|
"Het tempeliershuis …" |
http://www.geocities.com/citylegends
|
Location |
Belgium / West-Vlaanderen / Ruddervoorde |
|
Original language |
Dutch |
|
Time |
± 1835 |
Op de baan van Ruddervoorde naar Torhout, een kwartier van de kerk ligt er een groot omwald boerenhof waarop een woning staat met drie verdiepingen, het Tempeliershuis genaamd. Rond de jaren 1835 woonde aldaar een zekere Melia Dumont, de oudste dochter van een familie van tien kinderen, die reeds vanaf haar vijftiende jaar de zorg van de hele familie op haar moest nemen daar haar beide ouders gestorven waren. Boven dit huis scheen een ware kwade hand te regeren. In de jaren dat die familie er verbleef kwam het ene ongeluk na het ander op hen over. Tegenslag met beesten, de ene plaag na d'andere, tegenslag met de oogst die regelmatig mislukte, eerst stierf de vader en korts daarop de moeder. Het was juist in dat jaar vooral dat hongersnood en aardappelplaag kwade perten speelden. Op zekere dag kwam een uitgehongerde man aan de deur. Melia had als naar gewoonte de aardappelen gekookt en uitgegoten in een grote tinnen teil op tafel. Puur van medelijden zette ze deze teil de man voor en deed voort haar werk. Toen ze even later terugkeerde vond ze de teil ledig en de man dood ernaast. Hij had in te lange tijd niet gegeten en was van overdaad gestorven. Op het hof kweekte men veel zwijnen. In een jaar tijds kwamen ze alle om. 'Het was een kwade hand of een spook,' zei het werkvolk. In vijftien jaar tijd moesten ze ook vijftien paarden delven (begraven). Groter tegenslag kon een boer niet tegenkomen. De paarden vielen dood op het land of in de stal en niemand die wist waardoor. Op enen stond trokken ze kerngezond de ploeg voort, wat later legden ze zich neer om niet meer op te staan. Het werkvolk op het dorp geloofde niet dat het zuiver was op het Tempeliershuis. Op zekere nacht, de paardeknecht sliep in de paardestal en de koewachter sliep op de dilte van de schuur erboven, viel er een zware schoof op de slapende paardeknecht. Hij schoot wakker en riep naar de koewachter: 'Wat doe je da?' Hij kreeg geen antwoord. Hij keerde zich om en sliep weer in. Doch pas was hij in slaap of er viel een tweede schoof op zijn hoofd. Weer riep hij naar de koewachter: 'Wat doe je da? Het is al wel.' Weer sliep hij in, toen een derde schoof op hem neerviel. De paardeknecht werd kwaad, kroop uit zijn strooi en ging naar de dilte om de jonge koewachter eens goed onder handen te nemen. Hij vond hem slapen. Na lang schudden kreeg hij hem wakker en op zijn vragen waarom hij met schoven wierp kon hij niet antwoorden, want hij wist van niets. Dat vond de paardeknecht raar. Hij ging naar het hof dat rechtover de stallingen stond, het was nog pikdonker en klopte op de deur. Na lang wachten kwam een der zonen opendoen. 'Is het al ochtend?' vroeg de paardeknecht. 'Waarom da?' vroeg de zoon. 'Ze smijten daar drie keer na mekaar een schoof in mijn aangezicht binst en het weet niemand van entwat!' Dat vond de boerenzoon ook raar, en hij ging binnen zien hoe laat het was. Hij ging binnen en toen hij weer buiten kwam zei hij enkel: 'Het is twaalf van de nacht!' 'Dan is het spook,' zei de knecht en van schrik durfde hij niet meer terug naar zijn stro in de paardestal gaan en bleef in het huis slapen. Niet lange tijd daarna waren er voort ongelukken met de beesten op het hof. Toen kwam het dat de een de ander erop lette dat er daar precies lijk iets in de wal in het water lag. Ze zagen er een soort kist in liggen. Een der zonen wilde er het fijne van weten. Hij legde twee kloeke paarden aan een zwinkel en daaraan een straffe keten die ook rond de kist gedraaid werd met het doel deze uit de wal te trekken. De paarden werden opgejaagd en trokken uit al hun macht dat de brokken in het ronde vlogen. De boerenzoon vloekte dat het kraakte om zijn dieren aan te wakkeren. Doch ze gingen zodanig aan het zweten en aan het zwoegen en er was zodanig veel tegengewicht van de kist die al bovenstak op een boord, dat de paarden achteruit weken, de kist terug in de wal stuikte en zo diep dat ze niet meer te zien was. Toen de ketens losgeslagen werden, nadat de paarden uitgespannen waren moesten ze die in de wal achterlaten, want met geen moeite waren ze er nog uit te halen. Men bracht de paarden die schuw geworden waren weer naar de stal. De poging was mislukt en het volk zei: 'Het is het spook dat tegen het vloeken niet kon!' Op een avond ging de dagloonster naar haar huis in het dorp terug. Toen ze aan dezelfde wal kwam zag ze een witte zwaan die uit het water kwam en gerucht maakte, met haar snavel en vlerken slaande. Ze liep terug naar het hof en zei dat ze het spook van de wal gezien had. Toen de knechten met haar meekwamen was de zwaan verdwenen. Als dat raar bedrijf nu al lange jaren geduurd had namen ze op het boerenhof, dat op het dorp bij de mensen het Spookhuis genoemd werd, het besluit naar de pastoor te rade te gaan. Hij beloofde te komen, intussen moesten ze maar veel bidden. En hij kwam met een palmtak en wijwater, en met zijn beste stool aan om het kwaad bedrijf te belezen. En al lezend en wijwater strooiend ging hij met de zonen van het hof tot aan de verste hoek van bun landbezitting. Daar bleef hij een hele tijd lezen en wijwater strooien en zei daarna dat ze mochten gerust zijn. Want het spook kon nu maar alle jaren één stap meer nader tot het hof komen. Melia en haar broers bleven daar nog vijftien jaar wonen. Jaar voor jaar was alles voorspoedig en scheen hun hof bijzonder gezegend. Het was een van de beste boerenhoven van het dorp. Toen ze later trouwden en verhuisden, was het eerste werk van de nieuwe eigenaar van het Spookhuis dit volledig af te breken. Men was niet weinig verwonderd een graf te ontdekken onder de keukenvloer. Er lagen drie mannengeraamten in. Bij d'ene lag een zak met goudgeld, het was zeer oud goudgeld, bij de tweede lag een pijp en bij de derde een wandelstok van heel bijzonder maaksel. Al wat de vinders ervan aanraakten viel in stof. Het moest allemaal van slechte tempeliers geweest zijn. Want ge moet weten, het volk vertelde dat er twee soorten tempeliers waren geweest: goede en slechte. En juist de slechte hadden op dat hof verbleven, zei men. De vinders droegen het goudgeld naar het gemeentehuis. Waarschijnlijk zei men, was het spook op zoek naar zijn geld en zo vergramd op de inwoners, dat hij al het kwaad boven bun hoofd samentrok. Eerwaarde M.A. overste te Assebroek had dit verhaal gehoord van haar moeder die zelf op het spookhuis woonde!