Nieuws uit Guadeloupe
In 1999 koos ik ervoor naar Guadeloupe te gaan. Ik gaf mijn baan en huis op om mijn leven met JP te delen.
21 juni 2007 - Vuurtje stoken

In een vlaag van verstandsverbijstering besloot ik afgelopen maandag de tuin aan te pakken. Je moet natuurlijk wel gek zijn als je in de huidige hitte besluit bladeren te ruimen en struiken te snoeien. Dat er die dag echt een steekje aan me los zat, bleek toen ik besloot een – door mij verafschuwde - Antilliaanse traditie te volgen: het verbranden van tuinafval.


Het is op het eiland geen uitzondering dat iemand zijn afval verbrandt. Meestal gaat het om tuinafval, maar helaas zijn er mensen die ander afval op de brandstapel gooien. Mijn buurman is ook een liefhebber van vuur. Los van het feit dat ik uit milieuoverwegingen tegen deze hobby ben, heb ik er echt last van. De wind staat hier bijna altijd in de richting van mijn terras met zijn openslaande deuren. Er is niet veel voorstellingsvermogen voor nodig om te bedenken wat de effecten zijn van overvliegend roet.


De avond, al weer enkele jaren geleden, dat ik ontdekte dat mijn buurman graag met vuur speelde, liep het bijna uit de hand. Dit kwam omdat hij in een periode van grote droogte en harde wind besloot zijn tuinafval te verbranden. Er kwam veel rook vrij en ik begon te hoesten. Maar erger nog, ik zag het vuur steeds dichterbij komen. Mijn vriendin Nelly, die op dat moment vakantie bij me vierde, begon benauwd te kijken. Ook Jean-Pierre leek ongerust. Ik liep me intussen vreselijk op te winden en besloot in actie te komen.


Ik sprong in de auto en reed naar de ‘morne*’, waarop zijn huis staat. De buurman was zich van geen kwaad bewust en begreep niets van mijn opwinding. Mijn milieutechnische verhandeling sloeg niet aan. Hij had toch recht op zijn tradities. Toen ik hem uitlegde dat ik vond dat het moment wel heel slecht gekozen was en dat ik voor mijn veiligheid vreesde, besloot hij me tegemoet te komen. Voor deze keer zou hij het vuur doven. Maar ik moest vooral niet denken dat hij afstand deed van zijn tradities. Hoofdschuddend keek hij me na toen ik – nog steeds verontwaardigd - wegreed.


Enkele maanden later riep hij me. Hij kondigde aan dat hij zijn tuinafval ging verbranden. Door dit vooraf te melden, vertelde hij, kon ik mijn maatregelen nemen. Dit keer was er geen gevaar. De periode van droogte was voorbij. Dat ik last had van roet en rook, hoorde erbij. Tradities waren heilig. Ik probeerde hem er nog van te overtuigen dat sommige tradities wellicht beter tot de geschiedenis kunnen behoren, maar mijn argumenten sloegen niet aan. Althans niet op dat moment. Of hij is milieubewuster geworden, of buurvriendelijker: er wordt de laatste tijd minder verbrand.


Hoe vreemd is het dat ik ineens mijn toevlucht nam tot deze plaatselijke traditie? Ik was absoluut niet van plan iets te verbranden. Van mijn tuinafval probeer ik compost te maken. Bovendien weet ik dat vuurtje stoken, behalve in de open haard, me niet goed afgaat. Daarvan getuigen alle vergeefse pogingen om de barbecue aan te steken. Maar, vlakbij onze vaste barbecueplaats (een groep stenen met daarop een rooster), lag al enige tijd een stapel snoeihout te wachten om afgevoerd te worden. Daarin ontdekte ik een kolonie termieten. Deze, alles verwoestende, insecten leken het goed naar hun zin te hebben. Ik was echter minder blij met de ontdekking. Wij wonen in een houten huis en hoewel ons huis is gebouwd van Courbaril, een houtsoort waarin je zelfs met een goede boor geen gat kunt maken, wil je die beestjes wel op afstand houden. Niet alles in huis is immers van Courbaril. Het verbranden van het besmette hout leek me dus de meest voor de hand liggende oplossing. Er was weinig wind en als het al zou waaien, zou alleen ik er last van hebben.


Ik prepareerde mijn brandstapel, deed er wat spiritus op, en probeerde er een brandende lucifer op te gooien. Mis. Nog maar eens proberen. Na ongeveer tien pogingen vatte het hout vlam. Voor even. Ongeveer een halve minuut later was het vuur weer gedoofd. Ik liet me niet uit het veld slaan. Nog een beetje spiritus (ik weet het: gevaarlijk, maar ik deed het echt heel voorzichtig), wat oude kranten en ja hoor, het lukte. Alleen had ik naast vlammen vooral veel rook. Er stond iets meer wind dan ik dacht. Snel sloot ik de deuren van mijn huis. Ik besloot mijn vuurtje goed te volgen en bleef in de buurt. Alles – ook ik – stonk binnen korte tijd naar rook. Wat ik ook probeerde, de rook hield de overhand. Er was ongeveer twee uur ploeteren voor nodig om hout en termieten te verkolen. Af en toe keek ik naar het huis van de buurman. Gelukkig heb ik hem die middag niet gezien. Dus als hij weer een keer meent zijn tuinafval te moeten verbranden, kan ik net als voorheen gewoon boos zijn en hem een afkeurende blik toewerpen.


*Morne: een Creoolse benaming voor een kleine berg. Wij wonen op “Morne les Amandiers” ofwel op “de berg van de amandelbomen”.


 

2007-06-21 18:31:42 GMT
Comments (1 total)
Author:Anonymous
Hoi Femke,
Toch stoer dat je je tuinafval hebt verbrand. Hier in Zuid Frankrijk hoef je er echt niet aan te beginnen, dan staat gelijk de brandweer op de stoep. Gek eigenlijk, want bij jullie lijkt me het gevaar ook groot dat het vuur zich kan uitbreiden, gezien de hitte op het eiland. En als de as nog warm is komen er dan geen scolo's op af? (brrrrr)
--groetjes van Lisette
2007-07-22 07:34:33 GMT
 


Hosted by www.Geocities.ws

1