Johannes 10, 1-10                                                                  Open Hof  21-04-2002

 

 

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het evangelie voor vandaag roept een herkenbaar beeld bij ons op. Herkenbaar, maar niet meer van deze tijd. Een idylle, die niet meer echt thuis hoort in een door wetenschap, techniek en computer gestempeld tijdperk.

Een beeld, dat ons op een mooie zondagmiddag ontroert, als we een wandeling maken op de Dellen. Als we bij de schaapskooi aangekomen verrast worden door de aanwezigheid van al die schapen, soms met hun lammeren. Een toeristische trekpleister. Zo was het vroeger, in Drenthe, op de Veluwe, in Brabant.

Een schaapskooi, een deur, een herder, en al die schapen.

Jezus gebruikt het beeld, je kunt ook zeggen deze gelijkenis, om aan het licht te brengen wie hij is, wie hij zijn wil voor de mensen.

Voor Johannes en de lezers van zijn evangelie een actueel beeld. Het hoorde bij het dagelijks leven. Van een idylle was geen sprake. Het was een hard bestaan om herder te zijn. Bepaald geen erebaantje. En zeker niet gesubsidiëerd. Het was geen pretje om de hitte van de dag te trotseren. En niet ongevaarlijk om rovers en wilde dieren af te weren. Het was een ruig leven en het waren niet de meest fijnbesnaarde mannen, die herder werden.

s Morgens vroeg komt de herder naar de ingang van de schaapskooi en wordt door de deurwachter binnengelaten. In de schaapskooi bevindt zich niet alleen zijn eigen kudde, maar bevinden zich ook

schapen die niet van hem zijn. Maar schapen herkennen hun herder. En omgekeerd. Palestijnse herders waren gewend om hun schapen koosnamen te geven: Langoor, Witneus enzo. Als ze de stem van de herder horen, herkennen ze die onmiddellijk. Ze spitsen hun oren. Hij roept en lokt zijn schapen en moet hier en daar bijspringen om ze naar buiten te krijgen. Als dat gelukt is gaat hij hen voor, op zoek naar grazige weiden en stille wateren.

Dat beeld roept Jezus op. Heel duidelijk. Maar het is niet duidelijk wat het met Jezus te maken heeft. En wat het te maken heeft met hen, die dit horen. Ze begrepen het niet.

Begrijpen wij het?

Wij willen toch niet meer met schapen vergeleken worden. Wij zijn mondige mensen. Zelfstandig. Maken zelf uit aan wie of waaraan wij gehoor geven. Velen moeten vandaag niets meer hebben van blinde gehoorzaamheid of van kadaverdiscipline.

Goed, dat mag allemaal veranderen. Door de cultuur bepaald zijn. Wij hoeven onszelf niet als onmondige schapen te zien.

Maar is er in het beeld ook iets te vinden, dat mensen van vandaag kan aanspreken?

Grazige weiden en stille wateren – die staan voor leven; niet alleen maar voor wat nodig is voor elke dag, dat ook, maar voor meer: voor een leven dat goed is, waarin geen tekort is, geen bedreigingen, waarin je niet gebukt gaat onder zware lasten, waarin je niet door spanningen verscheurd wordt, kortom, een leven in vrede. Psalm 23, de psalm van de goede herder en de schapen, zingt van een beker die overvloeit.

Ik ben de deur, zegt Jezus. En in het zo bekende vervolg zegt hij: ik ben de goede herder.

Ik ben de deur.

Door een deur kom je een ruimte binnen of verlaat je die. Een toegangspoort. Zoals je door een poort Jeruzalem binnenkwam. En Kampen vroeger niet te vergeten.

Wat zal dat voor een ruimte zijn, die je binnenkomt door de deur die Jezus is?

Ik zou zeggen: de ruimte van het koninkrijk van God. Een tijd, een ruimte waar je iets anders kunt ervaren dan we zo gewend zijn van ons leven van elke dag. Dat het er ook anders aan kan toegaan. Dat gezondheid, vriendschap, liefde, verzoening, respect, licht en leven niet alleen maar toekomstmuziek zijn, maar af en toe al even gezien en ervaren kunnen worden. Ook in ons leven van elke dag. Als waarachtig mens-zijn even door dat gewone en alledaagse mens-zijn van ons heenbreekt. Als mensen elkaar oprichten en rechtdoen. Als ze elkaar de helpende hand reiken. Elkaar opzoeken, brood en beker aanreiken, omzien naar elkaar.

Dingen dus, die we ontdekken in het leven van Jezus. In zijn omgang met mensen.

Hij is de deur tot een ruimte waarin we hem zelf ontmoeten.

Wie we daar ontmoeten is een Heer, die niet alleen doorkijkjes te zien geeft naar de toekomst van God, maar ook een Heer, die met het oog op die toekomst een weg door de diepte gaat.

De diepte van een eenzaam lijden. Door mensen verraden en verloochend, bespot en gekruisigd; van God en mensen verlaten.

Zo heeft hij redding gebracht. Heil van Godswege voor alle mensen, voor heel de wereld.

Hoe ga je door de deur, die Jezus is?

Heel eenvoudig: door je met alle vragen en twijfels aan hem toe te vertrouwen. Door gehoor te geven aan zijn woorden. Want als je goed luistert dan ontdek je in zijn woorden iets van die grazige weiden en die stille wateren. Door wat hij gezegd en gedaan heeft tot het fundament te maken van je bestaan. Niet dat er dan geen stormen meer zullen waaien, maar ze krijgen je niet meer omver. Door je leven op hem te bouwen.

Met het brood en de bekers van vandaag willen we hem gedenken, zijn leven, sterven en opstanding voor ons, voor alle mensen. Daarin biedt hij zichzelf aan aan ieder van ons aan. Zijn liefde, zijn vriendschap, zijn genegenheid.

Hij is de deur, waarin hijzelf tot ons komt. Hij, de Goede Herder.

                                                                                                          Amen

 

1