De Geheimen van de Inca-maatschappij

Een werkstuk over Socialisme en Maatschappij ten tijde van de Zonen van de Zon

Inhoudsopgave
Inleiding: - Hoe het allemaal begon...
Hoofdstuk 1: De opbouw van de maatschappij
- De kern van de maatschappij
- Het leven van de Sapa-Inca
- De taken van de Sapa-Inca
- Het leven van de gewone Indiaan
- De taken van de gewone Indiaan
- Een socialistische organisatie?
Hoofdstuk 2: Het bestuur van de maatschappij
- De bestuurlijke problemen
- Touwtjes regeren het Rijk
- De bestuurlijke indeling
- De structuur van het Inca-systeem
- Gedragsregels in de Inca-maatschappij
- De rechtspraak van de Incas
Hoofdstuk 3: Het Geheim van de Zonnetempel
- De Zonnemaagden
- De Zonnetempel van Cuzco
- De Zon en zijn onderdanen
Hoofdstuk 4: De Geheimen van de Inca-maatschappij
- Beantwoording probleemstelling
- Mijn mening en afsluiting


"En op een dag brak de Zon door in het land van de Chavín. Inti, de Zonnegod, scheen Zijn krachtige stralen op de inwoners van het land, dat Hij geschapen had. Het was voor het eerst in lange tijd dat de Zon weer scheen. Regen en wind hadden Zijn land in hun macht gehad, maar Inti was toch sterker gebleken. De Chavín werden verantwoordelijk gehouden door Inti. Immers, als zij Hem voldoende geëerd hadden was dit nooit gebeurd. Om dit niet meer te laten gebeuren stuurde Inti Zijn zoon naar de aarde. Zijn zoon was Manco Capac.
Enkele dagen later kwam er opeens een man uit een grot. De man droeg een prachtig gouden gewaad, dat schitterde in de Zon. In zijn ene hand had hij een lange gouden staf, in de andere een gouden afbeelding van de Zon. Het was voor de Chavín duidelijk. Dit was de zoon van Inti, de zoon van de Zonnegod. Manco Capac liep dagen achtereen, dwars door het land en over de bergen, totdat hij een teken van zijn vader kreeg. Hij was aangekomen op de meest vruchtbare plek van het hele land. Hij stak zijn staf in de grond. De staf zonk onmiddellijk weg in deze vruchtbare bodem. Op deze plek zou de hoofdstad komen van het Rijk der Incas, het Rijk der afstammelingen van de Zon. De stad zou de naam Cuzco krijgen, en uitgroeien tot een der mooiste steden die de wereld ooit gekend had."
Zo begint een van de vele legendes over het begin van de Inca-geschiedenis, die nu nog immer rondwaren door de Andes. Ze worden nog graag verteld door de huidige inwoners van de Andes-landen. Wie kent niet de schitterende ruïnes van Machu Picchu, de machtige hangbruggen over kolkende bergstromen of het prachtige verhaal van de Zonnegod en de Zonnecultus? Ook ik raakte in de ban van de geschiedenis van de Incas. Dat is de voornaamste reden waarom ik de Incas als onderwerp heb gekozen. Een tweede reden was dat ik na mijn examen Talen en Culturen van Latijns-Amerika wil gaan studeren, en dit leek me een mooie kans om vast wat meer te weten te komen over de geschiedenis van dit boeiende continent.
Na een periode van informatie verzamelen, inlezen, videomateriaal bekijken en opnieuw lezen, heb ik geprobeerd om een hypothese te formuleren. Dit vond ik lastiger dan ik had gedacht. Het onderwerp bleek namelijk veel te uitgebreid te zijn. Daarom heb ik voor één onderdeel van de Inca-geschiedenis gekozen, namelijk de sociale en maatschappelijke organisatie van de Incas. Mijn probleemstelling is: In hoeverre was de Inca-maatschappij socialistisch te noemen? In dit werkstuk ga ik proberen een antwoord te vinden op deze vraag. Ik ga bij alle onderdelen van de maatschappij kijken in hoeverre mijn hypothese juist is. Als ik dit gedaan heb, zal ik in het laatste hoofdstuk mijn uiteindelijke conclusie geven. Tijdens mijn werkstuk maak ik regelmatig gebruik van citaten van bekende auteurs die over de Incas hebben geschreven. In de bronvermelding staat precies vermeld welke auteurs ik heb geciteerd, bovendien staan daar ook mijn andere bronnen in vermeld. Ik hoop dat eventuele onduidelijkheden hiermee worden vermeden, en dat u met plezier het komende werkstuk zal lezen.
In het eerste hoofdstuk van mijn werkstuk behandel ik de opbouw van de Inca-maatschappij. Hoe zat deze in elkaar en wat waren de kenmerken en bijzonderheden ervan? Ik zal iedere bevolkingsgroep apart toelichten en proberen de positie van die groep zo correct mogelijk te bepalen. Pas als ik een goed inzicht heb in de sociale stratificatie van de maatschappij kan ik gaan bepalen in hoeverre mijn probleemstelling daadwerkelijk van toepassing is.
De kern van de maatschappij
De gewone Indiaan was over het algemeen erg plaatselijk georiënteerd. Hij had te weinig tijdsbesef om zich druk te maken over de daden van zijn verre voorouders. De wereld van de doorsnee Indiaan was zijn eigen kring, waartoe hij behoorde sinds zijn geboorte en waartoe ook zijn vaderen hadden behoord- of althans werden geacht te hebben behoord- de ayllu. Deze term is uitgegroeid tot een soortnaam voor de kern van de Inca-maatschappij. Deze sociale eenheid heeft in de loop van de geschiedenis wel enkele veranderingen ondergaan, maar heeft toch zijn typische kenmerk weten te bewaren, namelijk de solidariteit. Deze solidariteit berustte op de werkelijke of fictieve verwantschap die de leden van de ayllu met elkaar hadden, of op de gemeenschappelijke bewerking van de grond die behoorde tot de leden van de ayllu. De ayllus verschilden van elkaar al naar gelang hoe de verhoudingen tussen deze twee factoren lagen. Ze kwamen voor in verschillende maatschappelijke vormen. Er waren ayllus die bestonden uit leden van verschillende dorpsgemeenschappen, en in grotere dorpen en steden kwamen natuurlijk meerdere ayllus voor.
Ten tijde van de laatste Incas had de ayllu drie van zijn oorspronkelijke kenmerken behouden. De ayllu was een religieuze eenheid, een familie-eenheid en een economische eenheid. De ayllu had een historische stamvader of totem, die de vorm aannam van een dier, een ding of een natuurverschijnsel. Voorbeelden van zulke quarquis zijn de poema, een rots of de bliksem. Dat de Incas nog niets wisten van de indelingen die voor ons elementair zijn blijkt wel uit het feit dat zulke quarquis vaak menselijke trekken hadden. Op aardewerk en geweven stoffen krijgen vogels en viervoeters menselijke gezichten of lichaamsdelen. Dit is weer een aanwijzing dat de wereld voor de gewone Indiaan slechts bestond uit de lokale gemeenschap en de religie.
De quarqui was dus het groepssymbool, dat voor iedere ayllu anders was. Er kwamen natuurlijk wel vaak dezelfde quarquis voor, zoals de bliksem, maar de gewone Indiaan dacht hier nooit lang over na. Iedere quarqui vertegenwoordigde immers een andere voorvader.
Als we het hebben over de ayllu als familie-eenheid, hebben we het niet over een familie zoals wij die nu kennen. Oorspronkelijk onderscheidde de Indiaan zich niet van zijn milieu, zijn persoonlijkheid ging op in de ayllu. De ayllu omvatte niet alleen het gezin, maar een grote groep van onderling verwante personen. De ayllu maakte op zijn beurt weer deel uit van de hanan of de hurin. De hanan betekent het hoge deel, de hurin betekent het lage. Steden waren verdeeld in twee delen. De hanan was belangrijker dan de hurin. In de hurin woonden de laatste nieuwkomers, de immigranten of juist de oorspronkelijke bewoners, die door de Incas waren onderworpen. In sommige Boliviaanse en Peruaanse dorpen is deze sociale organisatie nog steeds aanwezig. Zij zijn tot op de dag van vandaag ontoegankelijk gebleven. In Collana, een dorpje dat op vijftig kilometer van La Paz ligt op 3800 meter hoogte, is nog een schitterend voorbeeld te vinden van een authentieke Indiaanse nederzetting. Tot 1946 hadden de inwoners het privilege om naar eigen tradities, instellingen en recht te leven. Geen van hen sprak Spaans, het dorpshoofd uitgezonderd, en voor Spanjaarden en missionarissen was het onmogelijk om zich er te vestigen. Iedere ayllu, er zijn er in totaal nog vier, heeft zijn eigen plaats, die door rechtopstaande lamabeenderen aangegeven wordt. Bij volksvergaderingen kent iedereen zijn plaats en iedereen heeft een even grote stem in de vergadering.
Het middelpunt van het gezin was de moeder. De reden daarvan is dat bij het vaststellen van de afkomst slechts het moederschap zekerheid kon geven. De Indiaan stond in die tijd namelijk niet echt bekent om zijn monogamie, pas later kwamen seksuele taboes en primitieve gedragsregels op, die overigens lang niet altijd opgevolgd werden. De Inca-maatschappij was dus oorspronkelijk een matriarchistische maatschappij. Pas toen de ayllus der nomaden veranderden in een landbouwgemeenschap met een vaste woonplaats, heeft de vader de positie van gezinshoofd over kunnen nemen. Zo nam het patriarchaat de positie van het matriarchaat over. De vrouw viel terug naar het tweede plan en werd tot een bezit van de man, en sindsdien bepaald niet meer de vrouwelijke lijn de vorming van de ayllu, maar de mannelijke. In de meeste Andeslanden is de maatschappij nog steeds zo verdeeld.
Het was ook in die tijd dat de seksuele taboes opkwamen. Huwelijk binnen de groep werd verboden, vanaf toen moest de vrouw uit een andere ayllu afkomstig zijn. Bij een huwelijk ging de vrouw over van haar eigen ayllu naar de ayllu van haar man. Als ik later de hogere kringen van de maatschappij ga behandelen, zal blijken dat dit niet voor de Opper-Inca of Sapa-Inca gold, want hij huwde een van zijn zusters. Overigens is dit niet helemaal zeker, want over wie men zuster noemde bestaan nog al wat verschillende meningen. Er zijn auteurs die ervan uitgaan dat de Indiaan niet alleen zijn verwekker vader noemde, maar ook diens broer, dus zijn oom. Zijn neven waren voor hem broers, zijn nichten zusters. Dit wordt door andere auteurs echter weer bestreden, en daarom is er op dit punt nogal wat verwarring. Ik laat het onderwerp verder dan ook rusten.
De economische eenheid van de ayllu heeft in de loop der tijd ook een behoorlijke verandering ondergaan. In de tijd voor de Incas werd de band van de bloedverwantschap vrijwel algemeen vervangen door een band die gebaseerd was op gemeenschappelijk grondgebruik, zoals ik al eerder heb gezegd. Deze agrarische boerengemeenschap, die dus van voor de Incas stamt, heeft zich tot op de dag van vandaag gehandhaafd als de meest solide en degelijke sociale cel van het Andesgebied. In deze cel wordt de autonomie van het gezin gerespecteerd, terwijl het gezin tegelijkertijd toch in de groep integreert. Dit komt door de driedeling op agrarisch gebied. Bos en weide behoorden tot de ayllu, daarom werden ze ook gemeenschappelijk bewerkt en onderhouden. Huis en hof behoorden tot het gezin en werden dus door het gezin zelf onderhouden. Het bouwland had een speciale positie in de ayllu. Het werd periodiek opnieuw ingedeeld in kavels, en verdeeld onder de leden van de ayllu. Als er in een gezin een kind werd geboren, kreeg het gezin er een stuk land bij. Bij het huwelijk van een dochter kwam het stuk land terug tot de gemeenschap. Dit systeem met zijn periodieke herindeling is overal ter wereld terug te vinden. Het land werd collectief bewerkt, bij ziekte of overlijden van een van de mannen uit de ayllu zorgden de andere leden ervoor dat zijn land niet verwaarloost werd en dat zijn gezin voldoende voedsel had.
De Indiaan uit de vijftiende eeuw was dus afhankelijk van zijn dorpsgemeenschap en tegelijkertijd erg gehecht aan zijn familie. Hij had vrijwel geen persoonlijke bezittingen. Zijn vrouw, kleren en bepaalde persoonlijke artikelen waren het enige dat hij bezat, om meer vroeg hij ook niet. De rest behoorde toe aan de gemeenschap, de goden of aan de Sapa-Inca (ook wel gewoon de Inca genoemd). Bij problemen besliste de Inca, en iedereen eerbiedigde die beslissingen ook. In Collana woonde, zoals we zagen, de ayllu in een nauwkeurig afgebakend deel van de nederzetting. Zo was het overal. In de grotere nederzettingen woonde de hele ayllu vaak in een eigen gebouwencomplex, dat bestond uit een aantal hutten omringd door een stenen muur. In Machu Picchu verschilden de huizen van elkaar door de inrichting van de vertrekken of door bepaalde architectonische kenmerken, zoals de bewerking van de steen. In Cuzco behoorde iedere bouweenheid aan een ayllu, niet aan een familie. De ayllu, met zijn grote solidariteit en gemeenschapszin, was dus met recht de kern van de Inca-maatschappij
Het leven van de Sapa-Inca
Ik ga nu de maatschappelijke orde behandelen. Ik begin hiermee aan de top van de hiërarchie, en in de Inca-maatschappij is dat de elite met de Sapa-Inca aan het hoofd. In Commentarios Reales de los Incas van Garcilaso de la Vega staat de volgende, prachtige beschrijving van de Inca:
"Een ieder die het waagde een blik op de Zonnezoon te slaan, bewaarde daaraan een onuitwisbare herinnering. De heerser droeg een mouwloze, tot op de knie reikende tunica, als broek diende hem een om het lichaam gewikkelde lap stof, en de lange, wijde, met geometrische motieven versierde mantel werd los over de schouder geworpen en op de borst aan elkaar geknoopt, ofwel onder de linkerarm doorgetrokken en op de rechterschouder vastgemaakt om beide armen vrij te laten. Zijn kleding was geweven uit fijne vigogne-wol en zijn voeten staken in witte wollen sandalen. Om zijn benen droeg hij linten, onder de knie en rond de enkels. Als teken van zijn waardigheid droeg hij de mascapaicha enige malen om het hoofd gewonden, een veelkleurige tres, waaraan de lautu, in gouden buisjes gevatte rode kwasten, hingen. Er boven prijkte een hoge pluim, met aan het uiteinde drie zwart-met-witte veertjes van de heilige vogel Curiquinque. Onder het kort geknipte haar rekten de lange oren onder het gewicht van enorme schijven edel metaal. Tenslotte hing een fraai bewerkte zak, die coca bevatte, aan de zijde van de vorst. Bij plechtige ceremonieën droeg de Inca al naar omstandigheden hetzij een gouden scepter (zo lang als een hellebaard en aan het uiteinde versierd met veertjes, soms ook met de mascapaicha, als hij zelf een krijgstooi droeg), hetzij een knots met een stervormige gouden kop en een leren schild met het keizerlijke wapen. Elke Inca had zijn eigen wapen: Sinchi Roca een valk, Loque Yupanqui geometrische figuren evenals Maita Capac, Capac Yupanqui een viervoeter boven, een vogel in het midden en een slang beneden, Inca Roca een vogel, Pachacuti een regenboog en twee slangen. De naam van de Inca was altijd vleiend, daarom kwamen sommige woorden terug in verschillende combinaties: Capac betekent Heer, Yupanqui betekent gedenkwaardig en Huayna betekent jong. Bij bepaalde plechtigheden bevestigde de Inca een gouden Zonneschijf op zijn borst. Hij zat op een lage, met snijwerk versierde en met kostbare stoffen bedekte houten zetel, of op een troon van massief goud. Zijn maaltijd werden opgediend in gouden en zilveren vaatwerk en hij sliep op een matras, gestopt met katoen en overtrokken met wollen stof. Wie audiëntie werd verleend, al was het een triomferend generaal, naderde de troon met neergeslagen ogen, barrevoets en met een last op het hoofd ten teken van onderwerping."
De Inca huwde over het algemeen zijn oudste zuster, en hield er een onbegrensd aantal bijvrouwen op na. Bij zijn troonsbestijging vormde hij zijn eigen ayllu, en dit deed zijn opvolger ook. Bij het overlijden van de Inca werd hij gemummificeerd. Zijn plaats in de ayllu werd niet door iemand anders ingenomen, elke nieuwe Inca vormde immers zijn eigen ayllu. De mummie van de overleden vorst werd bij belangrijke plechtigheden weer te voorschijn gehaald. Zijn vrouwen en zijn hofhouding leefden verder op dezelfde wijze als ware de Inca nog in leven. Aan het begin van de zestiende eeuw waren er elf keizerlijke ayllus in Cuzco.
De Inca wees zelf zijn opvolger aan, meestal uit de zonen van zijn wettige gemalin. De vorst had een volledige vrijheid op het gebied van de troonopvolging, maar was uiterst kritisch en voorzichtig bij het aanwijzen van een opvolger. Meer dan eens is het voorgekomen dat een benoeming tot opvolger teruggedraaid werd, als de Inca vond dat de eventuele opvolger toch niet over de juiste eigenschappen beschikte.
De taken van de Sapa-Inca
Het leven van de Inca bestond niet alleen uit de ceremonieën die ik zojuist beschreven heb. Hij gaf leiding aan het leger, dat vrijwel onafgebroken in oorlog was. Het overgrote deel van de oorlogen die de Incas voerden waren echter geen echte oorlogen. Vaak konden de legers zo doorlopen, en werd er geen enkele tegenstand geboden. Als de Incas een nieuw gebied veroverd hadden, deden zij niet wat de meeste veroveraars zouden doen. Nee, zij respecteerden de bestaande bestuursorganisaties en lieten de lokale machthebbers aan de macht. Zij plaatsten wel telkens opzichters boven de lokale bestuurders. Op het gebied van de religie hadden zij dezelfde handelswijze, maar daar kom ik later nog op terug.
Verder hield hij zich bezig met het maatschappelijk en economisch bestuur. De hoeveelheid werk die bijvoorbeeld door Pachacuti is geleverd is enorm. Hij heeft tijdens zijn leven steden herbouwd en uitgebouwd, een leger- en een cultus-hervorming doorgevoerd, eenheid van taal geschapen, een precisieapparaat voor geleide economie geconstrueerd, een statenbond in een keizerrijk veranderd en een groot aantal veroveringstochten gevoerd. Natuurlijk zal door de geschiedschrijvers zijn arbeid enigszins uitgebreid zijn, maar dan nog is het een enorme prestatie om zulke dingen te verwezenlijken. Het was ook Pachacuti die de sociale organisatie van het Inca-rijk grotendeels heeft opgezet, verbeterd en geperfectioneerd.
De Inca had ook als taak om de wegen en bruggen in het land te laten onderhouden. Onder Inca Roca werd begonnen met de aanleg van een wegennet, dat zich uitstrekte van Cuzco in het zuiden van het rijk tot aan Quito in het noorden. De twee hoofdwegen, een langs de kust en een door de bergen, waren samen ruim 16000 kilometer lang. Hij stelde ook een koeriersdienst in, de chasqui, een organisatie van hardlopers die een bericht binnen vierentwintig uur van Quito naar Cuzco konden brengen. Ook werd onder zijn leiding begonnen met het aanleggen van terrassen op de berghellingen en niet te vergeten de geweldige hangbruggen hoog boven de dalen en de wilde bergstromen.
De aanleg van al deze werken is een prachtig voorbeeld van hoe men de krachten van duizenden individuen wist te bundelen tot één machtige, sterke beweging en zo binnen onvoorstelbaar korte tijd een groot en moeilijk project wist te realiseren. Bij de aanleg van een hangbrug begon de bevolking uit de omgeving met het verzamelen van strogras. Als men voldoende van het land had gehaald, was het de taak van de vrouwen om van het strogras touw te weven. Als men dun touw had geweven, nam men drie strengen die men vervolgens tot een streng weefde. Men weefde zo, dat er een streng van ongeveer een meter ontstond. Men nam drie strengen van een meter en weefde deze tot één geheel. Dit deed men nogmaals. De streng bestond nu dus uit 9 touwtjes. De kracht van deze streng was al sterker dan men zou verwachten. Men vlocht nu drie van deze strengen tot een kabel, die uit 27 touwtjes bestond. Uiteindelijk kwam men tot een kabel van wel vijftig meter lang, al naar gelang de breedte van de kloof, die bestond uit meer dan tweehonderdvijftig touwtjes. Men nam nu twee van deze kabels als leuningen, en drie van deze kabels als draagvlak van de brug. De gaten die tussen de twee brugdelen overbleven werden met plankjes dichtgemaakt en vervolgens dichtgeweven. Zon brug kon dan 5 mensen en drie lamas dragen.
Het spreekt voor zich dat zon project een enorme discipline en kennis vergde. De manier waarop deze projecten tot stand kwamen is dan ook uitermate bewonderenswaardig. Samenwerken konden de Incas als geen ander. Dit is ook weer een voorbeeld van de grote sociale gemeenschapszin en solidariteit. De bevolking werd, in tegendeel tot wat sommige mensen zouden denken, wel degelijk beloont voor hun inspanningen. In het volgende deel van dit hoofdstuk zal ik dit onderwerp verder behandelen.
Het leven van de gewone Indiaan
Ik ben nu aangekomen bij het leven van de gewone, alledaagse Indiaan. De gewone Indiaan behoorde vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood tot dezelfde ayllu. Hij woonde in een hutje, dat bestond uit twee kamers. Deze werden afgescheiden van elkaar door een kleed. Het hutje had geen deur. Zijn woning diende alleen om in te slapen. Er lag wat stro op de grond en soms enkele kleden. Aan de wand hingen een paar potten en pannen, dat was al. Persoonlijke bezittingen had hij niet, maar zijn buurman ook niet, dus hij was niet anders gewend. Eten deden de Incas buiten voor de hut. Bij heel slecht weer mochten ze binnen eten, maar dan moest het kleed voor de deuropening open zijn. De reden hiervoor is dat iedereen moest kunnen zien wat je at en hoeveel je at. In principe had iedereen eenzelfde stuk land dat hij mocht bewerken, en zo voorkwam men dat er verschillen ontstonden in de hoeveelheid voeding die men binnenkreeg. Bovendien, iedereen had voldoende land wat hij mocht bewerken. Als je dus onvoldoende voedsel van je land haalde, was dat je eigen schuld, dan had je niet hard genoeg gewerkt en werd je daarvoor gestraft.
Het voedsel bestond uit de natuurlijke gewassen die de Andes bood. Maïs werd fijngemalen tot meel, knollen werden fijngestampt tot chuño, een soort soep die enorm veel voedingsstoffen bevatte en andere gewassen werden twee- tot driemaal gekookt en vervolgens in de zon gedroogd. Ook verbouwde men aardappelen, die men soms toevoegde aan de chuño om deze nog voedselrijker te maken. De levensmiddelen werden bewaard in aarden kruiken, in korven van maïsstengels of begraven in diepe kuilen. Iedere ayllu zorgde dat hij een behoorlijke voorraad voedsel had, om zich te beschermen tegen de soms grillige seizoenen. Deze voorraden werden aangelegd uit de opbrengsten van de gemeenschappelijke grond. Als er iemand was die zich onttrok aan deze collectieve arbeid, werd hij gestraft.
Vlees behoorde niet tot de alledaagse voeding van de gewone Indiaan. De lama mocht niet worden geslacht, hij diende slechts als leverancier van wol, melk en als lastdier. Als men al vlees at, dan at men Guinese biggetjes, die echter taai en pezig waren en slechts twaalf uur na het slachten eetbaar waren. Op wild mocht alleen gejaagd worden met toestemming van de overheid. Dat vlees werd in repen gesneden, gezouten, gedroogd en bewaard, het heette dan charqui. Vogels, kikvorsen, eetbare wormen en paddestoelen werden soms toegevoegd aan de soep om wat variatie in de smaak aan te brengen. Aan de kust werd veel vis gevangen. Dit werd geruild met de produkten die elders in het rijk werden voortgebracht. Deze beperkte vorm van ruilhandel werd door de overheid geregeld, op een over het algemeen heel eerlijke en faire manier.
In de bergen droegen de Incas kleding tegen de kou, in tegenstelling tot de mensen die aan de kust of in de oostelijke wouden woonden. Daar diende kleding er slechts voor om de meest kwetsbare lichaamsdelen te beschermen. Kleding was iets waardoor de elite zich onderscheidde van de massa. Fatsoen was ondergeschikt aan het nut. Als je naakt of gedeeltelijk naakt gekleed ging degradeerde dat, maar het gaf geen aanstoot. Als de Incas een volk onderworpen hadden, werd de leider of de vorst naakt op een draagbaar meegevoerd in de triomftocht.
Voor de massa golden strenge kledingvoorschriften. Op de huwelijksdag kreeg de man twee stel kleren uit de staatsmagazijnen. Hij kreeg er een voor op de werkdagen en een voor de feestdagen. Als zijn kleding stuk ging, maakte hij ze zorgvuldig, zodat er van een scheur of gat geen enkel spoor meer te zien was. Pas als zijn kleding tot op de draad versleten was, kreeg hij een nieuw stel. De man droeg dezelfde kleding als zijn vrouw, zowel qua pasvorm als qua kleur. Het geheel was eenvoudig en doelmatig. Je mocht niets aan je kleding veranderen zonder dat de overheid hier toestemming voor had gegeven. Tweemaal per jaar werden de woning, de kleding en de inboedel van de Indiaan gecontroleerd, alles diende het algemene belang en nut.
Het huwelijk was in de Inca-tijd een economische aangelegenheid. De ouders van de jongen zochten contact met de ouders van het meisje. Als deze met elkaar tot overeenstemming konden komen, gingen de jongen en het meisje een tijdlang samenleven. Deze proefperiode heette de servinacuy. In deze periode kon de jongen beoordelen wat de capaciteiten van het meisje waren. Zij moest immers zijn eten gaan bereiden, zijn kleren verstellen en zijn landarbeid verlichten. Maar het was niet alleen de jongen die kon bepalen of hij wel of niet wilde trouwen. Het meisje kon in het proefhuwelijk het karakter van de jongen leren kennen. Was hij lui, een bruut of een dronkaard, dan had het meisje het recht om hem af te wijzen. Jongen en meisje bepaalden dus samen of zij wilden trouwen of niet. Als ze besloten om niet te trouwen, was dit geen schande. Het meisje keerde terug naar haar ouders. Werd er uit deze situatie onverhoopt een kind geboren, dan bleef dit bij de moeder. Dit was een gevoelig verlies voor de vader, want een kind was een waardevolle hulpkracht.
Het was voor zowel de jongen als het meisje een eervolle zaak als zij werden uitgenodigd voor een proefhuwelijk. Maagdelijkheid is door de Incas nooit echt gewaardeerd, tegenwoordig is dat in de Andes anders. Garcilaso de la Vega zegt hierover in Commentarios Reales de los Incas het volgende:
"Een jonge vrouw die verhoudingen met mannen heeft gehad, bewijst daarmee haar aantrekkingskracht en wint er prestige door. De maagdelijkheid wordt als een stigma voor de vrouw beschouwd, want de Incas zijn van mening dat alleen zij, die zich door niemand weten te laten beminnen, maagd blijven. Voorbeelden hiervan zijn er in overvloed. Een man verzet zich tegen het huwelijk van zijn zuster met een overigens zeer achtenswaardige kandidaat, met het argument dat de beide jongelieden nog geen seksuele omgang hebben gehad; een echtgenoot slingert zijn vrouw tijdens een ruzie het verwijt naar het hoofd, dat zij voor het huwelijk nog geen minnaars heeft gehad."
Op werkdagen hadden de Incas weinig vrije tijd. Men begon bij zonsopgang en stopte pas als het dorpshoofd daar toestemming voor gaf. Er waren echter veel feestdagen, waarop iedereen vrij had. Iedere maand waren er drie vaste feestdagen, maar daar kwamen nog allerlei wisselende dagen bij, die vaak meerdere dagen duurden. Zo kwam men tot wel honderdvijftig feestdagen per jaar. Sommige feesten waren echter voorbehouden aan de elite. Tegenwoordig heeft een gemiddelde werknemer zon 130 à 140 vrije dagen per jaar, maar in de Inca-tijd waren de werkdagen natuurlijk veel langer en moest men zware lichamelijke arbeid verrichten. Pedro de Cieza de León geeft in zijn Segunda parte de la Coronicá del Peru de volgende (ingekorte) beschrijving van de feesten die voor de gehele bevolking bestemd waren:
"In de tweede maand van het jaar, dat met de zonnewende in december was begonnen, begaven de Orejones (langoren, een bijnaam voor de Incas, die echter als soortnaam werd gedragen door de geestelijkheid) zich naar de reservoirs in de havenstad van Cuzco, stortten de as van de in het afgelopen jaar gebrachte offers in het water en openden de sluisdeuren, opdat de beide riviertjes van de hoofdstad, de Huanatay en de Tulumayu, en vervolgens de Urubamba, waarin alle wateren van deze vallei uitmondden, deze weinig aantrekkelijke offergaven zouden wegspoelen. Bij alle bochten van de laatste rivier, tot aan Ollantaytambo toe, werden Orejones geposteerd om ervoor te zorgen dat de as door de stroom werd meegenomen.
In de vijfde maand werden de maïsfeesten gevierd. Drie nachten achtereen bracht men zingend door en bewaakte men een doek met een handvol maïskorrels, terwijl een Orejon bezweringen sprak.
De zesde maand was die van het Zonnefeest, dat met pracht en staatsie werd gevierd."
Bij alle staatsfeesten mochten de gewone Incas chiqa drinken. Chiqa was een soort bier, dat men maakte door maïs fijn te kauwen en vervolgens in een grote kom met water te laten gisten en te koken. Door het speeksel werd deze drank, die ons op het eerste gezicht vies aandoet, echter een enorme lekkernij.
Als een gewone Indiaan stierf, werd hij al naar gelang de gebruiken van zijn ayllu en streek begraven. Soms werd hij rechtopzittend begraven, in de zo geliefde houding met de voeten naast elkaar en de knieën ter hoogte van de kin. Het kwam ook voor dat hij in een uitgehakte nis in een rots werd geplaatst, uiteraard weer in de geliefde houding. Er zijn legenden die beweren dat de Incas hun doden in een soort heteluchtballon plaatsten, die zij vervolgens op lieten stijgen. Door de wind werd de ballon dan meegenomen naar het westen, waar de zon onderging. Daar was volgens hen het dodenrijk, waar de geest van de overledene rust zou vinden bij zijn voorvaderen, en waar Manco Capac over zijn afstammelingen regeerde. Uiterst fijne weefsels, die gediend zouden hebben als ballon, zijn gevonden en als bewijs voor deze theorie aangevoerd. De dichtheid van deze weefsels is vele malen fijner en beter dan de weefsels die wij tegenwoordig machinaal kunnen produceren. Onderzoeken en proeven hebben uitgewezen dat het mogelijk is om op deze manier een ballon met een zeker gewicht op te laten stijgen. Op deze manier zou men vanuit de lucht ook de lijnen en tekeningen op de grond van Nazca hebben gemaakt. Onomstotelijk bewijs is hiervoor echter niet te leveren, en zal waarschijnlijk ook nooit te leveren zijn. Ik ga hier verder dan ook niet op in, maar omdat ik het zelf zon interessante theorie vond, heb ik gemeend om hem toch te vermelden.
Als iemand overleden was bleef zijn lichaam erg nauw verbonden met de aarde. Het lijk bleef leven, zo zei men weleens. Maar om dit mogelijk te maken moest het wel in voortreffelijke staat blijven verkeren. Daarom werden de hoogste Incas dan ook gemummificeerd. De grootste angst die een Inca had was dat hij na zijn dood verbrand zou worden. Dan verging namelijk de ziel, en dat was het ergste wat je kon overkomen.
De taken van de gewone Indiaan
De gewone Indiaan was voor alles een landbouwer. De jaarindeling werd bepaald door de gewassen die hij verbouwde. Nu heb ik het natuurlijk over de agrarische kalender, want de religieuze kalender verliep heel anders, maar deze twee kalenders waren elkaar niet tot last. De eerste maand van het jaar, dat altijd op 21 december met de zonnewende begon, stond in het teken van de maan, de Quilla. De Indiaan wiedde zijn akkers, ging indien mogelijk vissen en hielp zijn kinderen, die met hun slingers de dieren van de velden verdreven. Omdat het meestal veel regende in deze maand, het was immers het natte zomerseizoen, zat hij samen met zijn gezin veel binnen in de hut. Het gezin hield zich dan bezig met het naaien en stoppen van de kleding. Ook was deze maand er een van het gebed. De tweede maand van het jaar, ongeveer overeenkomend met februari, was er een van hoop. De oogsttijd naderde. Gezamenlijk begonnen de mannen van de ayllu dan met het ontginnen van de gronden, om zo te proberen het bouwland te vergroten. Dit was een ideale tijd om dat te doen, want door de vele regen was de grond omgewoeld en makkelijk te bewerken. Ook bracht men in deze maand de wegen en kanalen in orde. In de derde maand begonnen de gewassen te rijpen. De maïs kwam op en de kinderen hadden hun handen vol met het verdedigen van de akkers tegen de vogels. Aan de kust kwamen de vissers met overvloedige vangsten thuis, de gedroogde vis werd tot diep in de binnenlanden verhandeld. April, de vierde maand, was voor alles een feestmaand. In deze maand werd de heerser van het rijk vereerd, met zeeën van bloemen en vruchten en grote feesten.
Mei, de vijfde maand, was de belangrijkste maand van het jaar. De maïs werd geoogst en ontdaan van de bladeren en de korrels. Men bewaarde het zaad, dat men later weer gebruikte om opnieuw te zaaien. De jonge maïs was geschikt om te eten, maar niet om er chiqa van te maken. Verder verzamelde men kruiden en ging men op jacht, want mei was ook de maand van de jacht. In juni werden de aardappelen gerooid. Men repareerde de hut en voerde herstelwerkzaamheden uit aan de wegen en kanalen. Ambtenaren reisden door het land om te controleren of iedereen zijn plichten wel goed vervulde. Als een volwassen man met gezin geen voldoende reserves aan voedingsmiddelen voor zijn gezin vormde, werd hij gestraft. Ook stelden de ambtenaren statistieken op van de bevolking en van de voorraden. In juli werd de pluk voortgezet. De belangrijkste taak van deze maand was echter het bewerken van de gronden van de Inca en de Zon. Naast deze taken begon hij met het bemesten van zijn eigen grond en die van de ayllu. De nieuwe gewassen werden uitgezaaid en de gemeenschappelijke gronden werden herverkaveld. In augustus werden de aardappelen uitgepoot. Gebeden en offers moesten de gunst der goden voor de komende oogst bewerken. Men haalde nu ook de overige groenten van het land, en zout en peper werden binnengehaald en als voorraden bewaard. De zaaitijd eindigde in september. In september werd verder het feest van de keizerin gevierd. Als het een erg droge maand was, bracht men meer offers aan de goden dan normaal. In oktober werden de akkers bevloeid via de kanalen, de kanalen werden onderhouden, er werd hout gesprokkeld, knoopte touw en repareerde de strodaken van de hutten en van de tempels. Wanneer de regen uitbleef, werden de gebeden dringender en de offergaven royaler. November en december waren respectievelijk de dodenmaand en de Zonnemaand. De Incas leefden van de voorraden en van de vruchten die dan rijp waren. Tegen het einde van het jaar zaaide men opnieuw groenten en gewassen in.
Het bouwland waarover het bovenstaande stukje gaat was het eigendom van de agrarische gemeenschap. Met de toename van de bevolking breidde het zich langzaam uit. Eerst kwam dit doordat individuele ayllus probeerden hun grondgebied te vergroten, later kwam dit vooral door het ingrijpen van de staat. De manier waarop men dit deed bleef hetzelfde. Eerst werd de grond collectief ontgonnen, en daarna werd de grond bemest en geïrrigeerd.
De ontginningswerkzaamheden omvatten de aanleg van terrassen en het graven van kanalen. Overal ter wereld komen terrascultures voor. Zo ook in de Andes, waar men vele glooiende berghellingen op een trapsgewijze manier heeft ingedeeld in terrassen. De aarde die men nodig had om een gelijkmatig oppervlak te maken werd gestut door stenen muurtjes. Ook werden er greppels en kanalen gegraven om het regen- en smeltwater zo optimaal mogelijk te gebruiken.
Deze kanalen waren indrukwekkende prestaties van de Incas. Ze liepen over bergen en door dalen, soms wel kilometers lang. Ze vormden een irrigatiesysteem waar het grootste deel van de landbouw afhankelijk van was. Nergens ter wereld vindt men een efficiënter en doeltreffender irrigatiesysteem dan hier in de Andes, heeft een Spanjaard uitgeroepen toen hij voor het eerst een kanalensysteem van de Incas zag. Het water was letterlijk van levensgroot belang voor de Incas. Hoe waardevol het voor hen was, blijkt wel uit de zorg die men besteedde aan de vaten waarin het bewaard werd. Allerlei legenden tonen aan hoe groot de behoefte aan en het verlangen naar water konden zijn. Zo vertelt men dat Pachacuti in Ica liefde opvatte voor een meisje. Zij wees zijn toenadering echter af, omdat zij hield van een andere jongen en met hem zou gaan trouwen. De vorst was niet beledigd, in tegendeel, maar bewonderde haar standvastigheid. Hij vroeg of zij een wens had, die hij kon vervullen. Het meisje antwoordde dat zij zelf geen enkele wens koesterde, maar dat zij zeer dankbaar zou zijn wanneer het dorp water tot zijn beschikking kreeg.
Toen een dag een leger van veertigduizend soldaten het dorp naderde, vreesden alle inwoners het ergste. Niets was minder waar. Pachacuti had opdracht gegeven om een kanaal aan te leggen dat het dorp voorgoed van zijn waterprobleem zou verlossen. Nog heden ten dage stroomt het water door dit prachtige kanaal en het bevloeit nog dagelijks de vallei.
De aanleg van de terrassen en de kanalen werd uitgevoerd door de leden van de gemeenschap, verdeeld in werkgroepen. Hierbij gold de regel, dat de deelnemers aan dergelijke openbare werken voor de duur van de uitvoering moesten worden onderhouden door hen die er profijt van trokken. De andere leden van de gemeenschap zorgden er dan dus voor dat al het land werd bewerkt, en dat de mannen die meewerkten aan het project bij terugkomst geen slecht onderhouden stuk land aantroffen en geen eten meer hadden. Als het project door de staat werd georganiseerd was de situatie iets anders. De medewerkers hoefden dan niet gevoed te worden door de andere leden van de gemeenschap, maar kregen hun maaltijden uit de handen van de opzichters van de staatsmagazijnen. De andere leden van de gemeenschap moesten dan natuurlijk wel voor het onderhoud van de akkers zorgen.
Om een grotere opbrengst van de landbouwgrond te verkrijgen, maakten de Incas gebruik van mest. In de bergen gebruikte men voor de bemesting van het land vooral lama- en mensenmest. Aan de kust gebruikte men de koppen van de vissen, die als voedsel hadden gediend. Ook gebruikte men veel vogelmest, dat in die tijd guano heette. Guano was een erg gevraagde mestsoort. Vooral de Chincha-eilanden voor de kust hadden enorme bergen vogelmest. De beschikbare guano werd dan ook systematisch verdeeld tussen de verschillende provincies van het rijk. Vogels waren dus erg belangrijk. Wie een vogel zonder toestemming doodde of bij het broeden stoorde, werd met de dood bestraft.
Een socialistische organisatie?
Zoals ik al eerder heb gezegd werd de beschikbare landbouwgrond, die dus steeds verder aangroeide, door secure ambtenaren volgens een in Cuzco ontworpen rationaliseringsplan tussen de onderdanen van de keizer verdeeld. Een ayllu had dus voldoende grond om zichzelf van voedsel te voorzien. Als de ayllu echter door omstandigheden, dus buiten de eigen schuld om, niet genoeg voedsel van het land haalde, werd het tekort aangevuld vanuit de staatsmagazijnen. Om dit mogelijk te maken, moest de ayllu als er een overschot van het land was gehaald, dit overschot afdragen aan de staat. Om dit principe consequent te kunnen doorvoeren, zouden de produkten van de gemeenschap eigenlijk verzameld moeten worden, om ze daarna, al naar gelang de behoefte, aan ieder lid van de groep toe te wijzen. De staat zou dan de rest krijgen. Maar het grote nadeel van dit systeem, dat eigenlijk communistisch is, is dat het de plaatselijke gebruiken en tradities omver geworpen zou hebben. De Incas zijn zo slim geweest om op dit punt heel goed na te denken over wat wenselijk en wat reëel haalbaar was. Zij kozen ervoor om niet de produktie, maar de grond te verdelen. Dit bracht het grote voordeel met zich mee, dat iedere Indiaan een zeker initiatief mocht nemen en verantwoordelijk was voor zijn eigen grond. De eigendom van de grond moest afgestaan worden, maar de opbrengst mocht men houden. Op deze manier werd een van de grootste fouten van het communistische systeem vermeden, namelijk het wegvallen van de persoonlijke interesse van het individu in de samenhang tussen produktie en consumptie. Als deze situatie ontstaat, kan de overheid twee dingen doen; of ze kiest ervoor de situatie zo te laten, want iedereen is immers verzekerd van een bestaansminimum. Dit heeft echter een onvermijdelijke hongersnood tot gevolg. Ze kan ook kiezen voor het invoeren van een systeem van dwangarbeid, dat dus totalitair en dictatoriaal zal zijn. De Incas hadden hier dus een vrijwel perfecte oplossing voor gevonden.
In de Inca-tijd werd een luiaard, dankzij het gekozen beleid, vanzelf gestraft. Hij haalde immers niet genoeg voedsel van zijn land en werd dus automatisch door de honger bedreigd. Iemand die wel hard werkte werd beloond. Aan de ene kant had hij immers genoeg voedsel om zichzelf en zijn gezin van voedsel te voorzien. Als hij hard genoeg werkte hield hij een overschot over. Daar kon hij mee doen wat hij wilde. Meestal koos een ijverige Indiaan ervoor zijn overschot te ruilen tegen andere produkten, die hij zelf niet produceerde. Natuurlijk bleef de natuur een onzekere factor in dit proces, want de overheid had nu eenmaal geen grip over regen, hagel, sneeuw of kou. Maar doordat het Inca-rijk zo uitgestrekt was, was het nooit zo dat het hele rijk te maken had met slechte oogsten. Tekorten konden dus altijd wel aangezuiverd worden. Luiheid werd altijd zwaar gestraft. Vlijt werd volgens sommige geschiedschrijvers maar matig beloond. Hier ben ik het niet mee eens. Ik vind dat vlijt in de Inca-tijd wel degelijk beloond werd. Iemand die hard werkte had niet alleen genoeg te eten, maar verkreeg hiermee bovendien de sympathie van de gemeenschap. Hij was geliefd om zijn ijver, luie personen stonden laag in aanzien. Dit was volgens mij in die tijd ook erg belangrijk. Tegenwoordig vinden we deze situatie ook meer en meer terug. Er zijn natuurlijk nog steeds verschillen in inzet tussen mensen met dezelfde functie. Deze mensen krijgen toch hetzelfde salaris, wat ook wrijving opwekt. Een ijverige werknemer is daarentegen wel populair bij zijn collegas. Misschien is dit wel lange tijd onderschat geweest. Werknemers die zich gewaardeerd weten, natuurlijk niet zonder een redelijke financiële vergoeding, voelen zich prettiger en zijn volgens mij gelukkiger dan een luie werknemer die met tegenzin naar zijn werk gaat en die niet populair is. Verder laat ik dit onderwerp rusten, omdat het niet echt binnen mijn werkstuk past. Toch vind ik het niet juist om te stellen dat ijver slecht beloond werd in de Inca-tijd. Zonder twijfel was dit systeem natuurlijk wel de motor achter de nationale economie.
Nu ik dit aspect van de samenleving heb behandelt, is het ook beter te begrijpen waarom ieder gezin op de trouwdag een stuk grond kreeg, dat toereikend moest zijn om er op een redelijke manier van te kunnen leven. De oppervlakte van dat stuk grond verschilde al naar gelang de vruchtbaarheid en de ligging. Dit is natuurlijk logisch. Bij de geboorte van elke zoon werd een extra stukje land toegewezen, bij de geboorte van een dochter een half stukje extra land. Het bestaansminimum was op deze wijze verzekerd. Wanneer alle gezinnen over voldoende land beschikten, werd het overblijvende land gereserveerd voor de Inca en de Zon, dus voor de staat en de geestelijkheid. Omdat de staat zo gedisciplineerd doorging met het almaar ontginnen van nieuwe stukken bouwland, bleef er inderdaad grond over. Er werden geen veranderingen aangebracht in het aloude driedelige stelsel van de agrarische gemeenschap. Bossen en weidegronden bleven ter beschikking van allen, zonder dat ze verdeeld werden. Huis en hof waren het eigendom van het gezin. Het bouwland werd elk jaar herverkaveld onder de bevolking, waarbij het braakland steeds wisselde. Ieder gezinshoofd had recht op twee lamas, waarvan hij de wol en de mest benutte en die hij als lastdier kon gebruiken. De lamas mochten niet worden geslacht, behalve in streken die over grote kudden beschikten. Soms werden ze op gemeenschappelijke gronden gehouden, de wol werd dan onderling verdeeld. De Indianen moesten niet alleen hun eigen grond bewerken, maar ook die van ouden van dagen, invaliden, weduwen en wezen. Dit heeft erg veel weg van een systeem van sociale zekerheid en bijstand. En natuurlijk moesten ook de gronden van de Inca en van de Zon bewerkt worden.
De landerijen van de Zon waren niet altijd even groot. Ze verschilden van streek tot streek al naar gelang de aanwezigheid van tempels en priesters. Hoe belangrijker de tempels en de priesters in een bepaalde streek, des te meer landbouwgrond er tot hun beschikking stond. De landerijen van de Inca waren de enige, waarvan de afmeting niet vaststond. Ze bestonden immers uit de gronden die overbleven na de herverkavelingen. Hierdoor wordt ook duidelijk, waarom de staat zo veel belang hechtte aan het uitbreiden van de beschikbare landbouwgrond. Mensen en goden waren dus verzekerd van een minimum, het economisch en religieus bestel was gewaarborgd en het overige kwam toe aan de staat. De domeinen van de Inca stonden onder toezicht van speciale wachters, die er op woonden. Deze wachters hoefden niet persé tot de dorpsgemeenschap te behoren. Als er echt op geen enkele wijze een opbrengst van het land kon worden gehaald, dat het land zo onvruchtbaar of gewoon te moeilijk te bewerken was, brachten deze wachters verslag uit aan de overheid. De overheid kon dan besluiten om de gehele gemeenschap over te plaatsen naar een ander gebied in het rijk. Dit bracht echter religieuze problemen met zich mee. De grond waarop men woonde behoorde immers ook tot de voorouders van een bepaalde ayllu. Als er zulke problemen ontstonden koos de overheid meestal voor een andere oplossing. Men gaf de ayllu dan een bepaalde streek in de kustgebieden in bruikleen. Zo behield men de verbondenheid met de grond waarop men altijd had geleefd.
In de staatsmagazijnen werden niet alleen de opbrengsten van de gronden van de Inca en de Zon opgeslagen, maar ook de wol die geleverd werd door de goddelijke lamas. Dat waren lamakudden die slechts op een paar hooggelegen vlakten mochten grazen, en door maar een paar speciaal opgeleide herders mochten worden gehouden. Ook de wol van de dieren die tijdens de keizerlijke jachtpartijen werd buitgemaakt, werd in de staatsmagazijnen opgeslagen. Buiten de tekorten die soms aangezuiverd werden vanuit de staatsmagazijnen, was de belangrijkste taak van deze magazijnen het voeden van het leger op zijn talloze veldtochten. Hier zou ik echter wel een heel apart werkstuk over kunnen schrijven, dus ik ga verder niet in op het leger en de veldtochten van de Incas.
Garcilaso de la Vega geeft de volgende beschrijving van een gewone werkdag uit het leven van een gewone Indiaan:
"Op een mooie julimorgen tijgt de Indiaan aan de arbeid. Een onwrikbare stelregel schrijft voor, dat de domeinen van de Inca en de Zon voorrang hebben boven de andere. Uiteraard. Bij het aanbreken van de dag heeft de trompetter de heuvel beklommen, die boven het dorp uitrijst, om op zijn kinkhoorn verzamelen te blazen. Alle inwoners en hun vrouwen, allen in feestgewaad en met de schop over de schouder, verschijnen onder aanvoering van hun groepshoofden. Inderdaad, de god van het licht of zijn aardse vertegenwoordiger te mogen dienen, is geen inspanning, doch een vreugde. Iedereen weet immers, dat de keizer in hoogst eigen persoon zich ieder jaar om deze tijd naar het gewijde veld van Kolkampata begeeft, om er de grond te bewerken ter ere van zijn schepper. Wanneer het groepje ter bestemder plaatse is aangekomen, maken de ambtenaren een taakverdeling voor de decuriën, terwijl deze op hun beurt ieder persoonlijk een smalle strook grond toewijzen. Op deze wijze behoeven de boeren slechts in een smalle strook achteruit te werken, in evenwijdige arbeidende groepen. Dit systeem heeft, evenals dat van de grondverdeling onder de ayllu-leden, het voordeel dat ieders verantwoordelijkheid vastligt. Wie het eerst klaar is, mag de anderen niet helpen, want dan zouden die niets uitvoeren. Trouwens, in feite is niemand eerder of later klaar dan de anderen, want de Indianen, ieder op zijn strook grond, beginnen in een rij, de vrouwen voorop. Zij heffen een lied aan en de hele rij beweegt zich langzaam achteruit, werkend op de cadans van het lied. Het refrein vertolkt de algemene opgewektheid en luidt: haylli! -victorie- de overwinning namelijk op de natuur, de boze geesten, de honger, de dood."
De aanwezigheid van de vrouw op de akker was niet alleen van economisch belang. Haar aanwezigheid had ook een magische betekenis. De aarde werd immers beschouwd als een vrouwelijk wezen, Pachamama. Zij was de voedster, en de Incas dachten dat de vrouw in nauwer contact met haar stond dan een vader of echtgenoot. Na de akkers van de Inca en de Zon waren die van de arbeidsongeschikten aan de beurt. Daarbij droeg men gewone kleding. Staatsopzichters controleerden ook hier het werk. Op het eigen stukje land was er echter geen toezicht van de opzichters. Daar mochten de Incas naar eigen inzicht hun land bewerken.
Aan de oevers van het Titicacameer en de Stille Oceaan leefde men van de visvangst. De Incas kenden de vishaak, het net, de fuik en ook het gebruik van de stoklantaarn, waarmee zij s nachts de vissen naar de oppervlakte lokten, om ze dan met grote handigheid te spietsen. De Incas waren ook meesters in het bouwen van bootjes van riet, het zogenaamde totora. Ze werden gemaakt van bundels totora, dat stevig werd samengesnoerd, en hadden een lengte van vier tot vijf meter. Ze waren anderhalve meter breed. Het was een rank vaartuigje met twee kleine masten, waartussen een zeil, dat eveneens gemaakt werd van totora, hing. Ze glijden als palingen door de rieten jungle aan de monding van de Desaguadero, zo heeft Felipe Guaman Poma de Ayala ze eens beschreven in zijn Nueva Coronica y Buen Gobierno.( Brieven aan de Koning, een 1200 paginas lange brief aan de koning van Spanje ) De bootjes van de vissers aan de kust waren ook van riet, alleen iets primitiever. Ze hadden de vorm van een sigaar, het middenstuk leek op de rug van een renpaard en de voorsteven stak omhoog. Daarom noemden de Spanjaarden het bootje ook wel rietpaardje. De ruiter laat zijn benen in het water hangen en beweegt zich voort door te peddelen. Voor de visserij op grotere schaal gebruikte men geen bootjes, maar vlotten. Dit had het voordeel dat men dan met meerdere mannen tegelijk op een vaartuig kon zitten of staan.
Het bestuur van de maatschappij
De bestuur van het gigantische Inca-rijk werd verricht door de elite. De kroonraad van de Inca was hiervan het hart. Dit allerhoogste overheidsorgaan bestond uit de Inca en vier topfunctionarissen. Dit orgaan was bestuurlijk en juridisch tegelijk. Ieder lid had een bepaald deel van het rijk onder zijn hoede, noord, zuid, oost of west. De vier windstreken heetten respectievelijk Chinchasuyu, Collasuyu, Antisuyu en Cuntisuyu. Tezamen vormden zij het Rijk van de Vier Windstreken, ofwel Tahuantinsuyu. De topfunctionarissen werden door de Spanjaarden onderkoningen genoemd.
De bestuurlijke problemen
Het eerste probleem waarmee de Inca-staat te maken kreeg was het probleem van de tijd. Welke kalender moest men nu gebruiken? Men koos voor het maanjaar en liet het jaar beginnen op 21 december, de dag van de zonnewende. Het gevolg hiervan was dat deze kalender niet gelijk liep met het zonnejaar. Voor dit probleem hebben de Inca-bestuurders nooit een oplossing weten te vinden. Een andere grote moeilijkheid was de enorme hoeveelheid verschillende dialecten die werden gesproken in het rijk. Sommige ervan worden nog steeds door zeer kleine groepen mensen gesproken, bijvoorbeeld het Yunga aan de noordkust. Onderzoekers van de Universiteit Leiden hebben onderzoek verricht naar de hoeveelheid Indiaanse talen in het verleden en het heden. Van de ongeveer 2000 talen die er geweest zijn, worden er nu nog maar zon 750 gesproken. Het Yunga wordt bijvoorbeeld nog maar door 26 mensen gesproken! In de Inca-tijd waren er drie talen die met kop en schouders boven alle andere talen uitstaken, het Quechua, het Aymara en het Uru. De laatste taal was al aan het verdwijnen toen de Incas opkwamen, de andere twee zijn nog steeds de meest gesproken talen van Latijns-Amerika. Het Quechua telt nu nog ongeveer zon 8 miljoen sprekers. De taal van de Azteken, het Nahuatl, telt daarentegen nog maar zon miljoen sprekers. Bij de volkstelling van 1940 in Peru bleek dat meer dan de helft van de schoolkinderen Quechua of Aymara spreekt en meer dan 35% van hen geen Spaans kent. De geleerden zijn het erover eens dat deze twee zustertalen, met hun verwante fonetiek en vele grammaticale overeenkomsten, bijzondere waardering verdienen. Ze zijn namelijk beiden in staat om met een woord hele zinnen uit te drukken. Zo zijn van het woord ali, dat plant betekent in het Aymara, 82 andere woorden afgeleid. De woorden kiemen, groeien, zich vertakken, ondernemen, ruilen en verwerven zijn o.a. afkomstig van dit ene drieletterige woord. Maar ook hele uitdrukkingen als van plant tot boom veranderen, iets met gewas bedekken, een schoongroeiende plant, per grote hoeveelheden ruilen en goederen van geringe waarde verwerven bestaan uit een woord van hoogstens vijf lettergrepen. De woordvorming in het Quechua is al even logisch en simpel. Kay is een woord dat abstractie uitdrukt, en runa betekent mens. Runakay betekent dus de gehele mensheid. Siki betekent gewoonte, hillu eten en een gulzigaard heet dus hillusiki. Het beschaafdste Quechua, dat door de elite als officiële taal werd aangenomen, werd gesproken in Cuzco. De elite streefde, net zoals nu, naar een verzorgd en net taalgebruik. Woorden zoals beschaafd spreken en plat spreken bestonden dan ook al in de Inca-tijd.
Voor ons Europeanen klinkt zowel het Quechua als het Aymara grof. Dat komt omdat beide talen erg explosief en gutturaal, vanuit de keel, gesproken worden. Sommige klinkers zijn voor ons moeilijk uit te spreken en nog moeilijker te schrijven. Maar er zijn ook mooie dingen aan de Inca-talen. Zo zijn er veel klanknabootsende woorden, of onotomapeas. Zo heet in het Quechua niezen atchicuni, een baby heet huahua, lijden wordt uitgedrukt door een klaagtoon alau en sommige vogels heten naar hun geluid: kotchitchi en lekeleke.
Touwtjes regeren het Rijk
De Incas kenden geen schrift zoals wij dat kennen. Ze hadden een eigen systeem om gegevens bij te houden ontwikkeld. Dit systeem bestond uit quipus, of geknoopte touwtjes. Dankzij dit hulpmiddel konden de ambtenaren van het Inca-rijk de grootte van vraag en aanbod registreren, die de machthebbers met elkaar in overeenstemming trachtten te brengen. Zonder deze vorm van statistiek zou het onmogelijk zijn geweest om zon enorm rijk met een geleide economie te besturen, want prijsvorming bestond niet. Felipe Guaman Poma de Ayala zei hierover: Het is niet overdreven te stellen, dat het rijk door touwtjes geregeerd wordt.
Een quipu bestond uit een snoer, waaraan kleinere touwtjes van verschillende kleuren en dikten waren vastgeknoopt, deels parallel, deels vanuit een gemeenschappelijk punt. Een quipu drukte zowel cijfers als soorten uit. De knopen stonden voor de hoeveelheid, de kleuren voor de soort. De knopen aan het ondereinde van het snoer drukten de eenheden uit, die daarboven de tientallen, en vervolgens de honderdtallen, duizendtallen en tienduizendtallen. De Incas hebben ook de nul uitgevonden, de tussenruimte zonder knopen, een opengelaten plaats. Bij het samenstellen van een quipu gingen de Incas net zo te werk als wij. Ze begonnen met de grootste eenheid en eindigden met de laagste. Zo werd een quipu ook gelezen, van boven naar onder. Er zijn ook samengestelde knopen, waarschijnlijk betekenen ze een vermenigvuldiging, maar zeker weten doen de geleerden dit niet. De kleuren geven de aard en de eigenschappen van het getelde aan. Maar er waren maar een beperkt aantal kleuren en kleurschakeringen, en er waren talloze dingen die men kon tellen en moest tellen. Daarom waren er specialisten op het gebied van de quipus, de zogenaamde Quipucamayucs. Zij wisten alles af van de quipu, en konden aan de betekenis van de quipu in het algemeen zien wat voor zaken er geteld waren. In een statistiek van de buit had geel bijvoorbeeld betrekking op goud, maar in die van de oogst had geel betrekking op maïs. Zo bleven deze rapporten geheim, want slechts de ingewijde kon ze begrijpen en ontcijferen. Om de leesbaarheid en het gemak te vergroten werden personen en dingen in een vaste volgorde gerangschikt. Bij demografische quipus kwamen de mannen altijd eerst, dan de vrouwen en tenslotte de kinderen. Bij wapentellingen was de volgende volgorde gebruikelijk: lansen, pijlen, bogen, werpsperen, knotsen, bijlen en slingers. Het ontbreken van een zijsnoer of knoop had een duidelijke betekenis, het drukte het getal nul uit. De zekerheid dat alles geregistreerd werd was zo groot, dat het ontbreken van een quipu werd beschouwd als negatief bewijs. Was er geen quipu om een bepaalde voorwerpen te tellen, dan waren die voorwerpen er ook niet.
De Quipucamayucs hadden een sterk ontwikkeld en getraind geheugen. De betrouwbaarheid van hun geheugen werd door drastische maatregelen gegarandeerd. Bij de minste vergissing of weglating werd je onmiddellijk met de dood bestraft. Iedere quipu-lezer had zich gespecialiseerd in het lezen van één bepaalde categorie van snoeren. Hij was verplicht om zijn zonen op te leiden in hetzelfde vak, want zij moesten hem later opvolgen. Om de mededelingen uit de quipus makkelijker te kunnen onthouden scandeerde en zong men ze als ritmische melodieën. De centralisatie van de quipus kwam op de meest logische en eenvoudige manier tot stand. Lagere ambtenaren verzamelden ze en gaven ze door aan hun superieuren, die ze op hun beurt weer optelden. Na enkele dagen bereikten de totaalcijfers dan Cuzco, waar de statistische dienst ze bij elkaar bracht.
Buiten het maken van berekeningen en het optellen van gegevens dienden de quipus er ook voor om bepaalde historische gebeurtenissen vast te leggen. In bepaalde streken maakte men naast de quipu gebruik van gekerfde houtblokken, die als een soort telraam gebruikt werden. De Incas waren meesters op het gebied van de statistiek. Letterlijk alles stond geregistreerd. Zoals Garcilaso de la Vega zegt: Het was onmogelijk om zelfs maar een paar sandalen te verduisteren.
De bestuurlijke indeling
We weten nu hoe de Incas konden tellen en hoe zij de statistieken bijhielden. Maar daarmee hadden ze nog geen economisch beleid, want alleen aan cijfers heb je niets. Om al deze informatie optimaal te kunnen benutten was er een strak georganiseerd bestuursapparaat nodig. Vanuit het verleden bestond er nog steeds een natuurlijke indeling, die gevormd werd door de gebieden van de verschillende Indianenstammen in de Andes. Deze natuurlijke districten vonden hun oorsprong in zowel geografische omstandigheden, bijvoorbeeld een rivier die een grens met een andere stam aangaf, als in historische gebeurtenissen, zoals stammenoorlogen uit het verleden. Het grote nadeel van deze indeling was echter dat al die verschillende gebieden enorm van elkaar verschilden, zowel qua grootte als inwonertal en betekenis. Het was voor het bestuur vrijwel onmogelijk om met zon indeling een goed lopend bestuursapparaat neer te zetten. Daarom werd er naast de oude indeling een geheel nieuwe indeling ingevoerd. Deze was veel logischer en rationeler. Alle gezinshoofden tussen 25 en 50 jaar werden als eenheden genomen en ingedeeld in groepen van tien. Een van de tien mannen stond aan het hoofd van deze groep. Dit was op economisch gebied de kerncel, door de Spanjaarden een decurie genoemd werd. Boven de decurie stonden groepen van vijftig, de uitgebreide decurie, groepen van honderd, de centurie, groepen van vijfhonderd, de uitgebreide centurie, groepen van duizend families en vervolgens van tienduizend families. Daarna werd de rekenkundige indeling van ondergeschikt belang. De grootste indeling was namelijk die naar de provinciën en de onderkoningen, dus naar noord, zuid, oost en west. Deze indeling was erg doeltreffend, want de meeste gezinnen bestonden uit vijf personen, en dus was een indeling naar vijf- en tientallen het meest voor de hand liggend en het meest werkbaar.
Het bestuur in het Inca-rijk was zeer streng. Alles werd bepaald door de centrale regering. De hiërarchie liep vanuit daar naar beneden. Alle ambtenaren stonden voortdurend in contact met hun superieuren en ondergeschikten. Het gevolg daarvan was dat hun macht groot was, maar tegelijkertijd hadden zij ook een grote verantwoordelijkheid. Hun bevoegdheden varieerden al naar gelang hun rang, maar waren altijd verstrekkend. Het was de taak van de ambtenaren, het leven van hun ondergeschikten tot in het kleinste detail te leiden, zoals de reglementen dat voorschreven. Ook moesten zij hen voortdurend controleren, en alle overtredingen indien nodig aangeven. In sommige gevallen moesten zij zelf een straf opleggen aan de overtreder. De taken die iedere Indiaan had stonden precies omschreven. Ik heb al eerder beschreven wat deze taken precies inhielden, maar in het volgende schema is alles heel overzichtelijk te zien:
-onder de 1 jaar: de zuigeling
-van 1 tot 5: het spelende kind (volgens P. de Cieza de León moest het "luizen aan een haar rijgen, opdat niemand werkeloos zou zijn")
-van 5 tot 9: het lopende kind
-van 9 tot 12: het kind dat de vogels uit de maïsvelden verjaagd
-van 12 tot 18: de lamahoeder en de ambachtsleerling
-van 25 tot 50: de schatplichtige volwassene
-van 50 tot 60: de man op leeftijd, nog in staat om enige arbeid te verrichten
-boven de 60: de grijsaard, die nog slechts adviezen kan geven
-de tiende klasse: de zieken, gebrekkigen, invaliden, krankzinnigen etc.
Natuurlijk bleven deze groepen niet altijd even groot. Door geboorte of sterfte konden er weleens mutaties ontstaan in de grootte van de groepen. Daarom werden de groepen iedere twee jaar opnieuw ingedeeld. In de loop van die twee jaar werd het verschil tussen de werkelijke en de officiële cijfers natuurlijk steeds groter.
De manier waarop de Incas het evenwicht tussen de werkelijkheid en de officiële cijfers herstelden, was typisch socialistisch. Niet het Plan werd aangepast, maar de mensen moesten zich aanpassen aan het Plan. Het overschot van bepaalde groepen werd gewoon overgeheveld naar de groepen die kleiner geworden waren. Bij echt grote overschotten kwam het ook wel eens voor dat een bepaalde groep in tweeën werd gesplitst. Maar de makkelijkste oplossing was gewoon de leden van de meest vruchtbare groep naar Cuzco sturen, en ze daar bij het personeel van de Inca te voegen. Die kon altijd wel wat extra personeel gebruiken. Het plan ging dus boven alles, en zaken als bekwaamheid en aanleg werden dan ook opgeofferd aan de dwang die het plan met zich meebracht. Het was van de kant van het bestuur ook wel te begrijpen waarom men zich trouw aan het Plan hield. Zonder het plan was het bijvoorbeeld onmogelijk om tekorten in voedsel en kleding aan te zuiveren op een eerlijke manier. Het voldeed nu om gewoon de standaardhoeveelheid naar een provincie of regio te sturen, die vervolgens voor de verdere distributie zorgde. De boekhouding was op deze wijze gewoon heel gemakkelijk.
Niet alleen de gewone Indianen werden gecontroleerd, ook de hogere ambtenaren moesten zich regelmatig verantwoorden voor hun activiteiten. Deze inspecties werden uitgevoerd door rijksinspecteurs. Hun taak was het benoemen van nieuwe functionarissen, het vormen van nieuwe bestuursressorten en het uitzoeken van de meisjes voor de Inca en de zogenoemde Zonnemaagden. Meer hierover zal ik vertellen in het hoofdstuk over de religie van de Incas. Deze inspecteurs waren over het algemeen gevreesd, ze heetten dan ook Tucuiricuc, in het Nederlands hij die alles ziet. Ze hadden de bevoegdheid om dwangmaatregelen te nemen en slecht functionerende ambtenaren te ontslaan en te straffen. Garcilaso de la Vega: Niemand was zeker van zijn post, als gevolg hiervan leefde iedereen in een bijzonder heilzame toestand van oplettendheid en waakzaamheid.
De structuur van het Inca-systeem
Al met al heb ik nu een aardig beeld van hoe de Inca-maatschappij functioneerde. Ik ga nu het systeem op zijn voor- en nadelen toetsen. Dit is niet mijn definitieve conclusie, maar slechts een deel daarvan.
De massa van de bevolking was verplicht tot het leveren van produkten aan de Inca en aan de Zon. Deze produkten kon men leveren in de vorm van landbouwprodukten of nijverheidsprodukten. De nijverheidsprodukten moesten gemaakt worden van grondstoffen die door de ambtenaren hiervoor beschikbaar waren gesteld. Al deze goederen werden opgeslagen in de staatsmagazijnen, die werden bewaakt door speciale opzichters. Die opzichters waren ook belast met de administratie van het magazijn waar zij verantwoordelijk voor waren. Zo lagen levensmiddelen voor meerdere jaren steeds ter beschikking: maïs, aardappelmeel en gedroogd vlees lagen naast balen kleding, gordijnen, dierehuiden, wapens, sandalen, touwen en andere dingen die van nut konden zijn. Ook werden de grondstoffen in de staatsmagazijnen bewaard, zoals wol, katoen en rietvezels. De Inca was in principe de eigenaar van al deze goederen. Toch is er geen enkele Inca-keizer geweest die zijn positie misbruikt heeft. De Inca was niet alleen de keizer, maar ook de staat, het rijk, de toekomst.
De goederen in de staatsmagazijnen waren bestemd voor het onderhoud van het hof, de elite en het priesterschap, maar ze werden ook gebruikt voor talloze andere doeleinden. Ze dekten de behoeften van het leger, werden als beloning aan verdienstelijke ayllus of personen toegewezen, werden gebruikt voor beïnvloeding en omkoperij buiten de landsgrenzen, waren de oorlogsschatkist en natuurlijk de onuitputtelijke reserve voor de gebieden die in nood zaten.
De opslagplaatsen vormden dus in deze socialistische maatschappij, want dat kan ik nu toch wel voorzichtig stellen, het kapitaal. In een vrije-markt economie wordt het kapitaal gevormd door het sparen van alle individuen. In de Inca-staat was het staatskapitaal. Daar waar andere socialistische regimes de fout maakten dit kapitaal als bezit van de elite te beschouwen, hadden de Incas een compleet andere visie. Alle goederen werden immers door de gemeenschap voortgebracht. Direct of via een bepaalde omweg kwamen de goederen echter toch weer terug bij de gemeenschap. Dit was het vliegwiel van het systeem. Zonder deze magazijnen was het onmogelijk om met een vooruitziende blik het evenwicht tussen de produktie en de consumptie van het onmetelijke Inca-rijk te verzekeren. De Spanjaarden hadden grote bewondering voor de enorme voorzorg en logica die zij aantroffen toen zij aankwamen in het Inca-rijk. Verrast troffen zij op hun weg naar Cuzco telkens weer van die grote schatkamers aan, die zij dan ook professioneel en doelmatig leegroofden.
Iedere vorm van bestuur brengt nadelen met zich mee. Er is nog nooit een perfecte staatsvorm op aarde geweest, en die zal er hoogst waarschijnlijk ook nooit komen. In de eerste plaats was er voor de handhaving van dit systeem een enorme, haast tirannieke discipline vereist. Toch was dit lang niet het grootste nadeel. Iedereen precies wist wat hij wel en niet moest doen, en ook wist wat de straffen waren als hij dat wel deed. Bovendien werd iedereen in het systeem opgevoed en dus wist men niet beter. Omdat de mensen wisten dat als hen iets overkwam de staat hen zou helpen, waren zij ook van harte bereid om voor de staat te werken. Natuurlijk speelde de religie ook een belangrijke rol in het handhaven van de discipline. Niet dat men de religie gebruikte om de bevolking onder de duim te houden, de elite moest zelf immers ook aan de verplichtingen van de Zonnecultus voldoen, maar de religie schreef nu eenmaal ook een bepaalde discipline voor.
In de tweede plaats waren de kosten om het systeem draaiende te houden erg hoog. Erg veel produkten bedierven en moesten na verloop van tijd worden weggegooid. Overmatige voorzorg leidde tot verkwisting. De Incas zijn nooit in staat geweest om dit probleem uit te schakelen. In de derde plaats dachten de Incas dat zij het onvoorziene hadden geëlimineerd. Ze dachten dat ze de wispelturigheid en de grilligheid van de natuur onder controle hadden. Op zich was dit geen eens zon verkeerde redenering. Immers, als men de goden maar genoeg eerde zouden zij het rijk wel beschermen tegen eventuele tegenslagen. Maar niemand mag er natuurlijk vanuit gaan dat hij alle risicos heeft uitgebannen.
Zo werd dus het evenwicht tot stand gebracht en in stand gehouden. De centrale dienst voor de statistiek, eigenlijk het CBS ten tijde van de Incas, hield met de quipus de gehele economie in handen. Eén order van deze dienst, en iedereen wist precies wat hij moest doen, moest leveren, kon ontvangen, moest vervoeren of moest opslaan. Verder bepaalde deze dienst welke regios er hulp nodig hadden en in welke regios er openbare werken gedaan moesten worden.
Gedragsregels in de Inca-maatschappij
Een sociale organisatie zoals ik die in de afgelopen paginas heb beschreven, moest natuurlijk wel perfect verlopen, want anders zou deze rampzalige gevolgen hebben gehad. Door het minste stofje in het raderwerk zou het mechanisme onklaar raken. Er hoefde maar één fout binnen te sluipen bij de statistiek, er hoefde maar één ayllu zonder toestemming te verhuizen, en hele provincies wachtten tevergeefs op levensmiddelen, op grondstoffen, silos werden niet bevoorraad, noodzakelijke troepenversterkingen bleven uit. Daarom waren er morele voorschriften, waar iedereen zich aan diende te houden. Als je dat niet deed, werd je zwaar gestraft. Deze morele voorschriften zijn weergegeven door Garcilaso de la Vega. Hij schrijft ze toe aan Pachacuti, de wijste onder de wijzen.
-Als alle onderdanen en leiders de Inca gehoorzamen, verheugt het land zich in volledige vrede en rust.
-Afgunst is een worm, die aan de ingewanden des afgunstigen knaagt en ze verteert.
-De afgunstige, die benijd wordt, ondergaat een dubbel lijden.
-Het is beter, benijd te worden om zijn goedheid, dan afgunstig te zijn uit boosaardigheid.
-Wie een ander benijdt, schaadt zichzelf.
-Dronkenschap, drift en waanzin zijn reisgenoten; de eerste zijn vrijwillig en voor wijziging vatbaar, de laatste is duurzaam.
-Wie zonder recht of rechtvaardige reden doodt, veroordeelt zichzelf ter dood.
-Wie zijn naaste doodt, moet sterven; daarom hebben de oude heersers, onze voorvaderen, voor alle moord de doodstraf bevolen, hetgeen wij bevestigen.
-Het bestaan van dieven, die streven naar goed door geweld en roof, en niet door arbeid en recht, kan niet worden geduld; daarom zal de dief naar recht gehangen worden.
-Een edel en moedig man is herkenbaar aan zijn geduld in tegenspoed.
-Ongeduld is een teken van een lage en gemene geest, slecht opgevoed en met nog slechtere gewoonten.
-Twee dingen moeten de gouverneurs met bijzondere aandacht beschouwen en ter harte nemen. Het eerste is de eerbied voor en de tenuitvoerlegging van de wetten der vorsten, door henzelf en de onderdanen. Het tweede is de minutieuze zorg voor de gemeenschappelijke en particuliere huishouding in hun provincie. Wie zijn huis en zijn familie niet kan regeren, kan nog minder de gemeenschap regeren. Hij mag niet boven anderen verheven worden.
-De geneesheer, die de geneeskracht der kruiden niet kent, of die slechts die van enkele kent en niet die van andere, weet weinig of niets. Om de naam waarop hij aanspraak maakt te verdienen, dient hij zich in te spannen om een alomvattende kennis van alle nuttige of schadelijke planten te verwerven.
-Wie beweert de sterren te willen tellen, doch het tellen van knopen niet meester is, verdient te worden bespot.
Wie zich niet aan deze voorschriften hield, liep grote risicos. Daarom hielden de meeste mensen zich er gewoon aan. Hoe de rechtspraak in de tijd van de Incas verliep, zal ik nu gaan behandelen.
De rechtspraak van de Incas
Over de rechtspraak hebben de verschillende kroniekschrijvers erg veel materiaal nagelaten. Aan de ene kant was de wet van de Inca onverbiddelijk, want de wet was goddelijk en overtreding dus godslastering. De rechter kon dan ook geen veranderingen aanbrengen. Maar aan de andere kant was de rechtspraak van de Incas veel rechtvaardiger dan onze rechtspraak. De overheid hield rekening met het gedrag van de delinquent en zijn maatschappelijke klasse. Ze was absoluut gezien veel milder tegenover de elite dan tegenover het volk. Maar dat er van klassejustitie geen sprake was, blijkt uit het volgende voorbeeld. De prestige van iemand uit de elite werd al door de lichtste straf aangetast. Een man uit het volk had echter geen prestige te verliezen, dus hij voelde zon straf helemaal niet als een straf. Deze subjectiviteit was een uiting van rationalisme. De overheid had een brede blik. De maatschappij dacht niet alleen aan haar eigen bescherming, maar probeerde om voor ieder vergrijp een gelijkwaardige straf te vinden en zo een bepaald evenwicht te verkrijgen. Tegenwoordig noemen wij dit rekening houden met verzachtende omstandigheden. Een rechter had dus oog voor de leeftijd van de verdachte, een herhaling van een misdrijf werd zwaar gestraft. Iemand die stal omdat hij honger had werd niet direct gestraft, maar de verantwoordelijke functionaris wel. Hij had zich immers niet goed aan zijn opdracht gehouden. Ook werd er bij de rechtspraak rekening gehouden met de lokale tradities en gebruiken.
Als rechters traden meestal ambtenaren op, die kennis hadden van de wet en van de lokale gebruiken. Zij kenden de verschillen tussen de diverse regios en konden daarom een zo eerlijk mogelijke straf uitspreken. Bij zware vergrijpen dienden de rijksinspecteurs als rechter. Boven hen stond nog een soort Hoge Raad, een gerechtshof van twaalf leden met de Inca aan het hoofd. Ook de vier onderkoningen zaten in dit hogerechtshof. Zij deden alleen bij de allerzwaarste misdaden uitspraak. Een procedure werd direct afgehandeld. De verdachte en de getuigen verschenen en er werd hetzij onmiddellijk, hetzij na onderzoek vonnis gewezen. In beroep gaan was niet mogelijk. Soms vroeg men de Zon om een teken als men het niet eens was, soms werd de verdachte gemarteld als hij niet wilde toegeven. Dit gebeurde alleen bij de ernstigste misdrijven natuurlijk. De Incas hadden ook gevangenissen, waar de verdachten in voorlopige hechtenis zaten. Hoe hoger je rang, des te meer rechten had je in de gevangenis. Iemand uit de elite had bijvoorbeeld recht op bediening en bezoek.
Poma de Ayala heeft een hele lijst van straffen opgeschreven in zijn manuscript, compleet versierd met tekeningen. Voor de elite waren o.a. onthoofding, levenslange gevangenisstraf, afzetting, confiscatie van bezit, afknippen van het haar en een openbare berisping mogelijke straffen. Voor de massa was de doodstraf de meest voorkomende straf. Meestal gebeurde dit door steniging of ophanging, bovendien werd bij heel ernstige vergrijpen het lijk soms verbrand. Hierbij verging de ziel, en dat was zoals ik al heb gezegd, de grootste straf die men maar kon bedenken. Ook geseling, werkkampen en stokslagen, die vaak tot de dood leidden, kwamen vaak voor.
Een Indiaan wist dus wat zijn lot was als hij de wetten en bepalingen niet strikt nakwam. Zowel diefstal van personen als van de staat werd zwaar gestraft. De elite die het rijk bestuurde had dus een zware taak. Als hij onverantwoord handelde, werd hij op de vingers getikt. Als hij echter goed zijn best deed werd hij geroemd, en voelde hij zich vereerd en trots. Het systeem functioneerde door de stiptheid en de precisie van de ambtenaren en de hogere functionarissen. Zijn dagelijks bestaan kwam hem voor als hard en belast met verantwoordelijkheden, maar zinvol en roemrijk, en waard om geleefd te worden.
De Incas hadden, net als de Mayas en de Azteken, een religie die gebaseerd was op voorouderverering. De voorouder werd vereerd in de vorm van zijn mummie. Lang niet alle mensen werden echter gemummificeerd, en daarom geloofden de Incas dat als de mummie ontbrak, de voorouder de vorm aannam van een steen of een berg of een rots. Zon religieus object werd een huaca genoemd. De huacas symboliseerden een fallus, die de levensverwekkende stamvader representeerde. Zoals ik al eerder heb verteld, werden de mummies van de Sapa-Incas bewaard. Zij waren immers zonen van de Zonnegod. Maar ook de mummies van hun vrouwen, coyas, werden bewaard. Zij waren de dochters van de maangodin Mamaquilla. Beide mummies werden bewaard in de Zonnetempel, de Inticancha.
De Incas zagen Inti als de hoogste god. Hij was immers hun voorvader. De zoon uit het kosmische huwelijk tussen Inti en Mamaquilla was Illapa, de donder- en weergod. De schepper was volgens de Incas Viracocha. De andere belangrijke goden waren de aarde, Pachamama, en de zee, Mamacocha.
Cuzco was het centrum van het universum voor de Incas. In de directe omgeving van Cuzco bevonden zich meer dan 300 van de belangrijkste huacas. Vanuit het centrum van Cuzco, waar de Inticancha lag, trok men denkbeeldige lijnen naar buiten. Er waren 41 van die lijnen, ceques heetten ze. Ik heb al gezegd dat de Incas hun rijk ingedeeld hadden in vier provincies, overeenkomstig met de windrichtingen. De ceques verdeelden de vier provincies verder op religieus gebied. De zorg voor de huacas op een bepaalde ceque werd altijd gedaan door een bepaalde groep mensen. Zo zorgden ze niet alleen voor een verdere geografische indeling, maar ook voor een sociale.
De Incas hadden een vrij optimistisch beeld over de dood. In tegenstelling tot de Mayas en de Azteken, bleven de doden in het Inca-rijk wel een rol spelen in het gewone leven. Ze werden geëerd in de vorm van de huacas, en bij feestelijkheden werden ze zelfs tevoorschijn gehaald. Hier heb ik al wat over verteld, en daarom ga ik nu een ander aspect van de Inca-religie behandelen.
De Zonnemaagden
Behalve de priesters en de Inca mochten er eigenlijk geen andere mensen in de Zonnetempel komen, tenzij daar een speciale reden voor was. De Zonnemaagden hadden een speciale positie binnen de Zonnecultus. Zij waren het personeel van de tempel. Ze bereidden de spijzen en de dranken voor de Zon, zij waren immers zijn gemalinnen. Ze moesten daarom een uiterste kuisheid in acht nemen. Gingen zij zich toch te buiten aan de geneugten van de lichamelijke liefde, dan was de straf duidelijk en keihard. Het bedriegen van Inti was letterlijk een doodzonde. Ze werden dan levend begraven en de man die hen had verleid werd levend verbrand. Bovendien werd de gehele ayllu waartoe de man behoorde uitgeroeid. Nee, de Zonnegod bedriegen dat deed je niet, en dat moest de rest van het rijk weten ook.
Zonnemaagd werd je niet zomaar. Als je als meisje uitverkozen was door een rijksinspecteur moest je een proeftijd doorstaan. Die proeftijd was altijd in Cuzco, en ging als volgt. Allereerst moest het meisje voor de kroonraad verschijnen. Die onderzocht haar afstamming en haar lichamelijke conditie. Ze moest vertellen over haar leeftijd en haar smaak. Als ze werd goedgekeurd, kreeg ze een inkomen in natura en een dienaar tot haar beschikking. Daarna volgde een gesprek met de hogepriester. In dat gesprek moest ze vertellen over de offers die door haar ayllu waren gebracht tijdens haar leven. Vervolgens werden haar haren afgeknipt, zodat ze nog slechts twee vlechten om het voorhoofd en haar slapen had.
Dan moest ze een grijze sluier aan en kleedde ze zich volledig in grijze gewaden. Door de hogepriester werd ze op haar plichten tegenover de Zonnegod gewezen. Nu was ze een novice geworden, een van de tien aspirant-Zonnemaagden. Ze stonden onder leiding van enkele oudere vrouwen, die hen van alles leerden. Het meisje werd zo rond haar twaalfde levensjaar novice. Na drie jaar had ze de volledige opleiding doorlopen. Ze had leren spinnen, weven, spijzen en dranken bereiden, huishouding, de zorg voor de cultusvoorwerpen en het onderhoud van het vuur in de Zonnetempel.
De moeder-overste, de leidster van de meisjes, behoorde tot de elite en handhaafde een strenge tucht. De novices woonden in vertrekken, die slechts door gordijnen van de vertrekken van de echte Zonnemaagden gescheiden waren. Toch waagde niemand het om de vertrekken van de ander te betreden. Dat kwam mede door de strenge tucht, maar ook door iets anders. Het was namelijk een hele eervolle zaak als je dochter een novice werd. Daarom zaten er tussen de novices nogal wat dochters van hoge functionarissen. Zij kregen hier het laatste deel van hun opvoeding. Vaak wilden ze helemaal geen Zonnemaagd worden, maar het was nu eenmaal een prestigezaak als je novice was geweest. Ze gingen dan op hun achttiende terug naar hun ouders. Wilden ze echter wel Zonnemaagd worden, dan mochten ze gewoon blijven.
Als de meisjes de opleiding hadden voltooid, dat was na drie jaar, kwam de hogepriester samen met de Inca naar de Zonnetempel en riep daar de novices en hun begeleidsters bijeen. Hij vroeg de meisjes dan een definitieve keus te maken tussen de echtelijke staat en de wijding tot Zonnemaagd. Wilden de meisjes dit, dan werden ze gekleed in een witte jurk met een gouden slinger. Ze bracht dan offers en werd tot Zonnemaagd, accla, verklaard. Van nu af aan mocht zij de tempel alleen nog maar verlaten om naar andere heiligdommen te gaan, op voorwaarde dat ze altijd begeleid werd door enkele oudere vrouwen, haar dienaressen en twee gewapende tempelwachters. Haar ontspanning bestond van nu af aan uit het wandelen in de tuin, waar ze een paar huisdieren mocht houden.
Ieder jaar na de oogst was er een belangrijk gastmaal in de Zonnetempel. Alle belangrijke personen waren hierbij aanwezig, en ook de mummies van de overledenen ontbraken niet. Volgens mij hadden de Incas een uitermate slechte neus, want met al die mummies stonk je toch de tempel uit, of niet soms?! Maar goed, zij niet en dus brachten de Zonnemaagden offers, huldigden de Inca en legden opnieuw hun gelofte van kuisheid af. Dan dienden zij de maaltijd op en gaven de gasten geschenken en de gasten gaven op hun beurt weer geschenken aan de Zon. Omdat er bij dit feestmaal bijzonder veel gegeten en gedronken werd, deden de Zonnemaagden en de hogepriester niet mee.
De Zonnetempel van Cuzco
Bijna alle religieuze ceremonieën speelden zich af in de tempels, die in alle belangrijke steden te vinden waren. De tempels in het Inca-rijk waren van buitengewone schoonheid. Ze bezaten grote rijkdommen. In Tomebamba waren de geschilderde tempelpoorten ingelegd met de fraaiste edelstenen, en binnen stonden grote zilveren vazen, die door de edelbewerkers uit de regio waren gemaakt. Aan de oevers van het Titicacameer lag Tiahuanaco, een druk bezochte bedevaartplaats. De tempel hier, die natuurlijk ook aan de zon gewijd was, was een van de belangrijkste van het land. Dat kwam omdat hier een hele bijzondere huaca stond, namelijk een rots in de vorm van een halve maan. De Incas hadden de bolle kant van de rots omhuld met kostbare stof en de holle kant overtrokken met bladgoud. Hiertegen hadden ze een altaar aangebracht. Even verderop hadden de inwoners van Tiahuanaco baden gegraven voor de Zon.
Ook de Maan had in Tiahuanaco een tempel.
Maar de allerheiligste tempel van het gehele Inca-rijk was toch wel de Zonnetempel van Cuzco. De hoofdpoort, versierd met gouden en zilveren ornamenten, gaf toegang tot een groot heiligdom. De wanden en het puntdak waren gelambrizeerd met platen van edelmetaal. Boven het altaar, met het heilige vuur, waren muurschilderingen te zien, die betrekking hadden op het scheppingsverhaal van de Incas.
In het midden van de tempel hing de Zonneschijf, een gouden plaat ter grootte van een flink karrewiel. De Zonneschijf was zo opgehangen, dat de Zon er altijd op scheen. De schijf schitterde dan ook altijd enorm fel, alsof hij de Zon zelf was. Op dagen met voldoende Zon, zorgde een ingewikkeld systeem met diverse paraboolspiegels ervoor dat het heilige vuur door de straling die van de Zonneschijf afkwam werd aangestoken. Dit was natuurlijk een teken dat de Zon het moment geschikt vond om te offeren. Onder de Zonneschijf hing de zilveren Maanschijf, die al even verblindend was.s Nachts hingen de Incas een goudkleurig kleed over de Zonneschijf, zodat het maanlicht alleen op haar eigen schijf kon schijnen. Bij volle maan was de tempel ook s nachts compleet verlicht.
In de grote zaal van de Zonnetempel waren er natuurlijk nog veel meer indrukwekkende voorwerpen te zien. Langs de achterwand stonden drie beelden, die de Lichtgod personifieerden. Langs de muren stonden als een soort erewachters de mummies van de overleden keizers. De mummies waren ingewikkeld in een dikke laag stof. Hierdoor konden ze zonder ondersteuning rechtop blijven staan. Ze leken op grote balen textiel, waarop een hoofd van zorgvuldig bewerkte huid was aangebracht. Dit gezicht was compleet met mond, neus, ogen, oren en de lautu, het hoofddeksel. ( zie Kuifje en de Zonnetempel ) Het gebalsemde lijk zat in deze baal textiel, met opgetrokken knieën. De mummies maakten een grote indruk op alle bezoekers. De schitterende stoffen, de kostbare versierselen en de prachtige zetels waarop ze waren geplaatst moeten een geweldig gezicht zijn geweest. De glans van het goud en de mooie kleuren van de veren maakten de wat rare vorm van een textielbaal ruimschoots goed. Zo waren de mummies een waardig symbool van de zonen van de Zon. Bovendien waren zij tekenen van het leven na de dood en van de duurzaamheid van het Inca-rijk.
Binnen de tempelmuren lagen naast de vetrekken van de Zon ook nog andere vertrekken. Zij lagen om de binnenplaats, en waren natuurlijk minder belangrijk. De muren van de maantempel waren overtrokken met zilver. De afbeelding van de Maangodin was van platina. Ook hier stonden weer mummies opgesteld. Echter niet van de keizers, maar van hun vrouwen. Dat was logisch, want de maan werd gezien als een vrouwelijk wezen. De planeet Venus had ook een vertrek in de Zonnetempel. Zij werd gezien als de godin van de vruchtbaarheid, net zoals dat bij de Romeinen en de Grieken het geval was! Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat sommige kroniekschrijvers deze godin voor Venus aanzagen, omdat ze dat zo gewend waren. Hier kan ik wederom geen uitsluitsel over geven, maar het lijkt mij erg onwaarschijnlijk dat de Incas Venus als vruchtbaarheidsgodin zagen, omdat ze daar nu eenmaal al andere goden voor hadden. Een andere belangrijke zaal was die van Illapa, de donder- en bliksemgod. Hier werden offers gebracht als er lange tijd geen regen was gevallen of als er juist teveel regen viel.
Om de buitenmuur van de Zonnetempel liep een gouden rand, die de mooiste tekens in zich had. In de muren van de binnenplaatsen waren nissen, die met edelstenen waren ingelegd en waarin gouden en zilveren lamas stonden. Een ondergrondse waterleiding zorgde ervoor dat de vijf fonteinen middenop het plein altijd voldoende water konden sproeien. Van de tempel gingen terrassen omlaag naar de rivier Huatanay. Daar was de gouden tuin, die voor de Conquistadores en de kroniekschrijvers een enorme bron van inspiratie is geweest. Alles was er van goud: het gras, de bloemen, de bomen, de reptielen, de vogels en zelfs de herder. Deze tuin was een hulde aan de Zon, want goud was zijn aardse vertegenwoordiging. Het geheel van de Zonnetempel en de gouden tuin werd omsloten door een grote stenen muur, die ook prachtig versierd was.
De Zon en zijn onderdanen
Wat betekende de zonnecultus nu eigenlijk voor de gewone Indiaan? Tot nu toe heb ik het in dit hoofdstuk vooral gehad over de rol van de elite binnen het religieuze leven. Maar de gewone mensen hadden natuurlijk ook dagelijks met het geloof te maken, bijvoorbeeld door het bewerken van de akkers van de Zon en het bijwonen van feestelijkheden. Maar toch was de Zonnecultus voor een gewone Indiaan iets anders dan voor de elite. In tijden van nood riep hij beschermgoden aan, en hij maakte hierbij een duidelijk onderscheid tussen de diverse goden. Dit zelfde gebeurt nog steeds in de Andes. Voor het terugvinden van een verloren voorwerp roept men een speciale heilige aan en voor de genezing van bepaalde ziektes weer een andere. In Collana, het dorpje dat ik in het begin van mijn werkstuk heb behandelt, is het bijvoorbeeld nog de gewoonte dat iemand die het slachtoffer is geworden van diefstal een bergtop beklimt. Daar bidt hij tot de beschermgod van het particuliere bezit, en brengt hem verschillende offers.
Een gewone Indiaan voelde zich meer verbonden met zulke vertrouwde goden dan met de grote goden uit Cuzco. Die hoorden eigenlijk bij de elite. Hij hechtte meer waarde aan de quarquis en de huacas in de directe omgeving van zijn ayllu. Quarquis waren natuurlijke of levenloze dingen, waarvan men geloofde dat ze een voorvader representeerden. Hij kon zich bij deze voorwerpen tenminste wat voorstellen. De goden die de elite vereerde waren voor hem toch wat onbekend, een soort ver van mijn bed show.
De voornaamste offergaven van de gewone Indianen aan de huacas en de quarquis was chiqa. Maar omdat men voor het minste of geringste al offers bracht, werd dit op den duur toch wel een beetje prijzig. De offers werden daarom in de loop der tijd teruggebracht. Onder invloed van de op de economie gerichte maatschappij namen de offergaven tenslotte een steeds kleinere vorm aan. Ook hier wonnen de economie en het algemene belang het van de religie. Op zich was dit best begrijpelijk en de meeste gewone Indianen zullen hier ook weinig problemen mee hebben gehad, want het was natuurlijk een prijzige bezigheid, dat offeren. Ze konden hun voedsel wel beter gebruiken. De staat was hier uiteraard ook een voorstander van, want hoe meer de mensen voor zich zelf hadden, des te kleiner het risico was dat de staatsmagazijnen aangesproken moesten worden. Hier was de economie weer mee gebaat, en dat zag de overheid maar al te graag.
Een typisch kenmerk van een socialistische maatschappij is atheïsme. In de Inca-tijd was dit echter ondenkbaar. Iedere beschaving had in die tijd, en ver daarvoor en ook daarna, een religie. Wat zouden de Middeleeuwen zijn geweest zonder het geloof? Het is dan ook naïef om te denken dat de Incas zo ver voor hun tijd uit gelopen zouden kunnen hebben. Maar de Inca-religie was wel een erg praktische. De religie was eigenlijk enorm aangepast aan de economie. Via de religie probeerde de overheid de massa er van te overtuigen dat het noodzakelijk was om hard en gedisciplineerd te werken. Toch was het geen vorm van oplichterij van de kant van de elite. Zij geloofden immers ook wel degelijk in de Zonnecultus. Maar het was gewoon erg handig om de religie hier en daar wat aan te passen. Bovendien, zoals ik net heb verteld was de echte Zonnecultus niet erg belangrijk voor de gewone Indiaan. Het kon dus geen kwaad als de gewone man zich bij zijn vorm van religie hield. Zolang de elite er maar voor zorgde dat de echte goden tevreden bleven, was er niets aan de hand.
De gewone Indiaan was trouwens veel meer gehecht aan de maan dan aan de zon. De maan was hem veel vertrouwder, toegankelijker en ook minder eenvormig en star dan de zon. De Zon was de officiële god, de indrukwekkende heerser, aan wie bijna alle tempels gewijd waren. Hij bleef altijd gelijk en onbeweeglijk. De Maan was daarentegen veel zachter, vrouwelijker. Ze veranderde dikwijls van aanzien, en elk van haar verschijningen had een betekenis. Onvoorzichtig was hij, die zaaide wanneer zij vol was; wijs hij, die ijlings gebeden en offers bracht zodra een oranje-achtig schijnsel, de aankondiging van onheil, haar gestalte gaf.
De Geheimen van de Inca-maatschappij
Voor ons, mensen uit de twintigste eeuw, is het moeilijk voor te stellen hoe het leven moet zijn geweest in de Inca-tijd. Het dagelijks leven leek voor altijd geregeld, als een mechanisme met een benauwende perfectie. De Inca regeerde als een absolute en definitieve heerser. Voor een gewone Indiaan viel er niets te leren, niets te voorzien, niets te wensen. Het was onmogelijk om als gewone man uit de massa toe te treden tot de elite, maar het was daarentegen voor de elite wel mogelijk om bijvoorbeeld door misdaden en fouten te worden gedegradeerd tot de massa. De Inca en zijn vier onderkoningen waren het brein van het rijk en zorgden er ook voor dat hun macht nooit ter discussie stond.
Hoe de gewone Indianen in zon klein hutje hebben kunnen leven, dat bovendien bevolkt werd door de huisdieren en de kinderen, is voor ons onvoorstelbaar. De Incas hadden hier echter geen enkel probleem mee. Maar voor ons misschien nog wel moeilijker te begrijpen is het feit, dat een gewone Indiaan vrijwel geen enkele vrijheid had. Het is onmogelijk om voor te stellen wat dat moet hebben betekend voor de Incas. Maar waarschijnlijk hadden de Incas geen flauw benul van wat ze misten. Je weet pas wat je mist als het er niet meer is. Pas bij bezetting en onderdrukking ga je beseffen wat vrijheid is. Daarom denk ik dat de Incas hier niet echt bij stilstonden. Ze hadden immers geen redenen om aan het systeem te twijfelen.
Nu ik alles op een rijtje heb gezet, kan ik de volgende conclusies trekken. Aan de ene kant was de Inca-maatschappij in hoge mate socialistisch. Binnen de massa was iedereen gelijk. Iedereen was verplicht zijn plichten aan de staat zo goed mogelijk te vervullen. De staat zorgde er aan de andere kant voor dat iedereen een bestaansminimum had. Ook zorgde de staat voor de infrastructuur, de gezondheidszorg, de veiligheid en het voortbestaan van de Inca-staat. Verder zorgde de staat voor een vloeiend lopende economie en een strak georganiseerde landbouw. En natuurlijk had de overheid het Plan, waar alles voor moest wijken en waar alles aan werd aangepast. De sociale zekerheid die de staat garandeerde, zorgde er voor dat de mensen vertrouwen hielden in de overheid en soms minder leuke maatregelen accepteerde. Redenen genoeg zo lijkt het, om aan te nemen dat de maatschappij socialistisch te noemen was.
Maar aan de andere kant had de maatschappij ook minder socialistische kanten. Het bestaan van een elite is bijvoorbeeld een van de dingen waar het socialisme absoluut tegen is. De macht lag dus helemaal niet bij het volk, terwijl dit altijd een van de idealen is geweest van het socialisme. De religie was ook niet erg socialistisch te noemen, want deze was vooral een zaak van de elite. Ik heb een beetje het idee dat de mensen met de religie werden zoetgehouden. Door de hoge eisen die de religie aan de landbouw en de economie stelde, accepteerden de mensen makkelijker de zware arbeid die ze moesten verlichten. De vele feesten maakten de arbeid weliswaar ruimschoots goed, maar toch bleef het hard werken geblazen. Verder was privé-bezit voor de elite wel in beperkte mate toegestaan, maar voor de massa niet.
Maar al met al denk ik, dat de Inca-maatschappij toch wel socialistisch genoemd kan worden. Ik denk dat de socialistische eigenschappen van de maatschappij zwaarder wegen dan de niet-socialistische. Ik vind dat de gehele sociale organisatie veel belangrijker is dan de nadelen die het Plan en de religie met zich mee brachten. Het was volgens mij veel belangrijker voor de mensen dat ze verzekerd waren van een bestaansminimum dan dat ze druk bezig waren met het eren van de goden. Ik denk dat je van een beschaving uit de 14e eeuw ook niet mag verwachten dat ze een perfecte maatschappij heeft geschapen. Ook de elite was, er waren natuurlijk uitzonderingen, niet uit op zelfverrijking. Bezit gaf nu eenmaal geen groter prestige of meer macht. Ik denk dat de Incas tevreden waren met de maatschappij zoals die was, en dat ze over het algemeen gelukkig waren met dat wat ze hadden.
Het beantwoorden van mijn probleemstelling is dan ook niet extreem moeilijk. Mijn nieuwe hypothese ziet er dan ook zo uit: De Inca-maatschappij was op de meeste, essentiële punten socialistisch. Maar daar tegenover stonden ook zaken, die absoluut niet socialistisch waren. (bijvoorbeeld de tegenstellingen tussen de elite en de massa) Toch was de Inca-maatschappij voor mij socialistisch, want een staat die voor iedereen zorgt en voor iedereen plaats heeft, verdient dat predikaat. Het feit dat iedereen, elite en massa, jong en oud, meewerkte aan het voortbestaan van de maatschappij en de staat, is voor mij nog een bewijs voor mijn stelling. De argumenten vó ó r wegen voor mij zwaarder dan de argumenten tegen, al mogen deze natuurlijk niet vergeten worden.
Mijn mening en afsluiting
In de eerste plaats moet ik zeggen dat ik met enorm veel plezier aan dit werkstuk heb gewerkt. Dat kwam in de eerste plaats natuurlijk door het onderwerp. De Incas hebben mij altijd al geboeid, en na dit werkstuk eigenlijk nog meer. In de tweede plaats vond ik het heel leerzaam om dit werkstuk te maken. In het begin deed ik best veel dingen fout, maar na verloop van tijd werd ik steeds handiger in het opzoeken, analyseren en verwerken van informatie. Sommige fouten zal ik in de toekomst dan ook niet zo snel meer maken. In de derde plaats vond ik het leuk om een oude beschaving als die van de Incas te vergelijken met een systeem, het socialisme, dat eigenlijk pas echt ontwikkeld is in de negentiende eeuw. Dat vond ik enorm interessant. Ik ga in de toekomst tijdens mijn studie zeker wat Spaanse lectuur over de Incas lezen, want dat lijkt echt mateloos boeiend. Dit is het einde van mijn werkstuk. Ik weet dat het eigenlijk te lang is, maar dat komt doordat het onderwerp mij zo enorm interesseerde. Ik heb geprobeerd om geen onnodig lange verhalen te vertellen of onnodig uit te weiden, en ik hoop dat ik daarin ben geslaagd. Ik hoop in ieder geval dat u mijn werkstuk met net zo veel plezier heeft gelezen als dat ik het heb gemaakt!
Bronvermelding
Titel: Geschiedenis van Latijns-Amerika
Auteur: H.Ph. Vogel
Uitgave: Amsterdam, 1983
Bladzijden: 10 t/m 36
Titel: Zo leefden de Incas voor de ondergang van hun Rijk
Auteur: Louis Baudin
Uitgave: Baarn, 1958
Bladzijden: 1 t/m 266
Titel: A History of Latin America
Auteur: George Pendle
Uitgave: Harmondsworth, 1963
Bladzijden: 66 t/m 100
Titel: De Incas
Auteur: Dr. A.J.M. Claessen
Uitgave: Bussum, 1971
Bladzijden: 1 t/m 100
Titel: Lost City of the Incas
Auteur: Hiram Bingham
Uitgave: New York, 1949
Bladzijden: 1 t/m 145
Titel: Segunda parte de la Coró nica del Peru ( The General History of Peru )
Auteur: Pedro de Cieza de Leó n
Uitgave: onbekend, maar eerste druk was Madrid, 1880
Bladzijden: 1 t/m 56
Titel: Nueva Coronica y Buen Gobierno ( Letter to a King )
Auteur: Felipe Guaman Poma de Ayala
Uitgave: Dit werk was meer dan 300 jaar zoek, maar werd in 1906 in de bibliotheek van Copenhagen teruggevonden. Mijn versie: London, 1978
Bladzijden: 148 t/m 232
Titel: Bonte Mensheid, Een reis langs de volken der aarde
Auteur: Draga Jelaè i ã en Trudy Müller-Bosshard
Uitgave: Utrecht, 1981
Bladzijden: 393 t/m 433
Titel: Commentarios Reales de los Incas ( Royal Commentaries of the Incas )
Auteur: Garcilaso de la Vega
Uitgave: Mijn versie dateert uit 1966 en komt uit London, maar het origineel komt uit Madrid, 1609
Bladzijden: 1 t/m 168, plus diverse stukjes die door L. Baudin worden aangeraden.

