Mattheus 22, 15-22  en  Jesaja 45, 1-8                                  Verr. Enschede  20-10-2002

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Er zijn maar weinig mensen, die met genoegen belasting betalen. Er zijn veel mensen die daar gewoon een hekel aan hebben. Sommigen zijn er uitermate behendig in geworden om tussen de mazen van ons belastingssysteem door te glippen. Anderen deinzen er niet voor terug inkomsten voor de fiscus te verzwijgen om zo maar minder te hoeven betalen.

Is het geoorloofd aan de keizer belasting te betalen?

Dat is in ieder geval voor ons geen vraag. We hebben immers gewoon met elkaar afgesproken, dat we belasting zullen betalen om daarvan onze samenleving draaiende te houden. Daar worden ziekenhuizen van onderhouden, kunnen scholen hun lesprogramma¡¯s van uitvoeren, worden wegen aangelegd, houden we een politiemacht en een leger mee op de been, en nog duizend andere, meest heel zinnige dingen. Je moet je daar als burger niet aan willen ontrekken, aan het mee verantwoordelijkheid dragen voor al die zaken, waar je zelf ook van profiteert!

Lastiger wordt het wanneer de overheid met ook jouw belastinggeld dingen doet waarmee je het niet eens bent. Helemaal niet mee eens. Bijvoorbeeld medische handelingen uitvoeren, die indruisen tegen je geweten; of wapens aanschaffen, waarmee jij niet verdedigd wilt worden. Of een asielbeleid voeren, dat naar jouw heilige overtuiging inhumaan en onrechtvaardig is.

Gelukkig staan ons in een parlementaire democratie middelen ter beschikking om uitdrukking te geven aan onze diepste overtuiging.

Dat lag in Jezus¡¯dagen minder genuanceerd. Israel werd immers bezet door vreemde overheersers. De Romeinen maakten er de dienst uit. Hun keizer in Rome had het voor het zeggen in het immens grote romeinse rijk. Deze keizer had munten laten slaan met zijn eigen beeldenaar erop. Niet neutraal, zoals de afbeelding van koningin Beatrix op onze munten, maar met een ondertiteling, die voor Joden uitermate kwetsend was: Keizer Tiberius, Verheven Zoon van de Goddelijke Augustus. Die gehate munten droegen de Joden in hun geldbuidel en met elke betaling, die ze deden ging de goddelijke keizer van hand tot hand. Sommigen hadden er grote moeite mee zich van dit gehate geld te bedienen. Een zekere rabbi

Nahum, die de allerheiligste genoemd werd, presteerde het zijn leven lang geen blik op de beeldenaar op de munt te werpen. Maar niet voor iedereen lag het zo principiëel; wanneer het om geld gaat moeten vele principes een stapje terug doen. Geld stinkt immers niet ¡¦

Voor het debat met Jezus kloppen zijn tegenstanders de principes nog es extra op.

Is het geoorloofd aan de keizer belasting te betalen of niet?

Een vraag, die met ja of nee beantwoord kan worden.

Jezus zou heel goed kunnen zeggen: nee, dat mag niet. Dat had zo¡¯n 30 jaar terug de schriftgeleerde Judas de Galileeër ook gezegd en daar ook toe opgeroepen. Het was niet goed met hem afgelopen. Met zijn volgelingen werd hij ter dood gebracht. Zijn hoofdkwartier bevond zich niet ver van Nazareth en werd door de Romeinen verwoest. Het is heel goed mogelijk, dat Jezus toen hij daar opgroeide, er van gehoord heeft en de ruïnes gezien heeft.

En het ging natuurlijk ook wel ergens over. Het eerste gebod was in het geding. Dat luidt: gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Israel kent en belijdt Eén God; naast Hem is er geen ander.

En het Messiasschap staat op het spel. Er leefde een sterke verwachting dat de lang verwachte en verhoopte Messias orde op zaken zou stellen en het volk zou bevrijden van vreemde overheersers. Jeruzalem zou gereinigd worden van heidense smetten.

Jezus zou de confrontatie met de romeinse overheid aan kunnen gaan vanuit zijn geloof, dat hem minstens twaalf legioenen engelen terzijde zouden staan, zoals hij vlak voor zijn gevangenneming uitsprak.

Maar Jezus zegt: geef de keizer wat van de keizer is.

Dus ja. Het is geoorloofd belasting te betalen aan een keizer, die zich als godheid laat vereren.

Dit antwoord zal sommige mensen vast en zeker teleurgesteld hebben. Misschien wel heel diep. Met dat Jezus zich zo aanpast aan de overheid verspeelt hij de gunst van het volk.

Je kan je voorstellen, dat Johannes in de gevangenis zich afvraagt: is hij het eigenlijk wel, de Messias, die komen zou?

Jezus geeft trouwens niet direct het antwoord. Hij lokt het uit door zijn tegenstanders te vragen een muntstuk te tonen. Ze dragen de munten met de gehate beeldenaar zelf bij zich. Ze doen er handel mee. In de tempel zullen ze de romeinse munten inwisselen voor joodse, maar buiten de tempel zijn het hun gewone betaalmiddelen. Zo geven ze het antwoord op hun vraag aan Jezus zelf.

Wat zou er bij Jezus achter kunnen zitten om zo – naar het schijnt simpel – te zeggen: geef de keizer wat van de keizer is en God wat van God is?

Bij zijn eerste optreden maakt Jezus duidelijk waar het hem om gaat. Hij roept op tot bekering, want het koninkrijk van God is aangebroken. Dat is geen koninkrijk met een aardse staatsvorm. Het lost de aardse koninkrijken af. Het behoort tot de komende wereld van God.

Je kunt er hier er nu al iets van horen en zien in Jezus. Als je gehoor geeft aan zijn woorden. Als je ziet hoe blinden ziende en dovende weer horende worden, dat doden worden opgewekt. Als je gelooft, dat in hem de Eeuwige God met zijn liefde en gerechtigheid oplicht.

Als je in zijn spoor gaat, gehoor geeft en gehoorzaam bent. Achter hem aan gaat. Hem volgt.

Het koninkrijk van God is niet met handen te tasten. Het is niet aan te wijzen, niet te begrenzen, niet te localiseren. Het is er voor wie gelooft. Temidden van de aardse rijken.

Die aardse rijken – die kunnen niet zonder wetten, niet zonder regels, niet zonder een vaste orde. Daar is een overheid voor nodig, daar zijn dragende machten voor nodig, om daar vorm aan te geven. Anders valt een samenleving uiteen.

Geef daarom de keizer wat van de keizer is. Hij bekleedt een belangrijk ambt. Ook al is het een keizer, die zich in Rome als godheid laat vereren.

Elders in het evangelie zegt Jezus, dat hij zijn macht niet zou hebben als hem die niet van boven, door God gegeven zou zijn. De schrijver van het boek Exodus speelt met dezelfde gedachte als we daar steeds lezen, dat God het hart van de Farao verhardt. Hij is een instrument in Gods handen. En we hoorden het heel opvallend in de Jesaja-lezing van daarnet, als de Perzische machthebber Kores, die God niet kent, Gods Gezalfde genoemd wordt.

Geef de keizer – want God bedient zich van de macht van Tiberius; hij is een instrument in Gods hand. Jezus kan zich overgeven aan Pilatus, want boven hem staat de Ene God, die heel de wereld in zijn hand houdt.

Dat besef wordt door onze koningin uitgedrukt als ze schrijft: Wij Beatrix, koningin bij de gratie Gods. Bij de gratie Gods – uit en door Gods genade in dienst genomen als koningin.

Je bent bij Jezus aan het verkeerde adres als je steun zoekt voor het omverwerpen van een wettig gezag. Jezus roept op tot overgave, tot erkenning van de overheid, zelfs als die in Rome zetelt en met goddelijke pretenties heerst over het uitverkoren volk van God.

Je moet altijd voorzichtig zijn met het leggen van verbindingen van de bijbel met de vragen van vandaag. Wat zou Jezus van Saddam Hoessein gezegd hebben? Zou hij Bush gesteund hebben in zijn pogingen met geweld de wereld te verlossen van deze dictator? Het lijkt me niet goed mogelijk die vraag met ja te beantwoorden.

En geef God wat van God is. Wat van God is – dat is zijn heerschappij, zijn Heer zijn.

Dat is het thema in het optreden van Jezus: de aangebroken en de komende heerschappij van God. Die verwerkelijkt zich op een andere wijze dan de aardse heerschappijen. Die komt van de andere kant. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Dat is niet alleen maar een mooi visioen voor later.Vanuit ons geloof anticiperen wij daarop. Soms vangen we er een glimp van op in ons alledaagse leven. In het gewone leven, waar mensen elkaar trouw zijn en zegenen, elkaar opbeuren en weer op weg helpen, goed over elkaar spreken en elkaar goed doen, voor elkaar instaan, zich inzetten voor een rechtvaardige samenleving – kortom iets waar maken van waar Jezus voor leefde.

Geef aan de keizer en laat God Heer zijn over je leven. Hij is ook de Heer van de keizer en van alle machthebbers en overheden op de wereld.

Dat geloven wij – in Jezus¡¯naam.

                                                           Amen

1