Biografie van 'de grootste man van België' (koningin Elisabeth)
BIOGRAFIE. Wat voert gij Huysmans in uw schild?
Op 15 oktober 1879 zat er welgeteld één leerling op de banken van het gemeenteschooltje van Bilzen: Camiel Hansen, die later als Camille Huysmans een van de grootste en kleurrijkste figuren uit de Belgische politieke geschiedenis zou worden. Huysmans werd geboren op 26 mei 1871 als zoon van een alleenstaande moeder, die in Luik bij een rijke familie werkte en daar een eerstejaarsstudent geneeskunde had ontmoet. De vader van Camiel wilde zijn studies afmaken alvorens te trouwen, maar zijn moeder wees haar vroegere minnaar de deur toen hij enkele jaren na de geboorte haar hand kwam vragen.
Grootvader David Hansen, ,,een reus van een vent met een gouden hart en witte krullen'', nam de rol van de afwezige vader op zich. Hij lag aan de basis van Camiels weinig conformistische keuze in volle schoolstrijd. Ofschoon hij zijn zondagsplichten vervulde en zeker niet ongelovig was, was Hansen, die als landmeter voor de staat werkte, een voorstander van het aan banden leggen van de invloed van de Kerk in het openbare leven. Hij was een van de twee Bilzenaars die het lef had lid te blijven van het plaatselijke schoolcomité van het openbaar onderwijs. Hiermee stelde hij zichzelf en zijn familie bloot aan zware represailles van de Kerk en de goegemeente. Op zondag werd hem in de mis de communie geweigerd en de melkboer wilde niet meer leveren ten huize Hansen. De eerste schooldag organiseerde de Bilzense deken eerst een mis voor de schoolgaande jeugd, waarna de kinderen processiegewijs naar de katholieke scholen trokken. Camiel Hansen, de enige leerling van de gemeenteschool, werd door een groepje leerlingen van de katholieke jongensschool uitgejoeld en op de kop getimmerd.
Het is maar een van de vele anekdoten die de Leuvense historicus Jan Hunin met veel smaak en zin voor detail vertelt in zijn lijvige studie over Het enfant terrible van de Belgische politiek. Vooral die persoonlijke toets maakt het boek zo leesbaar. Hunin onderstreept aan het eind van het boek dat Huysmans in de eerste plaats tot de verbeelding wilde spreken en voor de man in de straat een Jantje Contrarie was: ,,de flamingant die de rechten van de Franstalige minderheid verdedigde, de 'franskiljon' die in de Vlaamse beweging een hoofdrol speelde, de republikein die met koningin Elisabeth flirtte, de marxist die het communisme verafschuwde, de antifascist die in de bres sprong voor de slachtoffers van de repressie, de antiklerikaal die de rechten van het vrij onderwijs verdedigde, de vrijmetselaar die aanstuurde op een rooms-rode coalitie, de intellectueel die zijn populariteit aan het gewone volk te danken had''.
Hoe sappig Jan Hunin het tegendraadse karakter van Huysmans ook beschrijft, hij slaagt er niet in deze scherpzinnige en eigenwijze persoonlijkheid op een overtuigende manier in zijn historische context te plaatsen. Het boek dat gebaseerd is op het doctoraalonderzoek van de auteur, bewijst vooral dat Camille Huysmans niet voor één gat te vangen is. Hunin probeert constant een lijn te trekken in het rijkgevulde leven van zijn personage en weet geen raad met de complexiteit en de overgedetermineerdheid van het menselijke handelen. Hij heeft de neiging om Huysmans' traject louter in termen van politieke ambitie te verklaren, wat hem in de problemen brengt bij de interpretatie van zijn tegendraadsheid. De drijfveren van deze mefistofelische figuur blijven verborgen achter zinnetjes als ,,Huysmans was dan wel geen eerste minister geworden, maar het Kamervoorzitterschap was toch ook niet mis''. Ook de relatie tussen het individu Huysmans en de maatschappelijk-politieke context waarin hij zich bewoog, komt niet altijd goed doordacht over.
De feiten die Hunin uit bronnen en literatuur haalt en de interpretaties die hij eraan geeft, vloeien heel onduidelijk en suggestief in elkaar over. Het begint al bij het verhaal over de schoolstrijd, waar de kleine Camiel voorgesteld wordt als het slachtoffer van grootvaders stijfkoppigheid. Zo wordt het non-conformisme van Huysmans meestal afgedaan. Als ,,professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré supérieur'', afgestudeerd aan de Luikse normaalschool, kreeg hij van de homogeen katholieke regering geen baan als atheneumleraar. Een nieuwe wet op het hoger onderwijs, daterend van april 1890, had de normaalscholen opgedoekt en bij de universiteiten van Luik en Gent gevoegd. De laatste afgestudeerden, onder wie Huysmans, kregen geen doctorstitel meer, zodat ze niet langer benoemd konden worden aan een atheneum, waar voortaan een universitair diploma vereist was. Door de wet kwamen ook studenten uit het katholieke Leuven in aanmerking voor een benoeming aan een atheneum, een element waar de regering ruimschoots gebruik van maakte.
Terwijl Huysmans dus de dupe werd van een structurele maatregel, suggereert Hunin dat Huysmans zich beter gedeisd had gehouden als hij een benoeming ambieerde. Enkele jaren later, in 1897, Onderwijs ressorteerde toen onder Franz Schollaert - ,,die misschien het dossier van Huysmans minder goed kende... of al wat meer door de vingers zag'' - werd hij op het kabinet geroepen, met het oog op een mogelijke aanstelling. Huysmans kreeg er naar verluidt te horen dat er in het rijksonderwijs geen plaats was voor andersdenkenden. Als hij benoemd wilde geraken, werd van hem een verklaring verwacht over zijn politieke overtuiging. Voor Huysmans deed dat de deur dicht. Hunin ziet het evenwel anders: als ,,de stijfkoppige Camiel de zaken handig had aangepakt, dan was hij misschien naar buiten gewandeld met een benoeming als atheneumleraar op zak''.
In 1960 zou Huysmans in Volksgazet schrijven dat die brave minister van de voorhistorische tijd ervoor gezorgd had dat hij in de politiek was gegaan. Het jaar 1897 was inderdaad cruciaal in zijn leven: hij kreeg een aanstelling aan de Université Nouvelle, een afsplitsing van de ULB, waar het kruim van de toenmalige radicaal-liberale en socialistische intelligentsia rondliep, hij trouwde met Marthe Espagne (en niet Martha, zoals Hunin haar steevast noemt), werd vader en engageerde zich meer en meer in het Brusselse socialisme.
Huysmans maakte geen blitzcarrière in de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Hij kwam voor het eerst op bij de parlementsverkiezingen van 1900, in het katholieke Limburg, maar deed het daar lang niet zo goed als zijn politieke nazaat Steve Stevaert een eeuw later: 57 stemmen in het hele kanton Bilzen, zijn ,,thuishaven'', ,,zelfs door zijn eigen familie - zijn overgrootvader had honderden kleinkinderen en achterkleinkinderen - was Huysmans in de steek gelaten'', merkt Hunin op. In 1905 komt er een eerste doorbraak in de hogere regionen van de beweging, met zijn aanstelling als secretaris van de Tweede Internationale, die de toenmalige sociaal-democratische organisaties over de hele wereld groepeerde. Volgens Hunin was dit echter ,,een baantje zonder veel gezag'', dat uit niet veel meer dan brieven schrijven bestond, afgezien natuurlijk van de vele reizen en de contacten met de crème de la crème van de socialistische wereld! Pas in 1910 kon Camille Huysmans, hij liep dan tegen de veertig, zich ,,Mijnheer de Volksvertegenwoordiger'' noemen, een titel waar zijn oom Henri hem als kind mee plaagde.
Maar het was een andere, zelf gemunte titel, die van ,,kraaiende haan'', waarmee hij als kersvers parlementslid voor Brussel geschiedenis zou schrijven. De strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, die hij samen met de katholiek Frans van Cauwelaert en de liberaal Louis Franck ook buiten het parlement zou voeren, was een mijlpaal in de Vlaamse beweging en de Belgische politiek. Het strijdbare flamingantisme van Huysmans werd binnen de toenmalige BWP niet als een evident gevolg van de klassenstrijd beschouwd, de brug die hij naar de christelijke arbeidersbeweging probeerde te slaan evenmin. Er waren vanouds heel sterke banden tussen socialisten en radicale liberalen, terwijl het spanningsveld tussen sociale en Vlaamse eisen vaak tot scherpe interne conflicten aanleiding gaf. Huysmans' flamingantisme had naar eigen zeggen niet veel met nationalisme te maken: ,,Je ne suis pas nationaliste d'un sou, parce que je ne suis pas romantique de nature.'' Hij ijverde voor ,,een cultureel sterk Vlaanderen in een sociaal-economisch geordend België.'' En: ,,Hoe wilt ge de economie scheiden in twee delen van het land dat slechts de grootte heeft van een gevouwen zakdoek in de vorm van een driehoek?''
Vlak na de Eerste Wereldoorlog, toen hij tevergeefs geprobeerd had de Internationale weer te lijmen en in Stockholm een vredesconferentie te beleggen (1917), situeert zich volgens Hunin het belangrijkste wapenfeit uit Huysmans' politieke carrière. Onder het motto ,,Ik houd meer van scholen dan van schoolstrijd'' bevorderde Huysmans het tot stand komen van een schoolcontract in Antwerpen na de gemeenteraadsverkiezingen van 1921, wat de basis vormde van zijn ,,mystieke huwelijk'' met Van Cauwelaert. Huysmans werd schepen van Onderwijs en paste de nieuwe regeling voor subsidies aan het vrij onderwijs genereus toe, in ruil voor controle. Zijn partijgenoot Emmanuel de Bom schreef in Volksgazet :
Wat zal Kamiel als schepen zijn?
... tot heden telde men u als sphinx
Men kent u niet, noch rechts, noch links
Welke oedipus, welke nieuwe held
Verklaart het raadsel dat uw glimlach stelt...
Wat voert gij Huysmans in uw schild?
Zult ge eerlijk zijn en breed en mild
Voor elk, wat ook zijn mening zij?
Niet naar de geuzenwet? - Is 't ja, dan wast het tij
Het tij waste ook op nationaal vlak, eventjes toch: in 1925 werd Huysmans minister van Kunsten en Wetenschappen in de ,,travaillistische'' regering-Poullet-Vandervelde, die maar een kort leven beschoren was (1925-1926) en daarna ook in de drieledige regering-Jaspar (1926-1927). Hij liet op onderwijsgebied echter weinig ,,spetterende dingen'' zien als minister, vindt Hunin. Huysmans werkte zich naar zijn oordeel meer in de kijker met zijn rol bij het ,,Compromis des Belges'' binnen de BWP (1929), een tekst over cultuurautonomie en taalhomogeniteit die de weg vrijmaakte voor een positieve opstelling van de BWP tegenover de vernederlandsing. Volgens Hunin was Huysmans eind 1929 ,,de feitelijke nummer één'' geworden binnen de socialistische partij, wat overdreven is. Na het congres van november 1931 speelde hij weer ,,cavalier seul'' en trok hij zich terug uit de nationale partijcenakels.
Begin 1933 werd Huysmans burgemeester van Antwerpen, dit keer in een coalitie met de liberalen, iets waar Hunin amper op ingaat. De rol van Huysmans bij het bevorderen van de socialistische deelneming aan de eerste regering-Van Zeeland in 1935 wordt dan weer sterk opgeblazen. In dat tijdsgewricht, gemarkeerd door de opkomst van de Nieuwe Orde, was ,,Escamillo'' absoluut niet geënthousiasmeerd door de nieuwe, autoritaire wind die met Hendrik de Man door de gelederen van de arbeidersbeweging waaide en sympathiseerde hij actief met de zaak van de Spaanse republiek. Hij maakte in 1937 een reis naar Spanje, waar hij de staatsgreep van Franco in scherpe bewoordingen veroordeelde. Huysmans, die in 1936 Kamervoorzitter was geworden, kreeg hevig protest te verduren vanop de banken van Rex en VNV. Het kwam tot een regelrechte veldslag in de Kamer, waarbij vertegenwoordigers van links en rechts met elkaar op de vuist gingen. Huysmans' links engagement belette niet dat hij voorstander was en bleef van amnestie voor activisten na de Eerste Wereldoorlog, een soepele houding die hij consequent zou doorzetten met betrekking tot het repressievraagstuk na de Tweede Wereldoorlog. Hunin besteedt er ruim aandacht aan en citeert Huysmans' gulden regel: ,,Wanneer een veroordeelde slechts een politieke dwaling heeft begaan en die dwaling erkent, en de pret niet heeft zijn dwaling als een decoratie van goed gedrag te beschouwen, dan is er nog wat aan te doen''.
In 1946-1947, hij was toen al 75, was Huysmans zeven maanden eerste minister van een linkse regering die hij zelf als ,,de meeuw op één poot'' afschilderde. Daarna kon hij nog even van de macht proeven als minister van Onderwijs (1947-1949), maar vanaf de jaren vijftig was zijn politieke rol min of meer uitgespeeld, ook al bleef hij actief: ,,Om jong te blijven moet men werken. Eens dat men op gevorderden leeftijd het werk neerlegt dan wordt men werkelijk oud en sterft men.'' Als 94-jarige kwam hij op met een linkse scheurlijst ,,De Socialist'' en sleepte nog vijftienduizend stemmen in de wacht. Niet genoeg om de eerste honderdjarige in het Belgische parlement te worden.
Het flamingantisme van Camille Huysmans en de trait-d'union met de Vlaamsgezinde katholieke democraten, die nu eens doorkruist, dan weer verstevigd werd door de schoolkwestie, vormen de centrale invalshoek van het boek. Het filigraan wordt duidelijker zichtbaar bij de beschrijving van Huysmans' politieke carrière na de Eerste Wereldoorlog. De bijdrage van het socialisme en de christen-democratie aan de Vlaamse zaak is een interessant thema, dat stof blijft bieden voor zeer levendige en vaak verhitte discussies tussen Leuvense historici en hun evenknieën uit Gent en Brussel.
Is de contemporaine geschiedschrijving in Vlaanderen dan nog altijd ,,verschrikkelijk verzuild'', zoals Jan Hunin in zijn inleiding een beetje sarcastisch aanklaagt? Mijns inziens niet, dit Leuvense doctoraat over een socialistische politicus is een duidelijk symptoom van de ontzuiling en dat is alleen maar toe te juichen. Alleen, het draagt een Leuvense stempel, wat geen kwestie van partijdigheid is, maar van achtergrond, affiniteit en aandacht voor bepaalde aspecten ten koste van andere: geen enkele historicus kan een goddelijke positie innemen en alles tegelijk overschouwen of even belangrijk vinden. Hunin heeft weinig affiniteit met de marxistische ideologie en de geschiedenis van de Belgische sociaal-democratie. Ook dat hoeft op zich geen verwijt te zijn. Maar door zijn ambitie om een totaalportret te schilderen, stelt hij zich bloot aan de kritiek van diegenen die vanuit een ander perspectief andere aspecten van Huysmans' engagement hadden doen oplichten.
Uiteindelijk krijgen Hunins conclusies het karakter van een ,,self fulfilling prophecy''. Hij brengt de betekenis van Camille Huysmans vooral terug tot zijn rol als bindmiddel tussen socialisten en christen-democraten: ,,Met zijn doorslaggevende rol bij de totstandkoming van de vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen en met zijn optreden als wegbereider van het schoolpact zou Huysmans niet alleen een vernietigende slag toebrengen aan de twee pijlers waarop de samenwerking tussen liberalen en socialisten steunde - antiklerikalisme en Fransgezindheid - maar zou hij bovendien de poort naar een rooms-rode coalitie wijd openzetten.''
Tijdens de kinderjaren van Jan Hunin, de jaren zeventig, was het Huysmans-onderzoek bijna een aparte discipline binnen de nieuwste geschiedenis. Toen de contractuele monopoliehouder van de Huysmans-documenten, De Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, in de vroege jaren tachtig verdween, verdorde die eens zo bloeiende tak van de sociaal-politieke historiografie. Er resten ons uit die periode een aantal grondige deelstudies over aspecten van Huysmans' leven en werk, van de hand van Herman Balthazar, José Gotovitch, Denise De Weerdt en Wim Geldolf, over Huysmans en Duitsland, Huysmans in Londen, Huysmans en de cultuur,... In 1996 verscheen Stockholm 1917. Camille Huysmans in de schaduw van titanen van Wim Geldolf. Een synthese over het leven van Camille Huysmans was dus welkom. Het boek van Jan Hunin biedt ook meer dan een compilatie van het bestaande materiaal: nieuw bronnenonderzoek, een nieuwe focus en dus nieuwe discussiestof, zodat het misschien de aanzet kan zijn voor een relance van het onderzoek.
Toevallig of niet, ongeveer tegelijk met Het enfant terrible verscheen Camille Huysmans en Lode Craeybeckx 1922-1968. Het verhaal van een politieke relatie in goede en kwade dagen van Wim Geldolf, die Huysmans persoonlijk gekend heeft. Dit boek is heel anders qua aanpak en stijl: de nauwkeurigheid waarmee de documenten gerespecteerd worden, zorgt ervoor dat de studie lijkt op een grondig geannoteerde bronnenuitgave, waar veel nieuw voer voor historici, tijdgenoten en geïnteresseerden in zit. Als je bijvoorbeeld de behandeling van het meest dramatische conflict tussen Huysmans en Craeybeckx, de strijd om het burgemeesterschap van Antwerpen in 1947, naast die van Hunin legt, merk je goed dat Hunin lang niet alle draden van een vrij complex kluwen heeft kunnen ontwarren. Storender is dat hij op de foto van de festiviteiten rond ,,Camille 80'' in 1951, toen heel Antwerpen rood zag, Max Buset, die in de stoet naast Huysmans liep, voor Craeybeckx houdt, terwijl die laatste bewust niet bij de viering was betrokken.
Als jonge snaak een volledige biografie schrijven van een man die bijna honderd jaar heeft geleefd is een ambitieuze opdracht. Zeker als die man zodanig veelzijdig was dat zijn bezigheden eigenlijk goed waren om ,,twee, drie levens mee te vullen'', zoals Huysmans' trouwe medewerker Julien Kuypers het uitdrukte. Wetenschappelijk is dit boek geen hoogvlieger: de afwezigheid van een probleemstelling waardoor je als lezer het raden hebt naar de reden van grote hiaten en leemten, een onduidelijk heuristisch parcours, vage bronaanduidingen, te veel feitelijke onnauwkeurigheden, interne tegenspraken en slordigheden.
Jan Hunin heeft met zijn imposante synthese duidelijk geen boek willen schrijven dat alleen bestemd zou zijn voor het kleine wereldje van beroepshistorici. Het enfant terrible is badinerend en lichtvoetig geschreven, in een jolige stijl, met veel retorische vragen en hippe idiomen. De auteur dist een goed verhaal op, met name als het gaat om de aandoenlijke en kleine kantjes van deze ,,grote man'', door koningin Elisabeth zelfs uitverkoren als ,,le plus grand homme de Belgique''. In ieder geval komt Jan Hunin tegemoet aan Camille Huysmans' persoonlijke wensen rond zijn biografie: het moest een roman worden, een mengeling van ,,Wahrheit und Dichtung'' en niet al te serieus.
JAN HUNIN, Het enfant terrible. Camille Huysmans 1897-1968 , Meulenhoff/Kritak, Amsterdam, , 590 blz., 998 fr. WIM GELDOLF, Camille Huysmans en Lode Craeybeckx 1922-1968. Het verhaal van een politieke relatie in goede en kwade dagen , Facet, Antwerpen, 328 blz., 1200 fr. (te bestellen bij Agora, Capucienenlaan 49, 9300 Aalst)