Het Aandenken
Hoe Jezus laatste dagen ons elke dag inspireren

Oh ja, ik heb het nog. Ik bewaar het in die kist daar. Van tijd tot tijd, wanneer alles verkeerd lijkt te lopen, of wanneer ik ruzie heb met mijn vrouw Mirjam, of wanneer ik me zonder enige reden wat depresief voel, dan neem ik het vast en kijk ernaar. En, geloof me, het lijkt te helpen.

Het is nu ongeveer een jaar geleden. Het lijkt wel langer, is het niet? Ik denk zelfs niet dat de stad al helemaal bekomen is van de dingen die op die vrijdag gebeurd zijn. Het was niet enkel de aardschok, die wel een paar gebouwen beschadigde, zoals je wel weet. Het was eerder de moedeloosheid die iedereen in zijn greep scheen te hebben toen die Profeet uit Galilea werd gekruisigd. Weet je nog hoe donker het werd die namiddag? Net alsof er een geweldige vergissing werd gemaakt en alsof de hemel dat ook besefte.

Ik herinner me nog goed die morgen omdat de rijke koopman uit Jericho, die onze bovenzaal had gehuurd om het Pascha daar samen met zijn familie te vieren, ons liet weten dat hij niet kon komen. Dat was een flinke tegenslag want alles stond klaar. En ik was ook boos, want we hadden op het huurgeld gerekend natuurlijk.

En als je boos bent dan moet je dat natuurlijk kwijt dus vloog ik tegen iedereen uit over alles en nog wat. We hadden een van de bedienden naar de bron gestuurd om water te halen en toen die domkop niet op tijd terug was toen ik een ander werkje voor hem had vloog ik uit tegen Mirjam en riep haar toe dat ze een miserabele huishoudster was die haar personeel niet onder de duim kon houden. Ze snauwde terug en we waren nog altijd aan het bekvechten toen de bediende eindelijk terugkwam. Ik had mijn stok al klaar om hem een welverdiende afstraffing te geven maar er kwamen ook twee andere mannen naar binnen. De ene was een luidruchtige ruwe kerel met brede schouders en rood haar. De ander was tenger en rustig en had een dromerige blik over zich. Ze zeiden dat hun meester de bovenzaal die avond nodig had en of ik alles in orde kon brengen voor dertien mensen.

Wel, dat was toch wel een vreemd toeval! Hier stond ik met een lege zaal en met het eten dat ik in huis had gehaald en daar kwamen die vreemdelingen binnen die dat nu precies nodig hadden. Hadden ze geld? Jawel, en ze waren bereid om vooraf te betalen. Hoe wisten ze dat ik een zaal had? Hun meester had gezegd dat ze een man moesten volgen die een kruik droeg. Dus hier stonden ze.

Dat was het vreemdste verhaal dat ik ooit had gehoord. Natuurlijk vroeg ik wie hun meester was. "Jezus van Nazareth", zei de struise man. "Heb je nog niet over Hem gehoord?"

Natuurlijk had ik al over Hem gehoord. Toen mijn vrouw haar zuster in Kapernaum had bezocht had ze deze Man hore spreken en toen ze terug thuis kwam was Mirjam er na een week nog niet over uitgepraat. Ik had ook gehoord hoe Hij een tijdje geleden voor opschudding had gezorgd in de tempel en dat de hogepriester er op uit was om deze lastpost te laten arresteren, of nog erger. Iemand vertelde me dat de Romeinen Hem ook in het oog hielden omdat ze dachten dat Hij wel eens voor moeilijkheden zou kunnen zorgen of misschien een opstand zou uitlokken. Dit was duidelijk een man die je beter niet mee optrok, laat staan dat je Hem in huis zou halen.

Ik wilde hen net zeggen dat de zaal niet vrij was maar toen zag ik dat Mirjam aan de andere kant van de kamer me een teken gaf. Haar ogen schitterden als sterren. Wat een eer, zei ze; wat geweldig dat deze Profeet zelf in ons huis zou komen om daar het Pascha te vieren. Dat begreep ik toch?

Ik zei haar dat het enige dat ik begreep was dat we hier last mee zouden krijgen. Stel de voor dat de tempelwacht hier zou binnenvallen en die man zou arresteren terwijl Hij onder ons dak verbleef? En misschien hielden de Romeinse spionnen Zijn doen en laten wel in de gaten en dan zou onze naam wel op de lijst van verdachte personen komen te staan! Dit was gevaarlijk, zei ik; veel te gevaarlijk!

Nietwaar, zei Mirjam; dat was het niet. Niemand hoefde dit te weten. Ze zouden hier hooguit drie uur zijn. Tegen de tijd dat ze weggingen zou het al donker zijn. En ze waren toch bereid om voor 13 personen te betalen. We konden ons toch niet veroorloven om dit aan onze neus te laten voorbijgaan?

Ik denk dat het dat laatste argument was dat mij over de streep trok. Een jaar geleden zou ik wel nooit hebben toegegeven dat we moeite hadden om ons hoofd boven water te houden. Maar dat was wel het geval. Ik had het geld nodig. Dus gaf ik uiteindelijk toe en zei dat ze konden komen.

Ze kwamen in de late namiddag in groepjes van twee of drie naar binnen, stilletjes, een beetje schichtig, alsof ze niet graag bekeken werden. Hun Leider was een van de laatsten die binnenkwam. Neen, ik kan je niet precies zeggen hoe Hij eruit zag; ik herinner me alleen dat hij heel speciale ogen had. Als Hij je aankeek had je de indruk dat Hij alles over je wist, al het goede, al het slechte; maar dat Hij het ook allemaal begreep en aanvaardde. Welke kleur hadden ze? Wel, ik weet het niet zeker... het waren merkwaardige ogen. Merkwaardig. Als je in die ogen keek wist je dat er in die man geen enkel kwaad was. Geen greintje. Niets dan goedheid.

De anderen waren een allegaartje en ze hadden een soort geforceerde vrolijkheid; alsof ze heel wat spanning probeerden te verbergen. Ik voelde dat ze angstig waren maar vastbesloten om die angst niet te tonen. Vooral die grote man was luidruchtig en rumoerig; tot de Leider zijn arm aanraakte en toen viel hij ineens stil.

Zij liepen naar boven en Mirjam en ik gingen naar de keuken om toe te kijken op de bereiding van de maaltijd. Toen we daar waren kwam een van de dienstmeisjes naar beneden en ze zei dat ze vroegen om een waskom, wat doeken en warm water; dus lieten we die brengen. Of beter, Mirjam bracht ze zelf naar boven en ik wist waarom ze dat deed. Ze wilde, al was het maar voor een ogenblik, in dezelfde kamer zijn als die Man uit Galilea.

Ze bleef langer boven dan nodig en opnieuw wist ik waarom. De deur van die kamer is in erbarmelijke staat; ze is flink gebarsten en door een van de spleten kan iemand vanuit de gang recht in de kamer kijken. Ik wilde niet dat Mirjam zich zo zou misdragen en daarom ging ik zelf de trap op naar boven. En natuurlijk stond ze daar vlak bij die gesloten deur. Toen ze me zag stak ze haar hand op om me te laten weten dat ik stil moest zijn.

Vanuit de kamer klonken er stemmen. Ik herkende onmiddellijk de stem van de struise man die heel hard klonk alsof hij tegen iets wilde protesteren. Ik kwam dichter en stond naast Mirjam zodat ik ook door die spleet kon kijken en wat ik zag verbaasde me. De man die Jezus genoemd werd had zijn lang kleed uitgedaan en een van de doeken rond zijn middel gebonden. Hij zat geknield op de vloer tegenover die struise man. En Hij waste diens voeten. Heel geduldig en zorgvuldig waste Hij zijn voeten. Zonder op zijn protest te letten waste en droogde Hij zijn voeten.

Toen we terug in de keuken waren probeerde ik Mirjam duidelijk te maken wat ik hiervan dacht. "Wat is dat nu voor een leider?", vroeg ik haar. Ik voelde me op een of andere manier geschokt door wat ik had gezien. "Waarom vernedert Hij zichzelf zo?"

Mirjam schudde haar hoofd maar ik drong verder aan. "Waarom doet Hij nu zoiets? Waarom?"

Mirjam antwoordde: "Zie je dat dan niet? Het is de liefde in Hem".
Ik heb daar de rest van die avond veel over nagedacht. In feite heb ik er sinds dat moment voortdurend over nagedacht. Als ik nu mijn ogen sluit dan zie ik die handen nog, die sterke mooie handen, die die ruwe voeten in die waskom plaatsten, er water overheen goten en die afdroogden. De liefde in Hem? Ja, ik denk dat Mirjam gelijk had. Dat moet het geweest zijn. De liefde in Hem!

Van al de rest kan ik me niet zoveel meer herinneren. Eén uit de groep, een man met een hoekig gelaat en een opgejaagde blik, ging voor de anderen weg. Hij verdween in de nacht en kwam niet meer terug. Al de anderen bleven nog een hele tijd. We hoorden hen een Psalm zingen en doen kwamen ze in alle stilte naar beneden. Voor ze het huis verlieten wendde de Leider zich tot Mirjam en raakte haar hand aan. "Heb geen angst", zei Hij. "Niemand in dit huis zal om mij lastig gevallen worden". Toen volgde Hij de anderen in de stille straat.

Toen de deur zich achter hen sloot verwachtte ik dat ik me nu opgelucht zou voelen. Maar dat was niet zo. Integendeel; ik voelde een soort leegte, een gevoel alsof ik iets verloren was, iets wat ik moeilijk kon beschrijven. Ik kan alleen zeggen dat ik met een gevoel van verlatenheid achterbleef.

Ik ging terug naar de bovenzaal. Die lag er nog bij zoals zij ze hadden achtergelaten en ik bleef daar een poosje staan. Je hebt misschien ook al ondervonden dat de atmosfeer in een kamer soms de gebeurtenissen die er hebben plaatsgevonden nog een tijdje vasthoudt? Wel, zo was het daar ook. Ik vroeg mezelf af wat hier allemaal gezegd geweest was, luisterde naar de echo van de woorden en het was alsof ik die kon horen. Maar ik had geen rust, natuurlijk. Geen rust.

In een hoek van de kamer stonden nog altijd de waterkruik en de waskom; de doeken lagen er nog naast. Ik liep er naartoe en raapte die ene doek op die gebruikt was. Het was vochtig en besmeurd en verfomfaaid maar het lag daar nog zoals Zijn handen het daar hadden achtergelaten. Die sterke, geduldige en liefdevolle handen. Ik probeerde de warmte van Zijn aanraking voor de geest te roepen en – het is vreemd hoe onze verbeelding ons parten kan spelen – het was alsof dat doek Zijn warmte nog uitstraalde vanuit de plooien in het linnen. Toen ik terug naar beneden liep nam ik het mee. Om een of andere reden wilde ik niet dat de dienstmeisjes het zouden vinden en wassen. Ik legde het in die koffer daar. En daar is het sindsdien blijven liggen.

Later die nacht werd Hij gearresteerd, zoals u wel weet. En de volgende dag hebben ze Hem omgebracht. Tenminste... ze hebben geprobeerd om Hem om te brengen. Er zijn er die beweren dat dit niet gelukt is en mijn vrouw Mirjam is één van hen. Als ik haar vraag hoe dat nu kan dan glimlacht ze alleen maar en ze zegt dat liefde sterker is dan de dood. U vindt dat zeker ook een vreemde gedachte? Sterker dan de dood!


Van tijd tot tijd komt Mirjam samen met andere mensen die er ook zo over denken. Ze blijft me maar vragen om eens een keer met haar mee te gaan en een van de dagen doe ik dat misschien ook wel. Langs de ene kant wil ik daar niet naartoe gaan maar het is of een zachte hand me toch in de richting duwt. Een van de dagen zal ik waarschijnlijk gaan. Enkel om te zien wat daar nu precies gebeurt.

Het doek zelf? U denkt dat de druk die ik voel van dat doek daar in dat kistje komt? Neen, dat zou ik niet durven zeggen. Uiteindelijk is het enkel maar een stuk linnen. Zou u het willen zien? Ja, natuurlijk, ik zal het kistje even openmaken. Neen, het is geen moeite. Ik dacht wel dat u dat zou vragen.

Mensen vragen dat altijd als ik mijn verhaal vertel. Ze vragen het altijd opnieuw.
__________
© 1988 – Peale Center for Christian Living

TEKSTEN
VERHALEN GEDICHTEN
GEBEDEN HOME NIEUW
Hosted by www.Geocities.ws

1