ziek geworden is. Die recht zal maken wat krom gegroeid is. Die bijeen zal brengen wat uitelkaar gegaan is. Die zal herstellen wat stuk is gegaan.

Die vrede zal brengen in die veelomvattende betekenis, waarvan de bijbel spreekt. Niet alleen geen oorlog en geweld, dat zeker ook, maar ook dat we leven in goede verhoudingen met onszelf, met anderen, met God, met de dieren, met heel de schepping.

U is heden de Heiland geboren. Waar eeuwenlang en door zovelen op gehoopt is, dat gaat nu in vervulling. Dit is het teken: een kind, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.

Een groter tegenstelling kun je je niet voorstellen. Is dit, wordt dit de Redder van de wereld?

Een kind, zo weerloos en zo kwetsbaar, zo aan de rand van ons bestaan geboren? Voor wie geen plaats is in de herberg? Komt de Eeuwige God zó ons bestaan binnen?

Wij zouden dat niet kunnen bedenken. Geen wonder dat er een hele hemelse engelenschare aan te pas moet komen om ons dat licht te laten opgaan.

Waar eerder Gods koningschap oplichtte in een nieuwe heerser die het volk liet terugkeren, daar richt nu God zijn koninkrijk van vrede en heil op in een kind.

Niet uit vertedering buigen wij ons over de kribbe, maar omdat we weten wat er van dit kind geworden is. Een mens als wij, maar ook een mens die zo dicht bij God leefde en zo vol van God was, dat hij met recht Zoon van God genoemd werd. Die niet alleen hartverwarmend sprak over Gods grote toekomst, maar daar ook al iets van liet zien. Die in Gods naam zonden vergaf. Die om mensen te redden er zelf onderdoor ging. Die werd opgewekt uit de dood. Die ons thuisgebracht heeft bij God.

Veel in de wereld lijkt bij het oude te zijn gebleven. Alleen wie open kan en wil gaan voor de vreugdeboodschappen van Jesaja en van Lukas, die zal er iets van ontdekken.

Wij hopen dat ons dat zal overkomen, vandaag en deze dagen. Dat we iets van die grote blijdschap, waar de engel van spreekt, zullen meekrijgen.

Blijdschap, omdat God naar ons heeft omgezien. Blijdschap, omdat vrede en heil niet alleen woorden zijn van een verre toekomst, maar hier en nu al zijn opgelicht. En ook door ons waargemaakt kunnen worden, wanneer wij gehoor geven aan Jezus woorden.

                                                                                                                                 Amen

1