Johannes 11, 1-44                   Zondag Judica             Open Hof            17-3-2002

 

 

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Wat hier gebeurt, waarvan wij zojuist lazen in het evangelie van de opwekking van de dode Lazarus, dat is voor ons te hoog en te diep.

Het verhaal roept van alles bij ons op, heel tegenstrijdige gevoelens: hoop op redding door de dood heen, maar ook wanhoop om zoveel dood in ons bestaan. Troost, dat opa die op hoge leeftijd stierf nu bij God is, maar ook verzet om jonge mensen die sterven terwijl partners, kinderen en ouders hen zo nodig hebben. Er is geen Heer, die opwekt.

Verdriet om gemis, maar ook vreugde om het uitzicht dat ons door Jezus wordt geboden: leven door de dood heen.

Heel belangrijk voor wat ons raakt en aanspreekt in het evangelie van vanmorgen, dat is wat ons in het leven is overkomen, dat zijn de gedachten en gevoelens die in ons leven. Ze werken als een zeef, waar veel doorheen gaat, maar waar ook iets op blijft liggen.

Wat blijft er bij u, wat bij jullie op de zeef liggen?

Dat kunnen zoveel verschillende dingen zijn, naar dat mensen verschillend zijn.

Misschien herkent u zich vanmorgen in wat mij raakt in dit verhaal.

Drie dingen wil ik u ter overweging aanreiken.

In de eerste plaats wat Martha zegt: Here, als u hier geweest was, dan zou mijn broer niet gestorven zijn.

In de tweede plaats het verdriet van Jezus en in de derde plaats wat Jezus zegt: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven.

Reacties op het sterven van Lazarus, de broer van Martha en Maria en de vriend van Jezus.

Here, als u hier geweest was, dan zou mijn broer niet gestorven zijn.

Diep is ze onder de indruk gekomen, van Jezus woorden, van zijn genezingen en van de tekenen die hij verrichtte, water in wijn veranderen en daarmee het goede leven voortgang laten vinden; brood breken en uitdelen zo dat iedereen genoeg kreeg; iemand die blind was vanaf zijn geboorte het licht in zijn ogen geven. En iets had Martha ervan begrepen, van die bijzondere woorden die hun vriend Jezus had uitgesproken rond de tekenen: Ik ben de ware wijnstok, Ik ben het brood van het leven, Ik ben het Licht van de wereld. Ze had aan Jezus een ervaring van God opgedaan, iets van Gods nabijheid en van Gods goedheid geproefd midden in het gewone leven. Genoeg om te weten dat zijn macht groter is dan die van de dood.

Maar als hij er niet is ...

Als hij er niet is, dan komt er geen einde aan het sterven en moorden op deze wereld.

Dan blijven mensen sterven, niet alleen als ze oud en van het leven verzadigd zijn, maar ook in de kracht van hun leven, als ze nog jong zijn, of kind.

Die ervaring deden de eerste christenen op, die pasen achter de rug hadden en elke zondag bij elkaar kwamen om de opstanding van Jezus te vieren. Die ervaring doen wij op, dat de dood de dienst uitmaakt. In de vraag van Martha horen we onze eigen vragen en moeiten, zien we als in een spiegel ons eigen verdriet en onze eigen wanhoop.

Dan valt mij, in de tweede plaats, ineens het kortste vers van heel de bijbel op, twee woorden slechts, vers 35: Jezus weende.

Dat maakt diepe indruk.

Het evangelie tekent ons geen Jezus die ver boven het lijden en het verdriet verheven is, zoals de kerk hem later is gaan uittekenen. Het evangelie tekent ons een Jezus, die ons heel nabij is, die nauw met ons verbonden is, die alle weet heeft van wat ons overkomt, die ons verdriet van binnenuit kent. Hij raakt van zijn stuk, de tranen wellen op uit zijn ogen. Ons verdriet en onze verslagenheid laten hem niet onberoerd. Integendeel. Hij is verbolgen over de dood van Lazarus. Zoals iemand een diepe zucht slaakt van verontwaardiging en van verdriet.

Verder kunnen wij vaak niet komen, als wij anderen ontmoeten in hun verdriet. Maar het is al veel als we het durven uithouden in de sprakeloosheid, als wij elkaar nabij durven blijven in doffe uitzichtloosheid.

 Martha weet, want ze gelooft dat ooit Lazarus zal opstaan op de jongste dag, aan het einde van de tijd. Maar Jezus verdiept en concentreert dit weten en geloven. Hij betrekt het op zichzelf. Dat is het derde voor vanmorgen. Dat Jezus zegt: Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.

Bekende woorden, want hoevaak zijn ze niet gebruikt als opschrift boven een rouwkaart, als wooorden van troost en uitzicht; tegelijk onbegrijpelijke woorden, die verwijzen naar een ondoordringbaar geheim. Wij kunnen dit niet bevatten. We kunnen ons er alleen aan toevertrouwen. Niet die woorden een plek geven in ons leven, maar ons leven een plek geven in dat nieuwe leven, waarheen deze woorden verwijzen. Dan denken we aan Pasen, aan de Opgestane Heer, die als eerste de dood te boven kwam als een belofte voor ons allen.

Daarvan geeft Jezus nu een voorproefje. Hij roept de dode Lazarus terug uit zijn graf. Een voorproefje van wat Hem zelf straks te wachten staat in Jerusalem.

Ik ben de Opstanding en het Leven. Waar Jezus is, wordt het leven hersteld, gered, herboren en gereinigd. Even zien we dat gebeuren: in Lazarus, die het graf uitstrompelt, in de blinde man van vorige week, die licht in zijn ogen krijgt, in de tollenaar, die in de kring mag plaatsnemen, in de zondares, die vergeving ontvangt; in het woord dat ons op weg helpt, ruimte geeft, doet leven.

Maar dat neemt het diepe zuchten en het schrijnende verdriet niet weg. Dat blijft. Wij doen het onderweg met de tekenen, totdat Hij komt.

En wat kunnen we daar soms hevig naar verlangen, naar die dag, dat alle dingen nieuw zullen worden en er een einde komt aan ziekte en zorg, aan verdriet en tranen, aan dood en rouw.

Ja, dat zal een feest zijn.

                                               Amen

1