
DICHTEN
Gelooft mij, vrouwen, vlees en bloed
Kan niet zo smarten als het leed,
Dat uitdijt aan de wand der ziel,
Maar waarvan niemand weet.
Een nood die mij op 't eenzaam bed
Terneder werpt, in bochten wringt,
De vuisten balt, te zamen krimpt,
Eenzelfde harde wet.
Totdat, na moeizaam, pijnlijk werk
Een eigen leven voorwaarts dringt,
Waaruit het mijne met een sterk
En helder klagend wenen klinkt.
RAS
"Wien zal ik minnen?" vraag ik mij
Glimlachende en cynisch af:
Ik voel in mij de liefdesdrift
Van duizend vrouwen in haar graf.
Het diep geheim van ziel en schoot
Is lang ontstegen en vergaan,
Maar wat tot leven hen bewoog,
Is in mij opgestaan!
De franse mint het bloesemzacht
Verfijnde, tedere van de nacht,
't Mousserende van witte wijn,
De lichte duizeling, 't dronken zijn.
De Poolse met haar donker bloed
Wil ruigheid, diepte, overmoed,
Een vrije bloei, scheurt met een ruk
Elk klemmend keurslijf driftig stuk.
De noordelijke boerenvrouw
Kiest nobel leven, gave trouw,
Mint kracht en lijn meer dan de gloed
Die soms haar diepten huiveren doet.
Ik voel in mij de liefdesdrift
Van duizend vrouwen in haar graf.
"Wien zal ik minnen?" vraag ik mij
Glimlachende en cynisch af.
FOETUS
VOOR J.G.H.H.
Het heimwee schrijnt, groeit hunkerend groot
Naar de geborgenheid
Der diepe, moederlijke schoot,
Der vruchtbre eenzaamheid.
Ik ben het mij te zeer bewust,
Dat iedere rust, dat elke lust
Mij vaag en onvolkomen brengt,
Wat slechts het ongeborene schenkt.
Ik sluimerde en deinde mee
Diep in de donkere kom der zee
Waar, in de vocht-doordrenkte grond,
De fijnste vezel voedsel vond.
Een schaduw vormde zich tot vlek,
Tot kruis recht boven deze plek:
God rangschikte, wat in de tijd
Aanwezig was aan erfelijkheid.
O schelp, geworpen op het strand,
Omsloten door een tedere hand,
Die, aan het luisterend oor gelegd,
Slechts monotoon haar herkomst zegt!
ORANG OETAN
O vleesgeworden oerverlangen,
O primitieve dierenblik!
Wat lag gebonden en gevangen,
Verheft zich in een ogenblik.-
Langs 't grondeloos diep der eigen ogen
Beweegt zich razend een cycloon,
Een wervelen, zuigen naar beneden:
Een zuil verheft zich, wild maar schoon!
In 't waterzwart kristal geheven,
Tot licht en ruimte opgetild,
Flitst en spiraalt een donker leven,
Dat in de diepte lag verstild.
Ben ik het die daar onbewogen
En harig leun aan gindse wand,
Of staat de aap aan 't hek gebogen
En klemt zijn knokels om de rand?
De tralies snijden ons in ruiten,
De kooi is vuil en hard de vloer,-
Maar ergens wiegen palmen buiten
En vloeit de zee van parelmoer,-
Slingeren ranken orchideeen
Onstuimig door de losse sprong
Langs alle takken naar beneden
Tot 't golvend spiegelen der bron,
Fladdert het blad voor 't mystisch gloeien
Der morgen na de korte nacht,
Waar lenigheid en vaart langs 't bloeien
Tot aan de zoom van 't oerwoud bracht.
De ruimte! Tuimelen en glanzen
Van 't licht, dat machtig als een heir
De duizend flikkerende lansen
Ons trillend toewerpt, speer na speer.
Geuren van bloemen, wild en aarde,
De frisse reuk der zee, het zilt
Dat 't sidderend schuim in zich bewaarde,
De sneeuw die rond de rotsen rilt.
Wie zendt de kreet die langs de kanten
Der helle hemel huiverend slaat,
Boven het lied van wind en stranden,
Boven der branding rijm en maat?
Wie is het die de stenen wanden,
De ijzeren tralies 't eerst beseft,
En de tot vuist gebalde handen
Langs de gesloten deuren heft?
Ik wankel duizelend aan het ijzer
Voorbij, -besef de plaats, de tijd-
En hoor het schudden van de spijlen
Door klauwen, wild uiteengespreid.
CONCEPTIE
Ik werp mijn kleren over 't strand,
Ze waaien op naar 't blonde land;
Hier moet ik naakt, gezuiverd zijn,
Hier is slechts 't onbedekte rein.
Dit is het grootse, dat ik beid,
Slechts deze wijde eenzaamheid,
Dit tomeloos water, mateloos licht,
Dit machtig waaien langs gezicht
En flanken is het element
Dat eerst waarachtig diep bekent!
O demonie der branding, drift
Die 't eigen wezen rhythmisch grift
In wachtend strand! O dynamiek
Die donderend uitruist tot muziek,
Superieur en trots geluid
Boven mijn kreunen, lachen uit,
Golf die zich optilt tot het ruim,
Vertederd prevelen, zingend schuim!
O alomvattend licht, waarvan
Ik nergens, nergens vluchten kan,
Dat alles neemt en 't onbedekt
En hunkerend vlees tot leven wekt!
Glijvlucht der meeuwen, loom en breed
Wegwiekend, met een zachte kreet:
Droom die zich 't ruim gewonnen geeft
En roekeloos verten tegenzweeft!
ZELFMOORD
Reeds rust de scheermesscherpe punt
Op de ader en het vaste vlees.
Een snel beraad - en zij vergunt
Zichzelf te doden, zonder vrees.
Maar in 't dynamische moment
Waarin het mes beweegloos rust,
En zij zich hijgend inwaarts wendt
Tot dodelijke, diepste lust,
Verrijst aan 't randgebied, de kim
Der ziel, geluidloos schim na schim,
En schouwt ze in 't zwijgende gelaat
Van allen die ze achterlaat.
Ze proeft de nieuwe bitterheid,
De val naar oude eenzaamheid
Der levens die ze tot zich nam
En warmde aan haar liefdesvlam.
Er beeft een glimlach om haar mond ...
Het mes keilt langs de gladde grond.
GEBOORTE
Daar zijn de scherpe spijkers weer,
De hamer en de knecht,
En wordt het levenswarme vlees
Aan 't dode hout gehecht.-
Ik hang gebogen aan mijn kruis,
Zie, hoe het heldere bloed
Geluidloos, maar met regelmaat
Neerdrupt uit hand en voet.
Maar feller dan de klop der pijn
Speur ik hoe ik bemin!
En weet: van alle Leven is
Dit oorsprong en begin.
O HUMOR GODS!
O humor Gods, o fijne lach
Die oplicht na de zware dag!
O meesterlijke, kleine daad
Die mij mijn dwaasheid proeven laat
Met zoveel milde, ted're spot
Dat ik terug moet lachen, God,
Mij in uw armen stort: een kind,
Dat onverwacht den Vader vindt,-
Zijn toegebogen warmte voelt
En blij begrijpt wat hij bedoelt,-
Verlossend klein wordt, dan bevrijd
Afglijdt, tot spelen in de tijd!
ATLANTIS
Langzaam verzinkt mijn zuivere dromenstad,
Vergaan de tuinen van mijn tederheid,
Waar nog een enkel, ragfijn bloesemblad
Zich laat, in edele schelpvorm openvlijt.
Langzaam verdwijnt de brandend-witte vloer
Met het koraalrood, vlammend mozaiek,
Zich strengelend tot symmetrisch, vreemd contour,
Mysterieus als oosterse muziek.
Langzaam verwist der zuchten zoete brug,
Der bogen spanning, gaaf, verlangenszwaar,
Het water kruisend, dat de trotse vlucht
Weerspiegelde van 't zwevend vogelpaar.
Langzaam verstomt de zingende fontein,
Omdat het zeeschuim naar haar fonkeling reikt,
Vervagen wegen, 't glorierijke plein,
De kathedraal die naar de hemel wijst,
Waarin ik 't brood, de levenswijn ontving,
Omwemeld door het overvloedig licht,
Dat mij, en hem die 't reikte blank omving,
De glans verdiepte op ons verstild gezicht.
LIBELLE
Hoe vrij, hoe gracielijk zweef ik weer in 't licht,
De tuin, de koelte toe, de losse bloesempracht!
O zuivere zoelte, kleurenfel gezicht
Na 't bijna sterven in de loden nacht,-
Na 't hijgen op 't graniet der vensterbank,
Gevangen achter pijnlijk blinkend glas,
Opstotend naar het maanbedropen land
Dat eens mijn sfeer, mijn levensruimte was.
Van wie de hand toch die mijn krimpen zag,
Mijn fijngelede lijf, mijn felle, blauwe kleur,
Die 't venster opende, me opdreef met een lach
Naar de verbaasde zon, der rozen reine geur?
Het moet de hand wel zijn van een die leed,
Die zich gevangen voelt, naar vrije verten hijgt,
Die honger kent, door eigen angsten weet,
Uitstarend door Gods ruit ze mannelijk verzwijgt.
SFINX (I)
VOOR VASALIS
Geef mij woestijnen, God, woestijnen,-
De nette parken zijn zo recht! -
Waar schaduwloos de zon kan schijnen
En niemand mij de wegen zegt,-
Waar ik, in 't goud en blauw verloren,
Zelf sporen prent in 't levend zand,
Afga op 't morgenlijke gloren,
Een spiegeling aan de hemelwand.
Ik kan geen platgetreden wegen,
Geen uitkomstzekere paden gaan,
Hijg onbevaren einders tegen,
Het eenzaam schip der vrije maan.
Laat mij dan maar als sfinx verstenen,
Uitstaren naar Uw ver verschiet,
Zo diep van rust als koningsleeuwen,
Zwaar uitgehouwen in graniet;
Met lippen, welvende gesloten
Rondom mijn eeuwenoud geheim,
En boven mijn amandelogen
Een vlam:'t door U verkoren zijn.
ESTHER
"Brengt de gewaden en juwelen,"
Gebiedt ze met haar donkere stem,
"Neemt 't kostbaarste aan stof en stenen
Opdat ik schoon mag zijn voor hem!"
Zij ijlen heen, verheugd tot handelen,
De vrouwen, dienend als slavin,
Na 't in zichzelf verzonken wandelen
En zwijgen van hun koningin.
Topazen, amethyst, saffieren
In voorhoofdsplaten, keten, kroon,
Geslepen tot een gloeiend sieren
Om toe te treden tot de troon.
Een keur van tedere en trotse kleden
Tot violette schemering,
Tot gouden mist rondom de leden,
Koralen wolk die zonlicht ving.
Zij kiest, en geeft zich aan de handen
Die zalven, sieren voor de daad;
Zij ziet hun ogen: spiegelwanden
Waarin zij puur en prachtig staat,
En schrijdt, met ogen groot van leven,
Van aandacht en verdiepte gloed,
Met waarlijk koninklijk bewegen
De hof des konings tegemoet.
Zij schrijdt, maar speurt niet meer het vallen
Der slaven rond haar vorstelijkheid:
Zij ziet 't gebaar der duizendtallen,
De armen smekend uitgebreid,
Zij hoort het donker en bewogen
Geluid waarin hun hartstocht trilt,
En voelt zich tot een lichte hoogte
Vervoerd en duizelend opgetild:
Een roep, een rhythme dat haar schrijden
De gang verleent van een godin,
Ze weet zich 't offer dat wil lijden,
Hun priesteres, hun koningin.
Zij voelt in zich hoe 't menselijk bangen
De handen stom ten hemel heft,
En met het goddelijk verlangen
Tot redden, flitsend samen treft.
Ze nadert, - het verrast bewegen
Des konings spannen ziel en zin, -
Zij vat zijn blik en treedt hem tegen,
Houdt voor de troon haar schreden in,
Maar gaat nog met haar gouden ogen
De paden naar zijn trotse hart,
Beheerst maar op het diepst bewogen,
Een glanzen dat de sterren tart.
Hij ziet haar aan, - zijn fel begeren
Gewekt door zoveel heerlijkheid,
Wordt tot een bijna vroom vereren
Van onbegrepen majesteit.
Hij reikt de scepter, een gebaren
Beslissend over veler lot,
Toebuigen dat een volk zal sparen,
En weet niet dat hij buigt voor God.
DANIEL (I)
De leeuwen horen de nerveuze stemmen
En sluipen hongerig hun holen uit.
De vijandschap voor die hen durend temmen
Doorrilt de vacht, breekt uit in boos geluid.
De buit valt allen toe! Begerig duiken
De sterksten soepel tot de voorrangssprong ...
Phosphoriserend gloeien in het duister
De ogen, licht skelet in glimpen zon.
De mens staat hooggericht! Zijn zielevenster
Slaat open naar 't onmetelijk hoogvertrek.
God is een kracht! Hij weet zich op de drempel,
En Hem gebieder over klauw en bek.
Het zingt hem toe van uit de verre sferen:
De vreugden om 't verwinnen van het vlees!
- Muziek die in aanbidding mag verkeren -
Hij schrijdt de leeuwen toe, waarachtig onbevreesd.
Wat houdt hen nog terug? De schone dieren
Staan in hun sprongstand wonderlijk verstild,
Bronsovergoten, levende figuren,
Totdat een fel geluk hun lange flank doorrilt:
Een mens werd meester! Goddelijke adel,
De pure geest verwon de lichaamskracht
Van 't nobel dier. Het grootste treedt hem nader
En werpt zich aan zijn voet, erkent herwonnen macht.
MONA LISA
Breed leunend in haar hoge stoel
Hoort zij het zingen der fontein;
Dicht langs haar schuift een teder lam
En wil gekoesterd zijn.
Een luit zet in, een stem begint
Een donker, zoet verhaal;
De geur van duizend kelken waait
Door de versierde zaal.
En zwijgt de stem of bergt de luit
Zich onder blauw fluweel,
Reikt ergens 't knielend lam omhoog
Met zacht gebogen keel.
Dan is daar de bekende stem
En groeit het gaaf gesprek,
Totdat de wonderbloem begrip
Rankt door het wijd vertrek.
En of ze luistert, spreekt of lacht,
Beweegt of stil verwijlt,
Altijd is daar de scherpe blik
Die haar beschouwend peilt.
Wondt dit ook soms haar vrouwenschroom,
Ze voelt het: hij aanbidt
Het leven dat haar rijk doorstroomt,
Terwijl ze voor hem zit.
Ook zij is kosmos - en ze boeit
Maar weet dat deze man
Een wijle op zijn vlucht vertoeft,
Doch nimmer rusten kan:
Te diep is hem der aarde schoot,
Te onbeperkt 't heelal
Waaraan hij moeizaam scheppende
't Geheim ontworstlen zal.
Ze glimlacht, en haar vrouwenmacht
Die bevend op wil staan,
En ruisende de vleugelslag
Door het vertrek wil slaan,
Gebiedt ze naar de schemergrond
Terug van lijf en ziel,
Waar nooit een mens de wegen vond,
Waar nooit een lichtstraal viel.
Ze glimlacht ondoorgrondelijk,
Onpeilbaar is haar blik:
Wat vat hij van haar wonderlijk
Hemzelf gelijkend ik?
ICHNATON
Hij sluit zijn ogen duizelig dicht,
Tast naar een koel verblijf,
Verblind, geladen door het licht
Dat opspringt uit de schijf,
Rust hijgend aan het zwaar graniet,
Vat 't zilveren dromenkoord
Dat langs extase, offer, lied
Afvoert tot stilte's poort,
Gaat in, en trekt de smalle deur
Behoedzaam in het slot.-
O orde, o sfeer, o hemelgeur,
Heelal, schoon zwijgen, God!
O regenbogen, eeuw'ge wind,
Oneindig perspectief!...
Hij weet zich mateloos bemind
En heeft verterend lief.
Wendt heel zijn ziel naar 't onbekend
Omsluierde Gezicht,
Versmelt in 't eigen element,
In licht! In licht! In licht!
Zichzelf hervindend aan de wand,
Doortrekt hem vreemde pijn:
Al wat hij 't volk aan vormen koos,
Aan woorden, is te klein!
Dan voelt hij hoe een zachte hand
Zich op zijn schouders legt,
Hoort fluisterend langs de duistere wand
Een stem die "Broeder" zegt.
INDRADEV
Er hangt om hem een eenzaamheid
Die, soepele lijflijkheid ten spijt,
Elk vaag begeren verre houdt,
Terwijl men op zijn dansen schouwt.
Er wolkt een smart op zijn gezicht,
Een hunkering naar hemellicht:
De koninklijk beheerste pijn
Van 't vreemd en onder vreemden zijn.
Er spreekt een hoge kuisheid uit
Het slank bespelen van de fluit,
Het beeld der lotusbloem: 't gebaar
Gevormd door 't prachtig handenpaar.
Men proeft het diep, mystiek verband
In 't trillen der geheven hand:
De bij die rusteloos zoekend beeft,
Voor zij zich in de bloem begeeft.
Maar dit moet 't eigenlijke zijn:
De strenge, verticale lijn
Die hij al mediterend maakt:
Een hemel die de aarde raakt,-
Een steile vlam, een blinkend zwaard,
Dat niets wat onvolmaakt is spaart,
Maar vastberaden nedersplijt
Wat raakt aan schoonheids zuiverheid,-
Een antwoord uit de eeuwigheid
Voor hem, die langs de klaagmuur tijd
Het gans bezielde lichaam strekt,
En goden uit hun sluimering wekt.
MAAGD
Haar maagdelijkheid: een zilveren mantel,
Die wijd van plooien,streng van lijn,
Het gave, ongerepte glooien
Bedekt van haar jonkvrouwelijk zijn.
Ze richt zich op, en trekt wat vaster
Rond zich de ruimte van het kleed,
Wanneer met woorden of met blikken
Men tast naar haar verborgen leed.
Het is het hare, en besloten
Blijft 't kostbaar schreien in de schrijn,
Omschaduwd door de smalle wanden
Van lijf en ziel, die eenzaam zijn.
Maar bij de vrouwen, aan wie 't baren
De lichtheid nam, de blanke gloed,
Laat zij haar mantel openwaaien
En treedt haar zwevend tegemoet.
Men speurt verlangen noch begeren,
Men ziet alleen de glans, de schijn,-
En in dit zwijgend, trots ontberen
Is zij sereen en souverein.
DE ZWAAN
Achter tweevoudig prikkeldraad:
Het landhuis, 't grasveld, de soldaat
Die, rustloos spiedend, komt en gaat.
Tussen dit gans gewapend gaan
En 't hek: de gracht als brede baan,
De waterlelies en de zwaan.
Het pijnlijk hek roest donkerbruin,
De man staart door de lege tuin,
Ogen gewend aan bloed en puin.
Binnen de boorden van smaragd,
Beweegt de zwaan zich door de gracht
Stil als het sneeuwen in de nacht,-
En buigt de koninklijke nek
Over een zonbeschenen plek
Van zijn kristallen, koel vertrek,-
Vangt, als de golf rond hem verstilt,
Het beeld dat uit de diepte rilt
En vol geheim hem tegentrilt ...
Tot hij opnieuw langs lelies glijdt,
Zo wit als hij, en wijd gespreid
In argloze ondoorgrondelijkheid.
BALLINGSCHAP
"Wij leven als ballingen binnen
de lijst van een vreemd schilderij".
(Leonardo da Vinci)
Hij staart van uit de brede lijst
De kleine kamer in;
Een oude klok tikt, slaat de tijd:
Der uren pril begin;
Vervaald behang, verdroogde plant,
Een schrille prent aan de overkant,
Verkleurde kleden, en het hout
Der meubels grof en slecht gebouwd.
Boven het schuim der kanten kraag
De ogen als een sombere vraag,
De smalle mond een kerf, tot spot,
Cynisme, hoon om 't eigen lot;
Het fiere lijf in feest en gloed
Van diep fluweel, als wijn, als bloed;
Aan de gebalde, tengere hand
De vonk, de flits van diamant.
Soms glijdt herkenning, hunkering, licht
Als snelle vlam langs 't strak gezicht:
Een flard muziek, gekarteld blad,
Een kelk in goudbrokaat gevat,
IJsveren waaierend langs de ruit,
Wiekslag, wegkreunend windgeluid.-
Maar als in 't kort, doorruist moment
Een hoofd zich draait, een blik zich wendt,
Dan staat hij in zijn glanzend raam
Door niets bewogen, bleek, voornaam.
MARSMAN
Gigantisch groot beweegt zijn schim
Langs 't nachtelijke der lichte kim,
Een ster stort vlammend in het schuim
Terwijl hij waadt door zee en schuim,-
Totdat hij inhoudt, wijdgeplant
Zich luisterend neerbuigt tot zijn land,
Ontdekt hoe diep zijn schaduw valt
Op blinkend water, hard bazalt.
Hij lacht verwonderd: het geluid
Plant voort en stort zich donderend uit,
De snelle flits langs oog en mond
Wordt bliksem en vaart lichtend rond.
Een tengere knaap kreunt in de nacht
Van onvermoede scheppingskracht,
En fluistert het geladen woord
Van schoonheid dat hij sluimerend hoort.
Een boek waait open op de tocht:
Het vers waarmee hij hijgend vocht,
Waarbij een hand, in plotse drift,
Een smartelijk uitroepteken grift!
Een vrouw verrijst, haar smal gezicht
Spant zich op 't ongevormd gedicht ...
Een kracht kristalliseert een zin,
Schenkt het verlossend, koen begin.
DODE
VOOR G. S. - B.
Wat heeft het leven fel gewoed
In ziel en zenuwen en bloed!
Maar al wat opstond, sterk en wild,
Ligt roerloos in de dood verstild.
Bedekt is 't branden van de ogen,
Verstrakt de trotse, bittere lijn
Die neerliep langs de volle lippen,
Gegroefd door nooit beleden pijn.
De brede, vaste vrouwenhanden,
Zo menigmaal gebald tot vuist,
Zijn binnen witbespannen wanden
Tot wezensvreemd gebaar gekruist.
De haren, donkere, woeste branding,
Vlokken om het verstild gezicht
Waarop de hartstocht van het leven
Zijn vreemde runen heeft gegrift.
De borst die kinderen wilde zogen,
De schoot die vruchten heeft begeerd,
Welven zich groots en onbewogen,
Worden genadeloos verteerd.
Bespot, besproken door een ieder,
Bemind, begrepen door geen mens,
Ondanks het diep verborgen hunkeren,
Ondanks de radeloze wens.
Een vogel, vroeg voorgoed gevangen,
Aan woede en wilde angst ten prooi,
Rukkend met korte, felle beten
Aan de gesloten, ijzeren kooi.
Naar elk die dichter wilde naderen
Schoot hij met een ontzinde ruk,
Een houw van de gekromde snavel
Reet de gereikte handen stuk,-
Tot een in eindeloos erbarmen,
Met vaste hand het slot ontsloot;
De vogel vloog recht in Zijn armen,
en mensen zeggen: "zij is dood".
KONINGSDIER
Jij koningsdier, je wekt mijn kracht
Door te geloven in mijn macht,
door te geloven in het wild
Geheim dat in mijn lichaam trilt.
Je maakt het mij verrukt bewust,
Dat de aarde 't smal der voetzool kust,
De tak me streelt, het morgenrood
Zijn ster laat vallen in mijn schoot.
Je maakt me Eva, die haar naakt
Beseft, die onverhoeds geraakt
Door 't onontkoombre ener wet,
Zich ijlend jong naar Eden rept,
Spontaan en soepel nederbukt,
Aan de gesloten grendels rukt,-
Omziet, den man speurt: hijgend snel
Zich hult in 't veilig dierenvel.
INFERNO
Denk niet dat ik verlossen kan!
O ironie, o droom!-
Ik ben een vrouw als jij een man,
Een mens die wel een toon
Gevangen heeft van 't magistraal
Uit God gevloeide lied,
Maar verder even infernaal
Als jij, vergis je niet!
Geen donkerblauwe hartstocht stilt
Je hunkering, je hemelwil,
Die je als ongedolven erts
Verbergt in haat en rauwe scherts,
In ruige roofdiermajesteit,
Gevangen in een eenzaamheid
Waarin zij ongebreideld woedt,
Omdat ze God nog steeds vermoedt.
OMNE ANIMAL ...
Geluidloos in het donker schrei
Ik om de eeuwenoude daad
Die in hernieuwde eenzaamheid
Me snikkend achterlaat.
Wij hebben zwevend naar een doel
In de oneindigheid
Der aarde zwaartekracht gevoeld
En tuimelen in de tijd.
God, laat ons moeden sluimeren in
De holte van uw hand,
En werp ons als de dag begint
Opnieuw omhoog van 't strand!
GEBED VOOR EEN ECHTPAAR
Gij die de aard, de vorm, de pracht
Van ei en sperma hebt gedacht,
Verleen hun in de nieuwe nacht
Een ongekende, jonge kracht,-
Een aandrift die hen spelen doet
Met andere vrijheid, heldere moed,
Totdat de traagheid van het bloed
Zich gonzend omzet tot een gloed,-
Tot het millioenenheir van 't zaad
Zich driftig en dynamisch laadt,
Tot zegeszekere, snelle daad,
Tot fiere aanval overgaat!
Geef overgave, woordeloos groot,
Blinde bereidheid van een schoot
Die, uit een dwingend-diepe nood,
Het leven winnen wil uit dood!
Werp alle poorten uit het slot,
Zodat een held, naar 't oud gebod,
De wegen gaan kan, leidend tot
Een uit geluk geboren lot.
WIJN
Subliem en bijna onvergetelijk uur
Waarin ik vrouw werd, waarin lijf en ziel
Als trossen rijpten aan Gods hemelmuur,
Waarlangs geen enkele snelle schaduw viel.
Ik glansde, gloeide, donkerde tot blauw
In 't lentegroen, oorspronkelijk uitgetand,
Bedekt door wazen, morgenzilveren dauw,
En trilde toe naar de uitgestoken hand,
Die mij wou plukken en niet heeft geplukt.-
Zo hang ik nog, als onbevlekte vrucht,
Als zwaar geluk, als levenszoet geheim
Voor de open einder, gistende tot wijn.
DUBBELSTER
Wij hebben het aan geen verraden,
Dit diepe uur van ons en God,
Waarin wij met elkander baden
Om inkomst in ons vreemde lot.
Het leven heeft ons toen verraden:
Er sloot een schone toegangsdeur,-
Maar als een witte wierookwade
Hangt nog de bitterzoete geur
Van 't Godgezegd gebed in ruimten
Die ademen in de vrije wind,-
Daar waar de wolkendromen schuimen,
Een dubbelster haar reis begint.
MEIDOORNBRUID
Verwacht mij niet! Ik zal niet keren,
Ik heb mijn trots, mijn adeldom;
Slechts je uitdrukkelijk begeren
Brengt je mijn zichtbaar zijn weerom.
Maar hoor, hoe mystisch populieren
Je tegenritselen, merk de groet
Van aardse, argloze anjelieren,
Je geuren zendend, zomerzoet!
Een koor van felle, zuivere vogelen
Put zich in liederen zalig uit;
Voor je verdroomde, open ogen
Bloeit eeuwig nieuw de meidoornbruid.
EROOS' AFSCHEID
Hij kust haar ogen teer en trillend licht,
Zacht overwaasd door liefde en verdriet,
Een gans ontbloeid, een vrouwelijk gezicht
En ademt aan haar oor: "Meer dan een man is 't lied!
Het zal nog leven, als ik weggevlucht
Naar warmer oorden je voorgoed verlaat,
Een spiegeling zijn aan Gods doorzongen lucht,
Een brandend rijm dat elke kust beslaat!"
Ze richt zich, kijkt nog eenmaal bevend om
Naar hem, gespannen wachtend op haar woord,-
Gordt snel haar kleed en rept zich stil en stom:
Reeds ruist haar antwoord in een rijk accoord!
SCHEPPINGSWIL
Dit is geen bidden meer: dit woordeloze smeken,
Dit stomme werven, hijgen om gehoor,
Dit donker eisen, fluisterhese spreken,
Van uit mijn diepten alle hemelen door.
Mijn ogen bidden en mijn borsten bidden;
Van uit verborgenheden rijst een zuil,
Van donkere scheppingswil, van leven, loodrecht sidderend
Tot waar God in een wolk van witte sterren schuilt.
God houdt Zijn schreden in en wendt Zijn vlammenogen:
Ze schroeien door mijn vlees en branden in mijn ziel,
Terwijl ik geest uit Geest, in elk atoom bewogen,
Voor Hem uit Wien ik werd, in Wien ik zijn zal, kniel.
Zijn ruisend zwijgen dringt, dan ademen ziel en zinnen:
Mijn ongeduld wordt groot! Geef nu wat ik verlang!
Gij kent hem die mij zoekt in fel, in rijp beminnen:
Verijl mijn vrouwenlijf tot teder transparant,
Zodat hij achter mij Uw heerlijk beeld ziet rijzen,
Ontstellend koninklijk, de Meerdere die hij vloekt,
Zijn hunkering naar mij verlossend gaat begrijpen,
Wild stamelend erkent dat hij 't Onzichtbre zoekt.
DIE NACHT
Een gouden bloem, hoogheerlijk, onverlet,
Zich wiegend in het aardbruin bloemenbed,
De reine luchten proevend, op haar steel
Gelegd als levend, ademend juweel,-
Gevoed door 't bittersterk en stijgend vocht
Van groot verdriet, dat op de steile tocht
Van dag tot dag de kleuren donkeren deed,-
Breed wortelende in verborgen leed,
In zonverstoken, harde eenzaamheid.
God nam je, wierp je, teergevormd maar groots,
Als koningsgift in 't wachten van mijn schoot.
Een simpele schoonheid, zonder vlek of smet,
Doorbloesemt je aroom mijn sluimerstil vertrek.
GELUKSEILAND
Dit zoete, zoele in elkander slapen!
Twee kinderen of twee dieren zonder schuld,
Door niets te verontrusten of te schaden,
Van wijde vrede wonderlijk vervuld,-
Als op een eiland in Gods oceanen
Door zon omfonkeld, schuimend overspoeld,
Dat wij eens, vastomstrengeld, vroom betraden,
Aandachtig peinzend op Zijn vreemde doel
Met ons, met het in licht en lucht verzonken
Fragmentje grond, waar niemand ons genaakt,
Maar God, nadat Hij 't vorstelijk had verschonken,
een bloemkrans legde om ons beider naakt.
MIJN ONGEBOREN ZOON
Je slaapt zo veilig in mijn ziel
Die je omvloeit, waarin je rust:
Een parelmoer bestoven bloem
Die wiegt naar 's werelds kust.
Soms open je je ogen wijd
En trekt het leven in mijn blik;
Dan weten wij ons in de tijd
een eeuwig-levend Ik.
Een golf van vreugd verheft je op
Mijn lichtdoorglansde waterlijn:
Dit is des levens hoogste top,
Is begenadigd zijn!
Je sluimert verder, en ik draag
Je nimmer eindigend begin
Als fier geheim, als vreugdevraag
De jonge dagen in.
En elken anderen mensenzoon
Dien ik ontmoet, verrassend vond,
Zend ik de glimlach, teer verdroomd,
Van je gebogen mond.
Om jouwentwil schenk ik aan hen
Mijn vol ontwaakte moeder-zijn;
Het is door jou dat ik ze ken,
Hun schoonheid proef, hun pijn.
Zo kom je sluimerende tot
De wereld, tot het licht,
Reikt naar de mensheid, keert in God,
Wekt leven, dit gedicht.
VEROUDERENDE MOEDER
Zij wordt steeds teerder en steeds brozer,
Een blanke lamp die zachtjes schijnt.
En ik, ik voel mij soms ontroostbaar,
Omdat dit alles straks verdwijnt,-
Dit schijnsel, dat mijn donkere wanden
Met 't goud der avondzon verlicht.
O helpensgrage, warme handen,
O klein en luisterend gezicht!
Waarom moet alles wat zo nodig,
Barmhartig is, onzegbaar goed,
De aarde in, als overbodig,
Verborgen, weggelegd voorgoed?
En moeten wij, alleen gelaten,
Beroofd van steun, volwassen zijn,
Als wijze, grote mensen praten
Terwijl we eeuwig kinderen zijn?
VOOR EEN VROUW
Je zegt dat je mijn kind wilt wezen,
Mijn vrucht, zich hechtend aan de wand
Der diepere moeder, droomzoet levend
Verbonden door de blankste band,
Aan 't warme weefsel wilt gedijen,
Je voeden gretig en geheim,
In sprakeloos, in stil verblijden
D'essentie drinken van mijn zijn.
Ik luister wonderlijk getroffen,
Alsof God ergens helder lacht!
Hij vormt Zijn moeders ook onstoffelijk
Voor een volwassen nageslacht;
Schenkt aan tekortgekomen kinderen
Alsnog een lichaam, tastbre geest,
Opdat weldadig, ongehinderd
Hun donkere levensangst geneest.
ZUIDENWIND
Ik houd zo van je machtig leven,
Je ongebruikte scheppingskracht;
Ik zou je mateloos willen geven
En zacht zijn, onuitsprekelijk zacht,-
Me diep begrijpend overnijgen
Naar 't kinderhunkeren, 't jongenszwijgen,
Den wereldwijze, den Don Juan
Die 't beste nergens vinden kan,-
Tot je gestolde, grauwe stromen
Ontdooiden in mijn zuidenwind,
En oude langvergeten dromen
Aangolfden in de snik van 't kind,
't Gebaar van den nog schuwen jongen,
De blik van den verlosten man,
Totdat je heen kon gaan: doorzongen,
Een mens die leven, scheppen kan.
IK ZOU JE ZIEL ...
Ik zou je ziel wel in mijn handen willen warmen:
Een vogel, stil verkleumd, gedoken in het zacht
Der teergetinte, opgezette veren,
Voor 't dicht aanhoudend sneeuwen in de nacht.
Ik zou je heel de lange nacht gevangen houden
Binnen tot schelp gevouwen handen, zacht doorgloeid,
En speuren naar het kloppen van je leven
Dat krachtig in dit koesteren ontbloeit.
Bij 't vroege, vage schemeren van de jonge morgen
Je heffen tot mijn ziel: mijn adem die je wekt!
Totdat je op het vlak der vrouwenhanden
Die openvallen, slank je vleugels strekt,
En opwiekt met een kreet tot 't licht dat aan de kimmen
Nog worstelt met de nacht, maar je al purper groet,
Waarin je zingend stijgt: bevrijde vogel,
Doortrilt, vernieuwd, de hemel tegemoet!
FEMME-MERE
Ik zag je nieuwe blik, vervuld van leven,
Zo lichtend jong dat ik de ogen sloot,-
Toen wist ik: mij is vruchtbaarheid gegeven
Ondanks mijn smalle, toegesloten schoot.
O vraag niet! De verborgenheid is groot!
Het diepste is in woorden niet te vangen.-
Toen wist ik: ik kan ingaan tot de dood,
Sacramenteel zijn stalen kus ontvangen.
Ik mocht een mens in pijn en vreugde dragen
Als kwellend, zwellend, levenszwaar geheim.-
Wat zou ik God nog groters kunnen vragen,
Nu jij mijn zoon, mijn blinkend kind mocht zijn?
KOM HIER, MIJN PIJNVOL LIEF ...
Kom hier, mijn pijnvol lief, mijn wilde, moede jongen,
Ik leg je in mijn schoot als een gestorven zoon;
Ik leg je aan dit hart van God en jou doorzongen;
Ik geef je 't diepst der ziel als koele, goede woon,
En buig me naar je toe: zie mijn saffieren meren
Doorschemerd van het licht dat van de hemel komt;
Schenk je bezeerde blik, ik voer je weer naar sferen
Waar alles openbloeit; geef je gesloten mond
En laat mijn zachtste kus je strakheid stil ontspannen,
Zodat je je ontvouwt, je diepversloten kern
Mijn nedersneeuwend licht verwonderd kan ontvangen,
Je op mijn spiegel wiegt als stralend-sterke ster.
VERDOOLDE GODENZOON
Verdoolde godenzoon, langs alle einders speurend
Naar 't andere evenbeeld: de hoogheid der godin,
Haar ingeprente voet, geheimnisvolle geuren
Vervolgend tot de grens van 't goddelijk begin.
Gebonden, eenzaam dier, na wilde lust zich leggend,
De golvend-trotse rug naar de ontwaakte vrouw,
Dat ieder naderen weert, nadrukkelijk, veelzeggend,
Met en in 't diep der keel vibrerend-boze grauw.
Grijsaard en prille knaap, ervaren en onwetend,
Die geest en ziel ontkent, terwijl hij 't lijf bemint,-
Dan in een groots, lichamelijk vergeten
Heet schreiend aan mijn schoot als een verloren kind.
VERMOEIDE ZONEN GODS
Vermoeide zonen Gods, hoe moet ik toch wel zingen,
Dat ik iets in je wek van fonkelende jeugd?
Het kostbaar erts ontdek van leven en beminnen,
De koperrode gloed van koene scheppingsvreugd?
Madonna, maak je los vanaf je stenen wanden,
Schort je onkreukbaar kleed, verlaat je kleinen zoon:
Hij speelt wel met het licht van kaarsen die nog branden,
Valt neuriend in slaap naast je vergeten kroon.
Mij schuwen zij zo diep, mijn woorden, warme ogen:
Zij vrezen stil beangst dat ik de appel reik ...
Door God bekende vrouw, kom af, doe hen geloven
In 't eenvoudsvol gebaar van de barmhartigheid.
VOGELTJE
Een blanke engel met een vlammend zwaard
Versperde mij de weg naar 't paradijs;
Ik tart hem niet, maar luister, onbezwaard
Mijn weg vervolgend, naar de wondere wijs
Omhooggezonden door een fel gekleurd,
Beweeglijk vogeltje, dat dwingend zuiver zingt,
De smalle weg langs, nog van bloei doorgeurd,
Die overhuift, door harde hekken dringt.
Zingt het daarginder, zingt het in mijn borst?
Ik weet het niet, ik ga maar voort en lach
Om zoveel onbedwongen, diepe levensdorst,
Om zoveel verve en feest bij 't grauwen van de dag.
HEMELVAART
Ik dwing je tot het beste in je wezen,
Je zult me volgen op mijn hemelvaart!
Ik hoed je ruwe kracht en ondergraaf je vrezen,
Je bent 't subliemst geluk zo dubbel, dubbel waard.
Dit: heel een wereld je zien toegevallen,
Wegschouwen van de weelden aan je voet,-
Van niemand zijn en 't eigendom van allen,
Der aarde, - superieur aan 't donker eisend bloed.
PORTRET LEOPOLD
Ik zie u aan: ge hebt zoveel geleden,
En zo verlossend veel voor ons gedaan:
De ijlste schoonheid uit uw ziel gebeden.
Is bidden niet tot 't goddelijke gaan?
't Bijna onzegbaar, vlinderteer gevoelen
Der vrouw, gepaard aan het demonisch diep
Vermogen van den man: verheven, rein bedoelen
Versmolten tot gedicht, tot donkere harpmuziek.
Vanwaar? Waartoe? Een fascinerend fluisteren
Doorademt 't boek dat in mijn handen leeft!
Ik leg het weg - in een schroomvallig huiveren
Voor 't wereldvreemde schoon dat uit de bladen beeft.
DORPSKERK
Ik zal de vogel zijn die van de dwarsbalk af
De holle ruimte van de donkere kerk influit;
Zingt de gemeente slepend van het graf,
De dood, de hel: ik zing er boven uit,
Zodat het door een open dakpan dringt,
Gods grenzenloze hemel tegemoet,
En diep beneden door het mineur klinkt
Als milde spot, als levenswarme groet.
Misschien stoor ik een bas, staart een gefronst omhoog
Gehinderd door mijn lied, zo onbekommerd blij!
Misschien val ik een kind, een simpele in het oog,
Glimlacht een jonge vrouw geraakt, getroost naar mij ...
Misschien, mischien volgt later nog een wijs
Waarin mijn zorgloos lied met 't hunne samentreft,
Mijn ongeremde vreugd om 't open paradijs
Zich vloeiend harmonieus in 't feestgeweld verheft ...
Tot zolang zing ik tegen toon en val
Der zware klank in, blijf ik dissonant,
Vlieg deur en vensters langs waar, stuivend, witte kalk
De schildering ontdekt aan de egale wand.
KERKSTRIJD
God lacht. O wat lacht God!
Hij werpt Zich in Zijn wijde troon
En stut Zijn sterbezette kroon;
Het zuivere, zware basgeluid
Vaart muzikaal de hemel uit.-
Een pasgestorven advocaat
Die intensief met Petrus praat,
Vertelt - nog is het niet beslecht -
Dat men om Zijn gebouwen vecht.
God buigt Zich wat voorover, staart
De speldeknop toe van de aard,
En ziet als minutieuze zerk
Het mausoleum van de kerk.
Schreit God?
DODE PARACHUTIST
Hij ligt voorover in het verend gras,
Een vreemde vlek in de besterde wei,-
Naast smalle sloten, waar 't gebroken glas
Van water rimpelt langs de bloemensprei.
Hij sluimert, zich van alles onbewust:
Den vijand die hem vindt, op zij rolt met zijn voet,
In ongeremde haat, in donkere dodenslust,
Een grap zegt die zijn maat uitzinnig lachen doet.
Maar ... was het dit niet wat hij van het lief
Begeerde, toen hij haar nog eenmaal nam:
Een niet beseffen, een volstrekt verlies
Te vochte grond waartoe hij zwevend kwam?
Brak heel zijn sterkte in een duizeling
Niet op haar dauw, haar zachte bodem stuk?
Was deze neertocht, deze werveling
Niet 't opperste, het diepst begeerd geluk?
RIJLIED
De dag, de dingen zijn mij tegen:
Ik ruk mijn rijkleed uit de kast,
Hijg naar cadans, naar open wegen,
Gesp driftig leer en riemen vast,
Ren bijna blindelings naar de weide,
Waar 't donker dier aandachtig graast,
Fluit fel, totdat 't de spitse oren
Beweegt, me toedraaft, blij - verbaasd.
Een kort moment streel ik de flanken,
't Omhooggeworpen paardehoofd,
Dan zadel ik, spring op met handen
Die 'k strakke teugels heb beloofd.
Nog gaan we stapvoets door de lanen,
Maar waar het blauwe bos begint,
Geef ik de sporen, tot de manen
Wegstromen op de straffe wind.
De goudbrokaten, brede vanen
Der zon omwaaien bos en hei,
'k Speur 't waken der fazantenhanen,
Het beeld des sperwers boven mij.
O morgenrhythme! Maatvast heffen
Vanuit het zadel naar de zon!
O dorstig, onbeteugeld lessen
Uit een nog nooit verdroogde bron!
Wat was mij toch te voren tegen?
Zo warm, zo rustig stroomt mijn bloed!
Ik rijd langs witbewebde wegen
En vind het leven goddelijk goed.
VROEGE MORGEN
Op zo'n moment te sterven: licht en loom
Afdrijvend op een laatste, zilveren droom,
Terwijl het luisterend, zich verscherpend oor
De fel verrukte zang van vogels hoort ...
Een honderdvoudige, een vrije stem,
Zich gevende zo gaaf, zo ongeremd,
Dat alles in mij toezwelt naar de kreet
Van een die zich in licht herboren weet!

Terug naar de Elisabeth Cheixaou Page
This page hosted by
Get your own Free Home Page