Voedselrelaties in een viswater

Voedselketen | Voedselkringloop | Voedselweb

Naarmate er meer bekend werd over de vele planten en dieren, in en bij een water, groeide het inzicht dat er tussen al die levensvormen vele onderlinge relaties bestaan.

Zo voedt dierlijk plankton zich veelal met de veel kleinere plantaardige plankton soorten. De grotere dierlijke planktonsoorten (groot betekent hier hooguit enkele milimeters) voeden zich echter ook met hun kleinere (dierlijke) soortgenoten en zelfs met vislarven van enkele dagen oud.De waterdieren die wat groote betreft volgen op het plankton, zoals wormen, slakken, mosselen en insekten, worden ook wel aangeduid met de verzamelnaam macrofauna. Deze dieren voeden zich behalve met dierlijk plankton en andere diertjes vooral ook met allerlei afgestorven plantaardig en dierlijk materiaal. De larve van de libelle is zelfs in staat om kleine vissen te verschalken. Van karper is bekend dat deze zich o.a. voedt met muggelarven en slakken. Jonge karper voedt zich daarentegen vooral met dierlijk plankton (o.a. watervlooien).

Snoek wordt gerekend tot de roofvissen, omdat hij vooral vis eet.

Welke vis is voor de snoek niet zo belangrijk: hij vreet wat hij te pakken kan krijgen, of dat nu witvis is, of andere roofvis, zoals jonge snoek. Jonge snoek van enkele dagen oud leeft daarentegen alleen van dierlijk plankton.

Zo zijn er nog talloze voorbeelden te noemen van de (voedsel)relaties die er bestaan tussen de organismen in een viswater.

Voedselketen  

We kijken nog even naar de karper. De voedselrelatie van karper zou bijvoorbeeld kunnen zijn als in de volgende voedselketen.

algen -->

daphnia(watervlo)-->

larve van kokerjuffer-->

Karper

plantaardig plankton

dierlijk plankton

macrofauna

 

De pijltjes laten zien waar de voedingsstoffen terecht komen. De karper eet de larve van de kokerjuffer; deze eet de daphnia; de daphnia leeft van algen.

Het probleem met dit schema is dat het de werkelijkheid te sterk vereenvoudigt. Het laat bijvoorbeeld niet zien dat de larve van de kokerjuffer ook door andere vissoorten of door (roof)kevers, waterspinnen en talloze andere ongewervelde dieren wordt belaagd.

Ook laat het schema niet zien dat karpers naast larven van de kokerjuffer ook nog vele andere soorten bodemdieren eten en dat ook die bodemdieren wellicht dapnia's eten.

Het schema geeft de werkelijke voedselrelaties in een viswater dus maar zeer ten dele weer.

Voedselkringloop  

Hoe kunnen we dan wel weergeven hoe de voedselrelaties in een viswater zijn gerangschikt?

We kunnen beginnen met een algemene indeling die voor elk viswater opgaat. Een voedselketen begint altijd met producenten van organisch materiaal. Dit zijn voornamelijk groene planten, omdat deze in staat zijn om water en koolzuurgas met behulp van zonlicht (energie) om te zetten in organisch materiaal. Daarbij wordt een gedeelte van de zonne-energie in dit materiaal opgeslagen. Dat geldt zowel voor hogere als voor lagere planten, zoals microscopisch kleine algen. Dit proces wordt fotosynthese genoemd (foto = licht en synthese = samenvoeging). Hierbij komt zuurstof vrij als waardevol "afvalprodukt".

De producenten worden in een voedselketen gevolgd door de zogenaamde consumenten. Deze organismen kunnen planten (of plantaardig plankton)

eten en worden dan herbivoren genoemd, zoals bijv. de daphnia.

Andere consumenten-organismen leven echter van dieren, zoals insektelarven en kevers, en worden carnivoren genoemd.

De producenten en consumenten in een viswater hebben uiteraard geen onbeperkte levensduur. Ook voor die individuen, die niet door andere gegeten worden zal er dus een tijd van afsterven komen.

Daarmee ontstaat dan het voedsel voor de derde groep organismen in een viswater, de zogenaamde afvalopruimers of reducenten*. Dit zijn veelal schimmels en bacteriën. Zij zetten het dode materiaal van planten en dieren om in eenvoudige chemische stoffen, zoals fosfaten en nitraten. Deze stoffen, ook wel mineralen genoemd, zijn weer nodig voor de groei van planten.

Op deze wijze is de voedselketen geworden tot een kringloop.

In de kringloop van een voedselketen is er dus sprake van een voortdurende doorstroming van materiaal. Kenmerkend voor een kringloopproces is dat er geen echt begin- en eindpunt is.

Uit het aanwezige materiaal worden achtereenvolgend steeds andere organismen opgebouwd, zonder dat daarvoor nieuwe bouwstoffen moeten worden aangevoerd.

Het enige dat steeds van buitenaf moeten worden toegevoerd om de kringloop draaiende te houden is zonlicht als energiebron.

In een kringloopproces is er dus sprake van hergebruik of recycling van materiaal. Het opnieuw gebruiken van afvalprodukten, zoals men tegenwoordig in onze maatschappij tracht te realiseren, is in de natuur dus heel gewoon.

Voedselweb  

We hebben de voedselkringloop hierboven vereenvoudigd tot één lijn.

Als we zo'n kringloop gaan invullen met concrete planten en dieren blijkt er evenwel nooit sprake te zijn van één lijn. Een organisme eet altijd meer dan één bepaalde plant- of diersoort en wordt zelf ook door meer dan één enkele diersoort gegeten.Wanneer we het hele patroon van "eten" en "gegeten worden" in kaart gaan brengen ontstaat daardoor een ingewikkeld netwerk. Vandaar dat we niet van voedselkringloop maar van voedselweb spreken.

De omzetting van eenvoudige chemische verbindingen in organisch materiaal geschiedt ook hier weer door waterplanten en plantaardig plankton.

Het plantaardig plankton wordt weer gegeten door dierlijke planktonsoorten die op hun beurt weer gegeten worden door bijv. jonge vis of insektelarven. Al deze kleine dieren worden gegeten door bijv. blankvoorns, waterkevers en kikkers, die op hun beurt weer het voedsel vormen voor roofvissen, zoals de baars. Tenslotte worden al deze dieren, dus ook de baars, gegeten door de (grote) snoek.

Het ging in het voorafgaande om een grote snoek. Voor een snoekje van enkele centimeters groot ontstaat er een totaal ander voedselweb.

De jonge snoek krijgt dan een plaats die enigszins te vergelijken is met de plaats van de waterkevers in het voedselweb van de grote snoek. Net als de waterkevers voedt de jonge snoek zich met insekten en dierlijk plankton en wordt zelf gegeten door bijv. baars, grote kevers en niet te vergeten door snoek.

De plaats van een vis in een voedselweb is dus van verschillende factoren afhankelijk. Belangrijk zijn daarbij o.a. leeftijd, grootte en uiteraard de aantallen die van de mogelijke prooi-organismen in het viswater voorkomen. In al deze factoren kan zoveel variatie optreden dat we nooit kunnen spreken van hét voedselweb van dé snoek, maar alleen van een mogelijk voedselweb van grote snoek in een bepaald water. Voor een dergelijk voedselweb kunnen dus ook andere mogelijkheden worden gegeven die in het algemeen allemaal zouden kunnen gelden. Welk voedselweb in een bepaald viswater de werkelijkheid het dichtst benadert is alleen na veel onderzoek te zeggen. Hiervoor wordt o.a. gebruik gemaakt van maaganalyses. Zodoende kan worden nagegaan wat een dier aan voedsel tot zich heeft genomen. Hiermee kunnen alleen betrouwbare gegevens worden verkregen, wanneer deze maaganalyses gedurende lange tijd achtereen worden uitgevoerd.

 

Hosted by www.Geocities.ws
GridHoster Web Hosting