| JOSJE�S WERELD | LELIJKE SCHOBBEJAK | ||
| Appingedam was weer in rep en roer. Op de plaatselijke werkplaats was de pleuris weer eens uitgebroken. Voor de verandering ging het deze keer over een of andere smerige roddel. Hier komt het verhaal. Het was een warme dag op de werkplaats en er hing een gespannen sfeer, zoals altijd. Want de Zwemmende Pinguin lag weer eens overhoop met zijn medemensen in het algemeen en met de Dorpsomroeper van Holwierde in het bijzonder. Dit tot groot ongenoegen van Fatman en zijn adjudant Lange Hond. En toen de Zwemmende Pinguin weer op iemand begon te schelden, werd de Lange Hond hels. Hij pakte de Zwemmende Pinguin op en gooide hem met een welgemikte worp tussen de memmen van Miss Piggy. Die smeet de Zwemmende Pinguin op de grond en sloeg haar stoel op die gozer zijn kop kapot. Wat is er? Werd zijn kop er ook mee kapot geslagen? Ja sorry hoor. Maar dat is zo'n lelijke rotkop daar zie ik het verschil niet tussen heel of kapot. Zo van die doende. Maar de Bloemenkweker begaf zich toevallig in diezelfde ruimte. En die beste man had weer een nieuwe hobby ontdekt. Hij had bij de Scouting namelijk een nieuwe groep opgericht; De Schobbejakken. Er was een kleine afwijking aan deze groep ten opzichte van de andere padvinders. Zij moesten namelijk elke dag een slechte daad verrichten. Zo kwam het dat er dagelijks een gewapende roofoverval in Appingedam plaatsvond. Wat heeft dit in Thomas Alva Edison's naam nou met de werkplaats nodig? Simpel, waar de bloemenkweker was, waren ook die Schobbejakken te vinden. Dit was eigenlijk niet zo'n succes, want de Schobbejakken kaapten ook regelmatig de offici�le bedrijfsheftruck en gingen daarmee rondjes scheuren op straat. Probleem: De heftruck mocht alleen maar gebruikt worden door de Struikrover. Toen hij op een kwaaie morgen getuige was van dit Idyllish Tafereeltje, waren de rapen gaar. Hij oefende meteen zijn oude beroep weer uit. Hij dook achter een der schaarse struiken die Appingedam rijk is, richtte eens even goed met zijn geweer en... Hij schoot een zootje Schobbejakken naar de eeuwige aardbeienvelden. Toevallig liep daar ook de Orgeldraaier met zijn orgel en aapje. Het aapje was om een of andere rare omstandigheid het zoontje van de bloemenkweker. Het aapje rende meteen naar zijn vader om te vertellen wat de Struikrover gedaan had. Maar toen hij weer naar buiten wou, keek hij recht in de loop van het dubbelloops jachtgeweer van de Struikrover. "Mooi dinkie!", zei het aapje tegen de Struikrover. Intussen hadden de Schobbejakken bezit genomen van heel Appingedam. Paniek! Maar opeens verscheen daar de Poolse tweelingbroer van de Bloemenkweker. Dat was Adamski. Die moet je overigens niet verwarren met die kerel die in Duitsland piratenzenders uit de lucht haalt. Adamski was in Polen uitbater van een tomatenkwekerij en had flink verdiend met de verkoop van rotte tomaten toen die abortusboot daar was. Van de winst was hij naar Nederland gekomen om zijn tweelingbroer te bezoeken. Zo, nu kan ik straks een potje scheldens verwachten van diverse instanties, omdat ik misschien wat verkeerds gezegd heb. Maar nu weer verder. Adamski kwam aan in Appingedam en zag hoe de Schobbejakken deze eens zo mooie stad/dorp (dit geeft heisa) hadden veranderd in een poel van terrorisme. Adamski bedacht zich dat hij in zijn busje nog een paar kissies rotte tomaten had. Hij deelde dat uit onder de boze Damsters (inwoners van Appingedam) en in een mum van tijd waren alle Schobbejakken verjaagd. Toen de Bloemenkweker dit hoorde, wou hij Adamski het Damsterdiep in gooien. Maar Adamski was sneller. Maar de Bloemenkweker had nog wat achter de hand: Oetepetoeters. Dat zijn inwoners van de planeet Oetepetoet, dat zweeft ergens rond aan de andere kant van ons melkwegstelsel. Toevallig was Wubbo Ockels ook in de buurt. Hij probeerde namelijk ouwe computers te slijten aan de antiquair. Toen Wubbo zag dat het drie-ogige volk bezit nam van Appingedam, belde hij meteen naar Sjors Dobbeljoe Boes, de president van Amerika. Die stuurde meteen het hele leger er op af. Maar toen die kwamen waren alle Oetepetoeters opgekrast. Er waren alleen nog een zootje graancirkels achtergelaten. En dat midden op een asfaltweg! Wat is nou de moraal van het verhaal? Niets! Alleen dat we straks geouwehoer kunnen verwachten met diverse instanties. Josje Habing/Adora Moonchild Publishing � 2003 |
|||