|
"Het ros Beiaard …" |
http://www.geocities.com/citylegends
|
Location |
Belgium / Oost-Vlaanderen / Dendermonde |
|
Original language |
Dutch |
|
Time |
750 - 800 |
Onder al de verhalen over Karel de Grote, zijn broeders en zijn leenmannen, is het meest gegeerde en het meest bekende dat van 'De vier Heemskinderen, weledele en zeer koene ridders'. De oudste is Reinoud, eigenaar van het Ros Beiaard; de anderen zijn Ritsaard, Writsaard en Adelaard. Reinoud speelt de hoofdrol. En zijn peerd ook. Het munt uit boven al de strijdrossen van zijn tijd. Waren de vier Heemskinderen, zonen van hertog Haymon, heer van Dordona, broeders van Karel, in de geschiedenis Karel de Grote genaamd? Zo toch wordt verhaald. Volgens anderen waren het zijn neven en leenmannen. In alle geval worden zij aangezien in het begin, voor bondgenoten in de oorlogen van Karel de Grote, en vervolgens als vijanden. Dat was rond de jaren 750 - 800. Volgens het ons vertelde verhaal was Haymon niet heer van Dordona, maar van Dendermonde. Na jaren van vijandelijkheden tussen Haymon, heer van Dendermonde en koning Karel, werd de vrede gesloten op voorwaarde dat Karel toestemt in het huwelijk van Haymon met zijn zuster Aya of Vorsie. Uit dit huwelijk werden geboren Reinoud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard, door hun vader bij het intreden der jongelingsjaren als ridders gewapend en met een paard begiftigd. De beste draver, meer dan een voet groter dan de andere, viel de oudste ten deel. Hij vond het dier te onbeduidend en met een slag van zijn vuist sloeg hij het paard morsdood op zijn voorhoofd. Een ander paard, groter en sterker, werd gekozen in de stal. Reinoud gaf het dezelfde dodelijke klop. Een derde werd aangebracht, nog groter en sterker. Reinoud ging het berijden en brak het de lendenen. Haymon, ver van daarover geërgerd te zijn, schiep vermaak in deze overmoed. 'Ik weet een paard,' zegde hij, 'dat Beiaard beet. Sterk is het als tien paarden; het is gestald in de kloek gebouwde burcht, waar niemand nog bestond het te bestormen. Het is een bruine hengst, veulen van een dromedaris, zo gezwind als een sperwer, wiens vlerken het in de vlucht afslaan kan.' 'Dat valt in mijn schik,' sprak Reinoud. 'Het is het uwe,' wedervoer Haymon. 'Gord uw wapens aan om het dier te naderen; het paard is vervaarlijk en het maalt met zijn gebit stenen of het haver was.' 'Nooit,' schoot Reinoud uit. 'Wapens aangorden tegen een paard is onwaardig voor een dappere.' 'Geloof mij,' drong Haymon aan."Doe uw ijzeren uitrusting aan; zo niet, sta ik niet borg voor uw leven.' Reinoud gehoorzaamde. Gevolgd van een geleide van edele vrouwen en ridders, nieuwsgierig naar hetgeen te gebeuren stond, deed hij de burcht openen. Een hoefslag velde Reinoud te gronde. Reinoud ging met Beiaard aan het worstelen en na een kans en tegenkans lukte het hem het paard te breidelen, het te bestijgen en buiten de stal te drijven; onder het steken van de sporen werd het getemd, zodanig dat het voor de verbaasde en verheugde aanwezigen aan het huppelen en dansen ging. 'Geen schat ter wereld is mij zoveel als Beiaard waard,' riep Reinoud uit. 'Dat men hem toeruste zonder dralen zoals het een strijdros past.' Op een van zijn ritten kwam Reinoud in het koninklijk hof. Lodewijk, de zoon van de koning, maakte aanspraak op Beiaard. 'Verschoning,' bad Reinoud, 'het spijt me duizendmaal u geen voldoening te kunnen schenken.' 'Om het even,' antwoordde Lodewijk, 'deze weigering zal u duur te staan komen.' Een tijdje naderhand brak een twist uit tussen Lodewijk en Reinoud en de zwaarden werden getrokken. In een behendige zwaai sloeg Reinoud zijn tegenstrever het hoofd af, onder de ogen van de koning, diens vader. Deze daad eiste weerwraak. 'Op, ridders, baronnen en krijgsboden van allerlei wapens, dat de moordenaar van mijn kind op staande voet gekastijd worde!' Twee ruiterbenden werden in de strijd gebracht; de ene werd aangeleid door de koning in eigen persoon, de andere door Reinoud, gezeten op zijn paard, gevolgd door zijn broeders. In het hete van de strijd werden de paarden van Ritsaard, Writsaard en Adelaard onder hun ruiters gedood. Beiaard ontkwam het. In enige oogwenken was hij buiten het bereik van zijn achtervolgers, met de vier broeders in het zadel. Ros en ruiters waren vanaf dat ogenblik onafscheidbaar. Gedurende verscheidene jaren voerden zij oorlog in het toen nog mohammedaanse Spanje, daarna keerden ze terug naar hun burcht in de Ardennen, Pierlepont in de Amblève-vallei, om er van een welverdiende rust te genieten. De koning vernam dat en bracht de krachtdadigste oorlogsmannen op de been om de vier Heemskinderen en hun verblijf te overmeesteren. De vier gebroeders, door de vermoeidheid van bun legerbenden, genoegzaam verdedigd, verloren de strijd en werden gedwongen binnen de hoge, steile muren van het vaderlijk erfgoed veiligheid te zoeken. De koninklijke benden legerden zich om de sterkte, om hen uit te hongeren en dan de dood aan te doen. In haar wanhoop ging Aya, aan de voeten van Karel, genade afsmeken voor haar vier zonen. Haar bede werd verhoord, doch op een voorwaarde: het fiere Beiaard moest te zijner beschikking gesteld worden. Aya deelde haar zonen 's konings vonnis mee. Ten einde raad, hij wist geen andere uitredding meer, gaf Reinoud toe. Beiaard werd gebracht naar de samenvloeiing van Dender en Schelde. Twee zwerfkeien werden gebonden aan de hals van het edele dier, dat aldus in de stroom geworpen werd. Beiaard echter schudde zijn kluisters af, klom op de oever en begaf zich naar Reinoud. De koning ontstak in een vreselijke woede. 'Lever mij Beiaard; zoniet, zijt gij een man des doods,' sprak hij. Reinoud gehoorzaamde andermaal. Een molensteen werd nu aan elk der poten van het paard gebonden en weer werd het in het water geworpen. Voor de tweede maal evenwel keerde Beiaard bij zijn meester terug. 'lk wil dat hij mij een laatste maal geleverd wordt!' viel de koning uit, met stijgende woede, 'en gij, Reinoud, zult buiten zijn gezicht blijven.' Reinoud ging heen, diep verslagen. Deze keer werd een molensteen gebonden aan elk der vier poten, en ook nog twee aan de hals. En zo zonk Beiaard, briesend, als met de stem van een mens op de bodem van de rivier. Ondanks de zware last stak hij toch nog het edele hoofd naar boven. Vergeefs zag hij minnaar, Reinoud, die zich had afgekeerd. Hij voelde zich door en door verlaten en hinnikte, dat het sneed door alter harten en zonk toen weer weg in de diepte. Zo eindigde, diep rampzalig, het sterkste, edelste en mooiste dier, dat ooit geleefd heeft, opgeofferd aan de niet en niemand ontziende machtswellust van een gewetenloze vorst die ten onrechte 'De Grote' wordt genoemd.