Afluisteren. Wie doet het tegenwoordig eigenlijk niet? Iedereen legt wel eens zijn oor tegen een muur. Opsporingsdiensten prijzen tappen nog steeds als belangrijk opsporingsmiddel. Presidenten houden (kritische) journalisten in de gaten. Philips levert telefooncentrales aan het buitenland met ingebouwde afluisterapparatuur. Werkgevers generen zich niet als blijkt dat ze de telefoons van hun werknemers afluisteren. En dan de Binnenlandse Veiligheidsdienst natuurlijk. De manier waarop communisten bespied werden, doet het ergste vermoeden over de huidige technische capaciteiten van de Dienst.
Als er iets duidelijk is geworden de afgelopen jaren is het
wel dat er veel getapt wordt door de politie in Nederland. Uit het onderzoek Tappen
in Nederlandblijkt dat
afluisteren een geliefde opsporingsmethode is. Werden er in 1986 nog maar 1080
telecomaansluitingen getapt, in 1992 waren het er al 2282. Een jaar later steeg
het aantal afgetapte telefoons fiks naar de 3619 aansluitingen. In 1994 volgde
dan een lichte daling naar 3284 aansluitingen. Uit Tappen in Nederland
blijkt dat de grote vier arrondissementen (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en
Arnhem) meer tappen dan de andere vijftien bij elkaar. Arnhem voerde
wonderbaarlijk genoeg de lijst aan met maar liefst 616 taps in 1993 en 452 in
1994. Afgezet tegen het aantal opsporingsonderzoeken komt Arnhem tot 253 taps
per tienduizend zaken. (Den Haag 148, Amsterdam 124 en Rotterdam 104.) Ook de
lengte van de taps verschilt nogal per regio. Gemiddeld was de lengte van een
tap in 1993 43,5 dagen en in 1994 43,9 dagen. Breda voerde de lijst aan met
68,9 dagen terwijl Assen met 18 dagen hekkensluiter was. De langst getapte lijn
in 1993/1994 was 547 dagen. Per strafzaak verschilt het aantal taps ook
aanzienlijk: van 1 tot 60, met een gemiddelde van 5,5 taps per zaak.
Dat tappen steeds belangrijker is geworden heeft met twee dingen te maken. Om
te beginnen is simpelweg het telefoonverkeer flink toegenomen, maar
belangrijker is de verandering in de opsporingsgerichtheid van de politie. Ging
de politie vroeger pas aan de slag na een misdrijf, tegenwoordig richt zij zich
meer op (mogelijke) dadergroepen. Met het toverwoord "georganiseerde misdaad"
brengt de politie hele netwerken van organisaties in kaart. En afluisteren is
daarbij populair.
Maar niet alleen de kentering binnen de politie speelt een rol. De Nederlandse
boeven blijken moeilijk hun mond te kunnen houden. In Tappen in Nederland
zei een ge�nterviewde politieman dat "het net is alsof ze opgepakt willen
worden. Ze zijn soms gewoon lui of laks". Vooral beginnelingen in het vak
blijken weinig rekening te houden met een mogelijke tap, maar ook professionals
vallen vaak door de mand door het gebruik van zogenaamd bedekte termen. Binnen
de kortste keren achterhaalt de politie de codes wel. Vrienden en familie zijn
vaak funest, ze vertellen over de telefoon vaak veel meer dan de verdachten
zelf. Weinig criminelen zijn op de hoogte van het doen en laten van de politie.
Effectief is tappen vooral in zaken waar meerdere mensen bij betrokken zijn.
Drugszaken scoren het hoogst, maar ook bij heling, diefstal en fraude leveren
de taps vaak veel bewijsmateriaal op. Bij moord, bedreiging, omkoping en verkrachting,
zaken die vaak alleen worden verricht, levert tappen meestal geen
bewijsmateriaal op.
Tappen wordt slechts zelden als enig opsporingsmiddel ingezet. Vooral de
combinatie met een Observatie Team is populair bij de politie. De getapte
informatie kan dan vaak direct gecheckt worden. De laatste jaren wordt er ook
vaak gebruik gemaakt van camera's en video en plaatsbepalingsapparatuur.
Tappen gaat zoveel mogelijk via een tapkamer. Met de regionalisering van de
politie wordt gestreefd naar ��n grote tapkamer per regio. Bij grote
onderzoeken wordt er echter altijd vanuit een eigen tapkamer gewerkt. In 1995
kon de politie 1160 aansluitingen tegelijk tappen.
Het is natuurlijk vooral de recherche (tactisch, pro-actief of Kernteam) die
gebruik maakt van tappen. De uitvoering ligt meestal in handen van
ondersteunende diensten als de Dienst Technische en Operationele Ondersteuning
(DTOO), Steunpunten Technische Ondersteuning (STO), Arrestatie Teams (AT's) of
Observatie Teams (OT's).
De organisatie van de recherche in Nederland is sinds het Van Traa onderzoek flink in
ontwikkeling. Tot die tijd was de recherche in elke regio anders georganiseerd.
De enige overeenkomst was dat er regionaal meestal drie niveau's waren: basis-
of wijkteams, districtsteams en regionale teams.
De afgelopen jaren heeft de nadruk vooral gelegen op de reorganisatie van de
regionale recherche. Men heeft er naar gestreefd om te komen tot een vorm
waarin de tactische recherche en de ondersteunende diensten zijn
vertegenwoordigd. In de meeste regio's is deze reorganisatie nog in volle gang.
Afhankelijk van de grootte van een zaak en de prioriteit pakt een afdeling een
onderzoek op. De officier van justitie Zware Criminaliteit, de Criminele
Inlichtingen Dienst (CID)-officier van justitie, het hoofd tactische recherche
en de CID-chef verdeling de te onderzoeken zaken onder de regionale teams en
controleren de voortgang. De CID heeft dus een behoorlijk grote invloed op het
onderzoek. Slechts een paar regio's hebben een platform waarin voorstellen
worden gedaan over te onderzoeken zaken. De basis- en districtsteams pakken
hoofdzakelijk zaken aan die direct aan de eigen omgeving zijn gerelateerd; de
regionale recherche wordt meestal ingezet tegen de georganiseerde misdaad.
Op een niveau hoger staan de zogenaamde Interregionale Kernteams. Begin negentiger jaren gestart met het inmiddels meer dan beroemde IRT Noord-Holland/Utrecht zij er momenteel zes kernteams: Noord-Oost Nederland, Randstad Noord en Midden, Zuid, Rotterdam, Haaglanden en Amsterdam. In de Kernteams zitten niet alleen tactische rechercheurs, ook de Criminele Inlichtingen Dienst, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en medewerkers van Recherche Informatie Bureau's (RIB's) zitten in de teams. In een aantal teams (Zuid en Noord-Oost Nederland) is de Binnenlandse Veiligheidsdienst opgenomen, in een aantal andere teams zitten ook de Economische Controledienst (ECD) en/of de Koninklijke Marechaussee (KMAR). De meeste teams hebben een eigen Observatie Team. De Kernteams zijn meestal met meerdere zaken tegelijk bezig, afhankelijk van de grootte van het onderzoek zo'n ��n tot zes. De prioriteiten van de zaken worden bepaald in het Co�rdinerend Beleidsoverleg en in de vergadering van de procureurs-generaal. Binnen de Kernteams is er een verdeling gemaakt naar etnische achtergrond en/of soort van georganiseerde criminaliteit. Zo richt bijvoorbeeld het IRT Noord Oost Nederland zich op mensensmokkel en Oost Europa en het IRT Zuid zich bijna volledig op de bestrijding van XTC.
Met de blik op de bestrijding van georganiseerde verbanden
is de politie zich steeds meer op het milieu van mogelijk criminelen gaan
richten. Dit pro-actieve recherche werk heeft zich in tien jaar tijd tot een
geheel eigen bedrijfstak binnen de politie ontwikkeld: de Criminele
Inlichtingen Dienst, waarvan elke regio er ��n heeft.
Officieel is de taak van de CID het "systematisch en gericht gegevens over
ernstige criminaliteit en de potenti�le daders daarvan te registreren". In
de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen: CID-subjecten en
"grijze veld-subjecten". CID-subjecten zijn diegenen (of
rechtspersonen), waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij of zij
betrokken is bij misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. De
term "grijze veld-subjecten" zegt het eigenlijk zelf al, dat zijn
diegenen van wie nog niet is vastgesteld dat ze CID-subject zijn, maar waarover
de CID wel gegevens verzamelt om vast te stellen of ze dat kunnen worden.
De werkwijze en invloed op het opsporingsonderzoek van de CID's is tijdens het
parlementaire enqu�te onderzoek naar opsporingsmethoden door de Commissie van
Traa grondig onderzocht. Niet alleen de CID Kennermerland kwam er daarbij slecht af. De algemene conclusie
van Van Traa was dat "de CID's in een deels zelf getrokken vacu�m werden
gebracht door het gebrek aan sturing en controle, wat in hoge mate heeft geleid
tot onverantwoorde autonomie van handelen".
Naast infiltratie, werken met informanten, opzetten frontstores en doorvoeren
van drugs bleek tijdens het van Traa onderzoek afluisteren een belangrijk
middel te zijn van de CID's en de IRT's.
De Commissie Kalsbeek, die in juni 1999 de voortgang van de Van Traa-conclusies onderzocht,
constateerde dat er nog steeds verschillende opvattingen heersen over de taak
van de CID.
Sommige korpsen laten de CID niet meer doen dan het runnen van informanten en
het registreren van deze gegevens (bijvoorbeeld Amsterdam en Haaglanden),
terwijl andere korpsen de CID een belangrijke taak geven in de pro-actieve
opsporing. Die CID's veredelen hun eigen informatie met andere bronnen en
starten vaak opsporingsonderzoeken.
Wel is in een aantal regio's het autonoom handelen teruggebracht en maakt de
CID een integraal deel uit van de recherche-organisatie. In Rotterdam-Rijnmond
bijvoorbeeld is de CID volledig gecentraliseerd en probeert men een strikte
scheiding aan te houden tussen informatieinwinnen en -uitwisselen. Maar niet
alle regio's hebben de Van Traa conclusie verwerkt. In Limburg-Zuid is de CID
nog steeds decentraal geleid, wat de controle en sturing ingewikkeld maakt.
De Van Traa-commissie ontdekte al dat de CID zich hoofdzakelijk richtte op
drugscriminaliteit. Vier jaar later is daar volgens de Commissie Kalsbeek
weinig aan veranderd. De CID schijnt er bijvoorbeeld nauwelijks in te slagen om
informatie te verkrijgen op het gebied van onderwerpen als fraude en milieu.
Lukt het al eens een keer dan wordt er door de tactische recherche weinig mee
gedaan. Alleen met het onderwerp mensensmokkel schijnt het nog wel te lukken.
Naast de CID heeft elke regio ook een Regionale Inlichtingen
Dienst, die hetzelfde werk doet als de CID, maar dan gericht op politiek
activisten en buitenlanders. Er werken zo'n 130 RID'ers fulltime in Nederland.
Bijzonder aan de status van de RID is dat het een dienst is met twee petten:
BVD en politie. Voor de BVD zijn de RID'ers de ogen en oren in de regio, voor
de politie vergaren ze inlichtingen over de regionale openbare orde. Aan de ene
kant hebben de RID'ers geen opsporingsbevoegdheid (Wet op de
Inlichtingendiensten) en aan de andere kant juist wel (Politiewet). Op grond
van beide wetten hebben de RID'ers ook heel andere bevoegdheden, zie hoofdstuk
... Er zou dan ook eigenlijk een hele strikte scheiding moeten zijn in het
uitoefenen van verschillende taken. Via de Wet op Inlichtingen- en
Veiligheidsdiensten mag een RID'er namelijk veel meer afluisteren dan op grond
van de Politiewet zou mogen.
Dat die scheiding schijn is bleek in 1993 toen de Registratiekamer de bestanden
van de Nijmeegse RID onderzocht. 'In een gegevensbestand met betrekking tot
extreem-rechts, dat was aangelegd ten behoeve van openbare ordewerk, vielen de
onderzoeker de nodige hiaten op. Een RID medewerker vertelde hem dat het
voorkwam dat gegevens, op het moment dat men het nodig achtte, verhuisde naar
de BVD-bestanden'.
De Commissie Kalsbeek constateerde dat ook in 1998 deze scheiding nog steeds
niet gerealiseerd was. "Formeel zjn de taken strikt gescheiden; feitelijk
lopen zij door elkaar heen. Het is de vraag of de kennis bij de RID gescheiden
kan worden in informatie voor de BVD-taak en informatie voor openbare orde-aspecten.
Van een strikte scheiding van de informatie die deze verschillende methoden
oplevert kan nauwelijks sprake zijn".
Voor de technische ondersteuning moeten de rechercheteams
een beroep doen op specialisten. Er is een landelijk overkoepelende dienst: de
Dienst Technische en Operationele Ondersteuning. Deze dienst, ook wel de
"sectie Stiekem" genoemd, is een onderdeel van het Korps Landelijke
Politiediensten (KLPD). Daarnaast zijn er de zogenaamde Steunpunten
Technische Ondersteuning (STO), die eenvoudige aanvragen afhandelen.
"Van dranghekken tot peilzenders", zo omschreef het voormalig hoofd
van de DTOO,A.A.M. Hellemons voor de Commissie van Traa zijn dienst. De honderd man sterke
dienst verdeelt zijn werk evenredig over recherchezaken (peilzenders, camera's,
afluisterapparatuur) en algemene politieondersteuning (dranghekken, verkeer,
ME, milieu en rampenbestrijding).
De apparatuur waarover de DTOO beschikt is zeer verfijnd. Met een jaarbudget
van 6,5 miljoen gulden kan de DTOO de regio's bijstaan met geavanceerde
plaatsbepalingssystemen (eventueel voor wereldwijd gebruik), videocamera's
(z��r klein), richtmicrofoons, zendertjes, uitvoeren van inkijkoperaties, en
veiligheidsonderzoek (sweepen). Het arsenaal is volgens Hellemons zo
goed dat de dienst in vergelijking met de criminelen niet op achterstand staat.
Sinds 1992 heeft de dienst een tactisch team dat inkijk- en plaatsingsoperaties
uitvoert.
Technische zaken die niet al te ingewikkeld zijn en niet te geavanceerd of te
duur worden door de Steunpunten Technische Ondersteuning (STO) afgehandeld.
Sommige regio's beschikken maar over een paar mensen, andere zijn wat groter. Ook
de beschikbaarheid van technische apparatuur is niet in elke regio hetzelfde.
Om de regio's in de toekomst zelfstandiger te laten werken heeft het onderwerp
"techniek" een vaste plek op de Rechercheschool te Zutphen gekregen.
De inzet van technologie moet niet beperkt blijven tot de Secties Technische
Ondersteuning en tot opleidingen als Observatie, maar wordt ge�ntegreerd in het
hele recherchewerk.
Naast de DTOO voert in ieder geval ook het arrestatieteam Amsterdam Amstelland
inkijkoperaties en plaatsingsoperaties uit.
Tijdens het Van Traa onderzoek bleek ook de BVD jarenlang als een soort
uitzendbureau te hebben gewerkt voor de politie. Als het de DTOO aan kennis
ontbrak werd de BVD erbij gehaald om de inkijkoperatie uit te voeren. (Zie
verder de paragraaf over de BVD)
Deze teams hebben als taak om criminele personen te observeren en te volgen. Ze werken altijd in opdracht van een tactisch rechercheteam, hoewel ook de CID en de BVD OT's inzetten in hun verkennende onderzoeken. OT's worden vaak in combinatie met afluisteren ingezet. Informatie die over de telefoon of door de ether gaat wordt gecheckt door de OT's of helpt hen bij het volgen van verdachte personen. Tegenwoordig wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van camera's om de volgacties op te nemen, maar ook om de inzet van personeel te verminderen. Het plaatsen van deze apparatuur gebeurt dan door de DTOO of de STO
Zoals al eerder gezegd is, wordt er heel veel afgeluisterd.
In de Interregionale Kernteam-onderzoeken worden verdachten soms jarenlang
afgeluisterd. Het Urka-dossier bijvoorbeeld bevatte honderden pagina's
tapverslagen. Vaste telefoons, mobiele telefoons en ook telefooncellen worden,
als de politie het nodig vindt, getapt. Bij de invoering van het mobiele
telefoonnetwerk ATF gebruikte de politie scanners om de gesprekken van
verdachten te kunnen oppikken. Tegenwoordig moeten de providers van mobiele
telefonie een aftapmogelijkheid inbouwen in hun systemen, anders krijgen ze
geen vergunning (zie hoofdstuk ...).
Het afluisteren van openbare telefooncellen komt ook voor. Soms leidt dat tot
een onverwachte toevalstreffer. Het overkwam de politie van 's Gravenhage. In
een poging een organisatie op te sporen die op grote schaal coke importeerde
luisterden de Hagenezen een aantal cellen in de directe omgeving van de
verdachten af, nadat ze gemerkt hadden dat de verdachten daar regelmatig gingen
bellen. Wat schetste de verbazing toen op een dag iemand de telefoon gebruikte
om een aanslag op een groothandel in vlees op te eisen. Gecombineerd met de
observatie die er plaats vond, had men een spoor gevonden in een heel andere
zaak. Mede als gevolg hiervan werden na een tijd twee dierenrechtenactivisten
van hun bed geplukt.
Naast het veelvuldig gebruik van telefoontaps blijkt de
politie een grote voorkeur te hebben voor het zogenaamde direct afluisteren.
Hierbij worden microfoons in de af te luisteren ruimte geplaatst. Nu is het nog
wettelijk verboden om gesprekken van anderen op te nemen, alleen gesprekken
waar zelf aan wordt deelgenomen mogen worden opgenomen. De enige uitzondering
hierop is de BVD, die na een machtiging van vier ministers wel alle gesprekken
op mag nemen. In de Wet Bijzondere Opsporingsmethoden is direct afluisteren wel
geregeld. Deze wet zal waarschijnlijk eind 1999 in werking treden.
Het direct afluisteren gebeurt vooral in combinatie met infiltratie. Wettelijk
is er dan niks mis volgens de politie, want het gaat dan immers om
"eigen" gesprekken die opgenomen mogen worden. Ter bescherming van de
infiltrant, informant of pseudo-koper verschijnt de informatie in het
proces-verhaal op geheel andere wijze. Soms gewoon als anonieme tip, maar
meestal wordt de informatie via een U-bocht opgewaardeerd. Uit het Van Traa
onderzoek bleek dat betrokken (politie)infiltranten bij andere CID's werden
ingeschreven als betrouwbare (burger)informant. Zo viel niet te achterhalen
waar de bron van informatie lag. In een aantal rechtszaken hebben politie-infiltranten
zelfs verzwegen dat ze in werkelijkheid politie-infiltrant waren.
Rob Meerman geeft in zijn boek De Infiltranteen aantal voorbeelden van de grensverleggende praktijk van het tappen van
"eigen" gesprekken van infiltranten. "Ruimten waarin gesprekken
tussen een infiltrant en een verdacht persoon zullen plaatsvinden worden van te
voren geprepareerd. Er worden twee microfoons geplaatst die worden verbonden
met een bandrecorder. Op deze manier kunnen de twee begeleiders van een
infiltrant een gesprek live volgen. ..... Verder zijn de auto's van
infiltranten altijd voorzien van geavanceerde apparatuur."
In een aantal opsporingsonderzoeken had de politie geluk,
tenminste dat werd er voor de rechtbank beweerd. Bij een aantal telefoons die
werden getapt, lag zo af en toe de hoorn naast de haak. In de tapkamer zaten ze
te smullen, want je hebt meteen een directe open verbinding naar het huis van
de verdachte, direct afluisteren avant la lettre. In de rechtszaken werd door
veel verdachten bij hoog en laag beweerd dat de telefoon helemaal niet naast de
haak lag. Met andere woorden, de politie haalde een technisch truukje uit en
cre�erde zelf de open lijk. Technisch blijkt dat inderdaad te kunnen, hoewel de
kwaliteit van de gesprekken wel tegen valt. In de
huidige ISDN systemen (zie hoofdstuk ) is dat wel anders; wie even niet oplet
heeft zo een directe verbinding met de tapkamer. Tijdens het van Traa-onderzoek
hebben zowel teamleiders van IRT's als medewerkers van CID's ontkend de 'hoorn
van haak' methode te hebben gebruikt.
Het verhaal van de opnames van de eigen informanten/infiltranten brengt het
'hoorn van de haak' verhaal in een ander daglicht. In alle grote drugszaken is
er namelijk wel sprake van meerdere informanten/infiltranten. Het 'hoorn van de
haak' verhaal is waarschijnlijk ��n van de constructies om deze infiltranten af
te dekken. Ondertussen waren ze wel in staat om gesprekken waar ze zelf bij
aanwezig waren geheel op te nemen. Andere optie blijft natuurlijk dat ze de
hoorn een zetje hebben gegeven, waardoor deze toch van de haak lag.
In het Van Traa onderzoek kwam naar boven dat de politie de
grens van het direct afluisteren langzaam maar zeker aan het oprekken was. Uit
het verhoor van de Amsterdamse officier van justitie J. Koers blijkt er af en toe ge�xperimenteerd te zijn
met direct afluisteren. De redenatie was dat als je op een terrasje naast
iemand zit, je ook flarden van een gesprek kan opvangen, dus waarom als politie
niet.
In zijn verhoor voor de commissie van Traa verklaarde Koers, dat "we een
keer hebben geprobeerd op een terras met geluidsboxen een gesprek af te
luisteren. Daarbij is de redenering toegepast, dat de wet verbiedt in een
gesloten ruimte met technische hulpmiddelen een gesprek op te nemen; dit is
niet een gesloten ruimte; wij kunnen eens kijken of het lukt. Dat was voordat
het nieuwe wetsvoorstel direct afluisteren in de Kamer aanhangig is
gemaakt". Op de vraag van de commissie hoe de legitimiteit was gewqwarborgd
antwoorde Koers dat "het criterium was, dat het niet expliciet verboden
was. Ik heb in dat specifieke geval voor mezelf de afweging gemaakt, of ik dat
in een grote drugszaak voor mijn verantwoording kon nemen. Ik heb dat gedaan
omdat het niet strafbaar was. Het is echter geen in de strafvordering opgenomen
bevoegdheid".
Ook draaiden de diverse IRT's hun handen er niet voor om, om
tegen de regels in ook direct in woningen verdachten af te luisteren. Volgens
de van Traa onderzoekers bleef dit beperkt tot zaken die de politie en het Openbaar Ministerie als zeer
ernstig beschouwden. Als voorbeeld beschrijft de Commissie van Traa het
onderzoek naar de daders van een gewelddadige moord op een bejaarde vrouw. Bij
dat onderzoek werd afluisterapparatuur geplaatst in een woning om in een
aangrenzende woning de gesprekken van een verdachte te kunnen afluisteren.
Een ander geval is een gijzelingszaak. Een uit Duitsland afkomstige Turk werd
daarbij gegijzeld in een hotelkamer. De politie prepareerde een kamer met
afluisterapparatuur waar de onderhandelingen plaats zouden vinden.
Nog een ander geval is het direct afluisteren van een gevangene die verdacht
werd van drugssmokkel. Het bezoek van een medeverdachte werd helemaal op tape
vastgelegd.
Ook de Arrestatie Teams blijken af en toe gebruik te maken van de technische
mogelijkheden om direct te kunnen afluisteren. Volgens de chef arrestatieteam
Rotterdam-Rijnmond gebeurd dat alleen in noodsituaties, zoals gijzelingen en
ontvoeringen. Volgens Broere maken de AT's daarbij ook gebruik van camera's om
te kunnen zien wat zich binnen afspeelt.
De Eerste en Tweede Kamer zijn inmiddels akkoord gegaan met
het toestaan van direct afluisteren. De DTOO bereidt zich voor op het invoeren
van een wettelijke regeling rondom direct afluisteren. Volgens de Algemene
Maatregel van Bestuur, momenteel nog in voorbereiding, wordt de DTOO de enige
dienst die directe afluisterapparatuur mag plaatsen.
Het plaatsen van een zendertje in een woning is delicaat werk. Naast het zelf
inbreken, zal de DTOO vooral afhankelijk zijn van het meeliften met anderen of
het onder valse voorwendselen betreden van een woning. Een laatste methode is
het inbouwen van afluisterapparatuur in meubels die een woning in (of in en
uit) gaan, een methode die de BVD in het verleden vaak toepaste.
Meeliften is simpel. Iedereen krijgt wel eens bezoek van ��n of andere
controleur. Het energiebedrijf komt gemiddeld toch wel elk jaar in elke woning
en wat is er gemakkelijker om dan mee te liften. Dit deed de DTOO bijvoorbeeld:
"In het kader van een onderzoek werd ge�nformeerd bij het GEB naar het
energieverbruik in een bepaalde loods. Door het GEB werd gemeld dat de
gasinstallatie was afgesloten maar dat er een aanvraag was om de leveranties te
hervatten. Het GEB moest de installatie nog goedkeuren. Vervolgens heeft een
politieman de GEB-controleur vergezeld bij die controle. Doel was een eventuele
inkijkoperatie of huiszoeking voor te bereiden "
Een andere, omstreden, manier van meeliften gebeurde op 14 maart 1997 in
Willemstad op de Nederlandse Antillen. Om afluisterapparatuur te kunnen
plaatsen bij een parlementslid dat verdacht werd van corruptie, deed de DTOO
een valse bommelding bij zijn kantoor. Iedereen werd gedwongen het gebouw te
verlaten. Vervolgens had de DTOO, die meeliftte met de Explosieven
Opruimingsdienst, zee�n van tijd om de afluisterapparatuur te plaatsen.
Een andere, voor de hand liggende methode, is het inbouwen van zenders in
bestaande meubels. De BVD heeft zich hier in de loop der jaren flink in
gespecialiseerd. Een bekend voorbeeld is de wijze waarop de ambassade van de
Sowjet Unie werd afgeluisterd. In eerste instantie ontdekten de Russen de
BVD-zendertjes die na een inbraak waren geplaatst. Vervolgens hield de BVD goed
in de gaten wat voor meubels de ambassade in- en uitgingen. Toen op een gegeven
moment een aantal tafels en stoelen ter reparatie naar een meubelmaker werden
gebracht, wist de BVD wat te doen. De spullen werden bij de meubelmaker
voorzien van moderne afluisterapparatuur en de geheimen van de Russen waren
niet langer geheim.
Lukt het niet om in een woning zelf te komen, is de verdachte teveel op zijn of
haar hoede of is het door de situatie echt onmogelijk, bij een gijzeling
bijvoorbeeld dan zijn er vaak nog wel de buren. Vooral bij gijzelingen en
ontvoeringen zal de politie via een pin in de muur proberen gesprekken tussen
de gijzelnemers of ontvoerders op te vangen.
Dat er vaker dan voor de Van Traa-commissie werd toegegeven
direct is afgeluisterd in Nederland blijkt onder andere uit de verhalen van
twee voormalig rechercheurs uit Limburg. Beiden maakten in 1987 deel uit van
het zogenaamde BZK-team (Bestrijding Zware Criminaliteit), een soort IRT
voordat deze waren opgericht. Het team beschikte over een eigen Observatie Team
en een eigen tapkamer. In een poging de Limburgse drugshandelaar Peter van D.
te arresteren werd er zeer nauw samengewerkt met de Zweedse liaison Herbertson.
Volgens de rechercheurs "kwam Herbertson vrijwel dagelijks op het bureau.
Hij kon vrijelijk kennis nemen van alle dossiers en mocht overal komen, zoals
op de tapkamer waar hij naar telefoongesprekken kon luisteren. Herbertson nam
ook deel aan werkbesprekingen en bepaalde mede de te volgen tactiek. Ook
verzorgde hij via de Drugs Enforce Agency materiaal dat destijds in Nederland
nog niet voor handen was, onder meer afluisterapparatuur. Er werd illegaal
afgeluisterd met de DEA-apparatuur. Het betrof hier het zogenamde directe
afluisteren met een soort pin die je in een voeg van een muur kon slaan.
Vervolgens was het mogelijk om met de bijbehorende apparatuur gesprekken in de
ernaast gelegen ruimte op te nemen. Een andere methode was het plakken van
microfoontjes op de ramen. dat is meerdere malen gebeurd."
Informatie die op deze manier werd verkregen kwam in het proces verbaal verhuld
terug: "Uit betrouwbare bron hebben wij vernomen.......".
Volgens de rechercheurs speelde de PTT ook een dubieuze rol. Deze dienst
verleende medewerking aan het plaatsen van tappen, zonder dat daar de vereiste
toestemming voor was van een rechter-commissaris. Indien er aanwijzingen waren
dat Van D. ging telefoneren vanuit een telefooncel of op een andere plaats, dan
werd die cel of dat andere nummer via de PTT getapt. Na en tijd stopte de PTT
ermee, het werd erg routinematig. Vervolgens ging het team het zelf doen en
werd de rechter-commissaris ook niet meer achteraf om toestemming gevraagd.
Ontlastende gesprekken werden gewist onder het mom van storing op de lijn.
Als het verhaal van het BZK-team uit Limburg ��n ding
duidelijk maakt is het wel dat de invloed van buitenlandse diensten op het
inzetten van opsporingsmethoden groot is. Drugs
Enforcement Agency, Bundes Kriminal Ambt, Scotland Yard, noem maar op, alle diensten
hebben in Nederland liaisons.
De Commissie Van Traa adviseerde de regering verder onderzoek te doen naar de
werkwijze van deze buitenlandse opsporingsdiensten in Nederland. Dat onderzoek
is inmiddels af, maar Justitie weigert het rapport openbaar te maken. In Vrij
Nederland van 3 oktober 1998 gingen Marian Husken en Jos Slats diep in op
de ontwikkelingen van de laatste tijd. "De buitenlandse opsporingsdiensten
en hun vooruitgeschoven posten in Nederland laten zich weinig gelegen aan de
nationale wetten en regels", aldus Huskens en Slats.
Buitenlandse liaisons beroepen zich op hun diplomatieke status tijdens
rechtszaken. Een voorbeeld is de zaak tegen de Brit Curtis Warren. Informatie
die leidde tot de aanhouding van de Brit in Nederland bleek afkomstig te zijn
van illegaal door de Britten geplaatste afluisterapparatuur in zijn
Sassenheimse woning. Politie en justitie ontkenden dat ze hadden samengewerkt
met de Britse diensten, die in eigen land ook druk werkten aan de opsporing van
Warren. Toch was de Britse liaison-officier regelmatig aanwezig in de tapkamer
in Den Haag en had hij toegang tot alle onderzoeksgegevens, a la de Zweed
Herbetson in Limburg. Ook zouden de Britten GSM's hebben gekloond, waardoor ze
gemakkelijk met alle gesprekken konden meeluisteren. Antwoorden kreeg de
rechter echter niet, de Brit beriep zich op zijn diplomatieke status.
Advocaten beschuldigden de politie ervan op deze manier een nieuwe
U-bocht-constructie te hebben gecre�erd. "Waar de politie vroeger controle
op de herkomst van materiaal onmogelijk maakte door het via allerlei U-bochten
aan een CID toe te schrijven, gebeurt dit nu door inlichtingen afkomstig te
laten zijn van buitenlandse collega's" stelde advocaat Jahae.
"Nederland levert zo materiaal uit aan buitenlandse collega's en omgekeerd
gebeurt hetzelfde. Controle is nagenoeg onmogelijk" , aldus de advocaat
(Jahae) van Warren in het NRC van 13 mei 1998.
Een belangrijke mededinger op de afluistermarkt is
natuurlijk de BVD. "Ter bescherming van de democratische
rechtsorde"mag de BVD veel meer mensen afluisteren dan de politie. Bij
verdenking van spionage of het in de gaten houden van de bestuurlijke
integriteit gaan de knoppen om. Momenteel moeten nog vier ministers hun
handtekeningen zetten; in de nieuwe Wet op de Inlichtingendiensten (die eind
1999 nog steeds in de Tweede Kamer lag) heeft de BVD aan de handtekening van
��n minister genoeg.
Over de hoeveelheid telefoons die de BVD afluistert wordt altijd veel
gespeculeerd, maar harde cijfers zijn er niet. Soms komen mensen er bij toeval
achter. Het overkwam de bekende Nederlandse detective-schrijver Thomas Ross.
Begin 1986 werd hij gebeld door kraker R. met de vraag of hij mee wilde werken
aan een interview over de BVD. Het interview zou worden opgenomen voor het
gebouw van de BVD. Een half uur later werd hij gebeld door iemand die anoniem
wilde blijven: "U weet dat dat niet mag", sprak de man. Ondanks
aandringen van Ross weigerde de man te vertellen wie hij was. Tijdens het
interview - dat wel doorging - hield een wagen van de Haagse politie Ross in de
gaten.
Het gebeurt niet vaak dat mensen op deze manier ontdekken dat de BVD op de lijn
zit. Wel zijn er genoeg mensen die, terecht of onterecht, tegenmaatregelen
nemen om ongewenste BVD-bemoeienis te frustreren. Paul de Groot, oud-voorzitter
van de CPN, was ��n van die mensen. In zijn boek over Paul de Groot beschrijft
Igor Cornelissen uitgebreid dat de oud-CPN leider bij belangrijke besprekingen
altijd zijn woning verliet en in het park ging praten. Ook verweet De Groot met
zijn vrouw loslippigheid aan de telefoon. Het liefst hield hij alles voor de
snuffelaars van de BVD verborgen.
Nu is de CPN ook jarenlang het belangrijkste doelwit geweest van de
afluistercentrales van de BVD. In Geschiedenis van de BVD beschrijft D.
Engelen de diverse afluisteroperaties, die hoofdzakelijk op CPN'ers waren
gericht. Engelen maakt daarbij onderscheid tussen SE-, M-, en T-acties van de BVD.
SE-acties (surreptious entry) zijn niet meer dan ordinaire
inbraakoperaties. De sleutelcentrale van de BVD zorgde zelf voor een passende
sleutel of liet een informant/infiltrant een sleutel kopi�ren. Een ploegje
gespecialiseerde BVD'ers drong de woning of het kantoor binnen, afgedekt door
een eigen Observatie Team en/of surveillance van de politie. Bij een eerste
bezoek werd de volledige inrichting gefotografeerd. Het doel was om de spullen
na een eventuele inbraak weer op de goede plek terug te zetten of om te
bekijken waar de afluisterapparatuur het beste geplaatst kon worden.
Als er bij dit soort acties microfoons (zendertjes) werden geplaatst viel het
onder de zogenaamde M-acties. De BVD is hierbij in het verleden zeer succesvol
gebleken. In het voormalig partijbureau van de CPN, Felix Meritis te Amsterdam,
waren in een aantal belangrijke ruimtes zendertjes geplaatst. Ook andere
partijkantoren in het hele land werden op deze manier afgeluisterd.
Zeer succesvol voor de BVD was Operatie Klaas Vaak. Het doel van deze operatie
was het afluisteren van de Chinese ambassade in Den Haag. Aanvankelijk werkte
de apparatuur goed, tot de Chinezen bij een verbouwing in 1963 de zendertjes
ontdekten. In Operatie Red Herring, die daarop volgde, ging de BVD nog
geavanceerder te werk. De zenders die toen (tot in de cryptokamer!) werden
geplaatst konden met een afstandsbediening aan en uit worden gezet. Op het
moment dat de Chinezen de ambassade controleerden op zendertjes schakelde de
BVD deze moeiteloos uit.
T-acties (telefoontaps) werden volgens Engelen weinig gebruikt door de BVD. Men
prefereerde het gemak van M-acties boven de medewerking die derden (de PTT)
hadden moeten verlenen aan telefoontaps.
Naast deze afluisteractiviteiten vroeg de BVD regelmatig de printgegevens van
mensen op bij de PTT. Op basis van deze gegevens kon dan worden gezien met wie
gedurende een bepaalde periode gebeld was. Deze zogeheten N-acties konden ook
gaan over printgegevens uit het verleden.
SE-, M-, T-en N-acties worden ook nu nog veelvuldig toegepast door de BVD. Ze
worden uitgevoerd door afdelingen Speciale Operaties, Techniek en Operationele
Opdrachten van de directie Bijzondere Inlichtingenmiddelen, onder leiding van
C. Rijk.
In het NRC Handelsblad van 21 november 1998 beschrijven Cees Wiebes en
Bob de Graaff hoe de BVD verschillende keren hulp kreeg van de Amerikaanse CIA.
Ten tijde van de gijzeling van de Franse Ambassade door leden van het Japanse
Rode Leger in 1974 in Den Haag stelde de CIA een ruimte tegenover de Franse
ambassade en middelen ter beschikking. Er werd een camera gericht op de Franse
ambassade en er werden richtmicrofoons gebruikt om de gesprekken tussen de
gijzelnemers op te kunnen vangen. Verder stelde de CIA afgeluisterd
berichtenverkeer van de National Security Agency (een Amerikaanse
inlichtingendienst) beschikbaar. Toen de BVD niet in staat bleek om uit de
afgetapte berichten telefoonnummers uit het Midden Oosten te vissen, deed de
CIA dat zelf binnen enkele uren.
Ook bij de gijzelingen door Molukkers in de jaren '75 en '76 hielp de CIA met
technische foefjes. Bij de bezetting van het consulaat in Amsterdam werd
afluisterapparatuur aangebracht via een pin in de muur van de buren. Via de
buren wist men zelfs apparatuur in de vloeren en plafonds van het consulaat aan
te brengen. Bij de treinkapingen in Wijster en de Punt leverde de CIA
geavanceerde apparatuur die door mariniers en Britse specialisten aan de
buitenkant van de trein werd ge�nstalleerd. Maar ook binnen werd de trein op
een gegeven moment afgeluisterd. Eerst zocht de BVD hopeloos naar een houten
Coca Cola-krat, dat niet meer leverbaar bleek. Later lukte het toch via andere
bevoorrading om afluisterapparatuur naar binnen te krijgen.
Richtte de BVD zich tot begin negentiger jaren nog hoofdzakelijk op de
bestrijding van het communisme, met het wegvallen van die dreiging heeft de BVD
driftig naarnieuwe taken gezocht. E�n van die taken is in verband met afluisteren van belang: de
bestrijding van de georganiseerde misdaad. Dat de BVD meer mag dan de politie
was voor oud BVD-hoofd Docters van Leeuwen belangrijke reden om die taak erbij
te nemen. "We weten dat er in Nederland personen rondlopen met een hele
staf om zich heen, die moet voorkomen dat men een bewijsbaar strafbaar feit
pleegt. Daar kan de reguliere opsporing dus niet bijkomen. Niettemin hebben die
mensen het niet echt goed voor met de Nederlandse samenleving. En dan kom je op
de vraag of het interessant zou zijn iets van hun strategie�n en doelstellingen
af te weten. Ik vind uiteraard van wel," aldus Docters van Leeuwen in 1990
in het Algemeen Dagblad.
De BVD kreeg in 1993 steun in de rug van de hoofdcommissaris van Amsterdam,
Erik Nordholt. Hij maakte zich ernstige zorgen over infiltratie van de
georganiseerde criminaliteit in politieke partijen. Hij stapt naar BVD-hoofd
Docters van Leeuwen en vond daar een gewillig oor. Er kwam permanent een BVD'er
bij de Amsterdamse politie: "hij krijgt inzage in alle onderzoeken en zal
daar ook aan mee doen," vertelde Nordholt aan het Parool.
De Commissie Van Traa uitte in 1994 fikse kritiek op het feit dat de BVD
regelmatig vooronderzoek verrichtte voor de politie. Bij alle IRT's waren op
regelmatige basis BVD'ers betrokken. Volgens BVD-officier van justitie Van der
Molen-Maessen, zitten zij er vooral als "oog en oor", maar uit eigen
onderzoek concludeerde de Commissie Van Traa dat er op de werkvloer wel
degelijk informatie wordt uitgewisseld. De BVD'ers gaan na welke informatie van
de BVD mogelijk relevant is voor strafrechtelijk onderzoek.
Dat de BVD deze opsporingstaak zo ongemerkt op zich heeft kunnen nemen is
opmerkelijk. Inlichtingendiensten werken juist met methoden en technieken die
veel verder gaan dan de politie. Nu kan er in de voorfase van een onderzoek
alsnog BVD informatie terecht komen. De strengere normering voor de politie
lijkt hiermee een farce, de BVD neemt de honneurs gewoon waar.
Ondanks deze kritiek breidde de BVD de afgelopen jaren haar bemoeienis met de
bestrijding van de georganiseerde misdaad alleen maar verder uit. Inmiddels is
er sprake van een integrale aanpak van de georganiseerde misdaad binnen de BVD.
De grote doorbraak vond in 1996 plaats. Naar aanleiding van bij Justitie
gestolen floppies en bedreiging van leden van het OM werd het
Contra-strategie�n project op de rails gezet. Ter bescherming van de
bestuurlijke integriteit werden nu ook 'operationele' middelen ingezet en de
BVD kreeg een vaste plek in het eerste landelijke rechercheteam, het landelijke
XTC-team. Opmerkelijk was de parlementaire stilte rondom deze toch fikse
uitbreiding richting opsporing. Alleen het CDA riep nog iets over de gewenste
strikte scheiding van politie- en inlichtingentaken.
Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de tendens zich in 1997 voortzette. De
Unit Synthetische Drugs kreeg van de BVD strategische informatie over de
productie van synthetische drugs in het buitenland en de aanvoer van
grondstoffen naar Nederland. In oktober 1997 kondigde minister-president Kok de
oprichting van een 'Taskforce Mensensmokkel' aan. Ook hierin kreeg de BVD een
plaats: "We gaan daar gericht informatie inbrengen. Bijvoorbeeld als uit
inlichtingen van onze zusterdiensten, vooral uit de landen van herkomst, blijkt
dat er sprake is van georganiseerde mensensmokkel. We hebben al liaisons in
Istanbul en Singapore," aldus BVD-woordvoerder Van Steen. Maar ook
informatie uit Nederlandse bronnen zou worden gebruikt, uit
vreemdelingendossiers, van vluchtelingen die geworven zijn als informant en
natuurlijk uit eigen onderzoek. Niet alleen in de landelijke teams heeft de BVD
definitief een plaats veroverd, ook op regionaal niveau is steeds nauwere
samenwerking, zo blijkt uit het jaarverslag van 1997. Op tactisch en strategisch
niveau zijn de relaties met de politie verder aangehaald. Last but not least
is de BVD in 1997 met een verkennend onderzoek begonnen naar de Russische
georganiseerde misdaad.
Deze taakuitbreiding van de BVD moet vooral in het licht van de nieuwe wetgeving
over inlichtingendiensten bekeken worden . Met de nieuwe wet in de hand mag de
BVD nog meer opsporingsmethoden gebruiken dan tot nu toe. En terwijl de politie
gebonden is aan bepaalde beperkingen, is de BVD dat juist minder. In die zin is
de sluipende taakuitbreiding niet zo vreemd. De BVD kan op die manier toch een
deel van de verloren gegane CID-taken op zich nemen en als superinformant
blijven fungeren voor de politie. Wellicht verklaart dit ook de ontzettend
grote tapcapaciteit, die de overheid de GSM-providers oplegt.
Naast de BVD is de Militaire Inlichtingen Dienst (MID) de
belangrijkste inlichtingendienst in Nederland. Deze dienst richt zich in eerste
instantie op het verzamelen van strategische militaire informatie, maar
daarnaast ook op potenti�le (binnenlandse) vijanden. Bij voorbaat worden
'vredesactivisten', buitenlanders en werknemers van strategische bedrijven als
veiligheidsrisico beschouwd. Afhankelijk van de betrokkenheid van Nederland bij
een gewapend conflict worden bepaalde groepen in de gaten gehouden. Werden ten
tijde van de Golfoorlog vooral Palestijnen en andere Arabieren afgeluisterd, in
het conflict met Servi� zullen veel Joegoslaven afgeluisterd zijn. De BVD en de
MID werken hierin zeer nauw samen.
Naast het bespioneren van de vijand en mogelijk binnenlands verzet tegen een
oorlog heeft de MID ook als taak het beveiligen van het Nederlandse Leger.
Regelmatige screening bij vertrouwensfunctie behoort tot de routine, en
afluisteren is daarbij natuurlijk ��n van de methoden om iemand te checken. In
november 1997 kwam De Telegraaf naar buiten met een verhaal dat de MID
ook stelselmatig eigen personeel afluistert. Defensie schijnt zich ernstige
zorgen te maken over het ongegeneerd uitwisselen van militaire geheimen via de
GSM. "Bijvoorbeeld op oefening wordt vaak onbewust via de mobiele telefoon
vertrouwelijke militaire informatie het luchtruim in geslingerd. Daarbij gaat
het regelmatig over zaken die de staatsveiligheid in gevaar kunnen brengen.
Geheime diensten maken daar naarstig gebruik van. Ook zij luisteren mee",
waarschuwt een luchtmachtmedewerker in De Telegraaf.
Er zouden speciale tapploegen op pad worden gestuurd om de ether rond militaire
bases, kazernes en kampementen af te speuren op telefoongesprekken die mogelijk
geclassificeerde informatie bevatten. Daarbij zouden mobiele nummers getapt worden
die bij de MID bekend zijn, zoals GSM's die door de krijgsmacht ter beschikking
zijn gesteld. Maar ook telefoons die door militairen priv� zijn aangeschaft
worden gecontroleerd. Defensie zou hierbij gebruik maken van een zogenaamde
IMSI-catcher.
Naast het afluisteren via centrales zijn
inlichtingendiensten experts in het afluisteren van alles wat via de ether
wordt verzonden. Radiosignalen, straalzenders, mobiele zenders,
satellietverbindingen en mobilofoonverbindingen je kan het zo gek niet
verzinnen of het kan wel uit de ether worden geplukt. Heel veel communicatie
gaat natuurlijk via de lucht. Elk leger houdt via zenders contact met zijn
eenheden, diplomaten zenden berichten naar hun eigen land, grote bedrijven
onderhouden met zenders eigen netwerken en wie belt er tegenwoordig eigenlijk
niet mobiel?
In hoofdstuk 4 wordt er uitgebreid ingegaan op de National Security Agency
(NSA), de meest geheime inlichtingendienst van de VS. Maar ook Nederland heeft
een eigen gespecialiseerde stofzuiger: het Technisch Informatie
Verwerkingscentrum (TIVC), tot 1982 bekend als het Wiskundig Centrum en
misschien beter bekend onder de naam "Kattenburg", een schiereiland
op een steenworp afstand van Amsterdam CS, waar het centrum is gevestigd.
Het TIVC vist voor Nederland alle signalen uit de lucht, neemt belangrijke
zaken op, decodeert ze en geeft berichten vervolgens door voor analyse. Het
bereik is wereldwijd door verschillende radio-interceptiestations over de hele
wereld. Specialisatie van het TIVC is het decrypten van versleutelde berichten,
de zogenaamde crypto-analyse. Dit kan lopen van berichten die verzonden worden
door ambassades of bedrijven tot aan versleutelde e-mail.
Een belangrijke afdeling is de interceptie en traffic-analyse, waaronder
signaal-analyse. De militaire poot van deze afdeling gebruikt deze analyse voor
de identificatie van vijandelijke schepen en bepaling van de positie, koers en
vaart. De civiele afdeling richt zich op traffic-analyse van high
frequencyverbindingen van diplomatieke netten en PTT-stations en analyse van
openbare satellietverbindingen.
De belangrijkste distributeur van de berichten is tot halverwege de negentiger
jaren de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) geweest. Vanaf 1978 was er zelfs
een speciale lijnverbinding tussen het TIVC en het hoofdkantoor van de IDB in
Wassenaar, Villa Maarheeze. De berichten die de IDB van het TIVC ontving werden
opgenomen in het groene boek, of de groene editie. Zelfs binnen
de IDB werd daar geheimzinnig over gedaan. Het Bureau Verbindingsinlichtingen
met ��n verwerker zorgde voor de distributie. Alleen de leiding mocht alles
zien.
Na het opheffen van de IDB lopen de politieke en politiek economische
inlichtingen via de BVD. In de zeventiger jaren ging ongeveer 30 procent van
berichten naar de Marine, 70 procent naar andere afnemers.
Technische en wetenschappelijke gegevens, gegevens over buitenlanders,
informatie over het Warschau-pact en gegevens op politiek en politiek
economisch terrein gingen altijd via de IDB. Alles over personen ging naar de
BVD, informatie over buitenlanders ook naar Buitenlandse zaken. Militaire
gegevens gingen naar de MID.
Er is altijd gebruik gemaakt van zeer geavanceerde apparatuur. Het TIVC heeft
daartoe dan ook nauwe contacten met Philips en de Technische Universiteit van
Delft onderhouden. In een boek over de Marine Inlichtingendienst (De Marid
van binnenuit)
beschrijft een oud hoofd van de afdeling traffic-analyse van het TIVC, J.F.
Bastiaans, dat de technische ontwikkelingen zeer snel gingen. "Vele nieuwe
transmissiesystemen deden hun intrede, niet in het minst op de diplomatieke
verbindingsnetten en op de internationale PTT satellietverbindingen. Alles
gebeurde in snel tempo en voor de interceptieafdeling betekende dat handen- en
voetenwerk."
Vanaf 1975 was het TIVC aangesloten op de ontvangstinstallatie van de PTT voor
satellietverkeer te Burum. De PTT wilde bezuinigen op de verbinding Burum -
Zuid Laren - Nera door de post Zuid Laren per 1 oktober 1980 op te heffen. Zuid
Laren was ��n van de zes peilers van het nationale peilnet en had veel
afluisterwerk verricht voor de inlichtingendiensten. De PTT vond dat het TIVC
het zelf moest gaan doen en schonk omstreeks 1980 een schotel en
ontvangstapparaat ter waarde van 1 miljoengulden aan het TIVC.
Budget was altijd een probleem, omdat de regering het TIVC het liefst zo geheim
mogelijk hield. In de periode van de regering Den Uyl zouden de kosten zo rond
de 30 miljoen zijn geweest, in 1985 zou dit al zijn gestegen naar 50 tot 100
miljoen (R. Schouten in de Haagsche Courant). In 1992 schatte de
journalist Joost de Haas van De Telegraaf het budget op zo'n slordige
150 miljoen. Uit het boek Villa Maarheeze valt op te maken dat de IDB
haar bestaansrecht voor een groot deel dankte aan de berichten die via het TIVC
werden opgevangen. Oud-medewerker TIVC Bastiaans beschreef zelf ook hoe die
verhouding lag. "Zeer kostbare apparatuur moest worden aangeschaft. En
daar dit vooral voor de inlichtingenverwerving ten behoeve van de regeringstaak
van de Marid bestemd was, bleef er qua gelden nauwelijks iets over voor de
nationale- en Navo-taak van de BID in Den Haag"
Het belang van het TIVC voor Nederland was en is zeer groot. Voor offensieve
spionagedoeleinden (bijvoorbeeld diplomatiek verkeer) en economische
doeleinden.
Om het diplomatieke verkeer te kunnen afluisteren moest natuurlijk ook de
beveiliging worden gebroken. En sommige codes waren nu eenmaal te moeilijk.
Volgens Cees Wiebes en Bob de Graaff was het TIVC niet in staat de codes van de
Russen, het Oost-Blok of China te kraken. Eenmalige "one time path
codes" maakten dit onmogelijk. De codes van een aantal landen uit het
Midden-Oosten wist men wel te kraken, inclusief Afghanistan, Pakistan en Iran.
Het TIVC leverde veel van het berichtenverkeer af aan de Mossad, de Israelische
veiligheidsdienst, maar ook de Nederlandse regering werd op deze manier
ruimschoots voorzien van informatie over het Midden-Oosten. Zo stelde het TIVC
de regering Den Uyl tijdens de Yom Kippur oorlog in 1973 dagelijks op de hoogte
van gekraakte berichten uit het Midden-Oosten. Een bijkomstigheid was dat het
TIVC ook de codes van Shell kon meelezen, waardoor duidelijk werd dat er genoeg
olievoorraden waren voor een half jaar. Het vermoeden bestond echter dat ook
anderen de codes van Shell konden breken, dus adviseerde
inlichtingendienstco�rdinator Kruimink het bedrijf de versleuteling te verbeteren.
"De relatie met Shell was overigens zeer nauw, omdat Shell-medewerkers
vaak voor de IDB werkten" aldus Wiebes en de Graaff in Villa Maarheeze.
Overigens wist het TIVC ook de codes van Navo-bondgenoten Belgi�, Duitsland,
Itali� en Turkije in de loop der tijden te kraken.
Bedrijfs- en/of economische spionage is een heikel onderwerp
in de wereld van de inlichtingendiensten. Dat juist afluistercentrales, zoals
het TIVC, daarin een grote rol spelen wordt het liefst verborgen gehouden. Uit
het boek van Wiebes en de Graaff blijkt dat de IDB er zelfs een eigen afdeling
voor had: de economische afdeling. Deze tak van de IDB won vooral inlichtingen
in ten behoeve van het Ministerie Economische Zaken en Landbouw en Visserij. In
eerste instantie vooral door zakenlui die het buitenland bezochten of daar
woonden. Later ook via het afluistercentrum TIVC. Wiebes en de Graaff typeren
de verstandhouding van het TIVC met het bedrijfsleven als incestueus. Binnen
een aantal grote bedrijven werkten mensen op directieniveau voor de IDB. In
ruil voor informatie kregen zij vitale economische informatie terug.
Het TIVC vangt vaak berichten op die van belang kunnen zijn voor Nederlandse
bedrijven. Veel bedrijven (vooral multinationals) hebben hun eigen zendsystemen
en tegenwoordig gaat alles via satellieten. De onderschepte berichten lopen van
offertes tot aanbiedingen van buitenlandse bedrijven. Zo gingen Duitse offertes
voor fregatten via de IDB naar Rijn Schelde Verolme. Vooral met Philips is er
een innige verhouding. Het bedrijf leverde zelf informatie en fungeerde als
cover voor IDB'ers in het buitenland. De afdeling telecommunicatie van Philips
zou vooral in de jaren zeventig in een aantal landen telefooncentrales geleverd
hebben die voorzien waren van afluisterapparatuur. Ook zou Philips met de
National Securety Agency afspraken hebben gemaakt over een achterdeurtje bij
zijn codeerapparatuur.
Soms ontdekte de IDB via onderschepte berichten dat er strategische goederen
werden ge�xporteerd naar landen waaraan dat verboden was, bijvoorbeeld aan
Irak. Ingegrepen is er echter niet. De IDB vroeg de bedrijven juist door te
gaan om op die manier een informatiepositie te verwerven. Bepaalde bedrijven
werden zelfs aangemoedigd meer contacten te leggen om zo verdere gegevens te
verzamelen.
Met het opheffen van de IDB is lange tijd onduidelijk gebleven wat er met de
taken van de dienst was gebeurd. Een aantal offensieve operaties, waaronder het
Bouterse-onderzoek en operaties in Irak gingen gewoon door. Ook het oud-hoofd
van de IDB is als speciaal adviseur van de co�rdinator inlichtingendiensten nog
steeds nauw betrokken bij het inlichtingenwerk.
De BVD heeft de economische spionage overgenomen. De Dienst beschikte al een
'Stafafdeling Buitenlandse Politiek', die - hoe kan het ook anders - zich bijna
geheel richtte op communistische landen. Momenteel wordt er hard gewerkt aan
het opzetten van een nieuwe directie: het project Inlichtingen Buitenland,
onder leiding van Mr.Drs.H.P. van Weeren. Deze
afdeling wordt Nederlands nieuwe superbedrijfsspion.
De BVD loopt hiermee aardig in de pas met de andere
inlichtingendiensten. Van de Duitse Bundes Nachrichtendienst (BND) is al sinds
de zeventiger jaren bekend dat de verhouding met het bedrijfsleven optimaal is.
Uit een intern beleidsstuk van de dienst kwam naar voren dat ze zich opmaakte
voor het leveren van operational economic intelligence.
Frankrijk heeft zelfs een apart staatsbedrijf, Intelco, dat als intermediair
fungeert tussen defensie, de inlichtingendiensten en het bedrijfsleven. Ook
Japan kent iets soortgelijks: het Institute for Industrial Protection, dat
mensen opleidt voor de inlichtingendiensten die bijna elk groot bedrijf daar
heeft. In Japan zou 80 procent van de inlichtingencapaciteit gebruikt worden
voor economische spionage.
Vriend en vijand lopen in de wereld van de harde valuta dwars door elkaar heen.
Zo bleek de Franse inlichtingendienst in bussines-seats van de
toestellen van Air France, die vlogen op de VS, afluisterapparatuur aangebracht
te hebben. Op die manier hoopte men strategische informatie binnen te halen.
Over de bedrijfsspionageactiviteiten van de Amerikaanse National Security
Agency staat meer in hoofdstuk twaalf.
De Europese partners blijken ook elkaar driftig af te luisteren. In januari
1998 onthulde de voormalige minister van buitenlandse zaken van Groot
Brittanni�, Owen, in de documentaire How to be foreign secretary dat de
engelse inlichtingendienst buitenland, de SIS, informatie verzamelt over
Europese partners.
Ook de Nederlandse crypto-onsleutelaars hebben hun oren niet alleen richting
het Oosten te luister gelegd. Men heeft niet voor niks de codes van Westerse
bondgenoten zoals Duitsland, Itali� en Belgi� gekraakt. Jarenlang waren de
activiteiten van de IDB meer op het Westen dan op het Oosten gericht.
De nieuwe Russische Buitenlandse Inlichtingendienst SWR (de opvolger van de
KGB) houdt zich ook gericht met economische spionage bezig. In 1993
bijvoorbeeld werd in Itali� een netwerk van 28 high tech spionnen opgerold die
voor de SWR werkten. De nieuwe SAPSII, de Inlichtingendienst voor het Federaal
Bureau van Regeringsverbindingen bij de Presidenten van de Russische Federatie,
is Ruslands eigen versie van de Amerikaanse concurrent NSA. De SAPSII houdt
zich vooral bezig met versleuteling en elektronische spionage. (Kwetsbare
kennis) Wat dat allemaal inhoudt is te lezen in hoofdstuk twaalf.
Het bedrijfsleven en andere particuliere aanbieders begeven zich natuurlijk ook
op de afluistermarkt van de bedrijfsspionage. De grote multinationals hebben
allemaal hun eigen bedrijfsbeveiligingsdiensten, met veelal
oud-inlichtingendienst- of politiemedewerkers aan het hoofd. Net als de
particuliere "informatiemakelaars" halen zij het grootste deel van
hun informatie uit open bronnen. Met simpelweg doorpluizen van jaarverslagen,
kranten knippen en vakliteratuur bijhouden weet je al snel heel veel van de concurrent.
Iets verder gaat het als er ook "interviews" met medewerkers van de
concurrent worden gehouden of het oud papier en de vuilnis wordt opgehaald. De
echte dirty tricks, zoals het afluisteren en infiltreren (ook
actiegroepen worden als concurrent beschouwd!), worden vaak overgelaten aan de
echte cowboys. Ranzige bedrijfjes die opereren in de marge, als er iets fout
gaat kent niemand ze. Zo ook de twee Britten, die in 1991 door de Zwitserse
politie werden gearresteerd nadat ze een poging hadden ondernomen
afluisterapparatuur te plaatsen bij een bedrijf. Volgens sommige kranten
werkten de twee voor het gerenommeerde informatiemakelaarsbedrijf Kroll
Associates, dat dit natuurlijk stellig ontkende.
De meeste bedrijven, lobby-organisaties en actiegroepen blijken zich amper
bewust te zijn van de staat van technische kennis op het gebied van
bedrijfsspionage en als het al eens ontdekt wordt dan wordt dat het liefst
verborgen gehouden, alsof het een ernstig geval van geslachtsziekte is.
In de particuliere branche wordt sowieso het liefst alles
verborgen gehouden. Een beeld dat ook te zien is bij de Nederlandse branche van
recherchebureaus. Bij het grootste deel van de door deze bureaus onderzochte
zaken wordt de politie niet ingeschakeld en de openbaarheid vermeden. Zo werd
in 1997 bij slechts 173 van de 1359 bedrijfsfraudegevallen de politie
ingeschakeld. Van het totaal van 31.734 onderzochte zaken werd 3812 keer de
politie erbij geroepen. Publiciteit was er zelden.
Hoe vaak recherchebureau's gebruik maken van afluisteren is onbekend. Dat ze
het doen staat vast, zeker gezien de huidige omvang van afluisterapparatuur.
Dat het illegaal is staat ook vast, dus zullen ze er ook nooit voor uit komen.
Strafbare feiten moeten in principe gemeld worden bij de politie. Die kan er
als tip iets mee doen.
Een groot deel van de opdrachten van de recherchebureaus betreft
bedrijfscriminaliteit. Het gaat dan om diefstal waarbij het vermoeden bestaat
dat er werknemers betrokken zijn, fraude in verband met ziekte, of een enkel
geval van vermoeden van bedrijfsspionage. Om dit soort zaken op te lossen wordt
er erg veel afgeluisterd binnen bedrijven. Bijkomstigheid is namelijk ook nog
eens dat je de prestatie (of de Internet-interesses) van je werknemers kan
testen.
Voor het meten van de prestaties mogen werknemers eigenlijk onbeperkt worden
afgeluisterd. In november 1996 besliste de Registratiekamer dat werkgevers zakelijke
telefoongesprekken van hun werknemers mogen opnemen of meeluisteren. Een
belangrijke voorwaarde is dat het alleen ter bewaking van de kwaliteit van de
dienstverlening is of om te kijken hoe de werknemer functioneert. Deze
uitspraak deed de Registratiekamer naar aanleiding van een klacht over
afluisteren bij de Postbank en de ECI.
Zodra het afluisteren zich echter heel direct op ��n persoon richt ter
bewijsvoering van fraude of ander crimineel gedrag, ligt het stukken
moeilijker. In het Algemeen Politieblad van 3 april 1997 besprak Mr.
P.A. Charbon, advocaat bij Stibbe Simont Monahan Duhot te Amsterdam, een aantal
gevallen van onrechtmatig afluisteren. Zo liet Adviesbureau De Vries de
telefoongesprekken van werknemer De Wit gedurende drie weken, onafgebroken en
zonder dat De Wit dat wist, afluisteren. De Wit werd er namelijk van verdacht
nauwe contacten te onderhouden met de concurrent met het doel samen De Vries te
gaan beconcurreren. Van die telefoongesprekken werden bandopnamen en vervolgens
transcripten gemaakt. Overduidelijk bleek dat de verdenking terecht was en De
Wit werd op non-actief gesteld. Daarna werd door De Vries een
ontbindingsverzoek ingediend bij de rechter.
De heer Flipse werd ervan verdacht dat hij tijdens een periode van ziekte voor
anderen aan het werk was. Werkgever Van Kooij liet Flipse controleren door een
recherchebureau en uit het onderzoek bleek inderdaad dat Flipse helemaal niet
zo ziek was. Hij werd op staande voet ontslagen.
Beide werkgevers hadden zich volgens de rechter niet als een goed werkgever
gedragen. Het bewijs was onrechtmatig verkregen. In het geval van De Wit hield
de rechter wel rekening met de opgenomen telefoongesprekken gezien de ernst van
de situatie. Het ontslag van Flipse werd echter ongedaan gemaakt. Hier had,
gezien de aard van de zaak, nooit een recherchebureau ingeschakeld mogen
worden.
Een rechter zal in dit soort zaken altijd een belangenafweging maken: aan de
ene kant de privacy van de werknemer, aan de andere kant het belang van de
werkgever. Met de toename van het telewerk, computernetwerken, e-mail en
Internet zullen meer en meer werkgevers ook de 'tele'-activiteiten van hun
personeel in de gaten willen houden. Recente ontwikkelingen zijn te volgen via
de website van de registratiekamer.
1. Z. Reijne, R.F. Kouwenbergen en M.P. Keizer, Tappen in Nederland, serie Onderzoek en Beleid nr 155, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, 1996
2. Er zijn 32 Recherche Informatie Bureau's. Het zijn steunpunten van de Centrale Recherche Informatiedienst. Ze vormen een belangrijke schakel tussen de CRI en de regiokorpsen en kernteams.
3. Enquetecommissie opsporingsmethoden, Hoofdstuk 8.2 Criminele inlichtingendiensten, Eindrapport Inzake Opsporing, Tweede Kamer 24072 , 1995 - 1996
4. Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden, Hoofdstuk 3.4 Criminele Inlichtingendiensten, Opsporing in uitvoering, Tweede kamer 1998 - 1999 26 269.
5. L. Seveke, Spioneren in de regio, in VD/AMOK jaargang 7, nr 4, 1998.
6. Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden, Hoofdstuk 3.8.2 De realtaie met de regionale politie, Tweede Kamer 26269, 1998 - 1999.
7. mr Joosje Fortuin, mr Marianne Grijsen en mr Carolijn Winnubst, Arrestatieteams onder de loep, blz 20, Gouda Quint, 1998
8. Rob Meerman, De Infiltrant, Koninklijke Vermande, 1995
9. De muren hebben oren, Buro Jansen & Janssen, Stichting Backslash en Hactic, 1994
10. Enquetecommissie opsporingsmethoden, Inzake Opsporing, Tweede Kamer 24072 , 1995 - 1996
11. Enquetecommissie opsporingsmethoden, Inzake Opsporing blz 179 , Tweede Kamer 24072 , 1995 - 1996
12. Vrij Nederland 17 juli 1997
13. D. Engelen, Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, SDU, 1995
14. Vrij Nederland, 1 maart 1997
15. Igor Cornelissen, Paul de Groot, Nijgh & Ditmar, 1997
16. D. Engelen, blz. 116 Geschiedenis van de BVD,SDU, 1995
17. Cees Wiebes en Bob de Graaff, blz 288 Villa Maarheeze, SDU, 1998
18. M.W. Jensen en G. Platje, De Marid, De Marine Inlichtingendienst van binnenuit, SDU, 1997
19. Cees Wiebes en Bob de Graaff, blz 282 Villa Maarheze, SDU, 1998
20. M.W. Jensen en G. Platje, blz 305, De Marid van binninuit belicht, SDU, 1997
21. Besluit organisatorische inrichting BVD 1999, pag 52, Staatscourant 1999, nr 17
22. Intelligence Newsletter, 27 januari 1997
23. A.B. Hoogenboom, Waardevolle en kwetsbare kennis: over financieel-economische informatieposities, in Kwetsbare Kennis, Samsom, 1996
24. http://www.registratiekamer.nl
�