| JOSJE'S WERELD | |||||
| DE FRIESCHE OELEWAPPER | |||||
| In Friesland leefde eens twee mensen. Op een dag hadden zij zo een hevig verlangen naar het cre�ren van bedgeheimen. Verder niks aan de hand. Maar de man was vergeten rubberjasjes te kopen bij de drogist. En zo een negen maande later was de wereld weer een Fries rijker. En die krijste heel Friesland bijmekaar. Jahaa. Het was een echte authentieke Fries. Dit kleine opdondertje werd Theo genoemd. Theo was eigenlijk een Fries in het kwadraat. Want hij had een bed van twee bij twee om ook 's nachts dwars te kunnen liggen. Op school was het ook een verschrikkelijk ventje. De hele dag liep hij zijn medeleerlingen tegen mekaar uit te spelen, zijn Drentse klasgenootjes in elkaar te trimmen en ga zo maar door. Zo ging zijn jeugd voorbij en hij moest aan het werk. Maar ook Friesland was verplicht mee te doen aan de werkloosheid. Dus Theo kon geen werk krijgen. Maar over de grens in Groningen en Drente zochten ze nog lui die het vuile werk wilden opknappen. Want de Turken en Marokanen zagen dat ook niet meer zitten. Uiteindelijk kon Theo aan de slag als spoorbiels bij de NS. Dat werd dus niks. Want Theo lag er nog geen twee tellen en meteen ontspoorde er een locomotief met 60 wagonnen. Toen heeft hij nog een blauwe maandag als bliksemafleider gefungeerd bij de antennemasten van Smilde. En hij heeft zelfs drie minuten de leiding gehad over het Noorder Dierenpark in Emmen. Toen was er een homofiele olifant ontsnapt en die had zich vergrepen aan het eerste beste beeld van Bartje wat hij tegen kwam. Aangezien dat ook niks werd, blies Theo onder luid boe-geroep de aftocht. Een initiatief van Groninger wijnboeren werd de grond in geboord, omdat Theo bij de opening van de wijngaard er een schip tegenaan gooide. Leuk h�? Niet dus. Theo was inmiddels overal uitgekotst, toen men hem een leidinggevend baantje aanbood op een werkvoorzieningsschap in Appingedam. Zo'n stomme koe als Theo hapte meteen toe, ook al had hij er helemaal geen ervaring in. Reeds bij het eerste uur was hij het pispaaltje. Want alles liep in de soep. De werknemers zaten soms wekenlang stil. Maar Theo volgde gewoon zijn eigen rotkop en deed net of hij doof was, want ontslaan konden ze hem toch niet. Want hij bleek de directeur te chanteren. Want die had een keer door het rode licht gefietst, alsof dat zo een vreselijk misdrijf is. Maar op een dag moest hij baasje spelen over een andere afdeling van de werkvoorzieningsschap. Maar de werknemers die daar zaten, vonden Theo maar een sul (s=l). Maar op een dag was er een spiegelplaatje gestolen en Theo riep heel hard "Als ik hem niet terug heb, krijgen jullie straf". En er werd verder geen aandacht aan geschonken. Maar op een dag kwam de aap uit de mouw. Theo liep weer eens als een schoolmeester door de afdeling rond te zompen. Terwijl de grootste belhamel opeens het vermiste schijfje uit een van de laden uit het bureau van Theo viste. Nou, lieve kindertjes, toen was Appingedam in last. De politie kwam er zelfs bij. Maar het politie-apparaat van Appingedam kent nog prehistorische straffen. Maar aangezien de werknemers heel graag wilden dat Theo aangepakt werd eisten ze de vrijlating van een paar gevaarlijke bankrovers. Toen dat geregeld was kreeg Theo een groot houten kruis in zijn poten gedouwd en werd gesommeerd dat ding mee te sjouwen naar het grote kerkplein. Daar aangekomen werd hij aan het kruis gespijkerd en naast een oude bekende van de werknemers geplaatst. Het bleek ene Smit te zijn die heel veel supporters had onder de werknemers, maar door het fijne rechtssysteem van Appingedam aan het kruis genageld was. Maar toen de beul net wou beginnen, kwam de commissaris eraan. Want het bleek dat Theo erin geluist was. "Wie heet hier Theo?", vroeg de commissaris. "IK!", antwoordde Smit. En onder luid gejuich werd Smit uit zijn benarde positie bevrijd. Het hulpgeroep van Theo ten spijt. Er werd een groot feest gevierd, maar opeens verschenen er mannen in witte pakken en witte puntmutsen die hun hele gezicht bedekten. Een van hun begon wat benzine rondom het kruis van Theo te strooien en nadat hij dat had gedaan stak een van zijn maten de boel in de hens. Net toen enkele baldadige werknemers in een kring rondom dit vuurtje gingen dansen, net als de smurfen, kwam er een engel naar beneden. Die wilde Theo wel bevrijden, maar alleen als Theo eerst 100 keer riep "Ik ben een hufter". Maar toen hij net aan de 100ste keer wou beginnen kwam hij om van de hitte. Toen men in het politie-laboratorium autopsie op zijn lichaam wilden plegen troffen de artsen alleen maar een hoop etter en pus aan. Wat is nou dan de moraal van dit verhaal? Het is geen pretje om een Fries als leidinggevende te hebben die ook nog eens een betonnen plaat van 7 meter lang, breed en dik voor zijn rotkop. En dat hij ook nog eens diezelfde rotkop volgt. Josje Habing/Adora Moonchild Publishing � 2002 |
|||||