Matth 5, 13-16   Geloven is vertrouwen          Gezin-School-Kerk     Open Hof  10-2-2002

 

Lieve gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Als je zegt: ik geloof dat er deze winter geen Elfstedentocht meer komt, dan is í«gelovení» eigenlijk maar een slap woord. Dan betekent het ongeveer: ik weet het niet zeker.

Zo gebruiken we het woord í«gelovení» heel vaak.

Maar als je zegt: ik geloof jou – Dieuwke, Joost, Fleur, Martijn – ik geloof jou, dan is í«gelovení» een heel sterk woord. Dan betekent het: ik vertrouw jou; ik weet zeker dat ik op je kan rekenen!

Geloven is vertrouwen!

In welke betekenis je het woord geloven ook gebruikt, niet zeker weten, voor waar houden wat een ander zegt, in de bijbel betekent geloven in de eerste plaats: vertrouwen.

Dat hebben de kinderen op de basisscholen deze week ontdekt. In prachtige bijbelverhalen, waar er hier een paar van te zien zijn. Dat ene verhaal, waarin Jezus die jonge man weer uit de dood opwekt. Wat een wonder, zeggen de mensen. Stel je vertrouwen maar op hem.

En dat andere verhaal. Van die romeinse hoofdman – hij vertrouwde er vast op dat Jezus zijn zieke dochter kon genezen. Daarom ging hij naar hem toe. En Jezus genas haar.

í«k Stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God.

Zojuist hoorden we in het evangelie woorden van Jezus. Hij noemt daar zijn leerlingen zout en licht. Jullie zijn, zegt hij, zout der aarde en licht der wereld.

Geloven is er op vertrouwen, dat we dat echt zijn, zout en licht!

Dat is niet zo eenvoudig. Het zou gemakkelijker zijn geweest als hij gezegd had: zout der aarde, licht der wereld, dat móeten jullie worden, of: dat kúnnen jullie worden.

En dan zouden wij zeggen: nou ja, wij zijn ook maar gewone mensen. We willen wel ons best doen, maar ja, ons karakter hè, of wat ons allemaal is overkomen íŽ enzo. Dan zouden we Jezus vragen er begrip voor te hebben, dat we niet echt zout en licht zijn.

Maar zo zit het niet. Jezus zegt: je bent het. Punt uit.

Je bent het. Vanaf het moment dat Jezus Christus iets in ons leven gaat betekenen. Dan betekenen we zélf iets. Als gemeente, als enkeling.

Zout. Wat is dat? Wat doet dat?

In elk geval: het is niet kostbaar. Niemand zal zeggen: we moeten zuinig aan doen met zout, het is niet meer te betalen.

Jezus bedoelt: christen-zijn is iets heel gewoons, iets alledaags, dat ben je in alle bescheidenheid. Zo gewoon als zout.

En wat doet zout? Als je een zoutloos dieet moet volgen, dan weet je het maar al te goed. Zonder zout: er is niets aan, het eten is flauw, of je een klap in je gezicht krijgt.

Daarnaast reinigt en zuivert zout. Het weert bederf. Vroeger, toen er nog geen diepvriesproducten en blikken waren, werd groente ingemaakt met zout.

Zo bleef het de hele winter goed.

En dí»r is nog iets. Het is iets wat je niet ziet. Zout mag niet gaan klonteren. Het moet overal in doordringen, zonder dat je het nog kunt onderscheiden. Het is opgegaan, ondergegaan.

Zijn wij dat? Is zó ons geloof? Bewaart ons geloof de wereld? Brengt het geloof van de kerk de wereld op smaak? Laten we oppassen voor triomfalisme.

Christenen zijn mensen die in de wereld leven. Die zich niet van anderen onderscheiden. Die hun leven leven en hun werk doen. Die keuzes maken. Die goede en foute beslissingen nemen.

Maar er ís iets. Iets dat niet van henzelf is. Als er iets bijzonders is in hun leven, dan is dat de manier waarop ze het woord van de Heer horen en bewaren. Luisteren en ermee leven, in alle eenvoud, zonder op effect uit te zijn, zonder er mee te koop te lopen. Hopen en geloven dat het betekenis heeft en zinvol is. Wat de mensen er ook van vinden. Wat ze er ook van zeggen.

En als ze het woord niet meer horen en bewaren, dan is hun geloof niets meer waard. Smakeloos geworden als zout waar geen kracht meer in zit. Niets meer waard. Weggooien dus.

Leven als zout is kritisch leven. Dat je tegen sommige dingen bewust ja zegt, en tegen andere dingen bewust nee. Dat je accenten plaatst. Dat je soms, misschien wel vaak, dwars ingaat tegen wat í«mení» zegt en vindt. Dat je bewaart wat de moeite waard is en opgeeft wat een lege vorm is geworden.

Zo zijn er vormen van zondagsheiliging die achterhaald zijn. Maar het is en blijft zinvol om ruimte te maken voor rust en opdemen en samen zijn.

Er zijn vormen van ouderlijk gezag die uit de tijd zijn. Maar het is en blijft zinvol dat de generaties elkaar hoog houden; dat de verhalen van het heil worden doorgegeven.

Velen hebben slechte herinneringen aan de sociale controle van vroeger. Maar mensen van vandaag hebben meer nog dan vroeger behoefte aan medeleven en aandacht, aan een gebaar, een woord van herkenning.

Ouderen hebben de tijd nog meegemaakt dat ieder dubbeltje eerst werd omgekeerd voordat het werd uitgegeven. Vandaag beschikken vele jongeren en ouderen over veel geld. Maar het is goed te beseffen, dat geld niet gelukkig maakt. Dat je beter kunt investeren in vriendschap en betrokkenheid op elkaar.

Jezus zegt dat wij zout zijn. Hij gaat er vanuit dat wie hem volgen, op een levende en steeds nieuwe manier bezig zijn met het woord van Christus. Hij gaat er van uit dat de bewarende, reddende en smaakmakende krachten van het Koninkrijk van God door ons werkzaam zijn!

Jullie zijn het licht der wereld. Een ander beeld. Wél zichtbaar. Net als een stad op een berg.

Net als een lamp op een standaard. Een lamp – daar zet je geen domper op. Stel je voor.

Licht moet goed zichtbaar zijn.

Opnieuw moeten we goed bedenken dat Jezus niet zegt: jullie moeten licht worden. Nee, je bént het! Je hoeft je er niet voor op te werken, je hoeft niet te doen alsof, je hoeft niet expres te gaan stralen. Je bent het en dat zal blijken.

Wanneer? Als je het licht van het Licht opvangt en weerkaatst.

Gewoon doen wat er te doen is. En zeggen wat er te zeggen is. In alle bescheidenheid. Leven met elkaar als gemeente. Hartelijk, betrokken, duidelijk, en steeds open naar anderen toe. Met recht een Open Hof. Dienstbaar aan de omgeving.

Dan zullen de mensen zeggen: daar heb ik wat aan gehad. Goed dat er í«kerkí» is; het heeft mijn bestaan verhelderd. Het heeft me geholpen met mijn levensvragen.

Dan zeggen wij: hé, dat hebben wij niet geweten, dat hebben we zo niet bedoeld.

Dan zullen ze je goede werken zien, niet jou, en de Vader verheerlijken, niet jou.

Er is niet zo heel veel zout nodig om een gerecht op smaak te brengen.

En een klein kaarsvlammetje brengt al heel wat licht in een donkere kamer.

Ik weet niet of Jezus veel mensen nodig heeft. Wij kijken in de kerk graag naar veel en vol. Maar wat Jezus vooral nodig heeft, dat zijn geïnspireerde mensen. Mensen die zijn weg willen gaan. In hem geloven, op hem vertrouwen.

Daarom zingen wij: Jezus, ga ons voor, deze wereld door,

                                 en U volgend op uw schreden

                                 gaan wij moedig met U mede.

                                 Leid ons aan uw hand naar het vaderland.

                                                                                                          Amen  

1