Beelden van kerk-zijn              Gemeente-zondag 14 sept. 2003         Enschede  Verrijzeniskerk

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Als je langs de snelweg rijdt, dan zie je soms van verre al dat teken; je weet dan precies waar je aan toe bent; die grote gele M, met die wat gebogen poten. Vooral je kinderen wijzen je er feilloos op, hé papa, een MacDonalds – zullen we daar even heen?

t Is net alsof het water hen bij het zien van dat logo –  zo noemen we zon teken – alsof het water hen dan in de mond loopt. Een big mac, heerlijke franse frietjes, een megabeker cola, of kipnuggets en noem maar op. Hoewel er bij jou als volwassene ook andere gedachten boven kunnen komen, van vet en ongezond eten, of van intensieve veehouderij om aan goedkope, malse stukken vlees te komen.

Hoe is dat nu, als je een kerk ziet? Zon klassieke met torenspits of een wat meer eigentijdse, zon bescheiden gebouw als de Verrijzeniskerk, maar wel met een toren, een kruis en een klok? Waar denk je dan aan? Wat voor gedachten komen er dan bij ons naar boven? Wat vinden wij waar het om gaat in de kerk en waar het om zou moeten gaan? 

Daar willen we vandaag over nadenken, nu, rondom vier lezingen, met telkens een paar opmerkingen erbij, geen lange preek dus, en daarna, voor wie dat wil, straks in de Schalm na de koffie. Beelden van kerkzijn hebben we het genoemd. Een beeldenroute straks. Een figuurlijke beeldenroute, want we zitten gewoon in wat kleinere groepjes bij elkaar met elk een papier voor ons, met daarop beelden van kerkzijn. Maar dat is straks.

Nu eerst de bijbel open. We beginnen bij Mattheus 5, 13-16.

 

Jezus heeft een uitgesproken mening over zijn volgelingen, zijn leerlingen, laten we hen voor het gemak de kerk noemen: zout en licht, zegt hij; jullie zijn het zout van de aarde en het licht van de wereld. Nou, nou, dat zouden ze vanzichzelf nooit gezegd hebben, die bonte groep eenvoudige mensen overal vandaan. Jezus ziet meer in hen dan zij in zichzelf zien. Het enige wat zij nu hoeven te doen is zich zo gaan gedragen als hij hen ziet. Zelf gaan leven als zout en als licht. Zout brengt een gerecht op smaak en bewaart het voor bederf; licht wijst de weg en geeft oriëntatie. De kerk zal onzichtbaar zijn als het zout op de aardappels en tegelijk zichtbaar als een lamp die schijnt in het donker.

En waar zal het bij zout en licht anders om gaan dan waar het Jezus om ging: om Gods eindeloze goedheid, om trouw en om gerechtigheid, om recht zetten en recht doen, om vergeving en vernieuwing – wel allemaal grote woorden, maar in de kerk leer je ze om te smeden in pasmunt, voor dagelijks gebruik, voor thuis, voor op school, op je werk, om daar te zijn wie je volgens Jezus bent: zout en licht.

We zingen: Gez. 481: 1

 

We lezen iets verderop bij Mattheus, 8, 23-27

 

Wat voor beeld van de kerk komt ons in die paar verzen tegemoet? Het beeld van een schip.

Van het scheepke onder Jezus hoede. Wie Jezus wil volgen gaat achter hem het schip in. Maar er wacht hen geen kalme zee. Binnen de kortste keren slaan woeste golven over het schip heen. Maar de Heer slaapt. Het lijkt hem niets te deren. Hij wordt er niet alleen niet anders van, maar hij merkt het niet eens, dat ze dreigen te vergaan.

Here, red ons, wij vergaan. Kyrie eleison!

Ook dát is de kerk. Mensen die Jezus willen volgen. Die samen achter hem aan willen gaan. Maar onderweg, door het leven, in de wereld, gebeurt er van alles dat hen de adem beneemt.

Vervolging, tegenslag, ziekte, terugloop en achteruitgang, dreiging van ondergaan en dood.

Je roept het uit in je angst, maar het wordt niet anders. Het lijkt of de Heer slaapt.

Er is een opstanding uit de dood nodig, die alles anders maakt.

Eigenlijk is het een paasevangelie dat Mattheus hier vertelt. Voor de storm gebruikt hij hetzelfde woord als bij Jezussterven: een aardbeving. En als hij schrijft: toen stond Hij op, is dat ook hetzelfde woord als bij de opstanding op de derde dag.

Dat geheim dragen de leerlingen, draagt de kerk met zich mee: de Heer is opgestaan, de storm is gestild, de dood is overwonnen. Hoewel, midden in het leven zijn we nog steeds door de dood omvangen. Ook hier een dubbelheid: het is er en het is het nog helemaal niet.

De kerk is een schip, met Jezus aan boord. Hij slaapt én hij is de Opgestane Heer.

Het logo van de oecumene spreekt voor zich: een schip met een kruis.

En daarom zingen we dat lied dat velen zo goed kennen: t Scheepke onder Jezushoede.

 

We maken een sprong naar de brieven van Paulus. We lezen twee gedeeltes uit 1 Corinthiërs, eerst hoofdstuk 12, 12-27.

 

Gij, jullie zijn het lichaam van Christus. Al die verschillende mensen, overtuigde gelovigen en twijfelaars, zoekers en zekerweters, vrijzinnigen en rechtzinnigen, mensen die veel en mensen die weinig hebben geleerd, mensen die goed van de tongriem zijn gesneden en die vooral goed met hun handen overweg kunnen, rijken en armen, slaven en vrijen, mannen en vrouwen, ouderen en kinderen – ja, jullie allemaal, jullie vormen samen één geheel. Daar hebben jullie niet zelf voor gekozen, maar dat heeft God gedaan. God heeft jullie uitgekozen, net zoals je in een gezin niet zelf je broers of zussen hebt gekozen; ze zijn je gegeven, of je dat nu leuk vindt of niet. Denk maar aan een lichaam met al die verschillende ledematen, oog, oor, hand, voet enzovoorts; samen vormen ze het lichaam. Ieder heeft zn eigen plek. Niemand kan gemist worden. En Christus is het hoofd.

Een mooi, maar ook een lastig beeld. Mooi omdat ieder er zijn plek in heeft en alles op elkaar betrokken is. Iedereen elkaar nodig heeft. De één niet belangrijker is dan de ander. Maar ook lastig, omdat zovelen het gevoel hebben als los zand aan elkaar te hangen. Niks geen levendige betrokkenheid op elkaar. De kerk een levend lichaam? Lijkt er soms in de verste verten niet op. Vraag het maar aan de leden van de pastoraatsgroep, die met grote trouw en vasthoudendheid proberen, dat in onze wijkgemeente de leden die daar prijs op stellen, tenminste eenmaal in de drie jaar een bezoek krijgen vanuit de kerk. Omzien naar elkaar. t Is vaak een heel geworstel om goed om te gaan met de ervaringen van onverschilligheid en vrijblijvendheid waar je in je bezoekwerk op stuit. Of moeten we voor vandaag dat beeld van het lichaam maar loslaten? Is het uit de tijd?

Of houden we het vast, meer als een ideaal dan als concrete ervaring?

 

We gaan er van zingen, Gez. 242 vers 2

 

We lezen tenslotte een gedeelte uit 1 Cor 13, vers 1-8a en vers 13.

 

Misschien helpt het ons om stil te staan bij waar het uiteindelijk op aankomt. Zou dat niet in het spoor van 1 Cor 13 de liefde zijn?

Het is veelbetekenend dat Paulus dit hoofdstuk heeft ingeklemd tussen het 12e en het 14e van zijn eerste brief aan de gemeente van Corinthe. Daar was van alles loos en daar waren tal van misstanden. Het voert te ver daar nu over uit te weiden, maar lees de brief maar. Dan ziet u het met eigen ogen. Wat voor gemeenschap is dat nu, die zich noemt naar Christus, die christelijke gemeenschap?

Paulus zegt dat daar, in die gemeenschap in ieder geval liefde de toon aangeeft, liefde de grondtoon is. Liefde als een echo op wat we hebben opgevangen aan de liefde van Jezus. Liefde als een antwoord op zijn liefde. Want als we de woorden van dit hoofdstuk goed tot ons laten doordringen en op ons laten inwerken, dan doemt het beeld op van zijn leven, van Jezusomgang met mensen. De christelijke gemeenschap is een liefdesgemeenschap.

Misschien moeten we daar beginnen als we vandaag nadenken over het profiel van onze wijkgemeente, over de vraag met welk beeld we onze wijkgemeente zouden willen typeren. Wat mij betreft, laat het vooral een profiel, een beeld zijn, waarin liefde de toon aan zal geven, liefde tot God, liefde tot elkaar en liefde tot de wereld.

 

Daar willen we van zingen, Gez. 481 vers 3

 

1