1 Sam 2, 1-10 en Marcus 9, 30-37   Overdenking oecumenische viering 21-9-2003

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Je moet toch wel van goede huize komen wil het thema van deze vredeszondag je raken:

in vrede geloven, aan vrede werken.

Of moet je daarvoor een beetje naïef zijn?

Met ingehouden adem heeft de wereld dit voorjaar de Irak-oorlog gevolgd. Hoeveel doden daarbij gevallen zijn zal wel nooit bekend worden. Nu we een half jaar verder zijn moeten we constateren, dat van vrede in Irak nog geen enkele sprake is. Net zo min als in Afghanistan.

Net zo min als in delen van Afrika. Het vredesproces in Israel stokt opnieuw.

Ook president Bush, die zich als leider van het vrije westen en als verdediger van de westerse waarden opwerpt is tot nu tot niet in staat de vrede dichterbij te brengen. Eerder zie je dat de tegenstellingen zich alleen nog maar verscherpen.

In zon wereld staan wij vandaag en deze week speciaal stil bij de vrede.

Ook al moet je daarvoor van goede huize komen, en misschien ook wel een beetje naïef zijn, we moeten daar wel mee doorgaan. Want als we dat niet meer doen hebben we de hoop opgegeven, dat het ooit anders zal kunnen worden. Dan hebben we de wereld aan zichzelf overgelaten.

Terwijl de bijbel en daarvan vooral het evangelie ons dàt toch willen leren: dat het anders kan worden, dat het beter kan gaan.

Dat hoorden we in het loflied van Hanna uit 1 Samuel 2. Daar worden de verhoudingen omgekeerd. Daar wordt de geringe en gesmade omhoog getrokken uit het stof. Daar zingt Hanna die geen kinderen kon krijgen en daar door haar zuster zo mee gepest werd, nu het hoogste lied. Want de Here heeft gedacht aan haar in haar kinderloosheid en haar schoot geopend. De boog der helden wordt verbroken. t Is net alsof we hier Maria al horen zingen: machtigen heeft Hij van de troon gestoten en vernederden heeft Hij verhoogd.

Die bijzondere voorkeur van God – voor het kleine, het zwakke, het vernederde, het geminachte, het onderdrukte – dat vangen we ook op aan Jezus, aan zijn woorden en aan zijn daden. Dàt voorbeeld heeft hij gegeven. Dàt heeft hij zelf voorgeleefd. Zo brengt hij vrede, zo is hij vrede.

In vrede geloven. Aan vrede werken – laten we daarom kijken naar hem, en luisteren naar zijn woorden. Wie weet raken ze ons.

Jezus spreekt niet over de grote wereldproblemen. Hij geeft niet af op de gehate keizer in Rome, die zich als god liet aanbidden. Hij bundelt geen verzet tegen de romeinse overheersers. Hij begint in het klein, bij de mensen die hij ontmoet, bij de mensen, die hij om zich heen heeft verzameld en die hem volgen. En onderweg heeft hij een goed woord voor wie dat nodig heeft. Een tollenaar in zijn huisje of verstopt in een boom, een vrouw bij een put, een man met een ziek kind. Hij laat horen en zien dat het er in je eigen leven ook ànders aan toe kan gaan. Dat het anders kan worden. Dat de zon weer kan gaan schijnen. Dat vastgeroeste verhoudingen weer vloeiend kunnen worden. Dat mensen die elkaar eerder als concurrenten zagen, elkaar weer kunnen gaan zien als bondgenoten.

Voor Jezus zelf is daar de weg naar het kruis onlosmakelijk mee verbonden. Voor hem gaat de weg naar het leven door het lijden en de dood heen.

Als hij daarover spreekt met zijn leerlingen begrijpen ze daar niets van.

Zij maken zich druk over de vraag wie van hen de eerste is.

Is dat niet de vraag waar veel mensen zich druk om maken? Wie de eerste is, wie de grootste is, wie de machtigste is, wie der rijkste is, wie de slimste is?

Wat zit daar achter? Zou dat niet vooral die oer-menselijke behoefte zijn aan aandacht, de behoefte om gezien te worden. Samen met het misverstand, dat je vooral aandacht krijgt en gezien wordt als je de eerste bent?

Voor God is dat in ieder geval niet zo. Hij ziet vooral wat klein en teer en kwetsbaar is.

Dat wil Jezus zijn leerlingen leren. Daarom neemt hij een kind en zet dat in hun midden en identificeert zichzelf met zon kind. Een kind, dat staat voor een mens, die niet in tel is, wiens mening er niet toe doet, die vooral doen moet wat anderen zeggen.

Volgens de maatstaven van Gods koninkrijk zijn de verarmden, de weduwen, de bejaarden, de kinderen en de vreemdelingen de eersten.

Wie Jezus wil navolgen zal met Gods ogen naar de wereld moeten kijken, de anderen hoogachten en zichzelf tot dienstknecht voor allen maken. Immers, de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven voor velen.

Op Vredeszondag is aan ons de keuze of we deze weg van diaconie, van dienst en dienstbaarheid willen gaan. Of we ons willen laten naasten door de ontrechten, de verarmden en vreemdelingen in ons midden, dichtbij en wereldwijd. Of wij het met onze Barmhartige God wagen door vrijmoedig gerechtigheid te doen.

Dan zal er volop vrede geschieden.

Daarom zeggen we er Ja tegen: in vrede geloven, aan vrede werken.

In de Naam van Jezus.

                                               Amen

1