OVERDRACHT EN TEGENOVERDACHT : WAT BEDOELT MEN HIERMEE ?
Het begrippenpaar overdracht/tegenoverdracht stamt uit de psychoanalytische theorie over de therapeutische relatie. De acties van de cliënt zijn een mengeling van actuele gedragingen die horen bij zijn huidige situatie en gedragingen die horen bij ervaringen en situaties uit diens verleden.
Het gedrag, en ook onze gedachten en emotionele reacties worden eerder bepaald door factoren die werkzaam zijn in ons onbewuste, dan door wat wij in ons bewuste voor onszelf formuleren. In principe kunnen de factoren, die in het onbewuste werkzaam zijn, bewust worden, en in de mate dat dit meer het geval is, kan een persoon als een coherentere eenheid, en met meer zelfkennis handelen. Maar met de huidige stand van de psychologie zal dit nooit volledig het geval zijn. Wij zullen dus steeds met het bestaan van een groot aantal onbewuste factoren rekening moeten houden.
In de psychoanalyse ziet men overdracht als een inadequate interpretatie van de actuele omgeving waardoor de cliënt onbewust tekorten uit het verleden probeert te repareren. Of in de woorden van analyticus Fenichel: "In de overdracht begrijpt de patiënt het heden verkeerd, als ware het heden diens verleden; en dan probeert hij (...) het verleden te herleven en het nu met meer tevredenheid te beleven dan hij in zijn kindertijd deed. Hij draagt zijn houding uit het verleden over op het heden." (Chessick [ref 15] 1986:14).
Tegenoverdracht is moeilijker te omschrijven. De therapeut reageert op de cliënt. Dit zijn natuurlijke, persoonlijke en professionele reactiewijzen, die niet altijd voort hoeven te komen uit eigen onverwerkte conflicten van de hulpverlener. Deze omschrijving van tegenoverdracht als het geheel van reacties van de hulpverlener wordt in de psychoanalytische literatuur de 'uitgebreide definitie' genoemd. (Laplanche en Pontalis [ref 16], (1973:93). Wanneer tegenoverdrachtreacties worden beperkt tot reacties van de hulpverlener die voortkomen uit eigen, onverwerkte conflicten noemt men dit de 'beperkte definitie'.
Keuze voor de ruime definitie heeft als consequentie dat tegenoverdracht zowel kan slaan op eigen onverwerkte conflicten als op gewone persoonlijke reacties van de hulpverlener. Binnen deze reacties zal hij ernaar streven zijn therapeutische positie te behouden. De therapeut zal steeds zo proberen te reageren dat de cliënt een therapeutische ontwikkeling kan doormaken. Wanneer de therapeut reageert op een manier dat de cliënt hierin belemmerd wordt, is er sprake van tegenoverdracht.
Sekse van de hulpverlener, diens sociaal-maatschappelijke positie, culturele achtergrond en de persoonlijke levensgeschiedenis bepalen mede of, en op welke wijze tegenoverdracht optreedt. Hierdoor neemt tegenoverdracht uiteenlopende vormen aan. De ene hulpverlener is gevoeliger voor overdracht op bepaalde gebieden dan de andere en onderscheidt zich daarin van zijn collega's. Deze gevoeligheden worden niet altijd en bij voortduring aangesproken in de hulpverleningsrelatie, maar in bepaalde omstandigheden geactiveerd.
Overdracht of 'Übertragung', zoals Freud het noemde, is dat men in een situatie in het heden nooit voor honderd procent adequaat in de tegenwoordige tijd zit, maar dat er deels (onbewust in de regel) een herhaling plaatsvindt van een analoge emotionele relatie uit de vroege jeugd. Iemand heeft bijvoorbeeld een glas wijn gedronken, zit in de auto en wordt aangehouden voor een alcoholcontrole. Dat is een onaangename situatie, hoewel hij rationeel weet dat er niks kan gebeuren. In de relatie tussen de agent en de chauffeur zit een bepaalde emotionele lading van vroeger, zoals die van het kleine jongetje tegenover de strenge vader. Zo speelt overdracht in het dagelijks leven altijd een rol.
Freud ontdekte het concept van overdracht in zijn vroege ervaringen met patiënten. Het viel hem op dat die zich soms negatief jegens hem opstelden, terwijl daar geen reden voor was, omdat hij strikt neutraal bleef. Toen vond hij dat het een herbeleven moest zijn van de vroege gevoelens van de patiënten tegenover hun vader. In eerste instantie dacht hij dat dit de psychoanalyse verstoorde, maar naderhand kwam hij tot de slotsom dat dit juist de leidraad is van het psychoanalytische proces. Doordat de patiënt op de divan ligt en de analyticus onzichtbaar is wordt de overdracht sterk gestimuleerd. Door deze te analyseren had hij een instrument in handen gekregen om het proces verder te leiden
Tegenoverdracht is de onbewuste reactie van de analyticus die zit te luisteren naar de onbewuste overdracht van de analysant. Het gaat over en weer en het ene bestaat nooit zonder het andere. De analyticus voelt bijvoorbeeld plotseling slaap opkomen en heeft moeite zijn ogen open te houden. Dat kan tegenoverdracht zijn, omdat de patiënt die slaapgevoelens bij hem opwekt. Men is gaan beseffen dat zulke reacties aandachtig bestudeerd moeten worden, want ze geven belangrijke indicaties.
HISTORIEK
Het was Freud opgevallen dat zijn patiënten tijdens de psychoanalytsiche gesprekken vaak gevoelens ten opzichte van hem begonnen te koesteren, zonder dat bepaade gebeurtenissen of gesprekken tijdens de therapie daar aanleiding toe gaven. Deze gevoelens konden zowel negatief (onverdiende agressie) als positief (ongegronde verliefdheid) zijn. Deze gevoelens bleken vaak al aanwezig te zijn van bi het begin van de therapie.
Deze gevoelens bij de patiënt waren alles behalve bijkomstig. In feite bepaalden ze grotendeels de reacties van de patiënt tegenover de therapeut, zelfs voor die themaís die niets te zien hadden met deze therapeut.
Stilaan werd hem duidelijk dat deze gevoelens, of gevoelsmatig gekleurde attitudes, sterk verband hielden met de probleempersonen die de patiënt vroeger ontmoet had, bv. een autoritaire vaderfiguur. M.a.w., het was alsof de patiënt ten opzichte de persoon van de therapeut dezelfde gevoelens begon te beleven als tegenover zijn te sterke vaderfiguur, enz. Het is alsof de patiënt zijn problemen projecteerde op de therapeut. Freud is dit fenomeen de overdracht (Fr. transfert, Eng. transference) gaan noemen. Hij besefte gaandeweg het grote belang van dit fenomeen, niet enkel voor het begrijpen van wat zich in de therapie afspeelt, maar ook als centraal proces in het therapeutisch gebeuren.
Later merkte hij dat niet alleen de patiënt, maar ook de therapeut zelf dergelijke projecties maakte. Ook de therapeut ging ten opzichte van de patiënt bepaalde gevoelens koesteren, die miets te zien hadden met het gedrag of de verhalen van de patiënt, maar die meer verband hielden met de eigen emotionele en psychologische voorgeschiedenis van de therapeut. In het begin dacht Freud dat deze gevoelens bij de therapeut een reactie waren op de overdracht van de patiënt. Hij noemde de gevoelens bij de therapeut dan ook tegenoverdracht (Fr. contretransfert, Eng. countertransference). Later besefte hij dat het voorkomen en de mededelingen van de patiënt weliswaar een rol spelen, maar dat de tegenoverdracht vooral verklaard moet worden vanuit de psyche van de therapeut.
Vele decennia heeft men gedacht dat overdracht en tegenoverdracht een soort eigenaardige zaken waren, die zich enkel binnen de nogal eigenaardige context van de psychoanalyse voordeden. Mettertijd is men gaan beseffen dat het een algemeen menselijk verschijnsel is, dat mede aan de basis ligt van sympathieën en antipathieën, vooroordeel, racisme, en elke irrationele vorm van gedrag en gevoel. Plaatsen waar het vooral een rol speelt zijn: de relatie leraar-leerling, baas-ondergeschikte, oudere-jongere, opvoeder-opvoedeling, enz.
om verder te gaan : druk hier