Gedurende de oorlog stierven er meer soldaten door ziekte dan door kogels. Kwartiermeesters wisten heel weinig over evenwichtige en gezonde voeding. Meestal konden ze zelfs niet het voedsel verkrijgen dat ze vroegen. Van de soldaten werd ook verwacht dat ze hun eigen maaltijden bereidden.
Dysentrie kwam het meest voor en was in bijna alle gevallen fataal. Chirurgen werkten zonder ontsmettingsmiddel en opereerden gewoon in open lucht, soms aan het front zelf. De medische verzorging was zo onbetrouwbaar dat een soldaat die gewond naar een hospitaal werd gestuurd, eerder zeker was van zijn dood dan van zijn redding.
In het Noorden probeerde een vrijwilligersorganisatie, "The United States Sanitary Commission" genaamd, er voor te zorgen dat de gewonde en zieke soldaten toch een klein beetje comfort kregen. Deze organisatie recruteerde verpleegsters en gaf extra kleren en voedsel aan de soldaten.
Een andere vrijwilligersorganisatie, "The United States Christian Community" genaamd, verdeelde Bijbels en leesboeken. Er waren ook individuen die probeerden te helpen. E�n van hen was Clara Barton. Zij organiseerde inzamelingen van voedsel en medische spullen, en ze verzorgde gewonde soldaten.
Het Zuiden had geen algemene hulporganisaties, maar plaatselijke groepen deden alles wat ze maar konden om het leven van hun soldaten een beetje aangenamer te maken.
Foto copyright www.corbis.com .