La jouissance :

De vier oorspronkelijke concepten (het onbewuste, de herhaling, de overdracht, de drift) hebbens stilaan plaats gemaakt voor concepten die weliswaar fundamenteel zijn voor Lacans werk, maar zonder dat ze als de fundamentele concepten worden beschreven. Niettemin worden ze op systematische en zorgvuldige wijze geanalyseerd, vanuit het methodische uitgangspunt dat Lacans werk uitdrukkelijk als een eenheid moet worden gelezen (zonder epistemologische breuken). Dit betekent echter niet dat zijn werk gepresenteerd kan worden als een eenduidige theorie. Voor elk van de gekozen concepten geldt dat sprake is van wat je een consistente meerduidigheid zou kunnen noemen. Bij elke Lacaniaanse grondterm is er een permanente spanning of interactie tussen (een beperkt aantal) grondbetekenissen. En hoewel in de ene tekst de ene grondbetekenis, en in de andere tekst de andere grondbetekenis nadrukkelijker op de voorgrond treedt, zijn deze fundamentele betekenismogelijkheden nooit geheel afwezig.
Waar het genot door Lacan in een eerste tijd enkel negatief gedefinieerd wordt als een niet lust, bevrediging of verlangen, maar als iets Anders, poneert Lacan het genot als concept, dat steeds minstens dubbel is.
Of anders: waar in de eerste periode de Ander als symbolische grootmacht de plak van de norm zwaait waaraan het subject zich conformeert via de identificatie met een semblant om het genot in cultuur te brengen, zal in de tweede periode het ge�nificeerde genot van de vertrekbasis zijn om in een referentie naar de fallus naar de Ander uit te reiken.
In het eerste geval hebben we dus het freudiaanse schema van het kind dat leert zich te identificeren aan het ideaal van het re�le dat hem via de Ander wordt aangereikt. De Ander maakt via de betekenaar aan het kind duidelijk hoe het zich moet gedragen om gezien te worden als een jongen of een meisje om aldus het genot te lokaliseren.
Het genot an sich, het ge�nificeerde genot op niveau van het zijn van het niet geseksueerde wezen, wordt opgegeven voor een genot dat betekend wordt door het re�le, waartegenover het subject zich positioneert in een seksuele positie.
Dit voorbijgaan aan de Oedipus via de seksurering. is naar mijn mening dan ook een logisch gevolg van de conceptie van de Ander, die in een eerste tijd geponeerd wordt als de schat van betekenaars, waar het kind zich naar moet richten om een plaats toegediend te krijgen, zoals Lacan het uittekent op zijn graf.
Deze Ander zal gaandeweg, samen met de teloorgang van de vaderfiguur aan het genot ten onder gaan.
Het gaat er dus niet meer om het genot te lokaliseren met behulp van de betekenaars die door de Ander worden aangereikt, zoals de Naam-van-de-Vader en de Fallus.
De betekenaar veroorzaakt het genot en roept het een halt toe. Om dit te begrijpen, moeten we dus voorgaande evolutie in het denken van Lacan vatten. Het laatste blijkt geen problemen op te leveren om te denken: de betekenaar is de dood van het ding; door de intrede in het symbolische, wordt het genot in cultuur gebracht. Om te kunnen genieten, moet het subject het genot opgeven, dat bijvoorbeeld de autist kenmerkt: het onbewerkte, ongebreidelde jouissance masturbatoire de l�idiot om Lacan te parafraseren. Maar, zeggen dat de betekenaar het genot veroorzaakt, blijkt niet zo eenvoudig te vatten. Lacan legt ons uit dat dat het subject, opdat hij zou kunnen genieten, langs de fallische betekenaar moet passeren in de seksuering. Het genot verwordt pas tot genieten, als het gefalliciseerd is.
Het genot is dan niet meer het genot van het lichaam op zich, maar genieten van een deel van het lichaam van de Ander. Dit is pas mogelijk als dit lichaam betekend is, door de molen van de betekenaar wordt gedraaid om het te doen ex-isteren:
Om dit te situeren lijkt het mij dan ook interessant om aan te tonen wat er gebeurt bij een subject dat het lichaam niet betekent door de fallus, zoals dit het geval is bij de schizofrenie.
Bij de schizofreen geniet het subject niet, en nog minder van een deel van het lichaam van de Ander. Het lichaam van de schizofreen ex-isteert niet, is van de orde van het zijn. Vandaar dat het juist binnen deze klinische categorie is, dat we een fenomeen zoals automutilatie terugvinden.
In dit verband is de betekenaar �mutilatie� trouwens niet op zijn plaats, vermits er geen lichaam is dat kan gemutileerd worden. In tegendeel, de zogeheten automutilatie is een verwoede poging van het psychotische subject dat overgeleverd is aan een allesomvattend genot om zijn lichaam te doen ex-isteren buiten het re�le om, via de snede, het bloed en de aaneenschakeling van littekens.
De introductie van het genot betekent geen breuk met de kliniek van de betekenaar, maar een koppeling van beide concepten aan elkaar.
Zonder genot geen betekenaar, zonder het re�le geen seksueel genieten.
Deze term heeft naast een seksuele ook een rechtsfilosofische betekenis. De eigenaar die aanspraak maakt op een goed, geniet. een aantal rechten. In Hegels dialectiek van Heer en Knecht wordt de arbeid aan de zijde van de knecht, en het genot aan de zijde van de heer gesitueerd. Arbeid is in essentie uitgesteld genot, maar een uitstel dat toch weer een heel eigen soort genot oplevert. Deze meerduidigheid is (minstens op de achtergrond) altijd aanwezig wanneer Lacan zich van de term genot bedient. Waar het de seksuele betekenis betreft moeten we genot uitdrukkelijk niet met puur lichamelijke lustbeleving identificeren. Genot is niet een sensatie waarmee de bevrediging van een biologische behoefte gepaard gaat. Veeleer is genot een essenti�le dimensie van het verlangen zelf. We genieten van ons verlangen. In het verlangen is het ons eigenlijk niet om het object, maar om het genot van het verlangen zelf te doen.
In latere teksten ligt de nadruk op de problematiek van het verlangen van de ander, met name de obsessie (van de minnaar) dat de ander (de beminde) een intens genot ervaart dat de minnaar zelf niet kent en waarvan hij/zij zelf verstoken blijft. Enerzijds stelt Lacan dat de gedachte dat de ander intenser zou genieten dan wij zelf een illusie is. Niettemin zijn er momenten waarop Lacan suggereert dat er wel degelijk een ander is wiens genot (masculien geformuleerd) wezenlijk intenser is dan het "onze", namelijk de vrouw. Er lijkt dan een verschil te bestaan tussen mannelijk en vrouwelijk genot. Terwijl het genot van zowel man als vrouw in beginsel gecentreerd is rond de fallus, zou er bij laatstgenoemde sprake zijn van een surplus aan genot, een vrijzwevend genieten, een mystiek moment dat zich echter niet nader laat articuleren.
De castratie bestaat volgens Lacan in het opgeven van de aanspraak op het ultieme genot, zowel in seksuele zin (het intense, mateloze genot waartoe wij van nu af aan geen toegang meer hebben), als in rechtsfilosofische zin (de aanspraak op het ultieme object die wij van nu af aan opgeven). Terwijl de analyse (via symptoomanalyse) uit is op symbolisering (articulatie) van het verlangen, stoot men uiteindelijk op datgene wat Lacan in latere seminars aanduidt als het sinthome, een kern van verlangen die zich tegen symbolisering blijft verzetten, zich niet tot taal laat reduceren en van levensbelang blijkt voor het subject omdat het hem/haar in staat stelt zijn/haar verlangen te organiseren.
Een van de culturele toepassingen van het concept jouissance betreft de problematiek van het racisme. De gedachte dat het verlangen van de ander, anders (primitiever) georganiseerd zou zijn dan het onze, met als gevolg deze ander meer geniet dan wij, is de eigenlijke grond van het probleem, meent Lacan. De gedachte dat de ander een surplus aan genot ten deel valt (zowel in seksuele als in economische zin), omdat de betrokkene extreem lui is bijvoorbeeld, of juist extreem fanatiek, is ondraaglijk. Wat de racist ten diepste verontrust is de wijze waarop de ander zijn/haar verlangen organiseert. Dat is uiteindelijk de reden waarom (en het punt waarop) de ander zich dient aan te passen.

Hosted by www.Geocities.ws

1