Eenzaamheid.
Knieën opgetrokken.
Gebogen over me eigen heen.
Kijkend steeds de andere kant op
Niemand die me beschermd.
Niemand enkel voor mij alleen.
Van veraf draait de wereld door.
Vleugels omarmen mij nacht.
Voel toch liefde en aandacht.
Ik ben hier lichamelijk aanwezig.
Maar voel me soms zweven.
Me gedachten nemen me mee.
Want in die wereld ben ik niet alleen.

Ogen die staren,
Naar binnen schijnend, toch vriendelijk terug lachend.
Intussen van binnen radeloos de weg kwijt.
Niet voelend, niet begrijpend, alles is wazig.
Niet meer wetend te zijn wie ik ben.
Adem verstokt in me keel.
Woorden komen er niet uit, enkel geluid dat lijkt op praten.
Maar achter die stem schuilt gehuil.
Kon ik maar een andere deur nemen, andere stap zetten.
Vliegen hiervandaan.
Mensen doorzien achter het verhaal.
De waarheid zien , mijn waarheid zien.

Elk persoon is uit op zelfverrijking.
Wil je overleven dan speel je het speel mee.
Kan je de regels niet, faal je uiteindelijk?
Geef dan de andere de schuld.
Jouw treft geen blaam.
Dat leven kan ik zo niet lijden,
die weg kan ik niet bewandelen.
Dat leven kan ik niet meer lijden.
Ik wil puur, vredig mijn pad vervolgen.
En kan dat niet!. Laat dan het doek maar vallen.
Laat dan het licht maar uitgaan, het duisternis intreden.
Laat mij dan maar door de tunnel van pure liefde, kleur
voorbij de eenzaamheid zweven.

Zolang blijf ik hier gebogen, beschermend en wegkijkend
op afstand leven.

Ik raak steeds verder verwijderd,
verwijderd van mijn vrienden, kennissen en familie.
Verwijderd van de leerlingen en leraren op school van de koeien de paarden en de schapen in de wei.
Het is alsof ik langzaam weg zweef, van al deze 'mooie' dingen.
en waarheen dat weet ik niet.

Ik ben niet meer aanwezig bij het avondeten, of op school in de klas.
Er is niemand die mij opmerkt, het is alsof ik onzichtbaar ben.
Alsof ik overleden ben en het leven rustig door gaat zonder dat iemand mij mist.
Ik zie de lege stoel aan tafel, daar waar ik altijd zat.
Mijn moeder die gekookt heeft en niemand die iets at.
Iedereen met rood betraande ogen starende naar zijn bord.
En er is niemand die wat zegt of eet, zo stil is het nog nooit geweest.

Ik laat mijn ouders en broer achter daar aan tafel in de keuken.
en loop nu naar de stallen.
De paarden eten rustig door, en merken niet dat ik naar ze kijk.
Ben ik dan werkelijk een geest die ronddwaald vol ongeluk?
Ik kan niks voelen, ben leeg van binnen wat is het toch met mij?

Rustig aai ik alle paarden nog even voor de laatste keer en loop dan weer naar binnen waar iedereen nog zo zit als ik ze achterliet.
Langzaam loop ik naar boven, daar waar mijn kamer is.
Een grootte rode vlek op de vloerbedekking het is bloed.
Wat is er gebeurd in mijn kamer toen ik er even niet was.

Ik ga op mijn bed liggen en sluit mijn ogen.
Opeen zie ik alles weer voor me en wil gaan gillen maar het gaat niet.
Ik zie voor me hoe mijn vader mij sloeg, hoe mijn moeder mij een kreng noemde en mijn broer die niks deed.
Hoe de jongens mij achterna zaten en de leraren op school niks deden.

En dan als allerlaatste zie ik mijn eigen dood,
hoe ik mijn mooie mes uit Noorwegen pak en mijn polsen er mee door snij.
Ik hoor mijzelf weer zeggen: al ben ik dan een kreng, ik heb dit voor jullie gedaan, ga rustig verder met leven.
Van mij hebben jullie geen last meer, dus wees vrolijk.
Vaarwel wrede wereld vol oorlog en oneerlijkheid, mij doe je nu geen pijn meer.
Op aarde heb ik genoeg geleerd dus kom hier niet meer terug.
En waarheen ik ga dat weet ik niet.

Home

Hosted by www.Geocities.ws

1