| Aan een vijver Geluk was een dag aan een vijver in gras met bomen tot in de hemel omkringd ik was er het kind van god en mijn grootvader - beiden stierven geluk is gevaarlijk de vijver is gaan liggen in de avond zo spiegelglad dat hemel, bomen en gras zich herhalen onder de aarde angst en heimwee, beide vragen mij terug rutger kopland |
| Insomnia Denkend aan de dood kan ik niet slapen, En niet slapend denk ik aan de dood, En het leven vliedt gelijk het vlood, En elk zijn is tot niet zijn geschapen. Hoe onmachtig klinkt het schriel �te wapen�. Waar de levenswil ten strijd mee noodt, Naast der doodsklaroenen schrille stoot, Die de grijsaards oproept met de knapen. Evenals een vrouw, die eens zich gaf, Baren moet, of ze al dan niet wil baren, Want het kind is groeiende in haar schoot, Is elk wezen zwanger van de dood, En het voorbestemde doel van �t paren Is niet minder de wieg dan het graf Jc bloem |
| Ga nu maar liggen liefste in de tuin de lege plekken in het hoge gras, ik heb altijd gewild dat ik dat was, een lege plek voor iemand om te blijven rutger kopland |
| Kleine Liefdesverklaring Ik ben al bijna dood, en ik zal nooit aan mensen wennen; zo meen ik ook geen ogenblik je werkelijk te kennen, maar soms, tezamen in het huis en in ��n bed tezamen, met het behoedzame geruis van regen langs de ramen, heb ik wel eens een kort moment gedacht dat ik doorgrondde hoe ondoorgrondelijk je bent, en dat al veel gevonden. Jp rawie |
Voor een dag van morgen Wanneer ik morgen doodga, vertel dan aan de bomen hoeveel ik van je hield. Vertel het aan de wind, die in de bomen klimt of uit de takken valt, hoeveel ik van je hield. Vertel het aan een kind, dat jong genoeg is om het te begrijpen. Vertel het aan een dier, misschien alleen door het aan te kijken. Vertel het aan de huizen van steen, vertel het aan de stad, hoe lief ik je had. Maar zeg het aan geen mens. Ze zouden je niet geloven. Ze zouden niet willen geloven dat, alleen maar een man alleen maar een vrouw, dat een mens een mens zo liefhad als ik jou. Hans Andreus |
| Ritueel Ik houd het kleinste ritueel in ere, Opdat je elk moment terug kunt keren. Iedere dag, wanneer het avond wordt, Maak ik de tafel klaar: een extra bord, Bestek, je eigen stoel, een kaars, een glas, Alsof je enkel opgehouden was. Ik hoor (hoe kon ik denken dat hetgeen Waardoor ik ben, voor altijd was verdwenen?), Ik hoor, alsof de woning nog bestond, Het grind, de klink, het aanslaan van de hond, En je komt binnen op het ogenblik Dat ik de lamp ontsteek, de bloemen schik. Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf En haast niet opziend van mijn stil bedrijf De woorden vind, als was het vanzelfsprekend: Schuif aan; tast toe; er is op je gerekend. Jp rawie |