“Mis je de seizoenen niet.” Deze vraag is me ontelbare malen gesteld. En het antwoord is altijd hetzelfde: “Neen, ik vind het heerlijk dat hier vrijwel altijd de zon schijnt, dat ik niet door herfst en winter hoef te ploeteren, dat ik het nooit koud heb.” Hoewel, nooit koud hebben, is niet waar. Hoe raar het ook mag klinken: tussen november en maart slaap ik onder een dekbed. Ik droom van een open haard, omdat ik de avonden wel eens fris vind. Voor alle duidelijkheid: de gemiddelde dagtemperatuur is 28°C, de avondtemperatuur 26°C. Je wendt kennelijk aan alles.
Nadat ik in 1999 naar Guadeloupe ben verhuisd, schreef ik me in voor een cursus Frans voor buitenlanders. Cursisten van 15 verschillende nationaliteiten werd elke week gevraagd een opstel te schrijven. Op enig moment luidde de vraag: “wat mis je het meest als je denkt aan je eigen land?” Ik hoefde er niet lang over na te denken: ik mis het hoge Nederlandse knuffelgehalte (maar misschien was ik in die zin verwend). Ik haal het hier niet in mijn hoofd om bij iemand een arm om zijn schouder te slaan. Mannen interpreteren dit gebaar als “zij wil kennelijk meer”. Ik heb daarover heftige discussies gevoerd in mijn kennissenkring. Ook vrouwen appreciëren niet dat je te dichtbij komt. Mijn schoonmoeder veranderde in een steen toen ik haar omhelsde om haar te troosten. Enkele uitzonderingen daargelaten, vind ik Franse mannen en vrouwen vrij afstandelijk. Afstandelijk en beleefd. Misschien hoort dit wel bij elkaar.
Het is hier in een werksituatie ondenkbaar dat je iemand uitsluitend met een vluchtig “hallo” begroet. Elke morgen geef je je baas en je collega’s een hand en informeer je hoe het met haar of hem gaat. Collega’s die elkaar heel goed kennen, geven elkaar ook wel de hier gebruikelijke twee kussen (in de lucht). Hoewel het gebruik van voornamen steeds populairder wordt, blijft de aanspreekvorm “U”. Zeker als je spreekt met Fransen die van het vasteland komen en met de zogeheten “Békés”, ofwel het nageslacht van de Franse kolonialisten. Antilliaanse mensen zijn - als ze elkaar wat beter kennen - minder formeel.
Het gebruik van “U” vind ik zo slecht nog niet. Ik ben er zelfs aan gewend en vind dat we in Nederland behoorlijk zijn doorgeslagen in het gebruik van het persoonlijke voornaamwoord “jij”. Het komt hier niet voor dat een kelner aan je vraagt: “wat wil je drinken”, daarmee aangevend hoe “LEKKER BELANGRIJK*” hij zijn klanten vindt. Of dat een meisje dat net uit de schoolbanken komt, je vanachter haar kassa meldt: “dan krijg ik 7,25 van je”. Ik vraag dan heel demonstratief “heeft u de kassabon voor me.” Maar de boodschap komt niet over. “Alsjeblieft”, luidt steevast het antwoord.
Nog even over het gebruik van voornamen. Vrouwen worden iets vaker alleen bij de voornaam aangeduid dan mannen. Dit fenomeen doet zich zelfs voor bij de verkiezingsstrijd in Frankrijk. Tijdens interviews, zeker in rechtse journalistieke kringen, spreekt men over SARKOZY (voornaam Nicolas) en over SEGOLENE (achternaam Royal). Het gebruik van de voornaam van Madame Royal lijkt in dit soort gevallen neerbuigend bedoeld. Maar gek genoeg wordt er ook verschil gemaakt als de kandidaten door hun achterban worden toegejuicht: het is SARKOZY PRESIDENT, terwijl de aanhangers van de socialistische presidentskandidaat haar voornaam scanderen: SEGOLENE PRESIDENT. Misschien moet Frankrijk ook wel wennen aan anders, want een vrouw als president: dat is pas echt een verandering.
*De naam van een kroeg in Dordrecht.