Democratisch communisme: een alternatief
In dit artikel wil ik pleiten voor een herwaardering van het oude idee van communisme, maar dan in een nieuwe vorm: ik noem het hier democratisch communisme. In dit democratisch communisme wordt het idee dat de produktiemiddelen in handen zijn van de gemeenschap gehandhaafd; maar die gemeenschap wordt hier niet vertegenwoordigd door een eenpartijstaat, zoals die in Sovjet-Rusland en op andere plaatsen bestond, maar door een pluriforme democratie zoals we die al kennen, met meerdere partijen en vrije verkiezingen die resulteren in een volksvertegenwoordiging die een afspiegeling is van de wens van de bevolking.
Deze combinatie van ideeenstelsels zal een aantal problemen opleveren, waar ik later nog op terug kom; eerst wil ik een beeld schetsen, hoe een dergelijke samenleving eruit zou kunnen zien.
Produktiemiddelen
Zoals gezegd zullen de produktiemiddelen eigendom zijn van de gemeenschap en aangewend worden ten bate van die gemeenschap, door bestuursorganen die benoemd en gecontroleerd worden door de volksvertegenwoordiging. Maar wat valt er onder produktiemiddelen en in hoeverre is er ruimte voor privebezit?
Twee belangrijke produktiemiddelen zijn land en grondstoffen (olie, gas, mineralen), deze zullen eigendom zijn van de gemeenschap om een eerlijke verdeling te garanderen.
Het gedeelte van het land dat gebruikt wordt voor het voortbrengen van voedselgewassen wordt in gebruik gegeven aan boeren. Zij krijgen voor dit land een "gebruiksrecht", wat in principe levenslang is, maar niet verkoopbaar of overerfbaar; ze hebben het land dus niet in bezit. De boeren kiezen zelf welke gewassen ze willen telen; jaarlijks worden door de overheid de prijzen van verschillende gewassen vastgesteld, aan de hand van aan welke gewassen de meeste behoefte is. De boeren krijgen een jaarlijks basisinkomen, genoeg voor hun levensonderhoud en daarboven de prijs, zoals die is vastgesteld, voor de gewassen die ze dat jaar voortbrengen; zo is ook bij misoogsten hun bestaan zeker gesteld.
Het voedsel wordt geleverd aan distributiebedrijven en voedselfabrikanten, die de boeren voor het geleverde de vastgestelde prijs betalen; deze bedrijven zijn eigendom van de gemeenschap, zogeheten gemeenschapsbedrijven. Deze bedrijven leveren het voedsel, eventueel na bewerking, aan winkels (zoals supermarkten) die ook gemeenschapsbedrijven zijn, en die winkels verkopen het aan de mensen. De prijzen van de produkten in de winkels worden jaarlijks vastgesteld door de overheid.
Grondstoffen worden gewonnen door gemeenschapsbedrijven en voor bewerking geschikt gemaakt (bijvoorbeeld raffinage of staalproduktie); daarna gaan ze naar fabrieken, die ook gemeenschapsbedrijven zijn, waar ze tot produkten gemaakt worden. Deze produkten gaan naar winkels, waar ze tegen jaarlijks vastgestelde prijzen worden verkocht.
Al de betrokken bedrijven zijn dus eigendom van de gemeenschap, hetzij op landelijk, provinciaal of gemeente niveau (afhankelijk van het soort bedrijf), en kunnen niet gekocht of verkocht worden. De werknemers van deze bedrijven krijgen een jaarlijks vastgesteld inkomen bovenop hun basisinkomen. De taken van het bedrijf worden vastgesteld door bestuurlijke diensten, maar de werknemers kiezen zelf hun leidinggevenden in jaarlijkse stemmingen.
Zodra de produkten in de winkels verkocht zijn, zijn ze privebezit van de koper en heeft hij/zij recht op wettige bescherming van dat eigendom. Zodra het produkt opgebruikt is en in de afvalverwerking terecht komt, wordt het weer gemeenschapsbezit.
Zaken die onder privebezit vallen kunnen zijn: voedsel en dranken, huishoudelijke artikelen, kleding, elektronische apparatuur. Gemeenschapsbezit kan zijn: land, grondstoffen, fabrikaten voor ze verkocht zijn, gebouwen, transportmiddelen.
Arbeid
We kunnen verschillende soorten arbeid/dienstverlening onderscheiden in deze samenleving: het werk bij een gemeenschapsbedrijf en het werk daarbuiten. De boeren zijn al genoemd als voorbeeld van het laatste; hun inkomen hangt gedeeltelijk af van wat ze produceren. Andere voorbeelden: kunstenaars, schrijvers, ontwerpers.
De meeste mensen zullen echter werken voor een gemeenschapsbedrijf; voorbeelden zijn: leraren, zorgverleners, fabrieksarbeiders, politiemensen, werknemers bij nutsbedrijven. Zij krijgen, zoals iedere meerderjarige persoon, een basisinkomen; daarnaast krijgen ze een inkomen per uur werk, waarvan een percentage als belasting naar de gemeenschap gaat. Dit uur-inkomen wordt jaarlijks vastgesteld door de overheid, in samenspraak met werknemersorganisaties.
Iedereen is vrij om een beroep buiten de gemeenschapsbedrijven te kiezen, hetzij bij een organisatie die niet onder een overheid valt (zoals een vereniging of stichting), hetzij als zelfstandige, en daarmee geld te verdienen, echter tot een jaarlijks maximuminkomen van drie maal het jaarlijkse basisinkomen. Al het geld wat daarboven wordt verdient, valt geheel toe aan de gemeenschap, dit om te grote financiele ongelijkheid te verkomen. De mensen die voor een beroep buiten de gemeenschapsbedrijven kiezen, krijgen een basisinkomen; van wat ze zelf daarboven verdienen, gaat een percentage als belasting naar de gemeenschap, tot aan het maximum inkomen.
Er zijn dus drie soorten arbeid: werk binnen de gemeenschapsorganisaties, werk binnen andere organisaties en zelfstandige beroepen. De betaling van het basisinkomen gebeurt door de ladelijke overheid, de betaling van het uurloon door de organisatie waar de persoon werkzaam is. De belasting op het uurloon en het zelfstandige inkomen, en het geld wat boven het maximum inkomen wordt verdiend, gaat naar de landelijke overheid.
Economie
De economie van een democratisch-communistische samenleving is niet gericht op economische "groei"; met andere worden, er wordt niet naar gestreefd mensen materieel rijker te maken, behalve wanneer er sprake is van armoede, dat wil zeggen gebrek aan de eerste levensbehoeften.
In plaats daarvan wordt naar twee dingen gestreefd: economische stabiliteit en een lage ecologische impact. De economische stabiliteit betekent dat er weinig verandering optreedt in de prijzen en lonen; deze worden jaarlijks vastgesteld voor alle produkten die door gemeenschapsbedrijven worden geleverd en voor alle lonen van werknemers bij gemeenschapsbedrijven. Daarnaast is het geldverkeer belangrijk. Alle banken en andere financiele instellingen zijn gemeenschapsbedrijven en worden aangestuurd door de landelijke overheid. De gewenste hoeveelheid geld in omloop wordt jaarlijks vastgesteld en moet zoveel mogelijk het werkelijk aanwezige kapitaal in produkten en diensten reflecteren. De banken kunnen geld uitlenen aan mensen of organisaties wanneer dit nuttig is (bijvoorbeeld om een organisatie op te zetten die een gewenste dienst levert), maar ze krijgen hier geen rente over. Ook personen mogen geen geld uitlenen tegen rente. Er wordt ook geen rente op spaarrekeningen uitgekeerd. Zo kan er geen winst worden gemaakt op geld-handel, wat de economische stabiliteit bevordert.
Er is een maximum wat een persoon aan vermogen mag bezitten van vijftig maal het jaarlijkse basisinkomen. Alles daarboven vervalt aan de gemeenschap.
Na de dood van een persoon vervalt diens vermogen geheel aan de gemeenschap; er is geen erfrecht.
Het streven naar lage ecologische impact betekent dat de gemeenschapsbedrijven bij hun handelen niet zoeken naar de meest kost-efficiente manier, maar naar de manier die het minste invloed op het milieu heeft. Bijvoorbeeld: als graan dat uit een ver land moet worden ingevoerd goedkoper is dan graan uit een nabijer gelegen land, wordt toch voor het tweede gekozen, omdat het een minder vervoer betekent, en dus beter is voor het milieu. Of: wanneer hergebruik duurder is dan nieuwe grondstoffen gebruiken, wordt toch voor hergebruik gekozen vanwege de milieuvoordelen. De landelijke overheid houdt er toezicht op dat deze handelswijze wordt nageleefd en spreekt organisaties hier zonodig op aan, of maakt regelgeving hierover.
Organisaties
De meeste maatschappelijke organisaties zijn dus gemeenschapsbedrijven en worden aangestuurd door de overheid: fabrieken, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, nutsbedrijven, winkels. Afhankelijk van de reikwijdte van de organisatie kan het onder een lokale of een landelijke overheid vallen. Zo zal een winkel bijvoorbeeld onder de gemeente vallen en een fabriek onder de landelijke overheid.
Gemeenschapsbedrijven worden in het uitoefenen van hun taken aangestuurd door de betreffende overheid, maar ze kunnen ook rechtstreeks een beroep doen op andere bedrijven (of andere bedrijven op hen), indien de taak al is vastgesteld; bijvoorbeeld een fabriek die onderdelen nodig heeft en hiertoe een aanvraag doet bij een andere fabriek. Alle transacties worden vermeld aan de plaatselijke of landelijke overheid zodat die goed zicht houdt op het economisch leven om zo het juiste beleid te ontwikkelen.
De werknemers bij gemeenschapsbedrijven houden elk jaar een stemming waarin ze hun leidinggevenden (directeuren, bedrijfsleiders) kiezen. Bij bedrijven met minder dan 40 werknemers kiezen ze hun leidinggevende in een directe verkiezing, waarin iedere werknemer zich kandidaat kan stellen; als in de eerste ronde niet een kandidaat een absolute meerderheid heeft, volgt er een tweede ronde met de twee kandidaten die in de eerste ronde de meeste stemmen hadden. Bij bedrijven met 40 werknemers of meer kiezen de werknemers een ondernemingsraad in een verkiezing waarin iedereen zich kandidaat kan stellen; de vijf kandidaten met de meeste stemmen vormen de ondernemingsraad en kiezen bij meerderheid de leidinggevende, die lid van de ondernemingsraad kan zijn, maar dat hoeft niet. Indien de meerderheid van de werknemers of van de ondernemingsraad op enig moment van mening zijn dat hun leidinggevenden niet goed functioneren, kunnen zij tussentijds een nieuwe verkiezing houden en een nieuwe leidinggevende kiezen.
Bedrijven zoals we die nu kennen, met winstoogmerk en aandeelhouders, zullen er niet meer zijn. De gemeenschapsbedrijven maken geen winst, ze houden alleen kosten en uitgaven in balans; in sommige gevallen zullen ze meer uitgeven dan inkomsten hebben en wordt het tekort aangevuld door de overheid, bijvoorbeeld als het gewenst is dat een bepaalde dienst goedkoop of gratis is.
Iedereen kan een stichting of vereniging opgerichten voor het nastreven van een gewenst doel, bijvoorbeeld een politieke partij, maar deze organisaties mogen geen winst nastreven en voor de mensen die er werken geldt het maximum inkomen. Er wordt ook een grens gesteld aan de hoeveelheid kapitaal die zo'n organisatie mag hebben, om teveel opeenhoping van geld te voorkomen, en de organisatie is geen bezit van een persoon of groep van personen. Degene die zo'n organisatie opricht kan bij de overheid een verzoek indienen om middelen (geld, huisvesting); de overheid zal, afhankelijk van het belang van de organisatie en de beschikbare middelen, dit toe- of afwijzen.
Bijvoorbeeld: iemand vindt dat er een tekort is aan kinderdagverblijven en wil er een oprichten. Hiertoe richt de persoon een stichting op en er wordt een verzoek gedaan aan de gemeente; deze bekijkt aan de hand van gemeentelijke of door de aanvrager verschafte informatie of hier inderdaad behoefte aan is. Stel dat dit zo is, dan wijst de gemeente een bedrijfspand toe aan de stichting, helpt de stichting bij het vinden van pedagogisch geschoolde medewerkers en draagt de kosten van het nieuwe kinderdagverblijf of geeft deze een lening. Als blijkt dat dit kinderdagverblijf een succes is, kan later al dan niet besloten worden om deze te integreren in de bestaande zorgorganisaties, waardoor het kinderdagverblijf uiteindelijk een gemeenschapsbedrijf wordt.
Bestuur
Er worden elke drie jaar verkiezingen gehouden voor het landsbestuur, het provinciaal bestuur en het gemeentebestuur, waarbij iedere meerderjarige persoon mag stemmen. Elke partij kan zich laten inschrijven om verkozen te worden, hiervoor dienen zij een kieslijst met kandidaten in bij een onafhankelijke organisatie die de verkiezingen organiseert. De zetels in de volksvertegenwoordigingen van het land, de gemeente of de provincie worden verdeeld volgens evenredige vertegenwoordiging.
Na de verkiezingen kiezen de verschillende volksvertegenwoordigingen uit hun midden bij meerderheid een voorzitter die het dagelijks bestuur op zich neemt. Ieder lid van de volksvertegenwoordiging kan zich kandidaat stellen; indien geen van de kandidaten bij de eerste ronde een absolute meerderheid haalt, wordt er een tweede ronde gehouden met de twee kandidaten die de meeste stemmen in de eerste ronde haalden.
De nieuw gekozen voorzitter benoemt ministers die de verschillende deelgebieden van het bestuur behandelen, zoals financieen, justitie, ruimtelijke ordening etc. De ministers kunnen leden van de volksvertegenwoordiging zijn, maar dit hoeft niet. De voorzitter houdt bij het bestuur het gezag, maar nieuwe wetten en regels moeten voordat deze kunnen ingaan door het bestuur in de volksvertegenwoordiging worden ingebracht en met meerderheid aangenomen. De volksvertegenwoordiging kan ook zelf wetten en regels inbrengen en aannemen; de voorzitter is eraan gehouden deze ten uitvoer te brengen.
Voor alle wetten en regels geldt dat ze bij meerderheid kunnen worden aangenomen, gewijzigd of afgeschaft. Er is geen grondwet, of enige andere wet, waarvoor geldt dat meer dan een enkelvoudige meerderheid nodig is om deze te wijzigen of af te schaffen.
De volksvertegenwoordiging kan op elk moment besluiten dat de voorzitter niet meer naar behoren functioneert en een nieuwe voorzitter kiezen. Zolang de nieuwe voorzitter nog niet is gekozen, blijft de oude voorzitter ad interim het bestuur leiden, maar behandelt alleen de lopende zaken. De voorzitter kan ook zelf terugtreden, ook dan wordt er een nieuwe voorzitter gekozen. In al deze gevallen blijft de volksvertegenwoordiging in functie.
In het geval dat leden van de volksvertegenwoordiging tussentijds niet langer hun functie kunnen of willen vervullen, wordt hun plaats ingenomen door de volgende op de kieslijst van hun partij.
De verschillende taken van het bestuur worden ingedeeld naar gemeentelijke, provinciale en landelijke taken, die door het desbetreffende bestuur worden uitgevoerd. In het geval dat er onenigheid is over welke taken op welk niveau moeten worden behandeld, gaat de beslissing van een hogere overheid boven die van een lagere; maar indien de lagere overheid van mening is dat de hogere overheid hiermee handelt in strijd met de vastgelegde wetten, kan deze lagere overheid een rechter verzoeken om een uitspraak in deze, en indien zo'n uitspraak wordt gedaan, zijn alle partijen eraan gehouden deze uitspraak te volgen.
Rechtspraak
De rechterlijke macht is onafhankelijk van het bestuur, rechters worden door een instantie die los staat van het bestuur benoemd voor hun werkzame leven; zij kunnen enkel uit hun functie worden gezet bij veroordeling voor een misdrijf.
Bij het plegen van een overtreding of misdrijf door een persoon wordt door een aanklager, die werkzaam is bij een gerechtelijke overheidsdienst in die regio, een aanklacht geformuleerd en bewijsvoering verzameld. De verdachte krijgt een advocaat toegewezen, die ontlastend of verzachtend bewijsmateriaal verzamelt.
De rechters, die door middel van een roulatiesysteem in hun regio worden toegewezen aan rechtszaken, beoordelen de argumentatie van de aanklagers en de verdediging en beoordelen of de verdachte schuldig is en zo ja, welke straf hierop volgt.
De tenuitvoerlegging van de straf (bijvoorbeeld gevangenistraf of taakstraf) wordt gedaan door een landelijke overheidsdienst die los staat van de andere betrokken overheidsdiensten.
Advocaten zijn zelfstandig werkzame personen, niet in dienst bij de overheid, die alleen of in een collectief met andere advocaten werkzaam zijn. Zij worden door middel van een regionaal roulatiesysteem, uitgevoerd door een onafhankelijke dienst, aan verdachten toegewezen; alleen als verdachten eerder een misdrijf hebben gepleegd of hiervan werden verdacht, wordt aan hen zo mogelijk dezelfde advocaat toegewezen als diegene die zij eerst hadden, tenzij de verdachten dit niet wensen. Het zelf uitkiezen, of inhuren, van een advocaat is niet mogelijk, dit om te voorkomen dat rijkere mensen zich betere rechtsbijstand kunnen veroorloven. Advocaten krijgen naast hun basisinkomen een uurloon van de overheid. Verdachten hoeven niet te betalen voor gerechtelijke bijstand. Ook gerechtelijke bijstand buiten rechtszaken (bijvoorbeeld als een persoon informatie wil over zijn of haar rechtpositie in een conflict) wordt door de overheid betaald.
Ook organisaties (inclusief overheidsdiensten) kunnen worden aangeklaagd en veroordeeld worden (bijvoorbeeld tot het betalen van schadevergoeding), hiervoor geldt dezelfde rechtsgang als bij personen. Personen die werkzaam zijn bij organisaties blijven echter altijd verantwoordelijk voor hun eigen handelen, ook als dat handelen in uitoefening van hun functie was, en kunnen ook hiervoor apart worden aangeklaagd.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen strafrecht en civiel recht, en rechters, aanklagers en advocaten kunnen zich in een van de twee specialiseren, waarna zij voortaan worden toegewezen aan overeenkomstige rechtszaken. Voor civiele rechtszaken gelden verder dezelfde procedures als bij strafzaken, behalve dat elk persoon een civiele rechtszaak kan beginnen, terwijl dit bij strafzaken alleen door de aanklager van de gerechtelijke overheidsdienst kan gebeuren. In het geval een persoon van mening is dat de aanklager ten onrechte geen vervolging insteld in een bepaalde zaak, kan hij/zij een civiele rechter verzoeken om de aanklager hiertoe te verplichten, en de aanklager is eraan gehouden de uitspraak van de civiele rechter uit te voeren.
Naast het regionale rechtsysteem is er een landelijk; aanklagers, verdachten of partijen in civiele procedures kunnen tegen een uitspraak van de regionale rechter in beroep gaan bij een landelijke rechtbank. De procedures hier zijn dezelfde als bij de regionale rechtszaken. Tegen de uitspraak van een landelijke rechter is geen beroep meer mogelijk. Wel kan, bij het aan het licht komen van nieuwe feiten, een zaak heropend worden, en een eerdere uitspraak ongedaan worden gemaakt; hiervoor moet een verzoek bij een landelijke rechter worden gedaan, die dit toestaat of afwijst.
Media
Een aparte plek is er voor de media, die onafhankelijk van de overheid moeten zijn, om zo een toezichthoudende rol te spelen. De verschillende kranten, tijdschriften, omroepen en nieuwssites worden door een onafhankelijke dienst ingedeeld naar de grootte van hun bereik en krijgen aan de hand daarvan middelen, zoals geld en zendtijd, toegewezen. De toewijzende organisatie staat los van het overheidsbestuur en kijkt niet naar de inhoud van de artikelen en programma's, alleen naar het bereik ervan. Commerciele reclame op of in de media is niet toegestaan, wel is er ruimte voor boodschappen die maatschappelijk nuttig zijn (denk bijvoorbeeld aan voorzichtig-met-vuurwerk of niet-drinken-als-je-gaat -rijden boodschappen), hiervoor krijgen de media extra geld. Papieren media kunnen daarnaast geld verkrijgen uit abonnementsgeld of losse verkoop, beeld- en geluidmedia kunnen via decoderverhuur extra geld verkrijgen.
Iedereen kan een nieuwe krant, nieuwssite, omroep ed. oprichten en bij de toewijzende instantie middelen aanvragen; die instantie zal dan kijken of die middelen in voldoende mate beschikbaar zijn en of er behoefte is aan dit nieuwe medium.
Iedere persoon krijgt van de landelijke overheid een emailadres en een eigen website, waarop vrij geplaatst kan worden wat men wil.
Huisvesting
Woningen zijn eigendom van de gemeenschap en vallen onder de gemeentelijke overheid, die ook zorgt voor nieuwbouw en renovatie, wanneer dit noodzakelijk is. Het bouwen en onderhouden van deze woningen wordt gedaan door gemeenschapsbedrijven. Privebezit van woningen is niet toegestaan. Woonruimte wordt toegewezen aan huishoudens, de grootte van de woonruimte is hierbij afhankelijk van het aantal personen in het huishouden. De meerderjarige personen in het huishouden hebben een gebruiksrecht op de hun toegewezen woning wat levenslang geldt, tenzij het door een rechter wordt opgeheven; maar dit recht is niet overdraagbaar of overerfbaar. In het geval een huishouden uit elkaar valt (bijvoorbeeld door scheiding) en de betrokken personen geen overeenstemming kunnen bereiken wie er gebruik mag blijven maken van de woonruimte, beslist een rechter hierover. De gemeente verplicht zich dan tot het leveren van vervangende woonruimte voor degene die vertrekt.
Woningruil is toegestaan indien de hoeveelheid personen van de verschillende huishoudens overeenkomt met de grootte van de woonruimten waar zij terecht komen. Indien een persoon of huishouden naar een andere gemeente wil verhuizen, kan diegene een verzoek tot woonruimte bij de betreffende gemeente indienen; wanneer dit wordt ingewilligd, wordt het gebruiksrecht op de oude woning opgegeven en vervalt weer aan de gemeente waar de woonruimte zich bevindt.
Voor het gebruik van de woonruimte hoeft niet te worden betaald, ook normale onderhoudskosten zijn voor rekening van de gemeente.
Zomerhuisjes en stacaravans mogen wel privebezit zijn, echter niet meer dan een per persoon, en het land waarop ze staan is geen eigendom van de persoon, maar wordt gehuurd of geleend van de gemeente.
Ook bedrijfspanden zijn eigendom van de gemeenschap en worden door de gemeente aan gemeenschapsbedrijven of verenigingen toegewezen; iedere organisatie kan hiertoe een aanvraag indienen en de gemeente kent de ruimten toe aan de hand van het maatschappelijk belang van de organisatie en diens plaats op de wachtlijst.
Zorg
Ziekenhuizen, verpleeghuizen, bejaardenhuizen en andere zorginstellingen zijn gemeenschapsbedrijven. Ze vallen bestuurlijk onder de gemeentelijke overheid, die toeziet op de kwaliteit, maar de financiering gebeurt landelijk. Private zorginstellingen zijn niet toegestaan.
Huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners kunnen individueel of als collectief zelfstandig werkzaam zijn; wanneer zij een praktijk willen beginnen, dienen ze daartoe een aanvraag in bij de gemeente, die bekijkt of er in die plaats behoefte aan bestaat. Als dit zo is verschaft de gemeente geld en middelen om de praktijk van de grongd te krijgen. Zelfstandige zorgverleners krijgen naast hun basisinkomen een uurloon van de landelijke overheid.
De zorg is voor iedereen gratis. De zorgkosten worden betaald door de landelijke overheid.
Mantelzorgers krijgen naast hun basisinkomen een vergoeding voor de tijd dat ze aan zorg besteden.
Zieken en gehandicapten krijgen gedurende de tijd dat zij niet in staat zijn tot werk, of tot minder werk, een toeslag op hun basisinkomen.
Vervoer
Het openbaarvervoersstelsel is onderverdeeld over de verschillende bestuurlagen; lokaal vervoer bij de gemeenten, landelijk vervoer bij de landelijke overheid. De openbaarvervoerbedrijven zijn gemeenschapsbedrijven. Om vervoer voor iedereen toegankelijk te houden, wordt de prijs ervan laag gehouden; de openbaarvervoerbedrijven hoeven niet kostendekkend te zijn, waar nodig wordt geld bijgelegd door de verschillende overheden. De bedrijven leggen ook nieuwe verbindingen aan en waar mogelijk moderniseren zij hun materieel, waarbij wordt gestreefd naar veiligheid en een lage milieu-impact van de vervoermiddelen.
Vliegverkeer is alleen toegestaan over afstanden groter dan 1500 kilometer, behalve als er geen alternatief vervoer aanwezig is, dit vanwege de milieu-impact van vliegtuigen.
Gemotoriseerd privevervoer (auto's, motoren) is niet toegestaan, uit milieuoogpunt; ontheffing kan worden verleend aan mensen die voor hun werk eigen vervoer nodig hebben (bijvoorbeeld taxichauffeurs, koeriers, pizzabezorgers, vertegenwoordigers), mensen die in afgelegen gebieden wonen waar geen openbaar vervoer aanwezig is, of gehandicapten die lastig met het openbaar vervoer kunnen.
Vrachtvervoer wordt verzorgd door gemeenschapsbedrijven; ook hier wordt ernaar gestreefd waar mogelijk de manier van vervoer te nemen die het minste milieu-impact heeft, ook als dit duurder is.
Onderwijs en wetenschap
De onderwijsinstellingen zijn gemeenschapsbedrijven die door de gemeente worden beheerd; de landelijke overheid stelt de leereisen vast, regelt de eindexamens en geeft diploma's uit. Private scholen of private universiteiten zijn niet toegestaan; cursussen mogen wel door iedereen worden gegeven. Er is een leerplicht voor kinderen van zes tot achttien jaar. Zowel het onderwijs op school als op de universiteit is gratis, de kosten worden door de landelijke overheid gedragen.
Naast een instelling voor studenten zijn de universiteiten ook plaatsen van onderzoek waarbij vooral gekeken wordt naar nieuwe toepassingen met maatschappelijk nut; bijvoorbeeld het ontwikkelen van nieuwe medicijnen. Wetenschappelijke ontdekkingen zijn vrij beschikbaar; patenteren is niet mogelijk.
Kunst en cultuur
Bij het in stand houden van kunst en cultuur, kijken de verschillende overheden naar het belang hiervan; een landelijke overheid kan bijvoorbeeld besluiten dat een bepaald museum of balletgezelschap van landelijke culturele waarde is en hieraan geld en middelen toekennen. Daarnaast kunnen gemeenten besluiten dat bepaalde kunstuitingen van plaatselijk culturel belang zijn en deze steunen. Ook kunnen bijvoorbeeld musea toegangsprijzen vragen, waarbij er naar wordt gestreefd deze laag te houden, zodat ze voor iedereen toegankelijk blijven.
Kunstenaars krijgen, zoals iedereen, een basisinkomen; ze kunnen daarnaast hun werk verkopen, waarbij voor hen dezelfde belasting en maximum jaarlijk inkomen gelden als voor anderen. Gemeenschapsbedrijven of personen kunnen ook opdrachten aan kunstenaars geven en hun daarvoor betalen, of een plaatselijke of landelijke overheid kan besluiten de kunstenaar een toeslag te geven als zijn werk van cultureel belang wordt geacht.
Op kunstwerken, literaire werken, muziekstukken, films of andere intellectuele produkten berust geen copyright of intellectueel eigendomsrecht; iedereen is vrij deze te copieren, te verspreiden of te verkopen.
Problemen en valkuilen
Tot nu toe heb ik een schets gegeven van hoe een democratisch-communistische samenleving eruit zou kunnen zien. Het is geen compleet beeld en ook niet zo bedoeld, en ook moet worden beseft dat een dergelijke samenleving onderhevig zou zijn aan een voortdurend proces van verandering (met alle fouten en vergissingen die daarbij horen) en hoe deze samenleving zich uiteindelijk zou ontwikkelen is heel moeilijk te zeggen.
Er zijn echter wel een aantal voorspelbare problemen die zich in een dergelijke samenleving waarschijnlijk zouden voordoen. Een daarvan is de menselijke neiging tot het vergaren van bezittingen en vermogen en het genoegen dat mensen hieraan beleven. In deze samenleving worden daar, omwille van de gemeenschap en de wereld, grote beperkingen aan gesteld: een maximum inkomen, een maximum vermogen en veel zaken die niet langer in prive-bezit kunnen zijn, zoals huizen en auto's. Hoe krijgen we mensen zover dat ze deze dingen vrijwillig opgeven?
Ik denk dat dit een langdurig proces zal worden, en dat dit ook niet anders kan; ik pleit hier niet voor een revolutie, maar voor evolutie, een geestelijke evolutie, waarbij steeds meer mensen gaan beseffen dat onze verbondenheid met elkaar en met de wereld zwaarder telt en waardevoller is dan onze gehechtheid aan persoonlijke welvaart.
Pas als het grootste deel van de mensen achter het idee van democratisch communisme staat, kan een dergelijke samenleving werkelijkheid worden. Een vrije keuze voor dit alternatief is essentieel; wat een gedwongen, ondemocratisch communisme oplevert hebben we in de geschiedenis kunnen zien in Sovjet-Rusland, China en andere landen.
Een ander mogelijk probleem is wat je de corrumperende werking van de macht kunt noemen. Ook al zijn de bestuurders van de geschetste samenleving democratisch gekozen en worden zij gecontroleerd door volksvertegenwoordigers en vrije media, dit is geen garantie dat zij niet gehecht kunnen raken aan hun machtspositie en zullen proberen om deze positie te behouden; of dat zij zichzelf voorrechten zullen gaan toekennen. Hier is geen panacee tegen; het vereist van iedere persoon en organisatie oplettendheid en de bereidheid te protesteren en actie te ondernemen zodra duidelijk wordt dat dit plaatsvindt.
Een voorbeeld: de verleiding is groot voor politieke partijen, als zij eenmaal een meerderheid in de volksvertegenwoordiging hebben, een grondwet in te stellen; een wet waarvoor geldt dat meer dan een enkelvoudige meerderheid nodig is om deze te wijzigen (bijvoorbeeld tweederde of driekwart meerderheid) en die "fundamentele kwesties" regelt, zoals bijvoorbeeld de wijze van stemmen in verkiezingen. Hoewel partijen die hier voor zijn, zullen stellen dat dit noodzakelijk is voor de "stabiliteit" van de samenleving, wil ik er hier met klem voor waarschuwen. Zulke wetten zorgen meestal voor het bestendigen van de machtspositie van de gevestigde partijen en zorgen hoe dan ook voor stagnatie en stilstand. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat als er in de toekomst van de geschetste samenleving een meerderheid zou komen voor een terugkeer naar het economische vrije-marktstelsel, dit onmogelijk zou kunnen zijn gemaakt, doordat grondwettelijk is vastgelegd dat dit niet toegestaan is. Hoe aantrekkelijk dat ook lijkt voor diegenen die achter het democratisch communisme staan (waaronder ook ikzelf), het is toch een valkuil, want het zou betekenen dat een meerderheid van de mensen niet langer achter het maatschappelijk model staat; een recept voor ontevredenheid, verzet en woede. Beter is het dan om de wens van de meerderheid te respecteren, ook al is het een ongewenste ontwikkeling.
Overgangsperiode
Een samenleving zoals ik die hierboven heb geschetst, ontstaat niet in een keer; we zullen er geleidelijk naar toe moeten werken en gaandeweg de steun moeten verzamelen die nodig is om de verandering van onze huidige maatschappij naar een nieuwe mogelijk te maken.
Hiervoor zal de inspanning van veel mensen nodig zijn, en ook hun ideeen. Hier wil ik een paar ideeen geven over wat al gedaan zou kunnen worden om de eerste stappen te zetten.
Er kan een partij opgericht worden die het democratisch communisme aanhangt. Deze partij zou in het begin maar weinig zetels in de volksvertegenwoordiging hebben, maar op deze manier zou er wel bekendheid worden gegeven aan deze ideeen en de belangstelling van mensen zou kunnen worden opgewekt.
Mensen kunnen in hun persoonlijke leven er naar streven om minder te consumeren en zo de impact op het milieu te verminderen. Daarnaast kunnen zij zich inzetten voor allerlei vormen van maatschappelijke betrokkenheid (vrijwilligerswerk bijvoorbeeld) en manieren vinden om hun overtuiging en ideeen aan anderen kenbaar te maken, zonder dit aan anderen op te willen leggen.
Ook kunnen mensen proberen om vrij te raken van de financiele schulden die hen vasthouden in de plicht tot betaling van aflossingen en rente. Daarnaast kan getracht worden de politiek te winnen voor het idee om de rente op sparen en lenen geleidelijk af te schaffen, bijvoorbeld door er eerst een maximum aan te stellen en dit dan in stappen terug te brengen naar nul.
Verder kan het idee van duurzaamheid, wat al bij veel mensen leeft, nog verder gestimuleerd worden met allerlei initiatieven (acties, websites, verenigingen). Bijvoorbeeld zou het openbaar vervoer goedkoper kunnen worden gemaakt, om zo autogebruik te ontmoedigen.
Ook zouden een aantal zaken die nu in handen zijn van de private sector al onder gemeenschapsbeheer kunnen worden gebracht; bijvoorbeeld de zorgverzekering of de energievoorziening, die tenslotte al eerder een overheidsaangelegenheid zijn geweest.
Tenslotte, nogmaals, een vrije keuze voor het democratisch communisme is noodzakelijk; we moeten er achter staan en we moeten elkaar de tijd geven er naar toe te groeien. En als we het weer zouden kwijtraken, dan moeten we geduldig blijven strijden om het weer terug te krijgen, maar alleen met argumenten en ideeen en overtuigingskracht. Alleen op die manier kan een basis worden gelegd voor een gelukkige en rechtvaardige samenleving.
Reageren op dit artikel? Mail naar: hjtieman@hotmail.com
terug naar index